Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1403

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.360.200/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 827 lid 1 sub f RvArt. 7:266 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing huurrecht echtelijke woning aan vrouw na echtscheiding

Partijen zijn in 2017 gehuwd en zijn in 2025 gescheiden. De rechtbank had bepaald dat de vrouw huurder blijft van de woning aan de [A-straat] te [plaats A]. De man ging hiertegen in hoger beroep en vorderde toewijzing van het huurrecht aan hem, stellende dat hij meer belang had vanwege zijn beperkte woonmogelijkheden en financiële situatie.

De vrouw betwistte dit en benadrukte het belang van het minderjarige kind, dat haar hoofdverblijfplaats bij haar heeft, en dat het kind niet uit haar vertrouwde omgeving mag worden gehaald. Zij stelde dat haar kansen op een andere woning vergelijkbaar zijn met die van de man en dat zij geen vermogen of woning in Rusland bezit.

Het hof oordeelde dat beide partijen een zwaarwegend en gelijkwaardig belang hebben bij het huurrecht, maar dat het belang van de vrouw zwaarder weegt vanwege de zorg en opvoeding van het minderjarige kind en het belang van continuïteit in diens woonomgeving. De stellingen van de man over de urgentieverklaring en het vermeende vermogen van de vrouw werden onvoldoende onderbouwd geacht. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de vrouw huurder blijft van de woning vanwege het belang van het minderjarige kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.200/01
zaaknummer rechtbank: C/13/756845 / FA RK 24-6295
beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.J. Huizinga te Haarlem,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P. Tijsterman te Uithoorn.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de vraag aan wie na de echtscheiding het huurrecht van de echtelijke woning toekomt.
1.2
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 10 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) onder meer bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de woning gelegen aan het adres [A-straat] te [plaats A] , dit met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De man is het daar niet mee eens en vindt dat hij het huurrecht van de woning dient te verkrijgen. De vrouw is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De man is op 9 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de bestreden beschikking.
2.2
De vrouw heeft op 10 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast ontvangen een bericht van de zijde van de man van 31 maart 2026, met bijlagen.
2.3
De zitting heeft op 15 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

3.De feiten

3.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2017 te [plaats A] . Hun huwelijk is op 15 oktober 2025 ontbonden door inschrijving van de in zoverre niet bestreden beschikking van 10 juli 2025 in de registers van de burgerlijke stand.
Het minderjarige kind van partijen is:
- [minderjarige] , geboren [in] 2017 te [plaats A] .
3.2
De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft.
3.3
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Russische en de Nederlandse nationaliteit.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de woning met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4.2
De man verzoekt het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, alsnog te bepalen dat hij huurder zal zijn van de woning met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4.3
De vrouw verzoekt het verzoek van de man af te wijzen en de door de man bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht
5.1
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van het huurrecht van de woning. Verder is tussen partijen niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek ter zake het huurrecht, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Het wettelijk kader
5.2
In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub f van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met toepassing van artikel 7:266 lid 5 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) op een nevenverzoek van een echtgenoot een voorziening treffen over de vraag wie van de echtgenoten na de echtscheiding huurder van de echtelijke huurwoning zal zijn. Daarbij moeten de belangen die partijen elk hebben bij het huurrecht van de woning tegen elkaar worden afgewogen.
De standpunten
5.3
De man vindt dat het huurrecht van de echtelijke woning aan hem dient te worden toegewezen, omdat hij daar meer belang bij heeft dan de vrouw. De man kan geen urgentieverklaring krijgen en komt voor geen enkele andere woning in aanmerking. De man heeft lang ingeschreven gestaan bij Woningnet, maar met het accepteren van de woning aan de [A-straat] is de door hem opgebouwde duur van inschrijving verloren gegaan. Een binnen afzienbare tijd verkrijgen van een andere sociale huurwoning is dus voor de man niet mogelijk. Voor een woning in de vrije huursector verdient de man te weinig, waardoor hij niet kan voldoen aan de hoge inkomenseisen die verhuurders tegenwoordig stellen. Het feit dat hij gezien zijn inkomen wel recht heeft op huursubsidie, doet daar dan ook niet aan af. Het inkomen van de man is ook te laag voor het verkrijgen van een hypotheek om de koop van een woning te financieren. De vooruitzichten en financiële mogelijkheden voor de vrouw om een andere woning te verkrijgen zijn aanzienlijk gunstiger. Zij is een alleenstaande moeder met de zorg voor een minderjarig kind. Een ouder met de zorg voor een kind krijgt volgens de man na een echtscheiding voorrang op het verkrijgen van een andere woning. Ook het gegeven dat de vrouw in de zorgsector werkzaam is, maakt volgens de man dat de vrouw met voorrang een andere woning toegewezen kan krijgen. Bovendien heeft de vrouw een hoger salaris en een hoger opleidingsniveau dan de man, waardoor zij nog meer kan groeien in salaris, hetgeen maakt dat haar kansen op een andere woning groter zijn dan die van de man. Dit alles maakt dat de vrouw meer mogelijkheden heeft om een woning te verkrijgen dan de man. De man beschikt niet over reële alternatieven om (al dan niet tijdelijke) woonruimte te verkrijgen. Het inwonen bij familie of vrienden is geen optie. Door de moeder van de man is ook aangegeven dat de man niet bij haar kan wonen. Antikraak wonen is evenmin een optie, want in die woningen zijn geen kinderen toegestaan. De man begrijpt dat [minderjarige] naar school gaat in [plaats A] en dat het belangrijk dat zij daar blijft, maar als het huurrecht van de woning aan de man wordt toebedeeld dan heeft [minderjarige] ook nog een connectie met de woning. Er is al een zorgregeling en die kan ook worden uitgebreid, zodat [minderjarige] dan vaker in de woning bij de man verblijft. Tot slot schijnt de vrouw een eigen woning in Rusland te hebben en heeft zij daarnaast mogelijk nog ander, de man niet bekend vermogen, aldus de man.
5.4
De vrouw meent dat het huurrecht van de woning door de rechtbank terecht aan haar is toegekend. Het is onjuist dat het voor de vrouw makkelijker is om een andere woning te verkrijgen dan voor de man. Als de mogelijkheid voor een kind bestaat om bij de andere ouder te zijn, dan vervalt de urgentie. De belangen van [minderjarige] moeten volgens de vrouw bij de beoordeling van de vraag wie na de echtscheiding huurder is, voorop staan. [minderjarige] is geworteld in [plaats A] en zij kan niet plots weggerukt worden uit haar vertrouwde woon- en leefomgeving. De vrouw is apothekersassistente en zij was apotheker in Rusland, maar dat is iets anders dan apotheker in Nederland. Om in Nederland apotheker te worden is een universitaire studie vereist en die heeft de vrouw niet gevolgd. De vrouw heeft mogelijk een iets hoger inkomen dan de man, maar dit verschil is verwaarloosbaar op de woningmarkt. Zij heeft dus dezelfde kleine kans op een woning als de man. De man heeft alleenstaande vrienden, zijn moeder heeft een woning en zijn vader ook. De vrouw daarentegen heeft geen familieleden in Nederland waar zij bij kan gaan inwonen. Evenmin kan zij bij vrienden of kennissen terecht. Haar vrienden en kennissen hebben of een werkvisum, en kunnen dus elk moment weer teruggaan naar Rusland, of zij hebben zelf een gezin en geen ruimte voor een vrouw met een kind. Dit geldt eveneens voor de collega’s van de vrouw.
De vrouw staat ook ingeschreven bij Woningnet, maar aangezien zij vrijwel onderaan staat, zal het verkrijgen van een huurwoning langs deze weg nog jaren gaan duren. Een sociale huurwoning is dus voor haar ook geen optie. Tot slot heeft de vrouw geen vermogen in Rusland en daar ook geen woning om te verkopen, aldus de vrouw.
Beoordeling door het hof
5.5
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat beide partijen een zwaarwegend belang hebben bij het verkrijgen van het huurrecht van de woning. Vaststaat dat het voor beide partijen moeilijk is om op korte termijn betaalbare, zelfstandige woonruimte te vinden in (de regio van) [plaats A] of elders. Alhoewel partijen allebei ingeschreven staan bij Woningnet, acht het hof het, mede gelet op de krappe woningmarkt, niet aannemelijk dat één van hen op korte termijn in aanmerking zal komen voor een sociale huurwoning. Evenmin is aannemelijk geworden dat partijen voldoen aan de inkomenseisen die gelden voor het verkrijgen van een huurwoning in de vrije sector. Daarnaast hebben beide partijen aannemelijk gemaakt dat zij niet bij familieleden of vrienden kunnen worden gehuisvest. Zowel de man als de vrouw zijn ieder in staat om de maandelijkse huur van de woning te voldoen. Dit alles maakt dat zowel de vrouw als de man een groot en in beginsel gelijkwaardig belang hebben bij toewijzing van het huurrecht van de woning.
5.6
Het hof is na een afweging van de aangevoerde belangen van partijen van oordeel dat het belang van de vrouw bij toedeling van het huurrecht van de woning zwaarder weegt dan het belang van de man daarbij. Daarbij is doorslaggevend voor het hof dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft en dat de vrouw al sinds de geboorte van [minderjarige] het grootste aandeel in haar zorg en opvoeding draagt. Het hof acht het van belang dat [minderjarige] met de vrouw in haar vertrouwde omgeving kan blijven wonen en dat [minderjarige] voor langere tijd de zekerheid heeft in de haar vertrouwde woning te kunnen blijven. De huidige situatie, waarin partijen weliswaar feitelijk gescheiden zijn, maar nog in dezelfde woning verblijven, vormt al een belasting voor [minderjarige] . Het is dus in haar belang dat verdere ingrijpende wijzigingen in haar leefsituatie zoveel mogelijk worden beperkt. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de rechtbank over het huurrecht bekrachtigen. Het hof gaat voorbij aan de stellingen van de man dat de vrouw een grotere kans heeft om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning vanwege haar recht op een urgentieverklaring, alsmede dat de vrouw onroerend goed dan wel anderszins vermogen heeft in Rusland dat zij kan aanwenden ten behoeve van huisvesting. Deze stellingen zijn door de man onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden. Evenmin leidt de omstandigheid dat partijen de woning destijds hebben verkregen doordat de man al geruime tijd ingeschreven stond bij Woningnet, tot een ander oordeel, dit omdat een verhuizing van de vrouw met [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht.
5.7
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het meer of anders in hoger beroep verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. F. Kleefmann en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.