Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1244

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
200.345.951/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWWet verevening pensioenrechten bij scheidingWet uitfasering pensioen in eigen beheerStb. 2017, 115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over afstorting pensioenverevening in eigen pensioenvennootschap na echtscheiding

Partijen zijn voormalig echtgenoten die in hoger beroep zijn gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam over de afstorting van pensioenverevening in een eigen pensioenvennootschap. De vrouw vordert afstorting van haar pensioenaandeel in de door haar opgerichte pensioenvennootschap, terwijl de man en zijn pensioen-bv zich verzetten tegen de hoogte en voorwaarden van deze afstorting.

De rechtbank had de man en zijn pensioen-bv veroordeeld tot afstorting van € 293.771,- aan de vrouw, met een dwangsom bij niet-nakoming. In hoger beroep betwist de man de hoogte van het bedrag en de voorwaarden waaronder de afstorting moet plaatsvinden. De vrouw vordert een hoger bedrag van € 413.872,-, gebaseerd op indexering van de pensioenaanspraken.

Het hof oordeelt dat de afstorting in de eigen pensioenvennootschap van de vrouw geen nadelige fiscale gevolgen hoeft te hebben en dat de man en zijn bv voldoende liquide middelen hebben om de afstorting te voldoen. De vorderingen van de man om de afstorting af te wijzen of te beperken worden afgewezen. De vordering van de vrouw tot een hogere afstorting op basis van indexering wordt eveneens afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en fiscale overwegingen.

Verder wordt de vrouw veroordeeld tot terugbetaling van onverschuldigde pensioentermijnen en proceskosten die zij onterecht heeft ontvangen. De proceskosten van de procedure worden tussen partijen gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. Het hof vernietigt het vonnis voor zover het de proceskosten betreft en wijst het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: Het hof wijst de meeste vorderingen af, veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van onverschuldigde pensioentermijnen en proceskosten, en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.345.951/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/712518 / HA ZA 22/50
arrest van de meervoudige familiekamer van 12 mei 2026
inzake
[eiser] ,
wonende te [plaats A] , en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[X] B.V.,
gevestigd te [plaats A] ,
appellanten,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. E.K.E. van Herk te Amsterdam,
procesadvocaat: mr. I.M.C.A. Reijnders Folmer te Amsterdam
tegen
[gedaagde ],
wonende te [plaats B] ,
geïntimeerde,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas.
Partijen worden hierna (gezamenlijk, in enkelvoud) [eiseres] . respectievelijk [eiser] en [X] -bv, en [gedaagde ] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1
[gedaagde ] en [eiser] zijn voormalig echtgenoten. [gedaagde ] heeft uit hoofde van de afwikkeling van het huwelijksvermogen aanspraak op haar aandeel van het in [X] -bv opgebouwde pensioenkapitaal. [gedaagde ] heeft daarom bij de rechtbank Amsterdam een vordering (in conventie) tegen [eiseres] . ingediend, strekkende tot het afstorten van haar pensioenaanspraak. [eiser] heeft daartegen verweer gevoerd.
1.2
De rechtbank heeft aan de hand van een deskundigenbericht de omvang van de ten behoeve van [gedaagde ] af te storten pensioenaanspraak vastgesteld en [eiseres] . veroordeeld tot afstorting van een bedrag van € 293.771,- in een door [gedaagde ] aan te wijzen eigen pensioenvennootschap. Aan deze verplichting heeft de rechtbank een dwangsom bij niet-nakoming verbonden van € 2.500,- per dag ten laste van [eiseres] .
[eiseres] . is verder nog veroordeeld in de proceskosten. [eiseres] . is het niet eens met deze veroordelingen en komt in hoger beroep daartegen op.
[gedaagde ] is het niet eens met de hoogte van het af te storten bedrag en zij komt daarvan in incidenteel hoger beroep.

2.Het geding in hoger beroep

In principaal en incidenteel hoger beroep
2.1
[eiseres] . is bij dagvaarding van 7 september 2024 (met spoed) in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2024 (hierna ook: het eindvonnis), 14 juni 2023, 11 oktober 2023 en 8 juni 2022, onder bovenvermeld zaaknummer in conventie gewezen tussen [gedaagde ] als eiseres en [eiseres] . als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven.
[eiser] heeft bij dagvaarding een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis van 21 augustus 2024. Dit incident heeft [eiseres] . op 1 oktober 2024 ingetrokken.
[eiseres] heeft in de hoofdzaak in het principaal hoger beroep de volgende (bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aangepaste) vorderingen ingesteld:
I. De vorderingen van geïntimeerde alsnog algeheel af te wijzen, althans enige af-— storting van pensioenaanspraken af te wijzen indien de afkoopsom daarvan niet gestort dient te worden onder een professionele verzekeraar, tegen aankoop van een direct ingaand ouderdomspensioen voor geïntimeerde;
II. Geïntimeerde te veroordelen om binnen 8 dagen na de dagtekening van het ten deze te wijzen arrest € 293.771 aan appellanten terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
III. Geïntimeerde te veroordelen om de door appellante sub 2 aan haar onverschuldigd uitgekeerde periodieke pensioentermijnen over de periode vanaf 1 april 2024 tot 1 oktober 2024 ad € 4.800,- binnen 8 dagen na de dagtekening van het ten deze te wijzen arrest aan appellante sub 2 terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
IV. Geïntimeerde te veroordelen om de door appellanten aan haar betaalde proceskosten ad € 15.978,64 aan hen terug te betalen binnen 8 dagen na de dagtekening van het ten deze te wijzen arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
V. Geïntimeerde te veroordelen om binnen 8 dagen na de dagtekening van het ten deze te wijzen arrest aan appellanten te betalen de helft van de kosten van de deskundige, die zij ingevolge het vonnis aan of ten behoeve van die deskundige hebben betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.
VI. Voorwaardelijk, voor het geval het Hof het vonnis van de rechtbank zou bekrachtigen op het stuk van de afstorting: geïntimeerde te gelasten alsnog de navolgende voorwaarden op te (laten) nemen in de statuten van de door [gedaagde ] opgerichte vennootschap, met wijziging in zoverre van de thans geldende bepalingen:
(a). De vennootschap heeft tot doel de uitkering van periodieke termijnen van het afgestorte pensioen dat aan [gedaagde ] toekomt uit hoofde van verevening op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van in eigen beheer in [X] B.V. opgebouwd ouderdomspensioen;
(b) De vennootschap wordt bestuurd door tenminste twee personen, namelijk enerzijds [gedaagde ] en anderzijds ofwel één van de drie zonen van [gedaagde ] en [eiser] , ofwel een door de rechter benoemde onafhankelijk bestuurder; en
(c). Besluiten van het bestuur, waaronder besluiten tot uitkering of overdracht van enig geldbedrag, slechts bij unanimiteit van bestuurders kunnen worden genomen en dat elk besluit tot betaling of uitkering van enig individueel bedrag dat afzonderlijk of gezamenlijk met andere betalingen EUR 1.500 per maand overstijgt, een voorafgaand unaniem, schriftelijk bestuursbesluit (d.w.z. minimaal twee handtekeningen) vereist; en
(d). Het bestuur de vennootschap vertegenwoordigt en dat de bevoegdheid tot
vertegenwoordiging slechts toekomt aan twee gezamenlijk handelende bestuurders, zodat er géén zelfstandig bevoegde bestuurders zijn; en
(e) Er bij ontstentenis van een bestuurder geen rechtsgeldige besluiten kunnen worden genomen totdat in de ontstane vacature is voorzien, en er bij belet van een bestuurder geen rechtsgeldige besluiten kunnen worden genomen totdat het belet is opgeheven; en dat bij ontstentenis of belet van enig bestuurder de vertegenwoordigingsbevoegdheid van enige resterende bestuurder is geschorst;
(f). Wijziging van de statuten is uitgesloten.
Het onder VI onder a t/m f bepaalde op straffe van een dwangsom van € 5.000 per overtreding en per dag dat de overtreding voortduurt.
VII. Althans ten aanzien van het gevorderde sub I t/m VI. een zodanige beslissing te
geven als uw Hof in goede Justitie zal vermenen te behoren.
Het een en ander met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de gedingen in
beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.
2.3
In de procedure bij de rechtbank heeft [eiseres] . in reconventie aan de orde gesteld dat [gedaagde ] misbruik van recht maakt en dat zij de schade die [eiser] dientengevolge lijdt en heeft geleden dient te vergoeden. De rechtbank heeft de vorderingen in reconventie bij (op dit onderdeel: eind-)vonnis van 14 juni 2023 afgewezen en [eiseres] . in de proceskosten van de reconventie veroordeeld. Van dit onderdeel heeft [eiseres] . destijds geen hoger beroep ingesteld en dit onderdeel van het geschil tussen partijen kan dan ook niet in dit hoger beroep aan de orde komen. De dagvaarding in hoger beroep vermeldt ook met zoveel woorden dat [eiseres] . in hoger beroep komt van de vonnissen die in conventie tussen partijen zijn gewezen.
2.4
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van antwoord in het principaal hoger beroep, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Het hof merkt op dat deze memorie tevens een vermindering van eis in principaal hoger beroep bevat. Het petitum van deze akte is hiervoor aangehaald en zal bij de bespreking van de vorderingen tot uitgangspunt worden genomen.
2.5
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 29 oktober 2025 laten toelichten, [eiseres] . door mr. Van Herk en [gedaagde ] door mr. Dongelmans, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen vastgesteld dat de stukken, vergezeld van het H3 formulier van mr. Dongelmans van 9 oktober 2025 (door [gedaagde ] uitgebrachte dagvaarding van 29 augustus 2025), tezamen met het H12 formulier van mr. Reinders Folmer van 14 oktober 2025 (producties H-1 t/m H-5) en tezamen met het H12 formulier van mr. Reinders Folmer van 27 oktober 2025 (producties H-6) deel uitmaken van het procesdossier.
2.6
Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling, gelet op het door mr. Dongelmans geuite bezwaar en nadat partijen zich hierover hadden uitgelaten, beslist dat de conclusie van antwoord in incidenteel appel tot aan pagina 11 – dus het gedeelte waar volgens [gedaagde ] geen acht op moet worden geslagen – buiten beschouwing dient te worden gelaten vanwege strijd met de goede procesorde, in het bijzonder de twee-conclusieregel. Het gedeelte vanaf ‘ad III. Vermindering van eis’ op pagina 11 neemt het hof wel in beschouwing.
2.7
Mr. Dongelmans heeft de vordering van [gedaagde ] in het incidenteel hoger beroep in haar pleitnota met instemming van de zijde van [eiseres] . aangepast, in die zin dat hetgeen [eiser] op 20 september 2024 al heeft betaald op grond van het eindvonnis in mindering kan worden gebracht op de door [gedaagde ] in incidenteel hoger beroep gevorderde hoofdsom.
2.8
[gedaagde ] vordert in incidenteel hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende [eiser] en [X] -bv hoofdelijk, des dat als de een betaald/afgestort heeft, ook de ander zal zijn gekweten, te veroordelen om de pensioenaanspraken (ouderdoms- en nabestaandenpensioen) van de vrouw, zijnde een bedrag van € 413.872,- binnen vier weken na het te wijzen arrest ten behoeve van [gedaagde ] in haar pensioenvennootschap te storten, onder aftrek van het reeds op 20 september 2024 betaalde bedrag van € 293.771,-, met handhaving van de veroordelingen in het bestreden vonnis voor het overige en onder veroordeling van [eiseres] . in de kosten van deze procedure.
2.9
Vervolgens is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.1 Partijen zijn [in] 1993 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 18 november 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2019 in de registers van de burgerlijke stand.
3.1.2 Bij genoemde echtscheidingsbeschikking is - voor zover thans van belang – de echtscheiding uitgesproken en is bepaald dat [eiser] aan [gedaagde ] € 23.495,- per maand dient te betalen als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.1.3 Bij beschikking van dit gerechtshof van 4 februari 2020 is de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover daarin is bepaald dat [eiser] € 23.495,- per maand als partneralimentatie aan [gedaagde ] dient te betalen en voor zover daarin het verzoek van [eiser] [gedaagde ] te veroordelen de woning in [plaats C] te verlaten is afgewezen. Het hof heeft een iets lagere partneralimentatie vastgesteld en een aantal andere, voor deze zaak niet relevante, beslissingen genomen.
3.1.4 Bij vonnis van 22 juli 2020 heeft de rechtbank te Amsterdam de verdeling gelast van de eenvoudige gemeenschap van partijen bestaande in het gezamenlijk vakantiehuis te [plaats D] , waarbij [gedaagde ] is veroordeeld mee te werken aan de verkoop daarvan. Tegen deze beslissing is [gedaagde ] in hoger beroep gegaan bij dit hof. Bij arrest van 23 juni 2023 heeft dit hof uitspraak gedaan, waarbij partijen zijn veroordeeld tot de verkoop van de woning te [plaats D] .
3.1.5 [gedaagde ] is op 31 juli 2020 een procedure gestart in [plaats D] betreffende de aldaar gelegen vakantiewoning en een gezamenlijke bankrekening van partijen met als inzet dat zij de vakantiewoning mag blijven gebruiken.
3.1.6 De Hoge Raad heeft op 2 juli 2021 het door [eiser] ingediende cassatieberoep en het door [gedaagde ] incidenteel ingestelde cassatieberoep tegen de beslissingen van het hof in zake de echtscheiding verworpen.
3.1.7 Op basis van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (hierna:
WVPS) zijn partijen verplicht om het tijdens het huwelijk opgebouwde
pensioen te verevenen. De vereveningsverplichting strekt zich uit over de periode van 20 maart 1993 tot 18 november 2019.
3.1.8 Door [eiser] is pensioen opgebouwd in [X] -bv. [eiser] en [gedaagde ] ontvangen beiden maandelijks een pensioen uit [X] -bv. [gedaagde ] ontving in eerste instantie een pensioenuitkering van€ 1.000,- per maand en later, per 1 juli 2021 een pensioenuitkering van € 800,- per maand. [eiser] is directeur-(middellijk) eigenaar van [X] -bv. [X] -bv is een dochteronderneming van de besloten vennootschap [X] B.V. [eiser] is ook directeur van [X] B.V.
3.1.9 [eiseres] . heeft aangegeven zich te verzetten tegen conversie van de pensioenaanspraken en er ligt geen vordering voor uit hoofde van conversie. Partijen gaan uit van verevening van de ouderdomspensioenaanspraken.

4.Beoordeling

in principaal hoger beroep
ontvankelijkheid
4.1
[gedaagde ] heeft in haar memorie van antwoord aangevoerd dat [eiseres] . geen grief heeft gericht tegen het tussenvonnis van 14 juni 2023, zodat de overweging in dat tussenvonnis (r.o. 23), “
een en ander leidt er toe dat de vrouw naar het oordeel van de rechtbank aanspraak kan maken op afstorting van haar pensioenaanspraken” niet wordt aangetast. Naar de mening van [gedaagde ] kan [eiseres] . dan ook geen grieven naar voren brengen tegen het eindvonnis van 21 augustus 2024, omdat daarbij alleen nog de hoogte van het af te storten bedrag is vastgesteld. [gedaagde ] stelt dat [eiseres] . niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.
4.2
Het hof overweegt dat [eiseres] . in de dagvaarding in hoger beroep heeft aangegeven in beroep te komen tegen de vonnissen die tussen partijen zijn gewezen op 8 juni 2022, 14 juni 2023, 11 oktober 2023 en tegen het eindvonnis van 21 augustus 2024.
[eiseres] . heeft vervolgens in de toelichting op zijn eerste grief de nodige argumenten aangevoerd die in de weg staan aan – het verwezenlijken van – de aanspraak van [gedaagde ] tot het afstorten van haar aandeel in het pensioenkapitaal. Daarmee is het debat in hoger beroep ook gegaan over de (on)voorwaardelijkheid van de aanspraak van [gedaagde ] , en zal het hof aan de hand van het gevoerde debat dienen te beslissen over de aanspraak van [gedaagde ] . In zoverre kan [eiseres] . worden ontvangen in zijn hoger beroep.
grief 1
4.3.1
De eerste grief van [eiseres] . valt uiteen in drie onderdelen. In het eerste onderdeel stelt [eiseres] . aan de orde dat de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin de verplichting tot afstorten is uitgewerkt, niet leidt tot de verplichting om het in eigen beheer opgebouwde pensioenaandeel af te storten in een nog op te richten eigen pensioenvennootschap van de wederpartij. Ratio van de afstortingsverplichting is dat het aandeel uit de risicosfeer van de – in de regel door de afstortingsplichtige beheerde – pensioenvennootschap wordt gehaald. Om die reden vindt ook altijd afstorting plaats onder een pensioenverzekeraar, aldus [eiseres] .
[gedaagde ] voert verweer.
4.3.2
Het hof overweegt dat sinds 2017 de pensioenopbouw in eigen beheer niet meer mogelijk is, vanwege de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen (Stb. 2017, 115). De mogelijkheden tot het afstorten onder een externe verzekeraar zijn sindsdien (verder) afgenomen.
De rechtbank heeft in het verlengde hiervan tussen partijen onder r.o. 18 van het eindvonnis vastgesteld dat voor [gedaagde ] de “
mogelijkheden om de afstorting te doen bij een externe pensioenverzekeraar zeer beperkt zijn gezien haar leeftijd”. Tegen deze vaststelling als zodanig is [eiseres] . niet met een grief opgekomen. Uit rechtsoverweging 3.5 van HR 15 juli 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1080) volgt dat indien afstorting niet mogelijk is omdat verzekeraars die mogelijkheid niet meer aanbieden de rechter dient na te gaan of partijen een alternatief hebben voorgedragen dat, met inachtneming van de mogelijke fiscale consequenties, zoveel mogelijk recht doet aan de door pensioenverevening gewaarborgde belangen.
4.3.3
Het hof overweegt dat niet ter discussie staat dat de afstorting in een door [gedaagde ] opgerichte pensioenvennootschap op zichzelf gezien geen nadelige fiscale consequenties behoeft te hebben. Het hof heeft onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat de door [gedaagde ] opgerichte vennootschap niet als zodanig heeft te gelden.
[eiseres] . heeft er op gewezen dat [gedaagde ] de nodige schulden heeft en geneigd zal zijn deze vanuit haar pensioen-bv te betalen, wat tot nadelige fiscale gevolgen zal leiden. [gedaagde ] heeft deze stelling echter gemotiveerd bestreden. Zij is weliswaar geldleningen vanuit haar pensioen-bv aangegaan, maar zij zorgt voor voldoende liquide middelen waardoor de uitkering zal zijn gewaarborgd. [gedaagde ] heeft verder gewezen op de waarde van haar aandeel in de woning in [plaats D] , dat zeker 1 miljoen euro bedraagt. Ook dat vermogen vormt voldoende zekerheid voor de nakoming van verplichtingen.
De rechtbank heeft onder rechtsoverweging 18 van het eindvonnis verder overwogen dat het gekozen alternatief een (wankel) evenwicht tussen partijen oplevert waarbij zij over en weer het belang van de ander – denk aan een nabestaandenpensioenaanspraak die zich bij het (voor)overlijden van de ander zal realiseren – in het oog dienen te houden. Voor zover [eiseres] . met zijn toelichting heeft willen zeggen dat dit evenwicht té wankel is, had het op zijn weg gelegen betere alternatieven voor te dragen in het licht van de voor beide partijen te waarborgen belangen. Daarbij komt dat de financiële handel en wandel van [X] -bv, als hieronder (met name 4.5.2) nader te bespreken, het belang van het uit de jurisprudentie volgende uitgangspunt onderstreept, waarbij als gezegd het in beginsel aan de ene partij toekomende aandeel uit de risicosfeer van de door de andere partij beheerde vennootschap wordt overgebracht. Dit onderdeel van de eerste grief slaagt bij deze stand van zaken niet.
4.4.1
Met het tweede onderdeel van de eerste grief van [eiseres] . stelt hij aan de orde dat ten onrechte zowel [eiser] , als [X] -bv is veroordeeld tot betaling van het bedrag dat dient tot afstorting. Het is een verplichting die rust op [X] -bv, aldus [eiseres] ., en zoals de formulering in het dictum nu luidt, kan [gedaagde ] betaling verlangen van zowel [eiser] in persoon als van [X] -bv.
4.4.2
Het hof constateert dat het dictum van het eindvonnis onder I vermeldt dat “gedaagden” worden veroordeeld om de pensioenaanspraken van [gedaagde ] af te storten. Onder II is de veroordeling van “gedaagden” opgenomen om binnen een maand na het vonnis het bedrag te storten, op straffe van een dwangsom.
Evident is – ook tussen partijen is hier geen discussie over - dat het uitgangspunt is dat de gelden die dienen tot betaling ter voldoening aan de afstortingsverplichting, vanuit [X] -bv moeten worden opgebracht. Het dictum maakt daarin geen onderscheid; de betalingsverplichting zelf en de verplichting tot het (doen) verrichten van de betalingshandeling door de (middellijk) bestuurder zijn niet geheel uitgewerkt. Het tweede onderdeel van de eerste grief stelt dat in zoverre terecht aan de orde.
[eiseres] . heeft echter geen belang bij verdere behandeling van dit onderdeel van zijn grief. Zoals [gedaagde ] ook heeft aangegeven, is inmiddels uitvoering gegeven aan het dictum en voor iedereen is duidelijk op wie de betalingsverplichting zelf rustte. Gelet op de verdere uitkomst van deze procedure kan het hof volstaan met de voorgaande vaststellingen en behoeft dit onderdeel geen verdere behandeling.
4.5.1
[eiseres] . voert in de toelichting op het derde onderdeel van de eerste grief aan dat de rechtbank ten onrechte [eiseres] . heeft veroordeeld tot afstorting tot een bedrag van € 293.771,-. [eiseres] . heeft gemotiveerd gesteld dat slechts voor een bedrag van € 3.946,- aan liquide middelen aanwezig is in [X] -bv, in combinatie met een vordering van € 252.378,- op [X] BV, dus in totaal € 256.324,-. Afstorting dient zodanig plaats te vinden dat de aanspraken van beide partijen in beginsel zoveel als mogelijk in dezelfde mate zijn verzekerd. Een tekort zal dan ook in beginsel gelijkelijk moeten worden gedeeld. Betaling van het genoemde bedrag zal ertoe leiden dat [X] -bv al haar liquiditeiten kwijt zal zijn, en er dus geen geld achterblijft voor uitbetaling van het aan [eiser] zelf toekomende pensioen. [eiseres] . wijst erop dat vanwege de extreem hoge alimentatieverplichting van [eiser] , hij wel moest interen op het vermogen. [eiser] heeft onroerend goed aan zijn vennootschap moeten overdragen om zijn schuld in rekening-courant te verminderen en hij heeft onroerend goed van de hand moeten doen voor de betaling van belastingschulden als gevolg van dividendheffing. [eiseres] . wijst verder op de weigerachtige houding van [gedaagde ] waar het gaat om de verkoop van de woning in [plaats D] . Indien [eiser] had kunnen beschikken over zijn aandeel in de opbrengst van die woning, had hij niet hoeven lenen van zijn BV’s. Vanwege deze omstandigheden is het verwijt dat [eiser] gelden heeft onttrokken aan zijn pensioen-bv onterecht.
4.5.2
Het hof overweegt dat [gedaagde ] er terecht op heeft gewezen dat over de jaren 2021-2023 een bedrag van € 672.000,- in [X] -bv is gevloeid, vanwege dividenduitkeringen vanuit de deelneming in [Y] B.V. Ook is de vaststelling van de rechtbank in het eindvonnis dat [eiser] € 625.000,- aan [X] -bv heeft onttrokken juist, in die zin dat deze liquide middelen ook weer uit [X] -bv zijn gevloeid. [eiseres] . heeft er op gewezen dat vanwege de extreem hoge alimentatieverplichting en het tegenwerken van de verkoop van de woning in [plaats D] door [gedaagde ] , deze liquide middelen buiten [X] -bv moesten worden aangewend.
Zoals ter zitting in hoger beroep besproken, is een deel van deze liquide middelen ter beschikking gekomen van [X] B.V., in de vorm van geldleningen. [eiser] heeft in dit verband verklaard dat er geen liquiditeit is verdwenen, maar dat hij liquiditeit naar [X] B.V. heeft overgebracht. Desgevraagd heeft [eiser] bevestigd dat uit de jaarstukken blijkt dat [X] B.V. eind 2022 een reserve had van afgerond 9 miljoen euro, en dat vanwege de Wet excessief lenen de schuld van 7 miljoen euro die hij aan [X] B.V. had is afgelost. Daarmee is de liquide positie van [X] B.V. sterk verbeterd. Dit betekent ook dat [X] B.V. zijn schuld aan [X] -bv moet kunnen betalen. Daarnaast is het niet langer noodzakelijk dat [X] -bv de liquide middelen die zij uit de dividenduitkeringen van (haar deelneming in) [Y] B.V. verkrijgt aan [X] B.V. doorleent. Daarbij is van belang dat [eiseres] . zelf heeft gesteld dat uit de deelneming in [Y] B.V. over de periode 2012 tot en met 2020 in totaal een dividend van € 364.000,- is verkregen, en dat over de periode 2021-2023 een bedrag van € 672.000,- aan dividend is uitgekeerd. Bij die stand van zaken ziet het hof niet in dat [X] -bv een liquiditeitsprobleem zou hebben vanwege de betaling van het door de rechtbank vastgestelde bedrag naast de “reguliere” betalingen aan [eiser] zelf als pensioengerechtigde. Daarnaast heeft [eiseres] . onder deze omstandigheden onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat er na afstorting van de pensioenaanspraken van [gedaagde ] onvoldoende kapitaal in de vennootschap achterblijft of kan worden vrijgemaakt om de met het aandeel van [eiser] corresponderende pensioenaanspraak te dekken. De slotsom moet immers zijn dat [eiser] het in zijn macht heeft de (ruimschoots) voorhanden zijnde liquiditeiten en toekomstige kasstroom aan te wenden ter dekking van de verplichtingen van [X] -bv.
4.5.3
Het beroep van [eiseres] . op rechtsverwerking als gedaan ter zitting in hoger beroep, zal het hof niet behandelen, gelet op het bezwaar van de zijde van [gedaagde ] en de strijd met de goede procesorde. In het bijzonder heeft hier nog te gelden dat de rechtbank in haar tussenvonnis van 14 juni 2023 een beroep op rechtsverwerking al gemotiveerd heeft afgewezen, hetgeen temeer in de weg staat aan verdere behandeling van het door [eiseres] . eerst ter zitting naar voren gebrachte bezwaar. Wat er zij van dat bezwaar, het is in hoger beroep te laat opgevoerd.
De slotsom van het voorgaande is dat de eerste grief op alle onderdelen faalt. De daarmee samenhangende vorderingen van [eiseres] . in het petitum onder I. en II. zal het hof afwijzen.
grief 2
4.6
De tweede grief behoeft geen behandeling, nu deze is ingetrokken. De vordering onder V. van het oorspronkelijke petitum in de appeldagvaarding, heeft [eiseres] . ingetrokken.
grief 3
4.7.1
De derde grief van [eiseres] . is van procedurele aard. [eiseres] . richt zijn derde grief tegen het oordeel van de rechtbank dat het processueel niet langer mogelijk was de (voorwaardelijke) vordering in reconventie die [eiseres] . voorafgaande aan de mondelinge behandeling van 15 juli 2024 heeft ingesteld in behandeling te nemen. [eiseres] . wijst erop dat hij eerder – en tijdig - een vordering in reconventie had ingesteld, zodat het [eiseres] . vrij stond om voorafgaande aan de zitting bij de rechtbank de eis in reconventie te vermeerderen en te vorderen dat aan een afstorting de door [eiseres] . aangegeven voorwaarden zouden worden verbonden. [eiseres] . vordert daarom in hoger beroep voorwaarden te stellen aan de afstorting.
4.7.2
Het hof overweegt dat in beginsel, indien een vordering in reconventie tijdig is ingesteld, de eis in reconventie op een later moment kan worden gewijzigd en vermeerderd zoals [eiseres] . aangeeft. In dit geval heeft de rechtbank in haar vonnis van 14 juni 2023 in de procedure in reconventie al een eindvonnis gewezen en dat ook met zoveel woorden gezegd, waardoor de procedure in reconventie met dat eindvonnis is geëindigd. Het stond [eiseres] . dan ook niet meer vrij een nieuwe vordering in reconventie in eerste aanleg in te stellen. Om diezelfde reden kan [eiseres] . in onderhavige beroepsprocedure haar vorderingen evenmin aanvullen of wijzigen. Onderhavige beroepsprocedure heeft immers uitsluitend betrekking op de beslissing op het in conventie door [gedaagde ] gevorderde. Aan het hof ligt (of liggen) in deze procedure dus geen vordering(en) van [eiseres] . voor. Aanvulling of wijziging daarvan is dus ook niet mogelijk. Bij die stand van zaken kan de derde grief niet slagen, en dientengevolge dienen de vorderingen van [eiseres] . onder VI. van het petitum te worden afgewezen.
grief 4 en grief 5
4.8.1
Met zijn vierde grief stelt [eiseres] . aan de orde dat hij ten onrechte (volledig) in de proceskosten is veroordeeld; ook de hoogte van het door de rechtbank toegewezen bedrag trekt [eiseres] . in twijfel. De vijfde grief richt [eiseres] . tegen het oordeel van de rechtbank dat de kosten van de deskundige bij helfte door partijen moet worden gedragen.
4.8.2
De vierde grief slaagt naar het oordeel van het hof in zoverre, dat het hof van oordeel is dat het geschil zozeer samenhangt met de afwikkeling van het huwelijkse vermogen van partijen dat het materieel een geschil is tussen partijen als voormalig echtgenoten, waardoor een compensatie van kosten in de rede ligt. In dit verband slaagt de vijfde grief niet, nu een verdeling van de kosten van de deskundige, juist om te komen tot de vaststelling van de vermogensrechtelijke aanspraak voortvloeiende uit het huwelijk, volgens dezelfde gedachtegang in de rede ligt. Het betekent dat het petitum onder V. dient te worden afgewezen.
Het voorgaande betekent verder dat het dictum van het eindvonnis op het onderdeel III, waarin de proceskostenveroordeling ten laste van [eiseres] . is uitgesproken dient te worden vernietigd, en dat de gevorderde terugbetaling van het bedrag onder IV. van het petitum, dient te worden toegewezen. De verschuldigdheid van de daarover gevorderde wettelijke rente is niet betwist en [gedaagde ] kan geacht worden in verzuim te zijn met de terugbetaling vanaf het moment van betaling, zodat ook dit onderdeel zal worden toegewezen, als hierna te melden. Daarbij heeft te gelden dat, voor zover deze betaling is gelegen voor het moment van dagvaarding (in hoger beroep) de vordering tot betaling van wettelijke rente op basis van de vordering (vanaf datum dagvaarding) dient te worden toegewezen.
Over de hoogte van de uitgesproken proceskostenveroordeling hoeft het hof zich dan verder niet uit te laten; overigens, de berekening van de hoogte van de proceskosten heeft de advocaat van [gedaagde ] onder randnummer 33 in haar memorie van antwoord uitgewerkt en deze komt terecht uit op het door de rechtbank uitgesproken bedrag van € 15.978,64.
grief 6
4.9
De zesde grief van [eiseres] . slaagt. Tussen partijen staat immers vast dat de pensioenuitkeringen in de tussentijd (april t/m september 2024) al vanuit [X] -bv aan [gedaagde ] zijn betaald, en dat deze dienen te worden afge-/verrekend in het kader van de afstorting. Nu het bedrag van de afstorting is voldaan, zal het hof de terugbetaling van deze termijnen zoals onder III. van het petitum gevorderd toewijzen. De niet betwiste vordering uit hoofde van de wettelijke rente zal het hof eveneens toewijzen nu [gedaagde ] geacht kan worden in verzuim te zijn vanaf de aangezegde datum.
grief 7
4.1
Ten aanzien van de zevende grief van [eiseres] overweegt het hof dat hij geen materieel belang heeft bij deze grief.
Bij de bespreking van de eerste grief heeft het hof al inhoudelijk overwogen – kort gezegd – dat [X] -bv geen (liquiditeits-)probleem zou moeten hebben om de “reguliere” betalingen aan [eiser] zelf als pensioengerechtigde te kunnen doen en dat onvoldoende is gesteld om aan te kunnen nemen dat er na afstorting van de pensioenaanspraken van [gedaagde ] onvoldoende kapitaal in de vennootschap achterblijft of kan worden vrijgemaakt om de met het aandeel van [eiser] corresponderende pensioenaanspraak te dekken. Dat de rechtbank in haar overwegingen melding maakt van onttrekkingen aan [X] -b.v. door middel van een dividenduitkering is niet terecht; tegenover de vermogensverschuivingen vanuit [X] -bv staan vorderingen op de derden, met name op [X] B.V. Zoals ter zitting in hoger beroep besproken kan in dit verband hooguit zijn gedoeld op het afnemen van liquide middelen. Ook is het juist dat [eiseres] . eerder al, en voorafgaande aan deze procedure (vanaf 2017), liquide middelen vanuit [X] -bv aan derden ter beschikking heeft gesteld. Dit alles leidt echter niet tot aantasting van het dictum van het eindvonnis. Deze grief behoeft dan ook in het licht van hetgeen bij de bespreking van de eerste grief aan de orde is gekomen, geen verdere bespreking.
grief 8
4.11
[eiseres] . stelt met zijn achtste grief aan de orde dat de rechtbank ten onrechte niet heeft overwogen of beslist, althans onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat afstorting alleen kan plaatsvinden in een door [gedaagde ] op te richten
pensioenvennootschap. [eiseres] . is onder I. van het dictum veroordeeld tot het afstorten in een door [gedaagde ] aan te wijzen eigen pensioenvennootschap, maar onder II van het dictum is sprake van een “eigen vennootschap” van [gedaagde ] .
Deze grief is naar het oordeel van het hof gebaseerd op een te enge uitleg van het dictum van het eindvonnis. Onderdeel II van het dictum beschrijft de termijn waarbinnen de betaling aan de eigen vennootschap van [gedaagde ] moet worden gedaan op straffe van een dwangsom. De betalingsverplichting zelf is nader beschreven in onderdeel I van het dictum: “af te storten in de door de vrouw aan te wijzen eigen pensioenvennootschap ten behoeve van de vrouw”. Daarmee is zonder meer duidelijk dat de betaling door [eiseres] .. ter voldoening aan de verplichting tot afstorting, dient plaats te vinden aan het adres van de door de vrouw aan te wijzen eigen pensioenvennootschap ten behoeve van de vrouw. [gedaagde ] heeft in dit verband aangegeven dat afstorting in de door haar opgerichte pensioenvennootschap [Z] B.V. inmiddels heeft plaatsgevonden. Het hof heeft geen aanleiding om aan te nemen dat geen sprake is van een pensioenvennootschap. Daarbij gaat het niet zozeer om de doelomschrijving van de vennootschap als wel om het feitelijk beheer van de gestorte gelden en de uitvoering van de pensioenverplichting. Het hof volstaat hier met een verwijzing naar de overweging 4.3.3.
grief 9
4.12
De negende grief ziet op de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het eindvonnis. Gelet op het gegeven dat [eiseres] . de vordering in het incident tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring heeft ingetrokken en reeds uitvoering is gegeven aan het eindvonnis, behoeft deze grief in het licht van de onderhavige uitspraak en nu een nadere toelichting op het daarmee te dienen belang ontbreekt, geen verdere bespreking.
slotsom in principaal hoger beroep
4.13
De slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van [eiseres] . in het principaal hoger beroep onder I, II en V dienen te worden afgewezen. Ook het gevorderde onder VI komt in het licht van bovenstaande overwegingen niet voor toewijzing in aanmerking. Voor het hof bestaat er geen aanleiding zelfstandig een andere beslissing te nemen die het hof geraden acht, als gevorderd onder VIII. De vorderingen sub III en IV, die zien op de pensioentermijnen die al door [X] -bv aan [gedaagde ] zijn betaald respectievelijk de proceskosten van de procedure in conventie bij de rechtbank, zullen worden toegewezen.
in incidenteel hoger beroep
grief 1
4.14
De eerste grief van [gedaagde ] richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat “de man zijn woning verkocht heeft […]”. [gedaagde ] wijst erop dat het gaat om één van de vakantiewoningen van [eiser] , niet de woning die [eiser] bewoont.
Het hof overweegt dat deze grief zich niet richt tegen een dragende overweging, niet ziet op aanpassing van enig onderdeel van het dictum van het eindvonnis en dat [eiseres] . ook terecht aanvoert dat geen vordering is verbonden aan deze grief. Daarmee heeft [gedaagde ] geen belang bij (verdere) behandeling van deze grief.
grief 2
4.15.1
[gedaagde ] richt haar tweede grief tegen de door de rechtbank vastgestelde omvang van de contant gemaakte waarde van de aan [gedaagde ] toekomende pensioenaanspraak. [gedaagde ] stelt zich op het standpunt dat, vanwege de gedane pensioentoezeggingen (overgelegd als producties 10, 11 en 12) die – behoudens gewichtige redenen - gestand gedaan moeten worden, uitgegaan dient te worden van de verplichting tot indexering en wel vanaf 31 december 2015, dan wel vanaf 31 december 2018, waardoor haar aandeel een hogere waarde vertegenwoordigt. Mede gelet op de dekkingsgraad zoals door de deskundige berekend op pagina 3 van zijn rapport was er voldoende dekking aanwezig voor indexering vanaf 31 december 2015. [gedaagde ] heeft als productie 13 een berekening in het geding gebracht van haar pensioendeskundige, waarbij het af te storten bedrag per 20 september 2024 is berekend op € 413.872,-. [gedaagde ] vordert afstorting van het bedrag dat resteert na verrekening van het bedrag van € 413.872,- met de reeds gedane afstorting van € 293.771,-.
[eiseres] . voert verweer. In het navolgende zal worden ingegaan op het verweer.
4.15.2
Het hof stelt voorop dat de rechtbank het bedrag van de afstorting heeft vastgesteld tegen 1 april 2024. Daar heeft [gedaagde ] geen grief tegen gericht, zodat ook het hof zal uitgaan van die datum bij de vaststelling van de omvang van de afstortingsverplichting.
4.15.3
[gedaagde ] stelt aan de orde dat eenmaal gedane pensioentoezeggingen gestand moeten worden gedaan, behoudens gewichtige redenen. Daarmee miskent [gedaagde ] naar het oordeel van het hof de strekking van de uitspraak van de Hoge Raad van 17 november 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1596). Daaruit volgt dat waar het de vereveningsgerechtigde echtgenoot betreft, het moet gaan om reeds opgebouwde aanspraken. Voor zover het gaat om toekomstige in eigen beheer opgebouwde pensioenverplichtingen, kunnen deze aanspraken (ook zonder toestemming) in beginsel gewijzigd worden. Ratio achter deze benadering is dat voorkomen moet worden dat voornamelijk met het oog op een op handen zijnde ontbinding van het huwelijk de pensioenaanspraken van de vereveningsgerechtigde zouden kunnen worden verminderd. De laatste pensioenovereenkomst, die diende ter vervanging van de daaraan voorafgaande, is van mei 2004 en heeft als ingangsdatum 1 juni 2004. Deze overeenkomst is ruimschoots voorafgaande aan de echtscheiding aangegaan. Dat deze pensioenovereenkomst leidt tot een vermindering van reeds opgebouwde aanspraken heeft [gedaagde ] – ook in het licht van hetgeen onder 4.15.4 en 4.15.5 wordt overwogen - niet voldoende onderbouwd. In beide overeenkomsten is immers opgenomen dat de indexering betrekking heeft op
reeds ingeganepensioenen.
Ten aanzien van de indexeringsregeling heeft nog in het bijzonder te gelden dat de rechtsverhouding tussen de werkgever en werknemer bij overeenkomst tussen de BV en de DGA per 1 juni 2004 materieel is gewijzigd, waarbij onder meer een voorwaardelijke indexeringsregeling van toepassing is. Deze heeft ook jegens [gedaagde ] te gelden. Opgenomen is dat de pensioenen na ingang
zoveel mogelijkwaarde- of welvaartsvast worden gehouden en op deze (gebruikelijke) grondslag dient thans te worden verevend.
4.15.4
Zoals [eiseres] . heeft aangevoerd, heeft de deskundige Beishuizen in zijn rapport van 29 maart 2024 aangegeven dat de dekking voor het eerst in 2022 boven de honderd procent uitkwam; voordien fluctueerde deze (tussen de 38 en 80 procent), zodat eerst met ingang van 2023 een indexering aan de orde kón zijn. De deskundige heeft vervolgens met een na-indexatie (van 2%) gerekend.
4.15.5
Op verzoek van [gedaagde ] heeft de deskundige ook de dekking onderzocht uitgaande van de intrinsieke waarde van de deelneming van [X] -bv in [Y] B.V. De deskundige geeft aan dat in dat geval de dekking met ingang van 2018 boven de honderd procent zou uitstijgen, waarmee de indexering vanaf 2019 zou kunnen worden toegepast. Het hof stelt vast dat de vordering van [gedaagde ] die is gebaseerd op een indexering vanaf 31 december 2015 hoe dan ook niet op deze grond kan worden toegewezen.
Het hof overweegt voorts dat de deskundige geen rekening heeft gehouden met indexatie op de door [gedaagde ] voorgestane wijze, maar dat hij voor een prudente, fiscaal aanvaardbare benadering heeft gekozen. De deskundige heeft erop gewezen dat, indien fiscaal gezien sprake is van afkoop, de gehele pensioenaanspraak belast kan zijn. Verder geeft de deskundige aan dat “
Het achterwege laten van indexatie (geen actieve handeling, maar passief) leidt niet tot een fiscale afkoop met bijbehorende sanctie”. De deskundige heeft daarmee zijn keuze op een begrijpelijke en voor het hof aanvaardbare wijze gemotiveerd. Als gezegd heeft de deskundige vervolgens met een (fiscaal aanvaardbare) na-indexatie (van 2%) gerekend.
[gedaagde ] heeft er nog op gewezen dat “
het juist boeken” van een bedrag van € 130.680,- in 2015 ertoe zou hebben geleid dat er hogere bedragen zouden zijn berekend. Deze stelling en de gevolgen daarvan voor haar vorderingen, heeft zij echter onvoldoende uitgewerkt. De vorderingen van [gedaagde ] gebaseerd op (inhaal) indexering kunnen bij deze stand van zaken niet worden toegewezen en de tweede grief slaagt ook in zoverre niet.
4.15.6
De overweging van de rechtbank ten aanzien van de waarde van de aandelen van [X] -bv, is naar het oordeel van het hof verder niet relevant. nu de rechtbank tevens op goede gronden heeft overwogen dat het bij afstorting gaat om de contante, commerciële waarde van de aanspraak, waarbij de heersende marktrente tot uitgangspunt wordt genomen, en de vaststelling van de contante waarde van het aandeel van [gedaagde ] op die uitgangspunten is gebaseerd.
slotsom incidenteel hoger beroep
4.16
De slotsom in het incidenteel hoger beroep is dat de grieven niet slagen en dat de vorderingen van [gedaagde ] dienen te worden afgewezen.
in principaal en incidenteel hoger beroep
4.17
Beide partijen hebben bewijs aangeboden. Het hof komt in het licht van het bovenstaande niet toe aan dit aanbod. Er resteren geen feitelijke stellingen die voor bewijslevering in aanmerking komen.
4.18
Nu het materiële geschil een uitvloeisel vormt van het huwelijk tussen partijen, is het hof van oordeel dat de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in (principaal en incidenteel) hoger beroep, tussen partijen dienen te worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. Dit oordeel brengt mee dat de door de rechtbank uitgesproken kostenveroordeling ten laste van [eiseres] . niet in stand kan blijven en het vonnis op dit onderdeel zal worden vernietigd. [gedaagde ] dient de proceskosten die [eiseres] . uit hoofde van het vonnis al aan haar heeft betaald, terug te betalen.

5.Beslissing

Het hof:
in principaal hoge beroep:
vernietigt het dictum onder III. van het vonnis van 21 augustus 2024 en op dit onderdeel opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [gedaagde ] tot terugbetaling aan [eiseres] . van een bedrag van € 15.978,64 binnen 8 dagen na dagtekening van dit arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf de dag van feitelijke betaling door [eiseres] .aan [gedaagde ] (althans vanaf de dag van de dagvaarding in hoger beroep voor zover deze datum is gelegen na de datum van de feitelijke betaling) tot de dag der algehele terugbetaling;
veroordeelt [gedaagde ] de door [X] B.V. aan haar uitgekeerde periodieke pensioentermijnen over de periode 1 april 2024 tot 1 oktober 2024 ad € 4.800,- binnen 8 dagen na dagtekening van dit arrest aan [X] B.V. terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
verklaart de uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
in principaal en incidenteel hoger beroep:
bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. H.A. van den Berg, mr. A.V.T. de Bie en mr. T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.