ECLI:NL:GHAMS:2026:119

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.358.678/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van minderjarigen in het kader van gezagskwesties en ontwikkelingsbedreigingen

In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Amsterdam, gaat het om de verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen, geboren in 2014, 2016 en 2019. De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland had eerder de ondertoezichtstelling verlengd tot 26 juni 2026, maar de vader van de kinderen is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep aangetekend. Hij verzoekt om afwijzing van het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling, of in ieder geval om een kortere verlenging. De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft vanwege de problematiek van de kinderen en de ouders.

Tijdens de zitting in hoger beroep op 26 november 2025 zijn de vader en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig, terwijl de moeder en de Raad voor de Kinderbescherming niet verschijnen. De vader stelt dat de kinderen zich goed ontwikkelen in zijn zorg en dat de hulpverlening te intensief is. De GI daarentegen wijst op de blijvende zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en de problematiek van de ouders.

Het hof concludeert dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen, maar dat er in de afgelopen maanden positieve ontwikkelingen zijn geweest. Het hof besluit de beschikking gedeeltelijk te bekrachtigen en gedeeltelijk te vernietigen, waarbij de ondertoezichtstelling voor de periode van 1 februari 2026 tot 26 juni 2026 wordt afgewezen. Het hof benadrukt het belang van stabiliteit voor de kinderen en dat zowel de vader als de moeder achter de huidige zorgverdeling staan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.678/01
zaaknummer rechtbank: C/15 / 364578 / JU RK 25-567
beschikking van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. E. Stam te Heerhugowaard,
en
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren [in] 2014 te [plaats A] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren [in] 2016 te [plaats A] ;
- de minderjarige [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), geboren [in] 2019 te [plaats A] ;
- [de moeder] (hierna: de moeder)
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie: [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
(hierna: de kinderen).
1.2
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie: Alkmaar) (hierna: de kinderrechter) heeft in een beschikking van 24 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking), voor zover hier van belang, de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 26 juni 2026.
De vader is het daar niet mee eens en wil dat het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen alsnog wordt afgewezen dan wel dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een kortere duur. De GI is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 3 september 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de bestreden beschikking.
2.2
De GI heeft op 6 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 21 november 2025 met bijlagen;
- een mailbericht van de zijde van de raad van 25 november 2025;
2.4
De zitting heeft op 26 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder en de raad zijn, met kennisgeving, niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van de kinderen. De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de vader. Zij zijn elk weekend van vrijdag tot en met zondag bij de moeder.
3.2
De kinderen staat sinds 26 juni 2023 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd.
3.3
Bij de in zoverre niet bestreden beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader verleend, met ingang van 24 juni 2025 tot 24 maart 2026.
3.4
Op 24 juni 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland (locatie: Alkmaar) het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen, afgewezen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de ondertoezichtstelling van de kinderen wordt verlengd tot 26 juni 2026.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, primair het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen en subsidiair de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van zes maanden, waarvan er zes maanden worden aangehouden. Het hof begrijpt dit verzoek aldus dat de vader subsidiair verzoekt de ondertoezichtstelling te verlengen voor zes maanden, en het verzoek voor het overige aan te houden.
4.3
De GI verzoekt – zo begrijpt het hof - de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige kan verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van het tweede lid van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft.
De standpunten
5.2
De vader vindt dat de ondertoezichtstelling niet had moeten worden verlengd. Volgens hem is niet voldaan aan de wettelijke vereisten. Er is geen sprake (meer) van een ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. De kinderen wonen inmiddels al geruime tijd bij hem in een stabiele, gestructureerde en veilige thuissituatie en ontwikkelen zich goed. De vader werkt mee aan alle hulpverlening, maar acht deze veel te intensief voor hem en de kinderen en voor wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betreft vindt hij de hulpverlening ook niet nodig. De vader is het met de GI eens dat er voor [minderjarige 3] nog wel verdere hulpverlening nodig is, maar dit kan volgens hem ook worden georganiseerd in het vrijwillig kader.
5.3
De GI meent dat de ondertoezichtstelling nog steeds noodzakelijk en in het belang van de kinderen is. Er is sprake van kindeigen problematiek bij alle drie de kinderen, waarvoor verdere hulpverlening noodzakelijk is. Daarnaast heeft de GI zorgen over het contact tussen de ouders. De vader ziet de zorgen onvoldoende in. Hij werkt weliswaar mee aan de hulpverlening, maar op zijn eigen voorwaarden. De moeder erkent de zorgen wel, maar heeft te maken met haar eigen problematiek, aldus de GI. De GI acht hulpverlening in vrijwillig kader dan ook niet toereikend.
5.4
De moeder heeft in een bericht aan de vader en de GI laten weten dat zij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de kinderen staat. De GI biedt volgens de moeder duidelijkheid, veiligheid en eerlijke kansen. Verder geeft de moeder in het bericht aan dat de kinderen zich goed ontwikkelen, zowel thuis als op school, en dat zij als moeder in deze periode de tijd neemt om aan zichzelf te werken.
De beoordeling door het hof
5.5
Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende gebleken. De kinderen hebben in het verleden in de thuissituatie ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt op het gebied van huiselijk geweld. Er was ten tijde van het uitspreken van de ondertoezichtstelling bij alle kinderen sprake van een ontwikkelingsachterstand en daarnaast kampten beide ouders met persoonlijke problematiek en problemen in hun onderlinge verstandhouding. Bij de kinderen werden de volgende zorgen gezien. [minderjarige 1] was teruggetrokken en had een laag zelfbeeld. [minderjarige 2] had moeite met haar weerbaarheid en het aangeven van grenzen. Ook liet zij in de thuissituatie manipulatief gedrag zien. [minderjarige 3] liet in de thuissituatie negatief gedrag zien zoals gillen, schreeuwen en het slaan van de vader.
Sinds oktober 2024 verblijven de kinderen doordeweeks bij de vader, aanvankelijk vrijwillig en sinds de in zoverre niet bestreden beschikking met een machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderen gaan elk weekend naar de moeder. Op deze manier kan de moeder werken aan haar persoonlijke problematiek (waaronder depressie en angstklachten).
5.6
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. De kinderen lieten alle drie kindsignalen zien en daarnaast waren er zorgen over de beschikbaarheid van beide ouders gelet op hun persoonlijke problematiek en onderlinge dynamiek. De ouders waren ten tijde van de bestreden beschikking nog onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid de genoemde bedreigingen weg te nemen. Daarom was naar het oordeel van het hof ten tijde van de bestreden beschikking voldaan aan de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen.
5.7
Uit de stukken alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat er in de afgelopen maanden positieve ontwikkelingen zijn geweest. Het lijkt goed te gaan met de kinderen in de thuissituatie bij de vader en dit wordt bevestigd door de door hem in het geding gebrachte berichten vanuit school over [minderjarige 3] (van 12 november 2025) en [minderjarige 1] (van 21 november 2025). De vader heeft tot op heden goed meegewerkt met de hulpverlening, is alle afspraken nagekomen en is erg betrokken bij school, zo heeft ook de GI ter zitting in hoger beroep aangegeven. Uit een bericht van GGZ van 15 juli 2025 volgt dat de vader actief heeft deelgenomen aan zijn agressieregulatietraining en deze heeft afgerond. Ten aanzien van [minderjarige 3] zijn de vader en de GI het erover eens dat verdere hulpverlening in de vorm van therapie bij praktijk Irene Heim voor hem noodzakelijk is. Het hof is van oordeel dat de GI onvoldoende heeft onderbouwd welke zorgen er ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog bestaan die maken dat er nog steeds sprake zou zijn van een ernstige bedreiging van hun ontwikkeling. Ten aanzien van [minderjarige 3] acht het hof de zorgen nog steeds actueel, maar voor hem wordt de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is, door de vader (en ook door de moeder) voldoende geaccepteerd gelet op hetgeen de vader daarover heeft aangegeven ter zitting in hoger beroep. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat op dit moment niet meer aan de gronden van artikel 1:255 BW is voldaan. Daarom zal het hof het inleidend verzoek van de GI afwijzen voor zover het de periode vanaf 1 februari 2026 tot 26 juni 2026 betreft. Zo heeft de GI nog kort de tijd om de zaken met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te wikkelen, en de hulpverlening voor [minderjarige 3] vanuit het gedwongen kader over te dragen naar het vrijwillige kader.
Ten overvloede overweegt het hof dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat zowel de vader als de moeder achter de huidige verdeling van de zorg voor de kinderen staan en dat het hof het in het belang van de kinderen acht dat deze verdeling voorlopig zo blijft, nu dit de kinderen stabiliteit en rust biedt.
5.8
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover de ondertoezichtstelling van de
kinderen is verlengd over de periode van 26 juni 2025 tot 1 februari 2026;
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover de ondertoezichtstelling van de
kinderen is verlengd over de periode van 1 februari 2026 tot 26 juni 2026;
wijst het inleidend verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van de kinderen te
verlengen alsnog af voor zover het de periode van 1 februari 2026 tot 26 juni 2026 betreft;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie
Alkmaar, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar
register;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.M van Baardewijk en
mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op
20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.