De zaak betreft het gezag over drie jonge kinderen met een complexe medische en ontwikkelingsachterstand en de omgang met hun vader. De rechtbank had het gezamenlijk gezag beëindigd en de moeder het eenhoofdig gezag gegeven, terwijl het verzoek van de vader om een omgangsregeling werd afgewezen. De vader ging in hoger beroep en wilde het gezamenlijk gezag behouden en omgang met de kinderen.
De ouders zijn in 2013 getrouwd en in 2022 gescheiden. De kinderen wonen bij de moeder, die sinds november 2022 de zorg volledig draagt. De kinderen hebben ernstige medische problemen, waaronder het syndroom van Down, cerebrale parese en hartproblemen, en zijn afhankelijk van intensieve zorg en begeleiding. De vader is sinds november 2022 afwezig in het leven van de kinderen en heeft geen bijdrage geleverd aan hun zorg.
Het hof overweegt dat gezamenlijk gezag alleen mogelijk is als ouders in staat zijn om adequaat en snel beslissingen te nemen. De vader is recent gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking en is niet stabiel genoeg om de noodzakelijke spoedeisende beslissingen te nemen. De moeder draagt de zorg en heeft een sterk zorgnetwerk opgebouwd. Het hof acht het risico dat noodzakelijke beslissingen niet tijdig worden genomen bij gezamenlijk gezag onaanvaardbaar.
Ten aanzien van omgang oordeelt het hof dat de kinderen rust en stabiliteit nodig hebben en dat omgang met de vader op dit moment een te grote belasting zou vormen. De vader heeft onvoldoende mogelijkheden om omgang veilig en passend vorm te geven. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de vader af.