Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 juli 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De man en vrouw zijn in 1991 gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2014 gescheiden. De vrouw vorderde pensioenverevening van de man, die pensioen opbouwde in zijn eigen BV. Het hof stelde een deskundige aan om de commerciële waarde van de pensioenaanspraak te bepalen en oordeelde dat de man zorg moest dragen voor afstorting van de waarde bij een externe verzekeraar. De man stelde dat onvoldoende kapitaal aanwezig was, maar leverde onvoldoende bewijs.
De Hoge Raad stelt dat de waarde van de pensioenaanspraak moet worden bepaald op het moment van echtscheiding, maar de commerciële waarde voor afstorting op het moment van afstorting. Indien onvoldoende kapitaal aanwezig is, moet het tekort in principe evenredig worden verdeeld, tenzij het tekort aan de man kan worden toegerekend. Ook moet worden beoordeeld of de BV de middelen kan vrijmaken zonder bedrijfscontinuïteit te schaden.
Daarnaast stelde de man aanspraak op vergoeding van een erfenis onder uitsluitingsclausule die hij tijdens het huwelijk ontving. Het hof wees dit af omdat geen sprake was van vermogensverschuiving. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte voorbijging aan de stelling dat de erfenis aan gemeenschapsschulden was besteed, waardoor het vergoedingsrecht opnieuw moet worden beoordeeld.
De Hoge Raad vernietigt de hofbeslissingen van 2016 en 2020 en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de pensioenverevening en het vergoedingsrecht opnieuw moeten worden beoordeeld met inachtneming van de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hof vonnis en verwijst de zaak voor hernieuwde beoordeling van pensioenverevening en vergoedingsrecht.