In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2024 vernietigd en opnieuw recht gedaan. De betrokkene was onherroepelijk veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van handel in cocaïne in de periode van mei 2015 tot november 2016.
De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €6.826,11 en de betrokkene verplicht tot betaling van €6.143,50. Het hof heeft de berekening van het wederrechtelijk voordeel herzien op basis van afgeluisterde telefoongesprekken, getuigenverklaringen en een rapport van een opsporingsambtenaar. Het hof concludeert dat het voordeel €6.836,00 bedraagt.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim vijf jaar in eerste aanleg en vier maanden in hoger beroep, heeft het hof de betaling aan de Staat gematigd met 10 procent, waardoor de betrokkene €6.152,00 moet betalen. Tevens is de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 61 dagen.
De betrokkene voerde aan dat hij slechts op tijdstippen handelde en minder verdiende, maar het hof vond onvoldoende concrete onderbouwing om van de berekening af te wijken. De ontnemingsmaatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.