ECLI:NL:GHAMS:2026:1362
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Nederlandse rechter bij vordering tot terugverhuizing minderjarige onder Haags Kinderontvoeringsverdrag
In deze zaak vordert de vader dat de moeder met hun minderjarige kind terugverhuist naar Nederland en dat een verbod wordt opgelegd om met het kind naar het buitenland te verhuizen. De moeder woont met het kind in Zuid-Afrika. De voorzieningenrechter wees de vordering af, waarna de vader hoger beroep instelde.
Het hof oordeelt dat de gewone verblijfplaats van het kind ten tijde van het aanhangig maken van de procedure in Nederland was, gelet op het bestendig karakter van het verblijf van maart tot oktober 2025. Desondanks is de Nederlandse rechter onbevoegd om kennis te nemen van de vordering, omdat het geschil in essentie ziet op teruggeleiding van het kind naar Nederland, wat valt onder het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 en niet onder de ouderlijke verantwoordelijkheid in Brussel II-ter.
Het hof verwijst naar de Hoge Raad-uitspraak van 9 december 2011, die bevestigt dat alleen de rechter van de staat waar het kind zich feitelijk bevindt bevoegd is. Omdat het kind zich sinds oktober 2025 in Zuid-Afrika bevindt, is alleen de Zuid-Afrikaanse rechter bevoegd. De vordering van de vader wordt daarom afgewezen wegens onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering tot terugverhuizing van de minderjarige naar Nederland en vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter.