Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1389

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.361.640/01, 200.361.640/02 en 200.361.640/03
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging hoofdverblijfplaats en zorgregeling kinderen na hoger beroep

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een rechtbankbeslissing over de hoofdverblijfplaats van twee minderjarige kinderen, de voorlopige zorgregeling en het beheer van hun paspoorten. De vader verzocht onder meer om de hoofdverblijfplaats van het oudste kind bij hem te bepalen, een week-op-week-af zorgregeling in te stellen en de paspoorten bij hem in bewaring te geven.

De rechtbank had eerder bepaald dat beide kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben, dat de kinderen in een wisselende zorgregeling bij beide ouders verblijven en dat de paspoorten bij de moeder worden bewaard. De moeder stelde dat voor het inschakelen van een au pair beide kinderen op hetzelfde adres moeten staan ingeschreven, wat zij nodig heeft vanwege haar werk.

Het hof oordeelde dat de moeder voldoende heeft gemotiveerd dat de hoofdverblijfplaats bij haar moet blijven vanwege de noodzaak van au pair-ondersteuning en dat de vader niet afhankelijk is van een au pair. De huidige zorgregeling wordt als passend en stabiel beoordeeld, en het hof ziet geen aanleiding deze te wijzigen. De verzoeken van de vader tot wijziging van hoofdverblijfplaats, zorgregeling en paspoortbeheer worden afgewezen. Ook het verzoek tot schorsing van de beschikking en voorlopige voorzieningen worden afgewezen omdat het hof in deze hoofdzaak een eindbeslissing geeft.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de rechtbankbeslissing en wijst het hoger beroep en de verzoeken van de vader af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.361.640/01, 200.361.640/02 en 200.361.640/03
zaaknummer rechtbank: C/13/768713 / FA RK 25-3296 (MN/SR)
beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep en in de incidenten,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M. Kemmers te Hoorn,
(voorheen: mr. M.T. Kumar te Amsterdam)
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep en in de incidenten,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M.N. Weltak te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk: de kinderen), de voorlopige zorgregeling voor de kinderen en het beheer van hun paspoorten en identiteitskaarten. De vader is het niet eens met de beslissingen van de rechtbank. Hij wil dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem wordt bepaald, dat wordt bepaald dat de paspoorten van de kinderen bij hem in bewaring zijn en dat een week op week af regeling wordt vastgesteld.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 18 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). Het beroepschrift bevat ook een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking en een verzoek tot voorlopige voorzieningen.
2.2
De moeder heeft op 19 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 13 maart 2026 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de moeder van 15 maart 2026 met bijlagen,
- een bericht van de voormalig advocaat van de vader van 19 maart 2026 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de vader van 19 maart 2026, en
- een bericht van de zijde van de moeder van 23 maart 2026.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven.
2.5
De zitting heeft op 25 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door mr. M.R. de Boorder, waarnemend voor mr. Weltak, en
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.
De advocaten van de vader en de moeder hebben op de zitting pleitnotities voorgedragen en overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2016 te [plaats A] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018 te [plaats A] .
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
3.2
De vader heeft de kinderen erkend.
3.3
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Daarnaast is bepaald dat de kinderen voorlopig in de even weken van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de oneven weken van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader zullen zijn, waarbij de wisselmomenten uit en naar school zullen zijn. De raad is verzocht een onderzoek te verrichten en te adviseren omtrent de zorgregeling. Verder is bepaald dat de paspoorten van de kinderen bij de moeder zullen worden bewaard.
In de zaak met zaaknummer 200.361.640/01 (hoofdzaak)
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat:
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de moeder is;
- de kinderen voorlopig in de even weken van maandag tot en met zondag bij de moeder en in de oneven weken van maandag tot en met zondag bij de vader zijn, de wissel plaatsvindt op school, indien een wissel moet plaatsvinden tijdens de langere vakanties, de wissel op zaterdagmiddag om 16.30 uur van de desbetreffende vakantieweek is, althans dat het hof in goede justitie een voorlopige zorgregeling bepaalt welke overeenkomt met een 50/50-zorgverdeling;
- de paspoorten van de kinderen in bewaring zijn bij de vader en de identiteitskaarten bij de moeder.
4.3
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel de verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
In de zaak met zaaknummer 200.361.640/02 (schorsingsverzoek)
4.4
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking te schorsen in afwachting van de beschikking van het hof in hoger beroep en te bepalen dat in de tussenliggende periode de navolgende zorgregeling na datum beschikking wordt uitgevoerd:
- in de even weken van woensdag uit school tot vrijdag naar school en in de oneven weken van woensdag uit school tot maandag naar school zijn de kinderen bij vader en de overige dagen bij de moeder.
4.5
De moeder verzoekt het verzoek van de vader af te wijzen.
In de zaak met zaaknummer 200.361.640/03 (voorlopige voorziening)
4.6
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de kinderen voorlopig in de even weken van maandag tot en met zondag bij de moeder en in de oneven weken van maandag tot en met zondag bij de vader zijn, de wissel plaatsvindt op school, indien een wissel moet plaatsvinden tijdens de langere vakanties, de wissel op zaterdagmiddag om 16.30 uur van de desbetreffende vakantieweek is, althans dat het hof in goede justitie een voorlopige zorgregeling bepaalt welke overeenkomt met een 50/50-zorgverdeling.
4.7
De moeder verzoekt het verzoek van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

In de zaak met zaaknummer 200.361.640/01
Het wettelijk kader
5.1
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten – voor zover in deze zaak van belang – een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken en de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Hoofdverblijfplaats en paspoortbeheer
De standpunten
5.2
De vader stelt – kort samengevat – dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben en dat zij de paspoorten van de kinderen in bewaring zal houden. Om een evenwichtige betrokkenheid van beide ouders te waarborgen en te voorkomen dat de kinderen verder in loyaliteitsconflicten terechtkomen, wil de vader dat [minderjarige 1] bij hem wordt ingeschreven en [minderjarige 2] bij de moeder. Een inschrijving van één kind bij iedere ouder past ook bij het uitgangspunt van de ouders dat zij ieder een gelijk aandeel in de zorg voor de kinderen zouden hebben. Het is onjuist dat de moeder geen au pair kan krijgen als de hoofdverblijfplaats van de kinderen niet bij haar is. Voor het inschakelen van een au pair is niet vereist dat beide kinderen op hetzelfde adres staan ingeschreven. Het is in het belang van de ontwikkeling van de kinderen dat sprake is van voortzetting van de vertrouwde woonsituatie. De kinderen hebben tot aan de bestreden beschikking jarenlang ingeschreven gestaan bij de vader. Het argument van de moeder dat gesplitste inschrijving tot praktische problemen leidt is op te lossen en weegt niet op tegen het belang van de vader bij gelijkwaardig ouderschap. Verder stelt de vader dat hij meerdere reizen met de kinderen heeft moeten annuleren of wijzigen, omdat de moeder de paspoorten van de kinderen niet aan hem wilde afgeven.
5.3
De moeder voert – kort samengevat – aan dat om gebruik te kunnen maken van een au pair, beide kinderen op hetzelfde adres als de au pair ingeschreven dienen te staan. Dat is een vereiste vanuit de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND). De moeder is, mede gelet op haar werk, afhankelijk van au pairs voor de opvoeding en verzorging van de kinderen. Daarnaast biedt de ondersteuning van een au pair rust, continuïteit en stabiliteit voor de kinderen. De moeder begrijpt niet dat de vader persisteert in zijn wens om één kind bij hem in te schrijven, terwijl dat de moeder in problemen zou brengen en hij niet afhankelijk is van au pairs. Het administratief opsplitsen van de kinderen is geen voorwaarde voor gelijkwaardig ouderschap en leidt tot praktische complicaties en onnodige verwarring, omdat informatie verloren kan gaan. Ook leidt dit tot versnippering van verantwoordelijkheden, terwijl het juist in het belang van de kinderen is dat er duidelijke coördinatie is. Een dergelijke situatie vergroot de kans op misverstanden tussen de ouders. Verder stelt de moeder dat het onjuist is dat de vader meerdere reizen heeft moeten annuleren, omdat zij zou hebben geweigerd om de paspoorten van de kinderen af te geven.
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geen concreet advies gegeven over de hoofdverblijfplaats en het paspoortbeheer.
De beoordeling
5.5
Uit de stukken en wat is besproken ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De moeder heeft gesteld dat zij vanwege haar werk afhankelijk is van au pairs voor de opvoeding en verzorging van de kinderen, hetgeen de vader heeft erkend. Uit het aanvraagformulier van de IND, zoals door de vader overgelegd als productie 26, blijkt dat het gastgezin van de au pair uit ten minste twee personen dient te bestaan. Door een medewerker van de IND is bij e-mail van 13 maart 2025, zoals door de moeder overgelegd als productie 4 bij haar verweerschrift in eerste aanleg, meegedeeld dat een au pair alleen voor de kinderen mag zorgen die op hetzelfde adres staan ingeschreven als waar de au pair staat ingeschreven en dat voor co-ouderschap geen uitzondering op de regel bestaat. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de moeder voldoende heeft gemotiveerd dat het voor het inschakelen van een au pair uit het buitenland noodzakelijk is dat beide kinderen bij haar staan ingeschreven. Daarbij overweegt het hof ook dat de vader niet afhankelijk is van au pairs, omdat hij niet werkt en daarom tijd heeft om de zorg voor de kinderen te dragen. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat de moeder de kinderen met de huidige ondersteuning van een au pair rust, continuïteit en stabiliteit kan bieden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof het verzoek van de vader dan ook afwijzen en de bestreden beschikking ten aanzien van de hoofdverblijfplaats bekrachtigen.
5.6
Nu het hof de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het hoofdverblijf bekrachtigt, is er geen aanleiding om een andere beslissing ten aanzien van het beheer van de paspoorten te nemen. Voor zover de vader heeft gesteld dat hij vanwege eerdere gedragingen van de moeder geen vertrouwen erin heeft dat zij zal meewerken aan de afgifte van de paspoorten aan hem voor vakanties, overweegt het hof dat gebleken is dat de vader inmiddels over de identiteitskaarten van de kinderen beschikt. Daarnaast heeft de moeder gesteld dat zij, als de vader met de kinderen buiten Europa wil reizen, de paspoorten aan de vader zal overhandigen. Het hof gaat ervan uit dat de moeder zich houdt aan deze toezegging en zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.
Zorgregeling
De standpunten
5.7
De vader is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde voorlopige zorgregeling. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg is duidelijk geworden dat er teveel wisselmomenten voor de kinderen zijn. De vader begrijpt dan ook niet dat er (om dat aantal te beperken) een weekendregeling tussen de kinderen en hem is vastgesteld. De huidige zorgregeling heeft tot gevolg dat het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen nu bij de moeder ligt, wat in strijd is met wat de ouders hebben afgesproken en met wat de rechtbank als uitgangspunt heeft geformuleerd. Tot augustus 2025 verdeelden de ouders de zorg voor de kinderen gelijkwaardig. De kinderen zijn niet anders gewend dan dat zij de ene helft van de tijd doorbrengen met de vader en de andere helft met de moeder. De vader is van mening dat een week op week af regeling, welke regeling minder wisselmomenten kent dan eerdere regelingen, de meest geschikte vorm van co-ouderschap is. Als gevolg van de huidige zorg- en vakantieregeling heeft de vader meermaals drie weken geen zorg voor de kinderen gehad, wat niet de bedoeling van de rechtbank geweest kan zijn.
5.8
De moeder betwist dat de ouders de zorg over de kinderen altijd gelijkelijk hebben verdeeld. Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan, verbleven de kinderen bij de moeder en was er geen gestructureerde zorgregeling. De kinderen zijn gebaat bij de huidige voorlopige zorgregeling, zij zijn eraan gewend en ervaren rust. Er is bij de moeder sprake van een stabiele, voorspelbare en warme thuissituatie. Het is niet in het belang van de kinderen om nu weer een andere zorgregeling vast te stellen totdat sprake is van een definitieve zorgregeling, omdat dit tot onrust zal leiden. Totdat de raad onderzocht heeft welke zorgregeling in het belang van de kinderen is, dient de huidige situatie gecontinueerd te worden. Een week op week af regeling wijkt af van de huidige en de oude zorgregeling. Daarnaast gaat een week op week af regeling tegen de wens van [minderjarige 1] in, omdat hij doordeweeks bij de moeder wil zijn. Als de vader de kinderen vanwege de huidige zorgregeling en de vakanties gedurende een lange periode niet ziet, werkt de moeder eraan mee dat de vader de kinderen wel kan zien. Zo heeft zij ingestemd met een aanpassing van de zorgregeling rond de verjaardag van [minderjarige 2] , om te voorkomen dat de kinderen de vader drie weken niet zouden zien.
5.9
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad zal – zoals hem in de bestreden beschikking is verzocht – onderzoeken welke definitieve zorgregeling in het belang van de kinderen is. Het is mogelijk dat de zorgregeling, nadat het raadsonderzoek is afgesloten, opnieuw gewijzigd zal worden. Dit omdat er, gelet op de ontwikkeling van de kinderen en de daarbij behorende behoeften, ongeveer om de vier jaar een nieuwe zorgregeling nodig is. De raad meent dat de huidige zorgregeling op dit moment voldoet aan wat de kinderen nodig hebben.
De beoordeling
5.1
Ten aanzien van de stelling van de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om zijn volledige verzoek omtrent de zorgregeling over te nemen, overweegt het hof als volgt.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking in rechtsoverweging 4.9 overwogen dat het verzoek van de vader voorlopig toegewezen wordt, inhoudende dat de kinderen in de even weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader zijn. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen in de oneven weken van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader zijn. Wat er verder ook te zeggen valt over de motivering van de rechtbank, vast staat dat de rechtbank een voorlopige zorgregeling heeft bepaald zoals hiervoor vermeld, waarover het hof thans dient te oordelen.
5.11
Gebleken is dat dat de ouders sinds zij uit elkaar zijn voortdurend strijd met elkaar voeren en dat de communicatie tussen hen ernstig is verstoord. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de ouders tot de bestreden beschikking aan de hand van maatwerkschema’s de zorg voor de kinderen bij helfte verdeelden. De ouders verschillen echter van mening over hoe deze regeling in de praktijk eruit zag.
5.12
Uit de bestreden beschikking blijkt dat de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht achtte om een beslissing over de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling te nemen. De rechtbank heeft de raad daarom (in de bestreden beschikking) onder meer verzocht om onderzoek te doen naar en advies uit te brengen over de vraag hoe de zorgregeling tussen de kinderen en de vader en de kinderen en de moeder er qua aard, duur en frequentie uit dient te zien. Omdat de ouders het in eerste aanleg erover eens waren dat de zorgregeling die op dat moment werd uitgevoerd teveel wisselmomenten kende, wat onrustig was voor de kinderen, zag de rechtbank aanleiding om vooruitlopend op het onderzoek van de raad de huidige voorlopige zorgregeling vast te stellen.
5.13
Ter zitting in hoger beroep heeft de raad verklaard dat het raadsonderzoek op korte termijn zal aanvangen. Met de moeder is het hof van oordeel dat het op dit moment voor de kinderen van belang is om de huidige zorgregeling te continueren. Daarbij overweegt het hof dat de mogelijkheid bestaat dat de raad, als het raadsonderzoek naar de definitieve zorgregeling is afgerond, de rechtbank zal adviseren om een andere zorgregeling vast te stellen dan de regeling die nu geldt. Het hof acht het niet in het belang van de kinderen om de huidige zorgregeling op dit moment te wijzigen, met het risico dat de zorgregeling op korte termijn weer gewijzigd zal worden, aangezien dit mogelijk onrust zal veroorzaken voor de kinderen. Daarnaast is niet gebleken dat de huidige zorgregeling niet voldoet aan de behoeften van de kinderen. Het hof ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om de door de rechtbank bepaalde voorlopige zorgregeling te wijzigen en zal de bestreden beschikking daarom op dit punt bekrachtigen.
In de zaak met zaaknummer 200.361.640/02
Schorsingsverzoek
5.14
De vader heeft in het incident verzocht om de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking te schorsen in afwachting van de beschikking van het hof en te bepalen dat in de tussenliggende periode de onder 4.4 vermelde zorgregeling na datum beschikking wordt uitgevoerd. Nu het hof met deze beslissing uitspraak in de hoofdzaak doet, heeft de vader geen belang meer bij een afzonderlijke beoordeling van zijn schorsingsverzoek. Het hof zal dit verzoek daarom afwijzen.
In de zaak met zaaknummer 200.361.640/03
Voorlopige voorziening
5.15
De vader heeft verder nog verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro (naar het hof begrijpt) voor de duur van de procedure in hoger beroep – kort gezegd – een voorlopige week op week af zorgregeling te bepalen. Nu het hof in de hoofdzaak een eindbeschikking geeft, heeft de vader geen belang meer bij een afzonderlijke beoordeling van zijn verzoek om een provisionele voorziening. Het hof zal het verzoek van de vader daarom afwijzen.
5.16
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.361.640/01:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
in de zaak met zaaknummer 200.361.640/02:
wijst af het verzoek van de vader om de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking te schorsen;
in de zaak met zaaknummer 200.361.640/03:
wijst af het verzoek van de vader tot het treffen van een provisionele voorziening in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. A.R. Sturhoofd en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.