Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1402

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.360.248/01 en 200.360.248/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 360 RvArt. 810a RvArt. 194 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over ouderlijk gezag en zorgregeling na relatiebreuk ouders

De zaak betreft het geschil tussen ouders over het gezag en de zorgregeling voor hun twee minderjarige kinderen na beëindiging van hun relatie. De rechtbank had gezamenlijk gezag toegewezen en een zorg- en vakantieregeling vastgesteld, maar de moeder verzet zich hiertegen en verzoekt om eenhoofdig gezag en een beperktere zorgregeling.

In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat er onvoldoende informatie is om een definitieve beslissing te nemen over het gezag en de zorgregeling. Er is sprake van een verstoorde verstandhouding en zorgen over intiem terreur, maar dit is niet voldoende onderbouwd. Het hof verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te doen en advies uit te brengen over het gezag, de zorgregeling en eventuele hulpverlening.

Totdat het onderzoek is afgerond, bepaalt het hof een voorlopige zorgregeling waarbij de kinderen om de week van vrijdag na school tot maandag bij de vader verblijven, met een aangepaste zomervakantieregeling. Het verzoek van de moeder om een kindbehartiger te benoemen wordt aangehouden. De beschikking van de rechtbank blijft grotendeels uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bepaalt een voorlopige zorgregeling, houdt benoeming kindbehartiger aan en verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek en advies over het gezag en de zorgregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.360.248/01 en 200.360.248/02
zaaknummer rechtbank: C/15/354932 / FA RK 24-3725
beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te Den Haag,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. B. Blom te Purmerend.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over de kinderen [minderjarige 1] (10 jaar) en [minderjarige 2] (8 jaar), de zorgregeling en het benoemen van een kindbehartiger.
De rechtbank heeft het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag toegewezen en een zorg- en vakantieregeling vastgesteld.
De moeder is het daarmee niet eens. Zij meent dat het gezamenlijk gezag en de vastgestelde zorg- en vakantieregeling niet in het belang van de kinderen zijn. Zij wil dat haar eenhoofdig gezag wordt hersteld en dat zorg- en vakantieregeling wordt beperkt. Verder wil zij vervangende toestemming om voor de kinderen een kindbehartiger te benoemen.
1.2
Het hof zal, als hierna vermeld, de raad verzoeken onderzoek te doen en advies uit te brengen over het ouderlijk gezag en een (passende) zorgregeling. Tevens bepaalt het hof voorlopig een andere zorgregeling dan de door de rechtbank bepaalde zorgregeling.
Het verzoek om een kindbehartiger te benoemen, wordt aangehouden.
2. De procedure in hoger beroep
2.1
De moeder is op 13 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank), hersteld bij beschikking van 19 september 2025. Het beroepschrift bevat tevens een verzoek tot schorsing van de werking van een gedeelte van de bestreden beschikking (zaaknummer 200.360.248/02).
2.2
De vader heeft op 4 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een aanvullend verzoekschrift van de zijde van de moeder van 22 januari 2026, met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de vader van 26 januari 2026, met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de vader van 27 januari 2026, met bijlage.
2.4
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ieder in een brief laten weten wat zij van de zaak vinden. Een samenvatting hiervan is tijdens de mondelinge behandeling op 20 maart 2026 gegeven.
2.5
Op de zitting van 4 februari 2026 is de behandeling van de zaak aangehouden vanwege de afwezigheid van een tolk voor de vader. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.
2.6
Nadien heeft het hof nog de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 8 maart 2026, met een USB-stick als bijlage, en
- een bericht van de zijde van de vader van 10 maart 2026, met bijlagen.
2.7
De zitting heeft op 20 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door L.K. Mitzman, tolk in de Engelse taal.
De raad is – met bericht van verhindering – niet ter zitting verschenen.
Beide advocaten hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
Tevens zijn op de zitting de door de moeder overgelegde video- en geluidsfragmenten getoond/beluisterd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2015 te [plaats B] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018 te [plaats B] .
De ouders hebben tot februari 2024 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft de kinderen erkend.
3.2
Tot aan de bestreden beschikking was de moeder alleen belast met het gezag over de kinderen en verbleven de kinderen een weekend in de veertien dagen bij de vader.
3.3
Na de bestreden beschikking is tussen partijen een verschil van inzicht ontstaan over de duur van een vakantieweek en hoe deze zich verhoudt tot de zorgregeling. Daarop is de moeder een kort geding gestart. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 16 oktober 2025 – kort samengevat – geoordeeld dat een vakantieweek een volledige week omvat (van maandag tot en met zondag) en dat een vakantieschema de reguliere zorgregeling doorbreekt.
3.4
Tot op heden verloopt de zorg- en vakantieregeling conform de bestreden beschikking met inachtneming van de uitleg daarvan door de voorzieningenrechter.
3.5
De vader is eind maart 2026 verhuisd naar [plaats C] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de ouders gezamenlijk worden belast met het gezag over de kinderen. Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen om de week van donderdag uit school tot dinsdag naar school bij de vader verblijven. Daarbij heeft de rechtbank beslist dat indien en voor zo lang [minderjarige 1] moeite blijft houden met de overdracht op school de overdracht zal plaatsvinden op donderdag om 16:30 uur en op dinsdag 07:45 uur bij de [X] .
Verder heeft de rechtbank de volgende vakantieregeling vastgesteld:
- Zomervakantie: eerste drie weken bij de vader, laatste drie weken bij de moeder;
- Herfstvakantie: in even jaren bij de moeder, in oneven jaren bij de vader;
- Kerstvakantie: in even jaren de eerste week (inclusief kerstdagen) bij de vader en de tweede week (inclusief oud & nieuw) bij de moeder, in oneven jaren omgekeerd;
- Voorjaarsvakantie: in even jaren bij de vader, in oneven jaren bij de moeder;
- Meivakantie: in even jaren bij de moeder, in oneven jaren bij de vader; bij een meivakantie die twee weken duurt de tweede week bij de andere ouder.
Daarbij heeft de rechtbank beslist dat als de overdracht niet bij school kan plaatsvinden, de overdracht wordt gedaan bij [X] op dezelfde tijd als bij een reguliere schooldag, tenzij de partijen anders afspreken.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,
primair:
1. te bepalen dat zij alleen belast is met het gezag heeft over de kinderen;
2. te bepalen dat de kinderen bij de vader verblijven:
- een weekend per veertien dagen van vrijdag 16:30 uur tot maandag 07:45 uur, met uitzondering van twee aaneengesloten weken in de zomervakantie en een week tijdens de Kerstvakantie tijdens welke vakantieweken de kinderen aaneengesloten bij de moeder zullen zijn;
- een week gedurende de kerstvakantie;
- de eerste week van de zomervakantie,
alsmede te bepalen dat de overdracht van de kinderen zal plaatsvinden via de grootmoeder aan moederzijde bij de [X] in [plaats B] .
Subsidiair verzoekt de moeder:
3. om professor C. de Ruiter, dan wel een andere door het hof te benoemen deskundige te benoemen, die deskundig is op het gebied van intieme terreur om te onderzoeken of gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is en dit te onderzoeken met behulp van de Masic-screening voor de ouders en het NICHD-interview voor de kinderen, en tot de uitkomst van het onderzoek de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het gezag te schorsen,
alsmede deze deskundige te verzoeken om een onderzoek te doen naar welke zorg- en contactregeling het meeste in het belang van de kinderen is, en de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen voor wat betreft de zorg- en contactregeling en de vakantieregeling in afwachting van de uitkomst van dit onderzoek en de door het hof te geven beschikking, dan wel te bepalen dat totdat het hof in deze zaak uitspraak heeft gedaan de primair verzochte zorg- en contactregeling zal gelden.
Meer subsidiair verzoekt de moeder:
4. te bepalen dat de kinderen het ene weekend bij de vader verblijven en het volgende weekend bij de moeder, dus een om-en-om-regeling voor wat betreft het weekend;
5. te bepalen dat het weekend- en vakantieschema afzonderlijke onderdelen zijn en het vakantieschema het weekendschema doorbreekt waarbij de eerste vakantiedag de eerste vrije schooldag is, meestal de maandag, en het weekend om en om is;
6. te bepalen dat tot 1 januari 2028 de vakanties bij helfte worden gedeeld tot een maximum van zeven dagen aaneengesloten op de navolgende wijze:
- Voorjaarsvakantie even jaren bij de vader en de oneven jaren bij de moeder;
- Meivakantie in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader, tenzij er sprake is van een tweeweekse vakantie en dan de tweede week bij de andere ouder;
- Zomervakantie in de even jaren week 1, 3 en 5 bij de moeder en week 2, 4 en 6 bij de vader en in de oneven jaren andersom;
- Herfstvakantie in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
- Kerstvakantie in de even jaren de eerste week, inclusief de kerstdagen bij de vader en de tweede week inclusief oud en nieuw bij de moeder en in de oneven jaren andersom.
Bij aanvullend verzoek verzoekt de moeder:
7. aan haar vervangende toestemming te verlenen, welke toestemming die van de vader vervangt, om de kinderen aan te melden bij een door de moeder te bepalen kindbehartiger, welke kindbehartiger alsdan bevoegd is om met de kinderen in gesprek te gaan en zo nodig een behandeltraject op te starten en de kinderen te behandelen en namens de kinderen aan derden inclusief in een gerechtelijke procedure hun stem te vertegenwoordigen alsmede te bepalen dat deze kindbehartiger geen inhoudelijke informatie mag verstrekken over hetgeen de kinderen aan hem of haar hebben gezegd aan de ouders.
Ter zitting bij het hof heeft de moeder verzocht om per direct de zorgregeling te wijzigen naar een weekendregeling van eenmaal per 14 dagen uit school tot maandagochtend naar school, dit op grond van het gegeven dat de vader eind maart 2026 zonder overleg met de moeder is verhuisd van [plaats B] naar [plaats C] .
De in het subsidiaire verzoek van de vrouw gedane verzoeken om schorsing van de beslissing van de rechtbank vat het hof op als een verzoek van de vrouw ex artikel 360 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering om schorsing van de door de rechtbank uitgesproken uitvoerbaarheid bij voorraad op de beslissingen ter zake het gezag en de zorgregeling.
Het ter zitting gedane verzoek van de vrouw ter zake de wijziging van de zorgregeling vat het hof op als een wijziging van het verzoek van de vrouw in de hoofdzaak.
4.5
De vader verzoekt de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Omdat de moeder en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben en de vader de Britse nationaliteit heeft, draagt de zaak een internationaal karakter. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel II-ter (Verordening (EG) nr. 2019/ 1111 van de Raad van 25 juni 2019) bevoegd is om over het geschil te oordelen. Tussen partijen staat niet ter discussie het oordeel van de rechtbank in de bestreden beschikking dat Nederlands recht van toepassing is, zodat ook het hof dat als uitgangspunt zal nemen.
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Uit artikel 1:377a, tweede lid, BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Standpunten
5.3
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de ouders gezamenlijk met het gezag over de kinderen worden belast en dat het verblijf van de kinderen bij de vader wordt uitgebreid. Ten onrechte heeft de rechtbank deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De moeder meent dat de rechtbank nader onderzoek had moeten laten verrichten alvorens te beslissen, omdat zij en de kinderen het slachtoffer zijn van intiem terreur door de vader. De rechtbank heeft de zorgen en angsten van de moeder niet serieus genomen. Het is van belang dat er zicht komt op de aard en de ernst van het geweld en het risico dat ieder van de gezinsleden loopt. Door toewijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag lopen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een onaanvaardbaar risico dat zij klem of verloren zullen raken. Niet te verwachten valt dat daar binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zal komen. Afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag is dan ook in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk. Verder betwist de moeder niet dat structureel contact met de vader in het belang van de kinderen is. Zij meent echter dat gezien alle problemen en het gedrag van de vader de eerdere weekendregeling het maximaal haalbare is. De kinderen willen geen uitbreiding van de weekend- en vakantieregeling; de weekendregeling is juist op verzoek van [minderjarige 1] beperkt. Het risico op verbaal geweld door de vader en de negatieve impact daarvan op de kinderen is minder groot als zij minder lang bij de vader zijn, aldus de moeder.
5.4
De vader meent dat de rechtbank op goede gronden heeft bepaald dat partijen gezamenlijk met het gezag over de kinderen worden belast. Deze beslissing sluit aan bij de belangen van de kinderen. Van meet af aan heeft de vader een actieve rol gespeeld in de opvoeding en verzorging van de kinderen. Jarenlang heeft hij in de veronderstelling verkeerde dat hij samen met de moeder het gezag uitoefende. Partijen hebben altijd gezamenlijk de besluiten over de kinderen genomen. De vader betwist met klem dat er sprake is (geweest) van intiem terreur. De moeder lijkt deze term aan te grijpen om zijn rol in het leven van de kinderen te beperken. De kinderen mogen hun vader wel zien, maar dan slechts voor een weekend. Dit terwijl de kinderen juist opbloeien van het contact met hem. De vader betwist dat overleg tussen partijen volledig onmogelijk is. Partijen communiceren met elkaar – zij het beperkt – via mail en onder toezicht van het Middelpunt. Dit is een werkbare situatie. Overleg tussen partijen over wezenlijke aangelegenheden is mogelijk. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin de kinderen klem of verloren dreigen te raken. De ruimere zorgregeling biedt rust ruimte en regelmaat voor de kinderen en functioneert inmiddels al geruime tijd zonder problemen. De kinderen hebben zelf uitgesproken dat zij meer bij hun vader willen zijn. De beschikking van de rechtbank doet recht aan die wens. De regeling is evenwichtig en in het belang van de kinderen, aldus de vader.
5.5
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken en het verhandelde tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat partijen ruim twintig jaar een affectieve relatie hebben gehad en dat de vader in februari 2024 de echtelijke woning heeft verlaten. In de periode daarna heeft de moeder zich gewend tot de wijkagent en aangegeven dat zij ruim twintig jaar zowel lichamelijk als geestelijk is mishandeld door de vader en dat zij bang voor hem is. De wijkagent heeft daarop een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis. In het rapport van augustus 2024 heeft Veilig Thuis geconcludeerd dat de vermoedens van kindermishandeling en (ex-)partnergeweld zijn bevestigd. Hoewel het gespreksverslag van de moeder ontbreekt, blijkt uit het rapport dat beide ouders erkennen dat er structureel (op dagelijkse basis) ruzies waren tussen hen, dat de kinderen daarvan getuige zijn geweest en dat enkele keren over en weer fysiek geweld is gebruikt. Veilig Thuis heeft daarop veiligheidsvoorwaarden gesteld en partijen verwezen naar het Middelpunt (Jeugdteam, gemeente [gemeente] ). In samenspraak met de ouders heeft de Zorgregisseur Jeugd een perspectiefplan opgesteld, waarin is opgenomen dat partijen worden verwezen naar iHub voor hulpverlening in de vorm van Parallel Solo Ouderschap (PSO) en opvoedondersteuning. In oktober 2025 is het PSO-traject van de vader gestart. Uit het concept-verslag van iHub van 26 januari 2026 blijkt dat de vader het traject positief heeft afgerond. Het PSO-traject van de moeder is – naar eigen zeggen – tijdelijk stopgezet vanwege de door haar uitgesproken zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vader. Daarop heeft de Zorgregisseur Jeugd medio februari 2026 aan partijen laten weten dat zij het gezin gaat aanmelden bij de Beschermingstafel. In haar e-mail geeft zij aan dat het haar niet lukt om beide ouders te motiveren voor hulpverlening en dat de zorgen rondom de kinderen toenemen.
5.6
Bij deze stand van zaken acht het hof zich onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen op de verzoeken van partijen, zowel met betrekking tot het gezag als tot de vraag welke zorg-/omgangsregeling in het belang van de kinderen wenselijk is. De standpunten van de partijen over de gebeurtenissen tijdens en na hun relatie liggen ver uiteen. Het is onvoldoende duidelijk of sprake is (geweest) van intiem terreur, zoals de moeder stelt en de vader betwist. Wel is duidelijk dat in de periode rondom de verbreking van de relatie de nodige conflicten tussen partijen hebben plaatsgevonden en dat de kinderen daarvan getuige zijn geweest. Ook is duidelijk dat de verstandhouding tussen partijen nog altijd zeer verstoord is en dat de kinderen worden belast, omdat zij opgroeien in een onrustige en spanningsvolle situatie. Het dossier bevat echter op dit moment onvoldoende concrete en feitelijke informatie over de vraag hoe de kinderen zich ontwikkelen en hoe het met hen gaat. Om meer zicht te krijgen op de situatie en de belangen van de kinderen, zal het hof de raad verzoeken een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen omtrent – in ieder geval – de volgende vragen:
- Welke vorm van gezag (gezamenlijk of eenhoofdig) acht de raad in het belang van de kinderen?
- Welke zorg-/omgangsregeling (inclusief vakantieregeling) acht de raad in het belang van de kinderen?
- Acht de raad hulpverlening aangewezen? En zo ja, welke vorm van hulpverlening zou dit moeten zijn?
- Zijn er overigens omstandigheden die van belang zijn voor de door het hof te nemen beslissing?
5.7
Het hof realiseert zich dat een raadsonderzoek de nodige tijd in beslag zal nemen.
Ter zitting in hoger beroep heeft het hof met partijen besproken dat via de Beschermingstafel wellicht sneller hulpverlening kan worden opgestart. Het hof heeft aan partijen voorgehouden dat De Waag mogelijk een passend hulpverleningstraject kan bieden. Beide partijen hebben aangegeven dat zij bereid zijn mee te werken aan een intensief hulpverleningstraject.
Verzoek moeder om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad
5.8
De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking door de vader mag worden uitgevoerd ondanks het hoger beroep van de moeder. Het hof kan op grond van de wet - als uitzondering - toch beslissen dat de beschikking nog niet mag worden uitgevoerd zolang het hoger beroep loopt. De Hoge Raad heeft daarvoor maatstaven uiteengezet (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
Deze maatstaven komen kort gezegd erop neer dat het hof de belangen van beide partijen en de minderjarigen bij het al dan niet direct kunnen uitvoeren van de beschikking tegen elkaar moet afwegen. Het hof gaat daarbij uit van de juistheid van de overwegingen en beslissingen in de beschikking van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft hierbij buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
5.9
Het hof ziet geen aanleiding om de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van de beslissing van de rechtbank ter zake het gezag te schorsen totdat de resultaten van het raadsonderzoek bekend zijn. Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat het gezamenlijk gezag direct tot problemen heeft geleid. De voorbeelden die de moeder in dat kader heeft aangedragen, kunnen deze conclusie niet dragen. Het kort geding tussen partijen zag op de uitleg van de zorg- en vakantieregeling en staat los van het gezag. De omstandigheid dat tot op heden nog geen kindbehartiger is ingeschakeld lijkt niet zozeer te wijten aan de vader, maar aan het feit dat de moeder een andere kindbehartiger wenst dan degene die is voorgedragen door de Zorgregisseur Jeugd. De moeder heeft dit echter nog niet kenbaar gemaakt aan de Zorgregisseur Jeugd, heeft dit pas op de zitting in hoger beroep aan de vader gemeld en heeft zelf ook nog geen contact opgenomen met de betreffende kindbehartiger. Wellicht is dit ook een onderwerp dat aan de orde kan komen bij de Beschermingstafel. In ieder geval zullen partijen dit onderwerp onderling nog met elkaar dienen te bespreken, al dan niet onder begeleiding van het Middelpunt. Het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming voor de benoeming van een kindbehartiger acht het hof in elk geval op dit moment nog te prematuur. De beslissing op dit verzoek zal dan ook worden aangehouden.
Ter zake de zorgregeling zal het hof hierna in de hoofdzaak voorlopig een andere zorgregeling bepalen dan de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Gelet hierop heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek in het incident om de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling te schorsen.
5.1
Het hof ziet in de hoofdzaak aanleiding om voorlopig een andere zorgregeling te bepalen dan de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Daartoe is met name redengevend dat de vader recent is verhuisd van [plaats B] naar [plaats C] . Daarbij speelt onder andere de reistijd van de nieuwe woning van de vader naar de school van de kinderen een rol. Volgens de vader bedraagt deze slechts 25 minuten, volgens de moeder moet aan minimaal 30-35 minuten buiten de spits worden gedacht en 50-75 minuten tijdens de spits. Ook in het geval de reistijd 25 minuten bedraagt, is het de vraag wat de verhuizing betekent voor de zorgregeling en het sociale leven van de kinderen. Dit zal aan de orde moeten komen in het raadsonderzoek. Het hof zal dan ook in de hoofdzaak voorlopig bepalen dat de kinderen om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijven, waarbij geldt dat indien en voor zo lang als [minderjarige 1] moeite blijft houden met de overdracht op school, de overdacht plaatsvindt op vrijdag om 16.30 uur en op maandag om 07:45 uur bij [X] .
5.11
Het hof ziet in de hoofdzaak tevens aanleiding om voorlopig een andere zomervakantieregeling te bepalen dan de door de rechtbank vastgestelde zomervakantieregeling. De moeder heeft onweersproken gesteld dat de kinderen tot op heden nog niet langer dan een week bij de vader hebben verbleven. Het hof acht de overgang naar drie aangesloten weken op dit moment te groot en niet in het belang van de kinderen. Voor dit jaar (2026) zal het hof bepalen dat de kinderen de eerste twee weken van de zomervakantie bij de vader verblijven. Voor de overige vakanties blijft de bestreden beschikking gelden totdat daarover bij eindbeschikking is beslist.
5.12
De moeder heeft verzocht een deskundige te benoemen. Ter zitting in hoger beroep heeft zij desgevraagd toegelicht dat zij dit verzoek primair grondt op artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en subsidiair op artikel 194 Rv Pro. Het hof zal dit verzoek aanhouden in afwachting van de uitkomsten van het raadsonderzoek. Het hof gaat ervan uit dat de raad bij de invulling van zijn onderzoek aandacht zal besteden aan de bij de moeder levende zorgen omtrent intieme terreur en dat het onderzoek zal worden uitgevoerd door een ervaren raadsonderzoeker.
5.13
De raad wordt verzocht omtrent de resultaten van het onderzoek schriftelijk te rapporteren en te adviseren. De behandeling van de zaak zal hiertoe worden aangehouden en na binnenkomst van het rapport worden voortgezet ter terechtzitting.
5.14
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in de hoofdzaak:
houdt aan het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming voor de benoeming van een kindbehartiger;
verzoekt de raad onderzoek te verrichten en advies uit te brengen zoals hierboven omschreven onder 5.6;
houdt de zaak, in afwachting van het onderzoeksrapport van de raad, pro forma aan voor de duur van acht maanden, te weten tot zondag 24 januari 2027, met het verzoek aan de raad om het onderzoeksrapport vóór 24 januari 2027 aan het hof te sturen;
bepaalt ter zake de reguliere zorgregeling en de zomervakantieregeling als voorlopige zorgregeling, dat de kinderen bij de vader verblijven:
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- gedurende de eerste twee weken van de zomervakantie 2026,
waarbij geldt dat indien en voor zo lang als [minderjarige 1] moeite blijft houden met de overdracht op school of als de overdracht niet op school kan plaatsvinden vanwege vakantie, de overdacht plaatsvindt op vrijdag om 16.30 uur en op maandag om 07:45 uur bij [X] ;
houdt iedere verdere beslissing aan;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
in het incident:
wijst af de verzoeken van de moeder.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. A.N. van de Beek en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.