ECLI:NL:GHAMS:2026:1111
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in gezinshuis
De zaak betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van een 14-jarige minderjarige, die sinds juni 2021 uit huis is geplaatst vanwege een gespannen thuissituatie met conflicten tussen de ouders. De kinderrechter had de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 7 juni 2026. De vader is tegen deze verlenging in hoger beroep gegaan en verzocht om vernietiging of verkorting van de machtiging.
Het hof heeft de procedure behandeld waarbij ook de moeder, de gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming betrokken waren. Uit diverse rapporten, waaronder het NIKA-traject en het NIFP-rapport, blijkt dat de minderjarige zich sinds de uithuisplaatsing positief heeft ontwikkeld, rust ervaart en minder gedragsproblemen vertoont. De minderjarige heeft behoefte aan een stabiele en veilige opvoedomgeving buiten het conflict tussen haar ouders.
Het hof oordeelt dat de machtiging terecht is verleend en noodzakelijk blijft voor het welzijn en de ontwikkeling van de minderjarige. Hoewel de vader positieve stappen heeft gezet, is hij nog onvoldoende in staat om de emotionele behoeften van de minderjarige te waarborgen. Het hof onderschrijft het perspectiefbesluit dat de minderjarige in het gezinshuis moet opgroeien en wijst het beroep van de vader af. Tevens acht het hof het van belang dat de minderjarige een goede band met beide ouders behoudt en dat wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt bekrachtigd en het beroep van de vader wordt afgewezen.