Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1333

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/3866 tot en met 24/3867
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:45 AwbArt. 31 RvArt. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke belastingzaak stond de proceskostenvergoeding in beroep centraal. De rechtbank had een vergoeding toegekend op basis van twee procespunten, maar belanghebbende stelde dat ook een half punt voor schriftelijke inlichtingen had moeten worden meegenomen. Het hof oordeelde dat de rechtbank een kennelijke fout had gemaakt door dit niet mee te nemen en stelde de vergoeding dienovereenkomstig hoger vast.

De rechtbank had een vergoeding van € 1.312,50 voor zeven samenhangende zaken toegekend, terwijl het hof dit verhoogde naar € 1.751,25, wat neerkomt op € 500,36 voor de twee onderhavige zaken samen. Het hof vernietigde het deel van het vonnis over de proceskostenvergoeding in beroep en veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van dit bedrag.

Tegelijkertijd besloot het hof om geen proceskostenvergoeding toe te kennen voor de behandeling van het hoger beroep zelf, vanwege bijzondere omstandigheden en het oordeel dat het maken van kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand in deze situatie niet redelijk was. Het hof wees erop dat de fout van de rechtbank eenvoudig had kunnen worden hersteld zonder hoger beroep.

Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht in hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door de derde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 14 april 2026.

Uitkomst: Het hof verhoogt de proceskostenvergoeding in beroep en vernietigt het vonnis van de rechtbank op dat punt, maar kent geen vergoeding toe voor het hoger beroep zelf.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 24/3866 en 24/3867
14 april 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach)
tegen de uitspraak van 17 oktober 2024 in de zaak met kenmerken AMS 24/2835 en 24/2842 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op de beroepen van belanghebbende betreffende de aan hem door de heffingsambtenaar toegekende kostenvergoeding in bezwaar (belanghebbende is in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’):
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraken voor zover daarin is beslist dat er een waarde van € 310,- per punt wordt toegekend voor de kosten in bezwaar;
- bepaalt dat een waarde van € 624,- per punt wordt toegekend voor wat betreft de kosten in bezwaar, dat de heffingsambtenaar als gevolg daarvan nog in totaal € 628,- aan eiser moet betalen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde gedeeltes van de uitspraken;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 102,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 375,- aan proceskosten aan eiser;
- beslist dat, voor zover de proceskostenvergoedingen en het griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.”
1.2.
In het daartegen door belanghebbende ingestelde hoger beroep heeft belanghebbende een hogerberoepschrift ingediend en de heffingsambtenaar een verweerschrift.
1.3.
Beide partijen hebben kenbaar gemaakt geen zitting te wensen. Het Hof heeft partijen vervolgens bij brief van 12 maart 2026 bericht dat het onderzoek is gesloten en dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.
2. Feiten
2.1.
Tijdens het vooronderzoek heeft de rechtbank partijen bij brief van 30 juli 2024 het volgende verzocht:
“De rechtbank wenst door partijen geïnformeerd te worden wat de gevolgen zijn van het arrest van de Hoge Raad [
Hof: HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060] voor het bestreden besluit. De rechtbank verzoekt partijen om uiterlijk op 14 augustus 2024 een nadere toelichting hierop te geven.”
2.2.
Belanghebbende heeft op dit verzoek gereageerd bij brief van 2 augustus 2024. In deze brief is onder andere vermeld:
“Er is sprake van schriftelijke inlichtingen, zodat ik u verzoek een half punt toe te kennen (zie art. 8:45 Awb Pro jo. Bijlage a1 onder 5).”
2.3.
In de zittingsaantekeningen van de zitting bij de rechtbank is onder meer het volgende opgenomen:
“Rechter: Los van de vraag welke wegingsfactor speelt, is mogelijk ook nog het aantal toe te
kennen procespunten in geschil. Meneer [A]
[Hof: kantoorgenoot van de gemachtigde]hoeveel procespunten wenst u vergoed te krijgen in totaal? Wenst u ook voor de zitting bij de rechtbank een procespunt?
[A] : Wij wensen in totaal 4 procespunten vergoed te krijgen. Een punt voor bezwaar, een voor de hoorzitting in bezwaar, een punt voor het beroepschrift en een punt voor de zitting in de beroepsfase. Ik verzoek u dit toe te kennen.”

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep ligt uitsluitend de vraag voor of de rechtbank bij de toegekende proceskostenvergoeding in beroep met het juiste aantal voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen heeft gerekend.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen:

Proceskosten in beroep
(…)
15. De rechtbank kent één punt toe voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 875,-. De rechtbank past op de waarde een factor van 0,5 toe omdat de zaak een licht gewicht heeft. Aangezien er meer dan vier samenhangende zaken zijn, wordt een factor 1,5 toegepast. De totale proceskosten in beroep bedragen daarmee € 1.312,50 voor de zeven samenhangende zaken. Per zaak bedraagt de proceskostenvergoeding € 187,50.”

5.Beoordeling van het geschil

5.1.
De rechtbank is bij het berekenen van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) uitgegaan van twee punten voor proceshandelingen, te weten één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting. Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat ook een half punt in aanmerking genomen had moeten worden voor op de voet van artikel 8:45 Awb Pro verstrekte schriftelijke inlichtingen als bedoeld in bijlage A1 bij het Besluit. Belanghebbende heeft hierbij verwezen naar haar onder 2.1 vermelde brief van 2 augustus 2024, in reactie op het verzoek om inlichtingen van de rechtbank van 30 juli 2024. De heffingsambtenaar heeft het standpunt van belanghebbende onderschreven.
5.2.
De grief van belanghebbende slaagt. Het Hof zal de te vergoeden proceskosten voor de behandeling van het beroep opnieuw vaststellen, waarbij de overige elementen van de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet in geschil zijn. Het Hof bepaalt de op de voet van het Besluit te vergoeden proceskosten voor de beroepsfase op € 1.751,25 [2,5 x € 934 (tarief 2026) x 0,5 x 1,5] voor de zeven samenhangende zaken gezamenlijk. Dat betekent per zaak een proceskostenvergoeding voor beroep van € 250,18 en voor de twee onderhavige zaken samen dus € 500,36. Het hoger beroep is gegrond en het Hof zal de uitspraak van de rechtbank in zoverre vernietigen.

6.Proceskosten in hoger beroep

Het Hof vindt in de onderhavige zaak wegens bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit aanleiding om geen proceskostenvergoeding toe te kennen voor de behandeling van het hoger beroep. Naar het oordeel van het Hof is het maken van kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand in de omstandigheden van het onderhavige geval niet redelijk. De door de rechtbank gemaakte misslag bij de bepaling van de toe te kennen proceskostenvergoeding, die de rechtbank overigens heeft overgenomen van de onjuiste mededeling ter zitting van de gemachtigde zelf over het in aanmerking te nemen puntenaantal (zie 2.3), terwijl hij duidelijk beoogde om voor alle proceshandelingen punten toegekend te krijgen (zie 2.2), betreft een kennelijke fout. Die kennelijke fout had met een eenvoudige melding aan de rechtbank hersteld kunnen worden (vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, r.o. 3.3 en de in voetnoot 9 van dat arrest vermelde wetsgeschiedenis (
Kamerstukken II1999/2000, 27 024, nr. 3, blz. 7)). Belanghebbende had de rechtbank ook kunnen verzoeken om een hersteluitspraak op de voet van artikel 31 Rv Pro en ook dan was het rechtsmiddel van hoger beroep voor het herstel van deze kennelijke fout niet nodig geweest (
Kamerstukken II1999/2000, 26 855, nr. 5, blz. 32).

7.Beslissing

Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover het de beslissing inzake de vergoeding van proceskosten in beroep betreft;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten in beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 500,36;
- beslist dat, voor zover de door het Hof aanvullend toegekende vergoeding van proceskosten in beroep van € 125,36 niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan;
- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende te vergoeden het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138, en
- beslist dat, voor zover de door het Hof gelaste vergoeding van het griffierecht in hoger beroep niet tijdig geschiedt, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, J-P.R. van den Berg en
M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: