Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1408

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.347.462/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging gezag moeder over minderjarige tweeling

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van de moeder tegen het verzoek van de Raad tot beëindiging van haar gezag over haar tweeling, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Na een deskundigenonderzoek door PSY Business en uitgebreide zittingen concludeerde het hof dat de moeder zich positief heeft ontwikkeld en in staat is de ouderlijke verantwoordelijkheid te dragen.

De kinderen zijn sinds 2019 uit huis geplaatst vanwege een onveilige en gewelddadige thuissituatie. Inmiddels verblijven zij in een gezinshuis en is de omgang met de moeder uitgebreid en onbegeleid. De moeder woont met haar stiefvader en andere kinderen in een maatschappelijke opvang en werkt mee met hulpverlening.

Hoewel [minderjarige 2] ernstige gedragsproblemen en een trauma heeft, adviseert het deskundigenrapport gefaseerde terugplaatsing met voortzetting van begeleiding. Het hof acht het op dit moment voorbarig om het gezag te beëindigen, mede omdat de moeder bereid is intensieve hulp voor [minderjarige 2] te ondersteunen, ook indien klinische opname nodig is.

Het hof vernietigt de eerdere beschikking en wijst het verzoek van de Raad af, waarbij het belang van continuïteit en zorgvuldige afweging van belangen van moeder en kinderen centraal staat. De kosten van het deskundigenonderzoek worden ten laste van de staat gebracht.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder af en handhaaft het gezag over de tweeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.347.462/01
zaaknummer rechtbank: C/15/334036 / FA RK 22-5439
beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M. Erkens te Den Haag,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ;
- de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers Noord-Holland, hierna: de GI;
- de gezinshuisouders [naam 1] en [naam 2] ;
- de deskundige PSY Business B.V. (hierna: PSY Business).
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] zullen hierna samen ook worden genoemd: de kinderen.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Het hof handhaaft wat het heeft overwogen en beslist in zijn beschikking van 10 juni 2025. In deze beschikking heeft het hof op de voet van artikel 810a, tweede lid, Rv een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de in rechtsoverweging 2.4 van die beschikking geformuleerde vragen. Het hof heeft PSY Business tot deskundige benoemd. Verder is bepaald dat PSY Business uiterlijk 10 augustus 2025 door middel van een schriftelijk ondertekend bericht het hof zal rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek en dat de ouders en de overige belanghebbenden vervolgens gedurende vier weken de gelegenheid hebben op de resultaten van het onderzoek te reageren. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden en iedere verdere beslissing is aangehouden.
1.2
Het hof heeft daarna het volgende stuk ontvangen:
- een deskundigenrapport forensisch psychiatrisch en psychologisch onderzoek van PSY Business van 28 augustus 2025 (hierna: het deskundigenrapport).
1.3
De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling met [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 1] heeft in een brief laten weten wat zij van de zaak vindt.
1.4
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de gezinshuisouders [naam 1] en [naam 2] en de gedragswetenschapper van het gezinshuis [naam 3] .

2.De verdere beoordeling

Conclusie deskundigenrapport
2.1
PSY Business adviseert de moeder met het gezag te belasten als noodzakelijke voorwaarde voor herstel van de opvoedingsrelatie en het toewerken naar terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Indien sprake is van een voldoende veilige en opvoedkundig toereikende thuissituatie of herstel hiervan binnen afzienbare termijn haalbaar is, zijn kinderen doorgaans beter af bij hun eigen ouders dan in langdurige pleegzorg. PSY Business acht het niet noodzakelijk dat de uithuisplaatsing wordt voortgezet, omdat de moeder hulp accepteert, er sinds de terugplaatsing van haar andere dochter [dochter] op verschillende vlakken sprake is van positieve ontwikkelingen en de moeder tijdens het aanvullende interactieonderzoek stabiliteit, regie en autonomie toont. De moeder rapporteert geen incidenten tijdens de bezoekregeling, terwijl het Leger des Heils wel gedragsproblemen van [minderjarige 2] in het gezinshuis heeft gemeld. Het contact tussen de moeder en oma van moederszijde (mz) is inmiddels verbroken, waardoor de onveilige thuissituatie al geruime tijd niet meer bestaat. De drie kinderen die in het gezin van de moeder wonen functioneren globaal gezien goed. De moeder heeft een relatie met stiefvader, die een actieve ondersteunende rol neemt in de opvoeding van alle kinderen. Op dit moment is de moeder niet met het gezag over de kinderen belast, waardoor zij formeel niet beslissingsbevoegd is en er sprake is van langdurige juridische en organisatorische onzekerheid. Deze situatie leidt bij de kinderen tot onduidelijkheid over de opvoedingslijn en belemmert een consistente opbouw van de ouder-kindrelatie.
De verdere standpunten van de belanghebbenden
2.2
Het hof verwijst naar het in de beschikking van 6 mei 2025 onder 5.2 opgenomen standpunt van de moeder. In aanvulling daarop heeft de moeder op de zitting van 18 maart 2026 - samengevat - het volgende aangevoerd. De grootste wens van de moeder is dat de kinderen bij haar komen wonen, zodat haar gezin compleet is, dan wel dat de kinderen gedeeltelijk bij haar verblijven, afhankelijk van wat haalbaar is. Volgens PSY Business kan de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen dragen. Zij heeft zich ontwikkeld. De moeder is duidelijk en consequent, zij schept een warm, betrokken en liefdevol klimaat en zij erkent de problemen uit het verleden. Het is in het belang van de kinderen om bij hun moeder en broers en zus op te groeien. De moeder is in staat om de ouderlijke verantwoordelijkheid voor [dochter] en de jongste kinderen te dragen. De moeder erkent dat [minderjarige 2] een trauma heeft en dat hij hulp nodig heeft, maar dat betekent niet dat het gezinshuis hem het beste kan bieden. De moeder weet het beste hoe de kinderen in elkaar zitten. De omgang met de kinderen verloopt goed. De mening van de kinderen is niet van doorslaggevende betekenis, omdat zij in een lastige positie verkeren. De moeder werkt mee met de hulpverlening. Als de moeder met het gezag over de kinderen zou zijn belast, zou zij toestemming geven voor het inzetten van intensieve hulp voor [minderjarige 2] , ook als hij daarvoor enkele maanden elders zou moeten verblijven. Ook zal de moeder ervoor zorgen dat de kinderen contact houden met de gezinshuisouders als zij dat willen, net als bij [dochter] . De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de kinderen op verantwoorde wijze bij haar terug te plaatsen en daarvoor de benodigde tijd te nemen.
2.3
De raad is van mening dat de rechtbank het gezag van de moeder over de kinderen terecht heeft beëindigd en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De raad twijfelt niet aan de liefde van de moeder voor de kinderen, maar vindt het nog steeds noodzakelijk dat het gezag van de moeder wordt beëindigd. Het is nog niet duidelijk welke hulpverlening [minderjarige 2] precies nodig heeft. De informatie over de kinderen is beperkt. Om beslissingen over de kinderen te kunnen nemen die voor hen passend zijn is het daarom belangrijk dat het gezag over hen neutraal wordt ingevuld. Een onderscheid maken in de gezagssituatie tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waarbij de moeder het gezag over [minderjarige 1] zou hebben, maar niet over [minderjarige 2] , zou met zich brengen dat er verschillen ontstaan in de specifieke dynamiek die een tweeling heeft. Dat versterkt de verschillen tussen hen. De kinderen hebben meer tijd in het gezinshuis doorgebracht dan bij de moeder. Onderzocht moet worden hoe de rol van de moeder op de korte en de lange termijn kan worden ingevuld. Voor de identiteitsvorming van de kinderen moet het gezin van herkomst een plek krijgen.
2.4
De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige 2] , anders dan [minderjarige 1] , een specifieke opvoedbehoefte heeft vanwege vroegkinderlijk trauma en een verstoorde hechting en emotieregulatie. [minderjarige 2] is zeer beschadigd, hij heeft lang niet de zorg gekregen die hij nodig heeft. Hij dreigt op steeds meer ontwikkelgebieden uit te vallen. Op school raakt hij snel ontregeld en zijn ontwikkeling stagneert. Omdat de een-op-een begeleiding onvoldoende lijkt te zijn, is naar dagbehandeling bij Levvel toegewerkt. Sindsdien wordt steeds meer bewogen richting speciaal onderwijs. [minderjarige 2] heeft onlangs brand in het gezinshuis en op school gesticht. Hij moet intensiever begeleid worden en bekeken moet worden welke zorgaanbieder de juiste en noodzakelijke zorg kan bieden. Naar aanleiding van de brandstichting wordt bekeken of een tijdelijke klinische opname passend is. Stabiliteit in de thuissituatie en duidelijkheid over zijn perspectief zijn belangrijk voor [minderjarige 2] om de behandeling te laten slagen. Op 19 maart 2026 vindt een gesprek met de twee betrokken consortia plaats. Vanwege de wachttijden voor een dagklinische behandeling moet ter overbrugging worden gestart met hulpverlening van Levvel en extra ondersteuning. Het is ook in het belang van [minderjarige 1] dat er duidelijkheid komt over haar perspectief.
2.5
De gezinshuisouders hebben ter zitting naar voren gebracht dat het met [minderjarige 1] in het gezinshuis en op school goed gaat. Zij heeft leuke sociale contacten en clubjes en er zijn weinig zorgen over haar. Met [minderjarige 2] gaat het niet goed. Hij laat veel grensoverschrijdend gedrag zien. Er zijn 36 één op één begeleidingsuren per week om hem binnen te houden. Naar aanleiding van de door de GI genoemde brandstichtingen is vijf keer met [minderjarige 2] gesproken, maar hij ziet het gevaar hiervan niet in. Verder steelt [minderjarige 2] eten, telefoons en geld, om welke reden alle deuren in het gezinshuis op slot zitten. De behandeling van [minderjarige 2] is nog niet van de grond gekomen. In april 2026 start hulpverlening door Levvel voor drie dagen per week. In de week voorafgaand aan de zitting hebben de gezinshuisouders de plaatsing van [minderjarige 2] in het gezinshuis ter discussie gesteld, omdat de veiligheid voor alle bewoners gegarandeerd moet zijn. Na overleg met de GI zijn de gezinshuisouders tot de conclusie gekomen dat het het beste zou zijn als zo spoedig mogelijk met een klinische opname van [minderjarige 2] wordt gestart en dat hij in de weekenden bij de gezinshuisouders, zijn primaire hechtingsfiguren, kan verblijven. [minderjarige 1] heeft last van het gedrag van [minderjarige 2] , maar de kinderen spelen ook veel met elkaar en zij zorgen voor elkaar en ondersteunen elkaar. De samenwerking tussen het gezinshuis en de moeder is goed. De gedragswetenschapper van het gezinshuis heeft hieraan toegevoegd dat [minderjarige 2] vanwege zijn behandeling mogelijk tijdelijk elders moeten gaan verblijven, maar dat hij daarna naar het gezinshuis kan terugkeren. De kinderen verblijven vanaf hun tweede jaar in het voor hen vertrouwde gezinshuis en zij kunnen zich niets herinneren van de periode daarvoor. Dat [minderjarige 2] een opvoeding plus nodig heeft zal nooit veranderen. Dat kan het gezinshuis bieden. Een professionele aanpak kan helpend zijn voor hem. Een nadeel van het verblijf in het gezinshuis is dat de kinderen niet opgroeien met hun broers en zus. Het is dan ook in hun belang dat zij een vol weekend bij de moeder en de rest van het gezin zijn en ook in de vakanties, maar dat de basis blijft zoals de kinderen gewend zijn en dat zij samen blijven. Na zoveel jaren uit een vertrouwd gezin weggaan zal een grote impact op de kinderen hebben.
De beoordeling door het hof
2.6
Uit artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
2.7
Een gezagsbeëindiging is een ingrijpende maatregel, die een inmenging in het gezinsleven van ouder en kind met zich brengt. Er kunnen redenen zijn om het gezag niet te beëindigen, ondanks het feit dat aan de wettelijke grondslag daarvoor is voldaan. Blijkens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is de maatstaf van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan de hand waarvan een gezagsbeëindiging moet worden beoordeeld breder dan enkel het wettelijk criterium van artikel 1:266 BW Pro. Een gezagsbeëindiging kan slechts plaatsvinden na een zorgvuldige afweging van de belangen van de ouders en de belangen van het kind. Ook is vereist dat indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel.
2.8
Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en de zitting in hoger beroep is niet gebleken dat de moeder haar gezag heeft misbruikt. Van een situatie als vermeld in artikel 1:266, eerste lid, onder b BW is dus geen sprake. Ter beoordeling van het hof ligt voor of er sprake is van een situatie als vermeld in artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
2.9
Naar het oordeel van het hof is onder de huidige omstandigheden geen sprake van een situatie waarin de verwachting gerechtvaardigd is dat de moeder niet in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW. Het hof sluit zich aan bij de conclusie in het deskundigenrapport dat terugplaatsing van de kinderen een haalbare optie is, met dien verstande dat de bestaande begeleiding ook na terugplaatsing noodzakelijk is en moet doorgaan. Daartoe is mede het volgende van belang.
2.1
Op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof het volgende gebleken. Als gevolg van het overlijden van de vader van de kinderen in 2019 was de moeder alleen met het gezag over de kinderen belast. Bij beschikking van 14 januari 2019 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en bij beschikking van 22 augustus 2019 zijn zij uithuisgeplaatst. Sindsdien wonen zij in het gezinshuis. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] waren toen twee jaar. De aanleiding voor de uithuisplaatsing was de onveilige, onvoorspelbare en gewelddadige opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder. Er was sprake van (fysieke en emotionele) verwaarlozing en de kinderen zijn blootgesteld aan fysiek en verbaal huiselijk geweld. In de voorgeschiedenis van de moeder is sprake geweest van affectieve verwaarlozing, seksueel misbruik en van ouder-kindproblematiek tussen de moeder en haar eigen moeder (de oma van moederszijde). Op basis van eerder onderzoek is geconcludeerd dat de moeder kenmerken heeft van persoonlijkheidsproblematiek, bestaande uit afhankelijke, vermijdende en enkele dwangmatige trekken. Daarnaast leek sprake te zijn van enige beïnvloedbaarheid en weinig identiteit.
Inmiddels is de situatie ten positieve gewijzigd. De moeder, de stiefvader en de jongste tweeling (nu drie jaar oud) wonen sinds mei 2024 in een klein driekamerappartement in de maatschappelijke opvang van het Leger des Heils. Sinds 1 december 2024 woont [dochter] (nu vijftien jaar oud) ook bij hen. Het gezin staat op de wachtlijst voor een andere woning. De bezoekregeling met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is uitgebreid. De omgang vindt inmiddels onbegeleid in het appartement plaats. De kinderen verblijven om de week ieder afzonderlijk op dinsdag bij de moeder en in de derde week verblijven zij samen op zaterdag bij haar. 10 voor Toekomst is nog steeds bij het gezin betrokken.
Hoewel de moeder in het laatste deskundigenonderzoek van PSY Business niet opnieuw is onderzocht, staan de hierboven genoemde kenmerken van persoonlijkheidsproblematiek volgens PSY Business minder op de voorgrond en lijkt er een positieve ontwikkeling gaande richting stabiliteit en autonomie. Het verbreken van de relatie van de moeder met oma mz heeft een positieve invloed gehad. De onveilige thuissituatie, die resulteerde in de uithuisplaatsing van de kinderen, is mede veroorzaakt door de invloed van oma mz op de moeder. Omdat het contact tussen hen inmiddels is verbroken bestaat de onveilige thuissituatie niet meer. Het opvoeden van kinderen met uiteenlopende behoeften en in een verschillende leeftijdsfase vraagt veel van de moeder, maar zij lijkt met haar vaardigheden tegemoet te kunnen komen aan de specifieke behoeften van de kinderen. Tussen de moeder en de kinderen is sprake van wederkerigheid, de moeder stelt grenzen, is duidelijk en consequent, praat met de kinderen en luistert naar hen, moedigt de kinderen aan en toont betrokkenheid en begrip. De terugplaatsing van [dochter] is goed verlopen en zij ontwikkelt zich goed in het gezin van de moeder. Er zijn geen aanwijzingen dat sprake is van problemen in de opvoeding van de jongste tweeling. Dat de omgangsregeling van de kinderen is uitgebreid heeft de moeder de gelegenheid gegeven om zich in haar rol als ouder nog verder te ontwikkelen. De verwachting is dat de moeder ook bij een gezin met vijf kinderen kan zorgen voor continuïteit in de opvoeding. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de moeder met de hulpverlening meewerkt en dat zij een relatie heeft met de stiefvader, die een actieve ondersteunende rol heeft in de opvoeding van alle kinderen.
2.11
[minderjarige 1] had bij aanvang van de uithuisplaatsing bij de gezinshuisouders veel last van ernstige dissociatieve symptomen en daarnaast had zij hechtingsproblemen. Zij lijkt zich inmiddels over het geheel genomen goed en leeftijdsadequaat te ontwikkelen. Voor [minderjarige 1] is voldoende structuur en rust van belang. Verder heeft [minderjarige 1] niet veel andere specifieke affectieve en pedagogische behoeften dan haar leeftijdgenoten. [minderjarige 1] heeft ten tijde van het deskundigenonderzoek weliswaar aangegeven dat zij stemmen hoorde maar, zoals de gezinshuisouders en de gedragswetenschapper ter zitting hebben verklaard, is dit sinds een half jaar tot een jaar niet meer het geval. [minderjarige 1] woont, net als [minderjarige 2] , ruim zes jaar bij de gezinshuisouders en zij is veilig aan hen gehecht. [minderjarige 1] heeft ook een goede band met haar moeder en zij heeft in een recente schriftelijke verklaring aan het hof aangegeven dat zij bij haar wil wonen. De onbegeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] is, zoals hiervoor vermeld, uitgebreid en verloopt goed.
Aan de terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder zijn weliswaar risico’s verbonden, omdat niet geheel te voorzien is of zij haar plek zal vinden in het gezin van de moeder en of zij zich goed zal blijven ontwikkelen als zij daar permanent woont. Evenmin valt te voorzien welk effect het op [minderjarige 1] heeft als zij voor het eerst in haar leven van [minderjarige 2] zou worden gescheiden nu de verwachting is dat [minderjarige 2] de komende periode in een klinische setting opgenomen zal worden. Het hof schat deze risico’s echter als aanvaardbaar in, omdat [minderjarige 1] en de moeder zeer gemotiveerd zijn om de terugplaatsing te laten slagen en de moeder kan terugvallen op de ondersteuning en begeleiding van 10 voor Toekomst, dan wel een andere hulpverlener. Bovendien kan op basis van de op dit moment beschikbare informatie over de kinderen niet worden aangenomen dat het in alle gevallen in het belang van beide kinderen is om bij elkaar te blijven.
De terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder zal naar het oordeel van het hof goed voorbereid en goed begeleid moet worden en hier zal naar verwachting nog enige tijd mee gemoeid zijn. De moeder ziet dit ook in. PSY Business adviseert om gedurende een periode van een jaar gefaseerd toe te werken naar terugplaatsing door het uitbreiden van de bezoekregeling. Een volgende stap kan verblijf in de weekenden zijn, waarna kan worden overgegaan tot terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder, waarbij de bestaande begeleiding wordt gecontinueerd en zo nodig uitgebreid.
2.12
Ten aanzien van [minderjarige 2] is gebleken dat hij, (onder meer) als hij stress ervaart, zich afsluit en (motorisch) gevaarlijk gedrag vertoont zoals onverantwoord klimmen. Ook gooit hij met spullen, wordt hij boos en is hij overgegaan tot brandstichting. [minderjarige 2] heeft één op één begeleiding nodig om hem te helpen met emotieregulatie en prikkelverwerking. [minderjarige 2] wordt begeleid door een sensorische informatieverwerkingstherapeut. Het gaat momenteel niet goed met [minderjarige 2] . Hij zal een behandeling gaan volgen en mogelijk moet hij voor een klinische opname elders verblijven. Het is nog niet duidelijk wanneer deze mogelijke opname zal starten en hoelang deze zal duren. Op dit moment is ook (nog) onduidelijk of [minderjarige 2] de komende periode, ook na de eventuele klinische opname, bij de gezinshuisouders zal kunnen blijven wonen. Omdat op dit moment nog veel onduidelijkheid bestaat over zijn huidige en toekomstige situatie, kan niet worden vastgesteld of het in het belang van [minderjarige 2] is dat zijn perspectief al dan niet (op termijn) bij zijn moeder ligt.
2.13
Voor zover bij de kinderen onduidelijkheid en onrust over hun toekomstperspectief bestaat, is onvoldoende komen vast te staan dat het gezag van de moeder hierin een (mede)bepalende rol speelt en dat een beëindiging van haar gezag voor de kinderen op dit moment noodzakelijk is. Op de zitting is gebleken dat de samenwerking tussen het gezinshuis en de moeder goed verloopt. Het gezag van de moeder heeft niet in de weg gestaan aan het nemen van beslissingen in het belang van de kinderen in goed onderling overleg. De moeder heeft laten zien dat zij inmiddels in staat is om op afstand de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen. In dit verband is mede van belang dat de moeder, zoals zij op de zitting in hoger beroep heeft verklaard, als zij weer met het gezag belast zou zijn, mee zal werken aan een behandeling van [minderjarige 2] , ook als dit betekent dat hij voor die behandeling tijdelijk elders zou moeten gaan wonen, zoals bij een klinische opname het geval zou zijn. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het verloop en de uitkomst van de behandeling van [minderjarige 2] in ieder geval moeten worden afgewacht, voordat (eventueel) een zodanige ingrijpende maatregel als een gezagsbeëindiging kan worden getroffen.
2.14
Al met al is het hof van oordeel dat het op dit moment voorbarig is om het gezag van de moeder te beëindigen. Op basis van de overgelegde stukken en de toelichtingen van de belanghebbenden concludeert het hof dat de moeder een groei heeft doorgemaakt en dat zij zich constant inspant om in het belang van de kinderen te handelen. Dit neemt niet weg dat de positieve ontwikkelingen aan de zijde van de moeder pril zijn. Het is daarom aan haar om te laten zien dat zij dit blijvend kan waarmaken en de ontwikkeling van de kinderen en de hulpverlening aan hen blijft ondersteunen.
2.15
Het hof zal het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag daarom afwijzen. Het hof realiseert zich dat afwijzing van het verzoek van de raad tot gevolg heeft dat een verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zal moeten worden gedaan. Dit is echter geen reden om over te gaan tot bekrachtiging van de gezagsbeëindiging.
2.16
Zoals in de beschikking van het hof van 10 juni 2025 is overwogen, worden de kosten van het deskundigenonderzoek in beginsel ten laste van ’s Rijks kas gebracht. Het hof heeft in overleg met de deskundige het voorschot voor dit onderzoek begroot op € 9.129,45,- inclusief btw, exclusief reiskosten. Gelet op de uitkomst van deze procedure, is de moeder niet gehouden om een eigen bijdrage te betalen.

3.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] af;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, team Familie- en Jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register;
begroot de door de deskundige gemaakte kosten op € 9.129,45,- inclusief btw, exclusief reiskosten, en bepaalt dat deze uit ’s Rijks kas zullen worden voldaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A.V.T. de Bie en mr. M.T. Hoogland, in tegenwoordigheid van mr. L. Meulman als griffier en is op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de jongste raadsheer.