ECLI:NL:GHAMS:2026:135

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
200.349.212
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake huurrecht bedrijfsruimte en servicekosten

In deze zaak gaat het om een hoger beroep betreffende een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte. De appellant, vertegenwoordigd door mr. T.P. de Heer, heeft in hoger beroep de vordering tot betaling van een achterstand in servicekosten ingediend, welke door de verhuurster is onderbouwd. De vordering tot betaling van een huurachterstand is afgewezen omdat deze onvoldoende is onderbouwd. De kantonrechter had eerder de vorderingen van de appellant afgewezen, maar het hof heeft in hoger beroep geoordeeld dat de vordering tot betaling van servicekosten over 2022 en 2023 voldoende is onderbouwd. Het hof heeft de appellant gedeeltelijk in het gelijk gesteld en de vordering tot betaling van € 53.089,62 aan servicekosten toegewezen, evenals een contractuele boete van € 2.500,00. De appellant heeft ook een waarborgsom van € 15.709,02 gevorderd, die het hof heeft toegewezen, mits deze nog niet is gesteld. De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming is niet meer aan de orde, omdat de appellant dit in hoger beroep niet heeft gevorderd. De proceskosten in hoger beroep zijn voor rekening van de geïntimeerde, die in het ongelijk is gesteld. Het arrest is uitgesproken op 13 januari 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.349.212/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 10922691/ CV EXPL 24-313
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellant],
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. T.P. de Heer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
gevestigd te [plaats 1] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Aygün te Breukelen (onttrokken).
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte. De vordering tot betaling van een achterstand in servicekosten wordt toegewezen omdat verhuurster die vordering in hoger beroep nader heeft onderbouwd. De vordering tot betaling van een huurachterstand wordt ook in hoger beroep afgewezen omdat deze vordering onvoldoende is onderbouwd.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 23 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 18 april 2024 (hierna: het bestreden tussenvonnis) en het eindvonnis van 25 juli 2024 (hierna: het bestreden eindvonnis en beide vonnissen hierna: de bestreden vonnissen) van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter), beide achtereenvolgens onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
[appellant] heeft op 25 februari 2025 een memorie van grieven, met producties 17-30, ingediend.
De advocaat van [geïntimeerde] heeft zich op de rol van 8 april 2025 onttrokken. De zaak is verwezen naar de rol van 22 april 2025 om [geïntimeerde] de gelegenheid te geven een nieuwe advocaat te stellen. Op de rol van 22 april 2025 heeft [geïntimeerde] geen nieuwe advocaat gesteld.
Na beraad heeft [appellant] op de rol van 17 juni 2025 arrest gevraagd.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden eindvonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen.
Grief 1houdt in dat deze feitenvaststelling onjuist is, voor zover het de vaststelling betreft van de betalingsverplichting bij aanvang van de huur. Deze grief is terecht voorgesteld, maar kan op zichzelf niet leiden tot vernietiging van het bestreden eindvonnis. Het hof zal met deze grief rekening houden bij het vaststellen van de feiten. De juistheid van de overige door de kantonrechter vastgestelde feiten is niet in geschil. Deze feiten dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. De feiten komen neer op het volgende.
3.1.
[appellant] heeft met (de rechtsvoorgangster van) [geïntimeerde] met ingang van 1 september 2020 een huurovereenkomst gesloten voor de bedrijfsruimte aan het adres [straat] [nummer] in
[plaats 2] (hierna: het gehuurde). De huurovereenkomst is aangegaan voor een jaar en aansluitend telkens met een jaar verlengd. Het gehuurde is onderdeel van een bedrijfsverzamelgebouw. Bij het aangaan van de huurovereenkomst bedroeg de totale betalingsverplichting van [geïntimeerde] aan [appellant] € 3.631,00 per maand, bestaande uit € 3.327,50 aan huur en € 303,50 aan voorschot servicekosten (beide bedragen inclusief btw). Deze bedragen zijn bij vooruitbetaling verschuldigd.
3.2.
Artikel 5.2 van de huurovereenkomst luidt
:
“De kosten van de door of vanwege Verhuurder te leveren zaken en diensten worden conform artikel 18 van de Algemene bepalingen door middel van voorschotten met jaarlijkse nacalculatie afgerekend. Zoals volgt uit artikel 18 Algemene bepalingen verstrekt Verhuurder aan Huurder na afloop van het jaar waarop de servicekosten betrekking hebben over dat jaar een rubrieksgewijs overzicht van de kosten van de geleverde zaken en diensten. Wat blijkens het overzicht over de betreffende periode, rekening houdend met de gedane voorschotbetalingen, door Huurder te weinig is betaald of door Verhuurder te veel is ontvangen, wordt na verstrekking van het overzicht bijbetaald of terugbetaald.”
3.3.
Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW (ROZ, versie 2015, hierna: de algemene bepalingen) van toepassing.
3.4.
In artikel 18.4 van de algemene bepalingen staat onder andere:
“Na afloop van het servicekostenjaar verstrekt Verhuurder aan Huurder binnen 12 maanden na afloop van het jaar over elk jaar een rubrieksgewijs overzicht van de kosten van de levering van zaken en diensten, met vermelding van de wijze van berekening daarvan en van, voor zover van toepassing, het aandeel van Huurder in die kosten op zodanige wijze dat Huurder de toerekening van de kosten zelfstandig kan vaststellen. Uitgangspunt is dat Verhuurder het rubrieksgewijs overzicht binnen 12 maanden na afloop van het jaar verstrekt. Indien Verhuurder niet in staat is dit overzicht tijdig te verstrekken zal Verhuurder dit met redenen omkleed aan Huurder meedelen (...).”
3.5.
Bij factuur van 9 augustus 2023 heeft [appellant] bij [geïntimeerde] bij wijze van afrekening een bedrag van € 91.567,62 aan servicekosten over het jaar 2022 in rekening gebracht. [geïntimeerde] heeft deze factuur niet betaald.
3.6.
Bij factuur van 8 november 2023 heeft [appellant] een bedrag van € 38.478,00 aan servicekosten over het jaar 2023 gecrediteerd.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
[appellant] heeft bij de kantonrechter, samengevat, gevorderd om, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 85.404,30, te vermeerderen met de contractuele boeterente van € 500,00 per maand vanaf 9 februari 2024;
II. de huurovereenkomst te ontbinden en [geïntimeerde] te veroordelen om het gehuurde te ontruimen;
III. [geïntimeerde] te veroordelen de lopende huurtermijnen vanaf 1 februari 2024 te voldoen tot de ontbinding van de overeenkomst en tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de huurtermijnen vanaf de ontbinding totdat het gehuurde aan een ander zal worden verhuurd, althans tot de ontruiming;
IV. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[appellant] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd – samengevat – dat zij een bedrag van € 75.885,48 in hoofdsom te vorderen heeft gekregen omdat [geïntimeerde] een achterstand heeft in de betaling van de huur en de afrekeningen van servicekosten over 2022 en 2023. Daardoor is [geïntimeerde] ook contractuele boeterente en incassokosten verschuldigd.
4.3.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] het gevorderde bedrag aan [appellant] verschuldigd is.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten (inclusief de nakosten).

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert vernietiging van de bestreden vonnissen en – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – haar vorderingen alsnog toe te wijzen, met inachtneming van onderstaande wijziging van eis, samengevat:
- [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] een bedrag te voldoen van € 53.089,62, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 2 december 2023;
- [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] een bedrag te voldoen van € 5.154,50 (contractuele boetes tot en met november 2023);
- [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] een bedrag te voldoen van € 481,78, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
- [geïntimeerde] te veroordelen tot het betalen van een waarborgsom ter hoogte van € 15.709,02;
- [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te betalen de contractuele boete van € 250,00 per dag vanaf 25 februari 2025 tot aan de dag van algehele betaling van de waarborgsom;
- [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] binnen zeven dagen na het wijzen van het arrest te voldoen de vastgestelde contractuele buitengerechtelijke kosten van € 8.035,71, althans een bedrag van € 1.310,71 aan buitengerechtelijke kosten conform de BIK, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties en tot terugbetaling van de proceskosten in eerste aanleg, met rente.
5.2.
[appellant] heeft aangeboden haar stellingen nader te bewijzen.

6.Beoordeling

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep bestreden tussenvonnis
6.1.
Tegen het bestreden tussenvonnis, waarbij een comparitie van partijen is bepaald, is geen grief gericht. [appellant] is daarom niet-ontvankelijk in haar beroep daarvan.
Hoger beroep eindvonnis treft gedeeltelijk doel
6.2.
Voor zover het hoger beroep is gericht tegen het bestreden eindvonnis treft dit gedeeltelijk doel. Het volgende is daarvoor redengevend.
Afrekening servicekosten 2022 en 2023
6.3.
In eerste aanleg heeft [appellant] , naast de factuur van € 91.567,62, ter nadere onderbouwing van de servicekosten over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 een rubrieksgewijs overzicht overgelegd van de nadere kosten van de levering van zaken en diensten, met vermelding van de wijze van berekening daarvan en het procentuele aandeel van [geïntimeerde] . De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen omdat [appellant] deze, tegenover de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] , onvoldoende had onderbouwd. Met
grief 4komt [appellant] tegen dit oordeel op.
6.4.
In hoger beroep heeft [appellant] haar vordering betreffende de afrekening servicekosten nader onderbouwd. Zij heeft inzicht gegeven in hoe het aandeel van [geïntimeerde] in de kosten van de levering van de verschillende zaken en diensten is vastgesteld alsmede een nieuw overzicht en onderliggende facturen overgelegd. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg van de afrekening servicekosten uitsluitend de hoogte van de in rekening gebrachte elektriciteitskosten betwist. Dit betekent dat de vordering wat betreft de overige posten (onderhoud verlichting, groenvoorziening, ongediertebestrijding, waterlevering, onderhoud deuren, glasbewassing en individueel) niet is betwist en zich reeds om die reden voor toewijzing leent. Daarbij komt dat [appellant] in hoger beroep voldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] de bedragen is verschuldigd die haar voor deze posten in rekening zijn gebracht.
6.5.
Wat betreft de elektriciteitskosten heeft [appellant] in hoger beroep toegelicht dat in de transformatorruimte voor het bedrijfscomplex waarvan het gehuurde onderdeel uitmaakt een hoofdmeter staat en dat vervolgens een tussenmeter voor iedere individuele huurder is geplaatst tussen de hoofdmeter en de bedrijfsruimte van de desbetreffende individuele huurder, waarmee [appellant] het daadwerkelijke verbruik per gehuurde bedrijfsruimte kan meten. Daarbij heeft zij een overzicht van de plaatselijke situatie en foto’s van de meterstanden van de tussenmeters overgelegd. Uit dit overzicht blijkt het volgende energieverbruik van [geïntimeerde] :
Periode
Verbruik [geïntimeerde] (kWh)
2020
2.431 kWh
2021
61.986 kWh
2022
164.388 kWh
2023
3.675 kWh
2024
4.345 kWh
Verder heeft [appellant] een overzicht overgelegd van het algemene elektriciteitsverbruik van het bedrijfscomplex, de servicekosten voor het bedrijfscomplex en de onderliggende facturen. Uit deze stukken blijkt dat voor het gehele complex in 2022 een bedrag van € 136.057,36 (exclusief btw) aan elektriciteitsverbruik is uitgegeven, waarvan een bedrag van € 76.755,73 (exclusief btw) het aandeel van [geïntimeerde] betreft. Tot slot heeft [appellant] een bedrijf opdracht gegeven om na te gaan of de elektriciteitsmeter(s) juist functioneerde(n). De uitkomst van dat onderzoek was dat de hoofdmeter, de tussenmeters en de ampères zijn gecontroleerd en goed bevonden.
6.6.
Gelet op het voorgaande heeft [appellant] in hoger beroep ook de kosten voor het elektriciteitsverbruik in de servicekostenafrekening over 2022 voldoende gemotiveerd, zodat ook dat onderdeel van de vordering van [appellant] zal worden toegewezen. Grief 4 slaagt. Dit brengt mee dat de vordering voor de servicekostenafrekeningen over 2022 (met aftrek van de creditfactuur voorschot servicekosten 2023 van € 38.478,00, zie rov. 3.6) van € 53.089,62 zal worden toegewezen.
Btw over servicekosten
6.7.
Grief 5klaagt over het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] niet heeft toegelicht waarom zij btw belast aan [geïntimeerde] . De grief is terecht voorgesteld. Immers, [appellant] heeft gesteld dat uit artikel 4 van de huurovereenkomst blijkt dat partijen hebben geopteerd voor met btw belaste verhuur en dat tevens is verklaard dat het gehuurde blijvend wordt gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van omzetbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 bestaat. Zowel de huur als de servicekosten zijn met btw belast, aldus nog steeds [appellant] . Verder heeft zij nog aangevoerd dat in de huurovereenkomst uitdrukkelijk door partijen is geopteerd voor met btw belaste verhuur en dat mochten de leveringen van goederen en diensten waarvoor servicekosten worden berekend voor de btw-heffing opgaan in de huur, deze leveringen van goederen en diensten opgaan in de huur waarvoor is geopteerd voor btw. Dat betekent dat [appellant] zowel in het geval dat sprake is van afzonderlijke prestaties als dat sprake is van servicekosten die opgaan in de huur, [appellant] btw over de servicekosten in rekening kon brengen. Tot slot beroept [appellant] zich nog op artikel 19 algemene bepalingen, waarin is bepaald dat indien huurder niet langer omzetbelasting is verschuldigd, huurder alsdan een zodanige afzonderlijke vergoeding aan verhuurder is verschuldigd zodat deze volledig wordt gecompenseerd.
6.8.
Gelet op een en ander heeft [appellant] voldoende toegelicht waarom zij btw over de servicekosten in rekening kan brengen aan [geïntimeerde] .
Vordering [appellant] ten aanzien van het meerdere van het bedrag van € 53.089,62
6.9.
Met
grief 3komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen aanleiding bestaat voor toewijzing van het meerdere van het bedrag van € 53.089,62 aan servicekosten omdat niet toegelicht is en inzichtelijk is geworden waar dat bedrag uit bestaat. In hoger beroep heeft [appellant] weliswaar haar eis gewijzigd in dier voege dat zij een bedrag van € 481,78 vordert vanwege een betalingsachterstand in de periodieke betalingsverplichting uit de huurovereenkomst, maar de grief heeft betrekking op de overweging van de kantonrechter dat de achterstand tot en met juni 2024 € 59.862,62 bedraagt en (bijna) volledig bestaat uit volgens [appellant] nog verschuldigde servicekosten. Ook in hoger beroep heeft [appellant] nog altijd niet inzichtelijk gemaakt hoe deze betalingsachterstand is opgebouwd en is deze nog steeds niet controleerbaar, voor zover deze ziet op het meerdere van het bedrag van € 53.089,62 zowel in juni 2024 als ten tijde van haar eiswijziging in hoger beroep. Dit betekent dat de grief faalt en de vordering van [appellant] ten aanzien van het meerdere van het bedrag van € 53.089,62 ook in hoger beroep zal worden afgewezen. Bij deze stand van zaken heeft
grief 2ook geen succes.
Ontbinding en ontruiming
6.10.
Omdat [appellant] in hoger beroep geen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde meer heeft gevorderd, heeft [appellant] geen belang bij bespreking van
grief 6.
Contractuele boete
6.11.
Grief 7keert zich tegen de afwijzing van de contractuele boetes die [appellant] heeft gevorderd over de betalingsachterstand. [appellant] vordert een contractuele boete van € 5.154,50.
6.12.
Voor zover [appellant] de contractuele boete vordert vanwege het niet tijdig voldoen aan de verplichting tot betaling van hetgeen [geïntimeerde] op grond van de afrekening servicekosten verschuldigd is, zal die vordering worden afgewezen omdat [appellant] zelf ook niet tijdig conform artikel 18.4 van de algemene bepalingen binnen 12 maanden na de afloop van het jaar over dat jaar aan [geïntimeerde] heeft verstrekt een rubrieksgewijs overzicht van de kosten van de levering van zaken en diensten, met vermelding van de wijze van berekening daarvan en van, voor zover van toepassing, het aandeel van [geïntimeerde] in die kosten op zodanige wijze dat [geïntimeerde] de toerekening van de kosten zelfstandig kan vaststellen. Voor zover de boete is gevorderd vanwege het niet tijdig voldoen van de huur over de maanden januari, februari, maart, april en november 2023 zal deze worden toegewezen. Uit producties 1 en 2 bij de conclusie van antwoord blijkt dat de huur over die maanden is betaald op: 13 februari, 13 maart, 22 maart, 7 april en 14 november 2023, terwijl de huur bij vooruitbetaling is verschuldigd en uiterlijk moet zijn voldaan vóór of op de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft (artikel 4.10 van de huurovereenkomst). Dit betekent dat de gevorderde contractuele boete voor een bedrag van 5 maanden x € 500,00 = € 2.500,00 zal worden toegewezen.
Wettelijke rente en proceskosten procedure kantonrechter
6.13.
Met
grief 8betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte de gevorderde wettelijke rente heeft afgewezen en haar in de proceskosten heeft veroordeeld.
6.14.
Omdat [appellant] pas in hoger beroep voor het eerst haar vordering betreffende de afrekening servicekosten heeft onderbouwd en deze in eerste aanleg ook naar het oordeel van het hof in het licht van de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd was, ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel over de proceskostenveroordeling te komen. Om dezelfde reden zal de over de servicekostenafrekening gevorderde wettelijke rente eerst toewijsbaar zijn vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest. De primair gevorderde wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar omdat de betaling van de servicekosten niet de primaire verplichting uit de huurovereenkomst is. Het voorgaande betekent dat grief 8 faalt.
Slotsom, eiswijziging, bewijsaanbod en proceskosten hoger beroep
6.15.
Het hoger beroep heeft gedeeltelijk succes. Grief 4 slaagt en ook de grieven 1 en 5 zijn terecht voorgesteld, grief 7 slaagt gedeeltelijk, de grieven 2, 3 en 8 falen en grief 6 behoeft geen bespreking. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd voor zover het de proceskostenveroordeling betreft en voor het overige vernietigd.
6.16.
Bij de bespreking van de grieven is een aantal onderdelen van de eiswijziging in hoger beroep al aan de orde gekomen. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt. Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen tot het betalen van een waarborgsom ter hoogte van € 15.709,02, indien en voor zover deze nog niet is gesteld en de huurovereenkomst nog voortduurt. De gevorderde contractuele boete van € 250,00 per kalenderdag vanwege het niet tijdig stellen van de waarborgsom wordt afgewezen. De desbetreffende boetebepaling (artikel 29 van de algemene bepalingen) verwijst naar artikel 24.1 van de algemene bepalingen, terwijl de verplichting om een nieuwe waarborgsom te stellen als de waarborgsom is aangesproken en (deels) uitbetaald, is neergelegd in artikel 24.2 van de algemene bepalingen. De boetebepaling waarop [appellant] zich beroept is dan ook niet van toepassing op de situatie die voorligt.
6.17.
[appellant] heeft aan vergoeding voor de (buitengerechtelijke) incassokosten in hoger beroep primair € 8.035,71 (15% van de hoofdsom van € 53.571,40) en subsidiair € 1.310,71 conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: BIK) gevorderd. [appellant] heeft voldoende gesteld dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. In beginsel is daarom de in artikel 28.1 van de algemene bepalingen overeengekomen vergoeding ter hoogte van 15% van de hoofdsom verschuldigd. Artikel 242 lid 1 Rv bepaalt onder meer, dat de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve kan matigen, maar niet tot onder het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn. Deze bepaling stelt de rechter in staat bedongen buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve te matigen tot het bedrag van een redelijke schadeloosstelling, waarbij hij alle omstandigheden van het geval in acht neemt. De bepaling is onder meer van toepassing op kosten die zijn overeengekomen tussen partijen in ‘business to business’-relaties, dat wil zeggen tussen partijen die geen van beide zijn te beschouwen als een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf zoals hier [appellant] en [geïntimeerde] . [appellant] heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de werkelijke incassokosten € 8.035,71 bedragen. Om die reden zal het hof de subsidiair gevorderde buitengerechtelijke kosten over het gevorderde in hoofdsom uitgaande van artikel 2 BIK toewijzen, te weten € 1.310,71. De wettelijke rente hierover is toewijsbaar zoals gevorderd.
6.18.
Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.19.
[geïntimeerde] is in het hoger beroep voornamelijk in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- explootkosten € 112,37
- griffierecht € 2.255,00
- salaris advocaat € 2.213,00 (tarief € 2.213,00, 1 punt)
Totaal € 4.580,37.

7.Beslissing

Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in haar beroep van het bestreden tussenvonnis;
bekrachtigt het bestreden eindvonnis voor zover [appellant] daarbij in de proceskosten is veroordeeld;
vernietigt het bestreden eindvonnis voor zover de kantonrechter de vordering van [appellant] heeft afgewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] een bedrag te voldoen van € 53.089,62, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien niet binnen veertien dagen na de betekening van dit arrest aan deze veroordeling is voldaan;
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 2.500,00 aan contractuele boete;
veroordeelt [geïntimeerde] tot het betalen aan [appellant] van een waarborgsom ter hoogte van € 15.709,02, indien en voor zover deze nog niet is gesteld en de huurovereenkomst nog voortduurt;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 1.310,71 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na dagtekening van dit arrest tot de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.367,37 aan verschotten en € 2.213,00 aan salaris (totaal € 4.580,37), te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. van Neck, I. de Greef en M.A.J.G. Janssen door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.