Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1400

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.360.268/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:444 BWArt. 1:362 BWArt. 1:445 lid 5 BWArt. 1:441 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aansprakelijkheid bewindvoerder wegens toerekenbare tekortkoming

In deze zaak staat centraal of [X] B.V. in haar taak als bewindvoerder toerekenbaar is tekortgeschoten en of zij aansprakelijk is voor een schadevergoeding van € 1.914,22 aan [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2]. De kantonrechter had eerder vastgesteld dat sprake was van een toerekenbare tekortkoming en had de schadevergoeding toegekend.

Het hof overweegt dat een bewindvoerder zich moet gedragen als een goed bewindvoerder en proactief moet optreden om de belangen van de rechthebbende te beschermen. Hoewel de bewindvoerder tekort is geschoten door onvoldoende actie te ondernemen bij wisselende inkomsten en toeslagen, heeft het hof vastgesteld dat de ontvangen gelden zijn gebruikt voor aflossing van bestaande schulden, waardoor geen daadwerkelijke schade is geleden.

De grieven van [X] richten zich op de grondslag van aansprakelijkheid, de periode van aansprakelijkheid en de omvang van de schade. Het hof volgt de kantonrechter in de toerekenbare tekortkoming, maar wijst het verzoek tot schadevergoeding af omdat de maandelijkse vergoedingen voor werkzaamheden niet als schade kunnen worden aangemerkt.

Daarmee vernietigt het hof de bestreden beschikking en wijst de verzoeken van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] af.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking van de kantonrechter en wijst het verzoek tot schadevergoeding af wegens het ontbreken van schade ondanks een toerekenbare tekortkoming.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.268/01
zaaknummer rechtbank: 11406652 BZ VERZ 24-2890 + 11406655 BZ VERZ 24-2891 sc
beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van
[X] B.V.,
gevestigd te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: [X] ,
advocaat: mr. W.B. Brusse te Almelo.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [belanghebbende 1] , hierna: [belanghebbende 1] , en
- [belanghebbende 2] , hierna: [belanghebbende 2] .

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of [X] in haar taak als bewindvoerder is tekortgeschoten en of terecht een schadevergoeding van € 1.914,22 aan [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] is toegekend.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
[X] is op 9 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie [plaats B] (hierna: de kantonrechter).
2.2
[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] hebben ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd. Zij hebben geen verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft van de rechtbank op 23 oktober 2025 het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg ontvangen.
Verder heeft het hof van [X] op 24 maart 2026, op verzoek van het hof, de akte van oprichting van de B.V. ontvangen.
2.4
De zitting heeft op 25 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- [X] , vertegenwoordigd door [naam 1] , bijgestaan door mr. Brusse,
- [naam 2] , de voormalige bewindvoerder van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ,
- [belanghebbende 1] , en
-[belanghebbende 2] .
[naam 1] heeft op de zitting het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie, die is overgelegd.

3.De feiten

3.1
[belanghebbende 2] is geboren [in] 1970 te [plaats B] . [belanghebbende 1] is geboren [in] 1970 te [plaats B] .
3.2
Bij beschikking van de kantonrechter van 16 augustus 2021 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] onder bewind gesteld wegens hun geestelijke of lichamelijke toestand, waarbij [naam 2] en [naam 3] , h.o.d.n. [X] Finance, zowel tezamen als ieder afzonderlijk bevoegd, zijn benoemd tot bewindvoerders.
3.3
Deze onderneming werd gedreven in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma (VOF). De onderneming van de VOF is in 2022 ingebracht in een besloten vennootschap, te weten [X] B.V., die op 23 december 2021 was opgericht. [naam 2] en [naam 3] waren toen de enige aandeelhouders.
3.4
Bij beschikking van de kantonrechter van 21 juni 2022 zijn [naam 2] en [naam 3] , vennoten van [X] , ontslagen als bewindvoerders en is [X] B.V. benoemd tot bewindvoerder.
3.5
Bij beschikking van de kantonrechter van 2 juli 2024 is (met ingang van twee weken na de beschikking) het bewind over de goederen toebehorende aan [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] opgeheven.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, vastgesteld dat [X] in zijn taak als bewindvoerder toerekenbaar is tekortgeschoten en de schade die [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] daardoor hebben geleden vastgesteld op een bedrag van € 1.914,22. [X] is veroordeeld om aan [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.914,22 ten aanzien van geleden schade.
4.2
[X] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter en is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. [X] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen.
4.3
[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] voeren verweer.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Een bewindvoerder dient zorg te dragen voor een zorgvuldig beheer van het vermogen van de rechthebbende. Bij handelingen die de bewindvoerder namens de rechthebbende verricht dient altijd het belang van de rechthebbende en zijn vermogen voorop te staan.
5.2
In artikel 1:444 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Op grond van artikel 1:362 BW Pro - volgens artikel 1:445 lid 5 BW Pro van overeenkomstige toepassing bij bewind - kan de rechter (ambtshalve) de schade vaststellen die de rechthebbende door slecht bewind van de bewindvoerder heeft geleden en de bewindvoerder tot vergoeding daarvan veroordelen.
5.3
Aan het hof ligt de vraag voor of [X] , dan wel haar rechtsvoorganger [X] Finance in de zorg van een goed bewindvoerder (toerekenbaar) is tekortgeschoten en, zo ja, of zij de als gevolg daarvan ontstane schade aan [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] dient te vergoeden.
5.4
De grieven van [X] komen samengevat neer op het volgende: de aansprakelijkheid van [X] kan alleen worden gebaseerd op de grondslag onrechtmatige daad. Een van de onderdelen daarvan is geleden schade en daarvan is geen sprake. [X] stelt ook dat zij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor hetgeen heeft plaatsgevonden voor haar benoeming tot bewindvoerder op 21 juni 2022. Daarnaast heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat de bewindvoerder gedurende de periode van augustus 2021 tot september 2022 geen actie heeft ondernomen en heeft de kantonrechter ten onrechte om deze reden de omvang van de geleden schade geschat op een bedrag van € 1.914,22.
5.5
[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] voeren gemotiveerd verweer. Volgens [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] had de bewindvoerder moeten voorkomen dat nieuwe schulden zouden ontstaan doordat de belastingdienst huur- en zorgtoeslag, het UWV de WAO-uitkering en het Bedrijfspensioenfonds het arbeidsongeschiktheidspensioen hebben doorbetaald terwijl hun inkomen daarvoor te hoog was. Zij hebben daardoor schade geleden.
Beoordeling hof
Toerekenbare tekortkoming
5.6
Het hof ziet aanleiding om eerst te beoordelen of sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de zin van artikel 1:444 BW Pro.
Daarbij stelt het hof voorop dat, anders dan [X] in hoger beroep betoogt, de grondslag voor aansprakelijkheid de algemene gedragsnorm van artikel 1:444 BW Pro is: een bewindvoerder moet zich in de uitoefening van haar functie gedragen als goed bewindvoerder. Het schenden van deze norm maakt dat een bewindvoerder aansprakelijk is jegens de rechthebbende, tenzij de schending niet aan de bewindvoerder kan worden toegerekend. Toerekening geschiedt op grond van schuld, de wet of de verkeersopvatting.
5.7
Of er sprake is van handelen als een goed bewindvoerder hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Uit artikel 1:441 lid 1 BW Pro volgt dat de bewindvoerder een rechthebbende ‘in en buiten rechte‘ vertegenwoordigt. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van rechthebbende. In de op 1 januari 2014 in werking getreden wet is aan dit artikel toegevoegd dat de bewindvoerder ‘voor de rechthebbende alle handelingen kan verrichten die aan een goed bewind bijdragen’. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat een bewindvoerder proactief dient te zijn en onder omstandigheden maatwerk moet leveren. Daaruit volgt dat een bewindvoerder actie dient te ondernemen wanneer zaken mis dreigen te lopen en (nieuwe) schulden kunnen ontstaan. Een bewindvoerder heeft een zorgplicht richting zijn rechthebbende en dient zorg te dragen voor een goede financiële huishouding.
5.8
[X] stelt dat het contact met [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] bij aanvang van het bewind moeizaam verliep, zij reageerden niet of nauwelijks op berichten van de bewindvoerder. [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] hadden beiden een WAO-uitkering en daarnaast had [belanghebbende 2] wisselende inkomsten als zelfstandig ondernemer. De bewindvoerder werd niet geïnformeerd over de wisselende inkomsten en kon daardoor ook geen inschatting maken of [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] teveel aan toeslagen en uitkeringen ontvingen. Bij de aanvang van het bewind zijn [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] er al op gewezen dat de bewindvoerder niet de administratie van de onderneming zou gaan bijhouden en dat zij zelf moesten zorgdragen, dan wel een boekhouder moesten inschakelen, voor het doen van aangifte inkomstenbelasting (IB). In augustus 2022 is een boekhouder in beeld gekomen en mocht de bewindvoerder aannemen dat toeslagen en uitkeringen in overeenstemming met de wisselende inkomsten zouden worden gebracht, aldus [X] .
5.9
Het hof volgt de kantonrechter in het oordeel dat, hoewel van rechthebbenden mag worden verwacht dat zij de bewindvoerder van de juiste informatie voorzien, het de bewindvoerder is die als beschermingsbewindvoerder aan rechthebbenden bescherming moet bieden voor wat betreft hun vermogensrechtelijke belangen. Tussen partijen staat vast dat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] bij aanvang van het bewind al hun financiële administratie, inclusief DigiD inloggegevens en bankpasjes, aan de bewindvoerder, toen nog [X] Finance, hadden afgegeven en dat ook alle brieven van Belastingdienst, UWV en Pensioenfonds rechtstreeks aan de bewindvoerder werden gestuurd. De bewindvoerder beschikte over alle gegevens en ook de post werd rechtstreeks aan de bewindvoerder gestuurd. Aangenomen kan dus worden dat de bewindvoerder onder meer beschikte over de brief van UWV van 21 juli 2022, waarin staat dat het UWV rekening houdt met inkomsten van
€ 1.333,33 per maand en dat op basis daarvan een voorschot op de WAO-uitkering wordt uitbetaald. De bewindvoerder had dus wetenschap van welke inkomsten bij het bepalen van de uitkering en voorschotten is uitgegaan door de instanties.
Daarnaast is gebleken dat de bewindvoerder ook zicht kon hebben op de binnenkomende wisselende inkomsten. Ter zitting in hoger beroep is door [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] immers onbetwist aangegeven dat de inkomsten van [belanghebbende 2] uit zijn arbeid als zzp’er bestonden uit een uurloon maal het aantal gewerkte uren, waarvan wekelijks facturen werden gestuurd die in een boekhoudprogramma werden verwerkt, tot welke gegevens de bewindvoerder toegang had. Verder staat vast dat alle inkomsten uit arbeid en uitkering van Beelen en [belanghebbende 2] alsmede de toeslagen op de beheerrekening werden gestort.
Wat er ook te zeggen valt over de uitbesteding van werkzaamheden aan een boekhoudkantoor, waarin in de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind in beginsel wordt voorzien, het had op de weg van de bewindvoerder gelegen om niet af te wachten wat de uitkomst van de door de boekhouder in te dienen aangifte IB zou zijn, maar zicht te houden op de verhouding tussen de inkomsten uit de verschillende bronnen en de hoogte van de voorschotten op de toeslagen en uitkeringen die op de beheerrekening werden ontvangen. Bij disbalans, waarvan hier sprake was, had het op de weg van de bewindvoerder gelegen om actie hierop te ondernemen. De bewindvoerder had bijvoorbeeld gelden kunnen reserveren voor de toekomstige terugbetalingen en had een verzoek om aanpassing van de voorschotten bij de belastingdienst kunnen doen.
Bij deze stand van zaken onderschrijft het hof het oordeel van de kantonrechter dat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] (mede) door toedoen van de bewindvoerder in een positie zijn gekomen dat zij ontvangen gelden moeten terugbetalen en daarmee niet de financiële zorg en bescherming hebben gekregen die zij van de bewindvoerder, als financieel deskundige, mochten verwachten. Daarmee is sprake van een toerekenbare tekortkoming van de bewindvoerder.
Schade
5.1
Vervolgens dient het hof te beoordelen of [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] door de toerekenbare tekortkoming schade hebben geleden. De kantonrechter heeft vastgesteld dat het bestaan van de terugbetalingsverplichting van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] (huurtoeslag, zorgtoeslag, WAO-uitkering en arbeidsongeschiktheidspensioen) geen schade is, omdat niets is veranderd in de vermogenspositie van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] en dus geen sprake is van benadeling of schade. Ter zitting in hoger beroep is bovendien gebleken dat de deels ten onrechte ontvangen inkomsten op de beheerrekening zijn aangewend voor de aflossing van de bij aanvang van het bewind bestaande schulden ad € 50.000,- en daarmee dus ook direct aan [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ten goede zijn gekomen.
De grief richt zich tegen de door de kantonrechter geschatte schade van € 1.914,22. De kantonrechter heeft daarbij aangesloten bij het bedrag aan bewindvoerderskosten voor 12 maanden. Het hof volgt [X] in haar stelling dat ook werkzaamheden zijn verricht die zijn uitgevoerd overeenkomstig de zorg van een goed bewindvoerder. De maandelijkse vergoedingen zijn geoormerkte gelden die voor de werkzaamheden van de bewindvoerder zijn betaald. Dat de bewindvoerder een fout heeft gemaakt, maakt nog niet dat de maandelijkse vergoedingen zijn aan te merken als schade die het gevolg is van de toerekenbare tekortkoming. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] door de tekortkoming geen schade hebben geleden en hun verzoek tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen. Deze grief slaagt dus.
5.11
Hoewel de tekortkoming zowel in de periode dat de VOF als de periode dat de B.V. als bewindvoerder werkzaam was aan hen toegerekend kan worden, kan bij het ontbreken van schade de vraag wie voor schade aansprakelijk dient te worden gehouden verder in het midden blijven.
5.12
Al hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en de inleidende verzoeken van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zullen worden afgewezen.

6.De beslissing

Het hof:
- vernietigt de beschikking van 11 juli 2025 van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem;
- wijst de inleidende verzoeken van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. J.F. Miedema en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.