Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1404

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.357.715/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 BWArt. 1:205 BWArt. 1:206 BWArt. 8 EVRMArt. 10:101 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging nietigverklaring erkenning minderjarige door niet-verwekker

De rechtbank Amsterdam verklaarde de erkenning van de minderjarige door een niet-verwekker nietig. De moeder ging hiertegen in hoger beroep, terwijl de verwekker de beslissing steunde. Het hof bevestigde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is.

De moeder had toestemming gegeven voor erkenning door een niet-verwekker terwijl de verwekker al een verzoek tot vervangende toestemming had ingediend. Volgens het hof was deze toestemming van de moeder slechts voorwaardelijk en werd deze ongeldig toen de Surinaamse rechter de vervangende toestemming aan de verwekker verleende.

Het hof oordeelde dat de moeder ontvankelijk is in het hoger beroep, maar dat de erkenning door de niet-verwekker van rechtswege nietig is. De belangenafweging inzake vervangende toestemming was reeds inhoudelijk door de Surinaamse rechter gemaakt, waardoor het hof geen aanleiding zag dit opnieuw te beoordelen.

De overige verzoeken, waaronder die van de bijzondere curator, werden afgewezen. Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en wees het hoger beroep van de moeder af.

Uitkomst: De erkenning van de minderjarige door de niet-verwekker is van rechtswege nietig en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.715/01
zaaknummer rechtbank: C/13/742704 / FA RK 23-7888
beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van
[de moeder]wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.E. Tiebie te Heerhugowaard,
en
[verweerder ] ,
wonende te [plaats B] (Suriname),
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: [verweerder ] ,
advocaat: mr. H.K. Jap A Joe te Utrecht,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] );
- mr. O. Asscher te Amsterdam, (hierna de bijzondere curator).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna te noemen: de raad.

1.De zaak in het kort

De rechtbank Amsterdam heeft op 6 mei 2025 voor recht verklaard dat de door (hieronder nader te noemen) [naam] op 17 juli 2019 te [plaats C] gedane erkenning van [minderjarige] nietig is.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat het inleidende verzoek van [verweerder ] (alsnog) wordt afgewezen. [verweerder ] is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 1 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 6 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
[verweerder ] heeft op 13 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij beschikking van 21 oktober 2025 heeft het hof met ingang van diezelfde datum op grond van artikel 1:212 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) mr. O. Asscher benoemd tot opvolgend bijzondere curator om in deze procedure de belangen van [minderjarige] te behartigen.
2.4
Nadien is bij het hof ingekomen:
- een bericht van de moeder van 22 augustus 2026, met bijlage;
- een bericht van de bijzondere curator van 4 december 2025, met bijlage;
- een bericht van de moeder van 4 maart 2026, met een bijlage;
- een bericht van de moeder 5 maart 2026, met bijlage;
- een bericht van de zijde van [verweerder ] van 10 maart 2026;
- een bericht van de zijde van [verweerder ] van 24 maart 2026, met bijlage.
2.5
[minderjarige] heeft bij brief van 18 februari 2026 laten weten wat zij van de zaak vindt. De voorzitter heeft tijdens de zitting een korte samenvatting hiervan aan partijen voorgehouden.
2.6
De zitting heeft op 1 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de advocaat van [verweerder ] ,
- de bijzondere curator, en
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.
[verweerder ] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De moeder en [verweerder ] hebben in 2014 een korte affectieve relatie met elkaar gehad.
[minderjarige] , geboren [in] 2015 te [plaats B] (Suriname), is het kind van de moeder. De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
Op 27 februari 2018 heeft [verweerder ] bij de kantonrechter in [plaats B] (Suriname) een verzoek ingediend tot vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] .
3.3
De moeder is in juli 2019 naar Nederland afgereisd met [minderjarige] . Op 17 juli 2019 is [minderjarige] te [plaats C] erkend door [naam] (hierna: [naam] ). Daarna is de moeder met [minderjarige] op enig moment teruggekeerd naar Suriname.
3.4
Bij beschikking van 22 juli 2019 heeft de Surinaamse kantonrechter te [plaats B] [verweerder ] vervangende toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen. De Surinaamse rechter heeft bij de beslissing de bevindingen uit het rapport van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken (BUFAZ) van 15 mei 2019 betrokken. De moeder is van deze beschikking in hoger beroep gegaan. Dit hoger beroep is op 16 december 2020 doorgehaald.
3.5
Op 21 april 2020 is de moeder weer met [minderjarige] naar Nederland gegaan.
3.6
[verweerder ] heeft op 20 mei 2020 de kantonrechter in Suriname verzocht om de betwisting van de door [naam] op 17 juli 2019 gedane erkenning gegrond te verklaren. Uit een rapport van Verilabs van 6 augustus 2020 blijkt dat praktisch bewezen is dat [verweerder ] de biologische vader is van [minderjarige] . Partijen zijn het er ook over eens dat [verweerder ] de verwekker van [minderjarige] is. Het BUFAZ heeft op 15 februari 2021 rapport uitgebracht aan de Surinaamse kantonrechter en geadviseerd de erkenning door [naam] te vernietigen. De kantonrechter heeft zich bij vonnis van 19 juli 2022 echter onbevoegd verklaard omdat de Nederlandse rechter bevoegd was.
3.7
[in] 2020 is [naam] overleden.
3.8
[verweerder ] is de onderhavige procedure vervolgens op 16 november 2023 bij de rechtbank gestart.
3.9
Bij beschikking van 21 oktober 2025 heeft het hof mr. O. Asscher benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] .
3.1
De bijzondere curator heeft bij schrijven van 4 december 2025 haar verslag van 4 december 2025 bij het hof ingediend.
3.11
De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. [naam] had de Nederlandse nationaliteit en [verweerder ] heeft de Surinaamse nationaliteit.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking voor recht verklaard dat de door [naam] gedane erkenning van [minderjarige] nietig is.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, [verweerder ] en de voormalige bijzondere curator in hun verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hun verzoeken af te wijzen en de raad te verzoeken onderzoek te doen en advies uit te brengen over de vraag of vernietiging van de erkenning door [naam] en erkenning van [minderjarige] door [verweerder ] in het belang van [minderjarige] kan worden geacht.
4.3
[verweerder ] verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De bijzondere curator verzoekt het verzoek van de moeder ten aanzien van het raadsonderzoek toe te wijzen en in het onderzoek niet uitsluitend ontkenning door [naam] te betrekken maar ook advies uit te brengen over de erkenning door [verweerder ] , het gezag, de omgang en de eventuele wijziging van de achternaam

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
[verweerder ] heeft de Surinaamse nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. Omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast bij de beoordeling van het verzoek. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Ontvankelijkheid van de moeder
5.2
In zaken betreffende het personen- en familierecht kan, in afwijking van artikel 358 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), krachtens artikel 806 lid 1 Rv Pro van een beschikking hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker, door degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden en door andere belanghebbenden. Welke personen in een zaak als deze als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, moet door de rechter worden bepaald aan de hand van het criterium uit artikel 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv. Artikel 798 lid 1 Rv Pro bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Het gaat daarbij – aan de ene kant – om het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – om de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene belanghebbende in de zin van eerdergenoemde bepaling. Ook in hoger beroep dient de rechter ambtshalve te beoordelen of een partij valt aan te merken als belanghebbende (zie ook HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:622).
5.3
De moeder is van mening dat zij belanghebbende is en daarom ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek in hoger beroep. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij rechtstreeks door de bestreden beslissing wordt geraakt en doet daarbij een beroep op artikel 8 EVRM Pro. Vernietiging nietigverklaring van de erkenning is een inbreuk op het gezinsleven dat de moeder met [naam] en [minderjarige] had.
[verweerder ] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.
5.4
Het hof is van oordeel dat de moeder belanghebbende is ingevolge artikel 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv. Deze procedure ziet op de vraag of de toestemming van de moeder aan [naam] tot erkenning van [minderjarige] rechtsgeldig is en daarmee de erkenning door [naam] in stand kan blijven. De omstandigheid dat de geldigheid van een rechtshandeling van de moeder in het geding is maakt reeds dat de zaak rechtstreeks betrekking heeft op haar rechten en verplichtingen. De overige stellingen van de moeder behoeven dan geen bespreking meer. De moeder is ontvankelijk in dit hoger beroep.
Ontvankelijkheid van [verweerder ] en voorwaardelijke toestemming
5.5
Ingevolge artikel 1:204, eerste lid, BW is een erkenning nietig, als zij - indien het kind nog geen zestien jaar is - zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder is gedaan. Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW Pro kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon:
a. de verwekker van het kind is; of
b. de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
5.6
Op grond van artikel 1:205 lid 1 BW Pro kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:
a. door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;
b. door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;
c. door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.
5.7
Artikel 1:206 BW Pro bepaalt als volgt:
1. Nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad.
2. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.
3. Door de vernietiging ontstaat geen vordering tot teruggave van de kosten van verzorging en
opvoeding of van levensonderhoud en studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot
genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten vermogensrechtelijke voordelen die uit de erkenning zijn voortgevloeid, voor zover degene die hen heeft genoten ten tijde van het instellen van het verzoek daardoor niet was gebaat.
5.8
De verwekker van een kind heeft, gelet op de limitatieve opsomming in artikel 1:205 lid 1 BW Pro, geen zelfstandige rechtsingang om een verzoek in te dienen tot vernietiging van de erkenning gedaan door een ander. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat voor de beantwoording van de vraag of de verwekker de door een niet-verwekker met toestemming van de moeder verrichte erkenning toch ongedaan kan maken, van groot belang is dat aan de verwekker in artikel 1:204 lid 3 BW Pro de bevoegdheid is toegekend om de minderjarige met vervangende toestemming van de rechter te erkennen.
5.9
Volgens het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2002 (ECLl:NL:HR:2002:AE0745) is met de strekking van artikel 1:204 derde Pro lid BW onverenigbaar, dat in een geval waarin een verzoek om vervangende toestemming door de verwekker aan de rechter is voorgelegd, de moeder de beoordeling daarvan en daarmee de erkenning door de verwekker die reeds om vervangende toestemming heeft gevraagd, zou kunnen blokkeren door aan een ander die het kind wil erkennen, daartoe toestemming te verlenen voordat definitief op het desbetreffende verzoek van de verwekker is beslist. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat vanaf het moment waarop een verzoek tot het verlenen van deze vervangende toestemming bij de rechtbank is ingediend en totdat daarop definitief is beslist, de moeder aan een ander slechts voorwaardelijk toestemming tot erkenning kan verlenen. Die toestemming heeft in dat geval alleen gevolg indien de door de verwekker gevraagde vervangende toestemming bij een definitief geworden rechterlijke beslissing is geweigerd. Dat betekent dat als het tijdig door de verwekker gedane verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming wordt toegewezen de eerder gegeven toestemming voor erkenning aan een ander nietig is.
5.1
Vast staat dat [verweerder ] tijdig, te weten op 27 februari 2018, een verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] bij de kantonrechter te [plaats B] heeft ingediend, maar deze toestemming niet tijdig (althans niet voor het moment dat de erkenning door [naam] heeft plaatsgehad), namelijk op 22 juli 2019 is verkregen. Dit is mede het gevolg geweest van het in die procedure verrichte onderzoek door het BUFAZ, waarover op 15 mei 2019 een rapport is uitgebracht aan de kantonrechter in Suriname. Daarnaast is gebleken dat de moeder op 17 juli 2019, derhalve vijf dagen voor de uitspraak van de Surinaamse rechter van 22 juli 2019, [minderjarige] in Nederland door [naam] heeft laten erkennen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [verweerder ] als verwekker ontvankelijk is in zijn verzoek om de door een niet-verwekker ( [naam] ) met toestemming van de moeder verrichte erkenning toch ongedaan te maken.
5.11
De moeder heeft [naam] toestemming gegeven om [minderjarige] te erkennen, terwijl zij wist dat de door [verweerder ] in Suriname gestarte procedure tot vervangende toestemming tot erkenning nog liep en daarin uitspraak zou worden gedaan. Totdat op het verzoek tot vervangende toestemming van [verweerder ] definitief was beslist, was de toestemming voor erkenning die de moeder aan [naam] had gegeven dan ook slechts aan te merken als een voorwaardelijke. Als aan [verweerder ] de verzochte vervangende toestemming zou zijn geweigerd, zou de aan [naam] gegeven toestemming gevolg hebben gehad en zou de erkenning door [naam] in stand zijn gebleven.
Gebleken is echter dat het verzoek van [verweerder ] door de Surinaamse rechter op 22 juli 2019 is toegewezen, het hiertegen -aanvankelijk- door de moeder ingestelde hoger beroep is ingetrokken en daarmee de beslissing van de Surinaamse rechter definitief is geworden. Deze beslissing komt op grond van artikel 10:101 lid 2 BW Pro voor erkenning in aanmerking. Dit heeft tot gevolg dat de door de moeder gegeven (voorwaardelijke) toestemming aan [naam] ongeldig is en de door [naam] gedane erkenning van rechtswege nietig is.
5.12
Zoals eerdergenoemd kan de rechter op grond van artikel 1:206 BW Pro vervangende toestemming verlenen voor de erkenning van een minderjarige, indien de moeder haar toestemming daartoe weigert. In dat kader dient de rechter in beginsel een belangenafweging te maken, waarbij het belang van het kind een eerste overweging vormt, naast de belangen van de ouders. In deze zaak stelt het hof vast dat al in Suriname een rechterlijke procedure heeft plaatsgevonden waarin de vraag naar de vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] door [verweerder ] aan de orde is geweest. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de bevoegde rechter in Suriname, na een inhoudelijke beoordeling van de zaak, vervangende toestemming aan [verweerder ] heeft verleend om [minderjarige] te erkennen. Naar het oordeel van het hof moet ervan worden uitgegaan dat de Surinaamse rechter bij zijn beslissing de relevante belangen heeft betrokken en heeft afgewogen, waaronder in ieder geval het belang van [minderjarige] en de belangen van de ouders. Daarmee heeft al een inhoudelijke rechterlijke toets plaatsgevonden die ziet op hetzelfde onderwerp van geschil als nu aan het hof is voorgelegd.
De moeder heeft in deze procedure bij het hof inhoudelijke bezwaren aangevoerd tegen het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning door [verweerder ] . Deze bezwaren zien onder meer op de gevolgen van de erkenning waarbij volgens de moeder de belangen van haarzelf en [minderjarige] worden geschaad. Zo is de moeder van mening dat een erkenning door [verweerder ] zorgt voor reële risico’s dat [minderjarige] wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Ook vreest de moeder dat [verweerder ] zijn juridische positie zal gebruiken om te proberen [minderjarige] bij de moeder weg te halen. Het hof ziet daarin echter geen aanleiding om opnieuw een inhoudelijke beoordeling te kunnen verrichten, nu al door een bevoegde rechter een beslissing is genomen na een inhoudelijke toetsing.
5.13
De overige verzoeken, waaronder het verzoek van de bijzondere curator behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. M.T. Hoogland en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Prins als griffier en is op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.