ECLI:NL:GHAMS:2026:1200
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs feitelijke macht over heroïne en medeplegen
In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2020 bevestigd, waarin verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde bezit en medeplegen van heroïne.
Het openbaar ministerie had een gevangenisstraf van 30 maanden geëist, maar het hof oordeelde dat op basis van het dossier niet kon worden vastgesteld dat de heroïne zich in de feitelijke machtssfeer van verdachte bevond. Het enkele feit dat het DNA van verdachte op een mondmasker in de woning werd aangetroffen, was onvoldoende om bezit of medeplegen te bewijzen.
Het hof verduidelijkte dat 'aanwezig hebben' in de zin van de Opiumwet betekent dat de verdachte feitelijke macht moet kunnen uitoefenen over de verdovende middelen, maar dat deze niet noodzakelijkerwijs in directe nabijheid hoeven te zijn. Uit het dossier bleek echter niet dat verdachte toegang had tot de slaapkamer waar de drugs lagen, noch dat hij een sleutel bezat of de verhuurder kende.
Daarmee ontbrak het bewijs voor bezit of medeplegen. Het hof voegde een nadere overweging toe aan de vrijspraak en bevestigde het vonnis van de rechtbank, waarmee verdachte definitief werd vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van feitelijke macht over heroïne en medeplegen.