ECLI:NL:GHAMS:2026:1121
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderalimentatie na verwijzing Hoge Raad over draagkracht vader
De zaak betreft een hoger beroep over de kinderalimentatie die de vader aan de moeder moet betalen voor hun twee kinderen. De rechtbank had het verzoek van de moeder afgewezen, maar het gerechtshof Den Haag stelde de bijdrage vast op €451,50 per kind per maand vanaf 30 december 2020, uitgaande van een vermogen van de vader uit de verkoop van percelen grond. De Hoge Raad vernietigde deze beschikking vanwege schending van het hoor en wederhoor, omdat de bewindvoerder van de vader niet kon reageren op de stellingen van de moeder over het vermogen.
Na verwijzing door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Amsterdam de zaak opnieuw behandeld. De vader gaf onvoldoende inzicht in zijn financiële situatie tot de toekenning van de bijstandsuitkering op 11 april 2023. Het hof oordeelde dat de vader vanaf 30 december 2020 voldoende draagkracht had om alimentatie te betalen, mede vanwege het vermogen uit de verkoop van percelen, ondanks dat hij geen bewijs leverde van schulden die dit vermogen zouden beperken.
Vanaf 11 april 2023 ontving de vader een bijstandsuitkering en had hij substantiële schulden, waardoor het hof de alimentatieverplichting vanaf die datum op nihil stelde. Het hof wees een indexering van de alimentatie over de periode tot 2023 af, omdat het vermogen van de vader was afgenomen. De beschikking van 17 december 2021 werd vernietigd en de alimentatieverplichting werd opnieuw vastgesteld met ingang van 30 december 2020 tot 11 april 2023, en nihil daarna.
Uitkomst: De vader moet vanaf 30 december 2020 kinderalimentatie betalen, maar vanaf 11 april 2023 is de bijdrage nihil vanwege bijstandsuitkering en schulden.