Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1462

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
200.355.984/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:129 BWArt. 164, tweede lid, RvArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over bewijs en vertegenwoordigingsbevoegdheid bij terugbetaling lening

In deze civiele zaak staat centraal of appellant een lening van €35.000,- contant heeft terugbetaald aan de ex-partner van de bestuurder van geïntimeerde en of die betaling bevrijdend was. Appellant stelde dat hij het bedrag aan die ex-partner had gegeven, ondersteund door een kwitantie en getuigenverklaringen. Geïntimeerde betwistte dit en stelde dat de ex-partner niet bevoegd was om namens haar geld in ontvangst te nemen.

De rechtbank oordeelde dat appellant niet had bewezen dat de contante betaling had plaatsgevonden en dat de ex-partner niet vertegenwoordigingsbevoegd was. Het hof bevestigt dit oordeel. De verklaringen van appellant en de ex-partner zijn tegenstrijdig en onvoldoende betrouwbaar, mede omdat de kwitantie pas na lange tijd werd ingebracht en niet eerder werd genoemd in communicatie over terugbetaling.

Daarnaast is vastgesteld dat de ex-partner formeel niet bevoegd was om geïntimeerde te vertegenwoordigen en dat appellant zich niet met succes kon beroepen op schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Daarom zou een eventuele betaling aan de ex-partner niet bevrijdend zijn geweest jegens geïntimeerde.

Het hof wijst de grieven van appellant af, bekrachtigt de bestreden vonnissen en veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep. Ook de incidentele vorderingen tot inzage in documenten worden afgewezen wegens gebrek aan belang.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestreden vonnissen en veroordeelt appellant tot betaling van €35.000,- met rente en kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.355.984/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/747568 / HA ZA 24-245
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 mei 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats] ,
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat: mr. D.W.E. Urbanus te Amsterdam,
t e g e n
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
gedaagde in het incident,
advocaat: mr. D.H.S. Donk te Den Haag.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om de vraag of [appellant] een geleend bedrag van € 35.000,- heeft terugbetaald aan de toenmalige partner van de bestuurder van [geïntimeerde] en of die terugbetaling bevrijdend is geweest jegens [geïntimeerde] . Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet erin is geslaagd te bewijzen dat de bedoelde terugbetaling is geschied. Evenmin is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat [geïntimeerde] de schijn heeft gewekt dat de genoemde ex-partner vertegenwoordigingsbevoegd was zodat ook in het geval de gestelde betaling zou zijn bewezen, die betaling niet bevrijdend is geweest.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 7 april 2025, gevolgd door een herstelexploot van 3 juni 2025, in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 31 juli 2024 (hierna: het bestreden tussenvonnis) en 15 januari 2025 (hierna: het bestreden eindvonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep in de hoofdzaak en van het door [appellant] in hoger beroep opgeworpen incident ex artikel 843a (oud) Rv (hierna: het incident), heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026. [appellant] die bij deze gelegenheid nog producties in het geding gebracht, is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Urbanus voornoemd. Namens [geïntimeerde] is verschenen [naam 1] (hierna: [naam 1] ), bestuurder, bijgestaan door mr. Donk voornoemd en mr. P.M. Trooster, advocaat te Den Haag. De advocaten van partijen hebben het woord gevoerd, mr. Trooster voornoemd aan de hand van aan het hof en de wederpartij overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben voorts enige vragen van het hof beantwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof in het incident [geïntimeerde] - uitvoerbaar bij voorraad - zal veroordelen inzage te verschaffen in:
  • i) het originele Word-document (.doc-bestandsformat) van de door [naam 2] (hierna: [naam 2] ) opgestelde kwitantie, opgesteld op of omstreeks 6 februari 2022 dat zich op een computer bevindt die destijds in het kantoor van [geïntimeerde] in Den Bosch stond, inclusief de bestandsinformatie van het Word-document, waaruit blijkt op welke datum de kwitantie is opgesteld;
  • ii) het proces-verbaal van aangifte van diefstal door [geïntimeerde] , althans [naam 1] , gedaan in of omstreeks mei 2023, betreffende de diefstal van contante gelden;
alles met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in het incident.
In de hoofdzaak heeft [appellant] geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met wettelijke rente.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof in het incident de vorderingen van [appellant] zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident, inclusief nakosten. In de hoofdzaak heeft [geïntimeerde] geconcludeerd dat het hof het bestreden eindvonnis zal bekrachtigen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding - naar het hof begrijpt - in hoger beroep, met nakosten.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs aangeboden.

3.Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis onder het kopje “De feiten” een aantal feiten als vaststaand vermeld. Over de juistheid van de door de rechtbank genoemde feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat bij de beoordeling van het hoger beroep ook enkele andere, hierna te noemen, feiten zullen worden betrokken die tussen partijen niet in geschil zijn. Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1
[geïntimeerde] drijft een onderneming die zich bezighoudt met de exploitatie van het modemerk ‘ [geïntimeerde] ’. [naam 1] is middellijk bestuurder en enig aandeelhouder van [geïntimeerde] . [naam 1] is gehuwd geweest met [naam 2] . [appellant] is een bekende van [naam 1] en [naam 2] .
3.2
Bij WhatsApp-bericht van 11 januari 2022 te 15:55 uur heeft een medewerker van [bedrijf] , genaamd [bedrijf] , aan [naam 2] onder meer het volgende geschreven:
“Als jij zorgt voor de kas contanten boek ik wel gewoon de bank in zonder de bonnen (wat eigenlijk niet mag)”
3.3
Op 2 februari 2022 is vanaf de zakelijke bankrekening van [geïntimeerde] een bedrag van € 35.000,- overgeschreven naar de bankrekening van [appellant] . Op het bankafschrift staat bij deze transactie vermeld “Lening”.
3.4
[naam 1] heeft [appellant] op 16 april 2022 via WhatsApp gevraagd om het bedrag van € 35.000,- terug te betalen. [appellant] heeft daarop geantwoord dat hij het bedrag al contant aan [naam 2] heeft teruggegeven.
3.5
Op 11 januari 2024 heeft het administratiekantoor van [geïntimeerde] [appellant] opnieuw verzocht het bedrag van € 35.000,- terug te betalen. [appellant] heeft daarop wederom geantwoord dat hij het bedrag al contant aan [naam 2] heeft teruggegeven.
3.6
Bij brief van 22 januari 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd het bedrag van € 35.000,- terug te betalen. [appellant] heeft geen gevolg gegeven aan deze sommatie.
3.7
Een document genaamd “ONTVANGSTBEWIJS” (hierna ook wel: kwitantie) dat voorzien is van handtekeningen van [naam 2] en [appellant] , luidt als volgt:
“(…) [naam 2] ( [geïntimeerde] ) (…)
VERKLAART te hebben ontvangen van [appellant] (…) een som van
€ 35.000 (vijfendertig duizend euro) op de volgende wijze: contant.
Omwille van het volgende, het gestorte bedrag € 35.000 op 02-02-2022 van [geïntimeerde] BV naar ING-rekeningnummer van J. [appellant] . Ten gunste van [geïntimeerde]
Gedaan te [plaats] , op 7 februari 2022
Handtekening [naam 2] ( [geïntimeerde] )
[handtekening]
Handtekening [appellant]
[handtekening]”

4.De procedure in eerste aanleg

4.1
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd [appellant] - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen tot betaling van € 35.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Zij heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] het bedrag van € 35.000,- heeft ontvangen uit hoofde van een lening en dat hij dit bedrag niet heeft terugbetaald ondanks herhaalde verzoeken en sommatie.
4.2
[appellant] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. [appellant] heeft daartoe onder meer aangevoerd dat hij het bedrag van € 35.000,- in contanten heeft terugbetaald aan [naam 2] en dat [naam 2] bevoegd was dit bedrag namens [geïntimeerde] in ontvangst te nemen.
4.3
Bij het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank - voor zover thans van belang - geoordeeld dat het bedrag van € 35.000,- uit hoofde van een lening aan [appellant] is overgemaakt en [appellant] opgedragen zijn stelling te bewijzen dat hij het bedrag van € 35.000,- aan [naam 2] heeft betaald. De rechtbank heeft voorts, voor het geval dat [appellant] zou slagen in zijn bewijsopdracht, geoordeeld dat [naam 2] namens [geïntimeerde] het geld in ontvangst mocht nemen vanwege bij [appellant] gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid en dat [appellant] zich daarmee heeft bevrijd van zijn (terug)betalingsverplichting jegens [geïntimeerde] .
4.4
[appellant] heeft ter voldoening aan de bewijsopdracht op 10 oktober 2024 zichzelf en [naam 2] in enquête doen horen. De verklaringen van [appellant] en [naam 2] luiden als volgt, voor zover van belang:
Getuigenverklaring [appellant] (partijgetuige):
“(…) Ik heb het geld op 7 februari in de middag teruggeven. In de middag is meneer [naam 2] naar mij toegekomen en daar heeft de overdracht plaatsgevonden. (…) Ik heb het geld op mijn kantoor gegeven, dat zit in Amsterdam (…) Ik heb een kantoor aan huis. [naam 2] en ik kennen elkaar al jarenlang. Wij hebben samen een afspraak gemaakt om het geld terug te geven. (…) Ik heb precies € 35.000 overhandigd. Ik heb het geld van mijn eigen spaargeld afgehaald. Ik had dat al liggen. Het geld zat in een supermarkttas van de Dirk. De samenstelling van de biljetten waren briefjes van € 50,00 in pakketjes van 1.000. In totaal waren het 35 pakketjes van € 1.000.
[naam 2] kwam met de kwitantie zodat ik zeker wist dat het geen lening was. Ik ben altijd huiverig dus hij is toen met de kwitantie gekomen. Voor mij was het belangrijk dat daaruit bleek dat ik het geld heb teruggegeven. De kwitantie was door meneer | [naam 2] opgemaakt. De kwitantie is op dat moment ondertekend. Dat was nadat ik het geld gaf en wij het geteld hadden. Het idee om de kwitantie op te maken was mijn idee. Ik heb [naam 2] gevraagd om een bewijs van de transactie, toen zei hij dat dit een normale gang van zaken was. Wij hadden beiden een exemplaar. We zijn allebei met een eigen exemplaar vertrokken. (…) Ik was op 7 februari alleen met de heer [naam 2] op kantoor. (…)”
Getuigenverklaring van [naam 2] :
“(…) [appellant] en ik zijn goede vrienden. (…) Er zijn vaker transacties binnen het bedrijf geweest met een andere omschrijving dan dit zou moeten zijn. (…) [naam 1] en ik hadden een gesprek over hoe we aan contant geld zouden komen en wij hebben [appellant] in ons hoofd gehaald en hebben het aan hem gevraagd. Wij hebben hem samen opgebeld en gevraagd of hij wellicht contant geld had en of wij in dit geval geld naar hem konden overmaken. Het ging via de telefoon. [appellant] heeft ons in het verleden ook heel veel geholpen. Wij zijn echt goed bevriend met elkaar. Zowel [naam 1] , [appellant] als ik. Wij mochten het geld naar hem overmaken. Dit was ergens eind januari 2022 (…). De afspraak hield concreet in dat wij geld overmaakte naar zijn rekening en wij het geld contant van hem konden krijgen. We hebben de omschrijving van de overboeking niet besproken. Hij heeft het achteraf wel gevraagd, nadat het gestort was, omdat er lening bij stond. [appellant] heeft een opmerking gemaakt over het feit dat er lening bijstond. (…) Dat er lening bijstond is ook de reden geweest dat ik bij het ontvangst van het geld een kwitantie heb meegenomen. Hij heeft daar niet om gevraagd, ik heb het meegenomen en aangegeven dat het goed zou komen. (…) Het geldbedrag was veel groter dat de gemiddelde andere geldafspraken. Ik was samen met [naam 1] toen ik [appellant] aan de telefoon had. We hebben toen afgesproken dat wij het binnen ongeveer een week in contanten terugkregen. Maar geen specifieke datum. [appellant] heeft op 7 februari het geld aan mij gegeven rond de middag. (…) Ik heb toen diezelfde dag met mevrouw [naam 1] gegeten. Ik was op het kantoor van [appellant] (…) in Amsterdam . Er waren geen andere mensen in het kantoor aanwezig. (…) Ik kreeg € 35.000 overhandigd. We hebben het samen nageteld. Het waren voornamelijk briefjes van €50. Het waren stapeltjes van €1.000. Op die manier telden we het geld na. We hebben alle briefjes geteld. Ik heb het geld meegenomen. Het zat in een plastictasje van de Albert Heijn of de Dirk. (…) Ik heb het geld in ieder geval in een zak meegenomen.
U laat mij de kwitantie zien en ik geef aan dat ik deze herken. Ik heb deze de dag voor de afspraak gemaakt. Ik heb deze gemaakt vanwege het feit dat de opmerking van lening gemaakt was en omdat het om een groot bedrag ging. (…) Ik heb niet met mevrouw [naam 1] besproken dat ik deze kwitantie ging maken. Ik heb het achteraf wel besproken. Dit was toen ik het geld aan haar gaf, toen heb ik ook de kwitantie meegegeven. Ik heb twee exemplaren gemaakt van de kwitantie en ik heb deze beiden ondertekend. Ik heb later met mevrouw [naam 1] afgesproken. We hebben toen in een restaurant gegeten (…) Ik heb het geld toen samen met wat andere spullen bij het afscheid aan haar gegeven. (…) Het was niet gek dat we elkaar geld gaven in contanten. (…) We hebben in het restaurant afscheid genomen en mevrouw [naam 1] is met het geld naar huis vertrokken. (…) U houdt voor dat de boekhouder een brief heeft geschreven aan [appellant] en of ik daarna contact heb gehad met de boekhouder. Jazeker. Ik heb meerdere malen aangegeven dat het bedrag van € 35.000 verwerkt moest worden in het kasboek. (…) Ik heb de kwitantie op de computer gemaakt. Ik heb het toen uitgetypt en meegenomen. (…) Nadat het geld is gegeven is de kwitantie ondertekend. (…)”
4.5
Op 4 december 2024 heeft [geïntimeerde] in contra-enquête [naam 1] doen horen als getuige en voorts een schriftelijke verklaring van [naam 3] (hierna: [naam 3] ) van 15 november 2024 ingebracht. De getuigenverklaring van [naam 1] en de schriftelijke verklaring van [naam 3] luiden als volgt, voor zover van belang:
Getuigenverklaring van [naam 1] :
“(…) Over het contant teruggeven van het geld kan ik u niets vertellen, want dat is niet gebeurd. Het is via de bank overgemaakt en dan moet dat ook via de bank terug. Ik heb helemaal geen cash nodig want ik heb 2 winkels. Wij hebben een overvloed aan cashgeld, dat moeten wij steeds afstorten. (…)
Het klopt dat [geïntimeerde] een overvloed aan cash heeft. Ik heb niet meer cash nodig. Er wordt in mijn winkels zowel gepind als met cash betaalt. Ik kan aantonen hoeveel cash er in de winkel omgaat en dat ik dat niet nodig heb. (…) Ik vraag me af waarvoor ik cash geld nodig zou hebben, hetgeen wat [naam 2] daarover heeft verklaard klopt in ieder geval niet.
Over het ontvangstbewijs kan ik zeggen dat ik dat nooit heb ontvangen en dat dat er nooit geweest is. Ik ken [appellant] door mijn ex-partner, maar het is niet waar dat we beste vrienden waren. Zij zijn beste vrienden. Het is een vooropgezet plan.
Ik heb de kwitantie voor het eerst gezien als productie bij de conclusie van antwoord.
Ik heb ook geen kwitantie ontvangen van [naam 2] . De kwitantie is niet echt.
Ik heb [appellant] voor eerst in april 2022 gevraagd om de lening terug te betalen.
Ik heb alleen contact gehad met [appellant] via Whatsapp. In april 2022 heb ik ook nog bij [naam 2] gevraagd om betaling. Hij antwoordde daarop dat het goed zou komen en dat het teruggestort zou worden. Hij heeft in april 2022 niets gezegd over dat de lening al terugbetaald zou zijn.
Over het contact met de heer [naam 3] kan ik zeggen dat het een zakelijke relatie is, ik ben een klant van hem en hij is mijn boekhouder. Hij sprak mij aan over dat er een lening in de boeken stond, dat was ongeveer eind 2023. (…)
[naam 2] heeft voor 2024 nooit melding gemaakt van de kwitantie. Ook niet in de gesprekken met de heer [naam 3] . De heer [naam 3] gaf juist aan dat er een kwitantie nodig was, om aan te tonen dat het geld zou zijn terugbetaald. [appellant] heeft ook voor 2024 nooit melding gemaakt van de kwitantie. Hij had het er over dat hij werkzaamheden had verricht, op het gebied van marketing en consulting. Als er een kwitantie zou zijn geweest, had hij dat wel aangegeven. (…)
[geïntimeerde] heeft nooit gebruik gemaakt van boekhoudkundige trucs. Wij doen alles op een legale wijze. Ik weet niet wat het voordeel zou zijn van een dergelijke boekhoudkundige truc. (…)
Ik heb een overval meegemaakt op of rond 24 mei 2023 en het onderzoek loopt nog bij de politie. Ik heb aangifte gedaan van de vermissing van onder andere een contant geldbedrag (…) Naar aanleiding van het doorlezen van de verklaring wil ik nog opmerken dat ik in antwoord op de vraag van mr. Donk heb bedoeld dat meneer [naam 3] niet voor januari 2024 heeft gevraagd naar een kwitantie. De heer [naam 3] gaf na januari 2024 aan dat er een kwitantie nodig was. (…)
Schriftelijke verklaring van [naam 3] :
“(…) Ons kantoor, [bedrijf] is een administratiekantoor en belastingadviesbureau en wij doen sinds 2014 de administratie en belastingaangiftes van [geïntimeerde]
Uit de bankafschriften van [geïntimeerde] is gebleken dat [geïntimeerde] op 2 februari 2022 aan de heer [appellant] een lening heeft verstrekt ten bedrage van € 35.000,-. We hebben dat ook als zodanig in de boekhouding van [geïntimeerde] verwerkt en in de jaarrekeningen van [geïntimeerde] voor 2022 en 2023 opgenomen.
De heer [naam 2] heeft mij in die tijd wel gevraagd om deze lening uit de boekhouding te halen en liet mij daarbij weten dat hij met de heer [appellant] een vriendschappelijke band had en dat de heer [appellant] werkzaamheden voor [geïntimeerde] had gedaan. Ik heb de heer [naam 2] echter laten weten dat ik de lening niet zonder onderliggende documentatie uit de boekhouding van [geïntimeerde] kan laten verdwijnen.
Ik heb begrepen dat de heer [naam 2] in de gerechtelijke procedure over de lening heeft verklaard dat er door [geïntimeerde] boekhoudkundige trucs zouden zijn uitgevoerd en er vaker leningen zouden zijn verstrekt aan personen die dan later als oninbare vorderingen weer zouden worden afgeboekt. Dit is onjuist. In de boekhouding van [geïntimeerde] zijn geen leningen aan derden geboekt en ook hebben wij voor [geïntimeerde] nog nooit een lening als oninbaar afgeboekt omdat deze dan cash zou zijn terugbetaald. Voor alle duidelijkheid: wij werken ook niet mee aan boekhoudkundige manipulaties met het oog op belasting te ontduiken. Nadat wij de heer [appellant] in een brief van 1 januari 2024 hebben gevraagd om de lening aan [geïntimeerde] terug te betalen, heeft de heer [naam 2] contact met mij opgenomen en aangegeven dat de lening uit de boeken kon worden gehaald, omdat deze volgens hem al cash was terugbetaald. Ik heb toen aangegeven dat wij daarvan dan een ontvangstbewijs nodig hebben. Dit ontvangstbewijs of enige kwitantie hebben wij niet van de heer [naam 2] ontvangen. De heer [naam 2] heeft ook nooit melding gemaakt van het bestaan van een kwitantie of ontvangstbewijs. (…)”
4.6
Na het sluiten van het getuigenverhoor heeft op 4 december 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij partijen zich hebben uitgelaten over het ingebrachte bewijsmateriaal en de vraag of [appellant] was geslaagd in het leveren van het benodigde bewijs.
4.7
Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is bewezen dat [appellant] het bedrag van € 35.000,- aan [naam 2] heeft betaald. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de in enquête afgelegde getuigenverklaringen en de hiervoor onder 3.7 weergegeven kwitantie onvoldoende bewijs opleveren van de gestelde contante betaling van [appellant] aan [naam 2] , meer in het bijzonder omdat over de kwitantie tegenstrijdig is verklaard, en voorts dat er geen andere bewijsmiddelen zijn. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet met redelijke mate van zekerheid worden vastgesteld dat de gestelde betaling heeft plaatsgevonden, hetgeen ten nadele komt van [appellant] omdat op hem het bewijsrisico rust. De rechtbank heeft vervolgens [appellant] veroordeeld tot betaling van € 35.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 mei 2022, en € 1.125,- ter zake van buitengerechtelijke kosten, alles met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.

5.Beoordeling

In de hoofdzaak
5.1
Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zeven grieven op. [geïntimeerde] bestrijdt de grieven.
5.2
Met
grief Ikomt [appellant] op tegen overweging 4.4 van het tussenvonnis waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat aan de vereisten van artikel 7:129 BW Pro is voldaan en dat de rechtshandeling waarbij aan [appellant] € 35.000,- is verstrekt kwalificeert als een geldlening. [appellant] bestrijdt niet de kwalificatie van de rechtshandeling als geldlening maar klaagt over de door [geïntimeerde] aangevoerde feiten en omstandigheden die door de rechtbank - kennelijk - zijn meegewogen bij die kwalificatie. Volgens [appellant] wekt [geïntimeerde] in haar inleidende dagvaarding de suggestie dat partijen de bedoeling hebben gehad een overeenkomst van geldlening aan te gaan in de zin van artikel 7:129 BW Pro en dat daarbij de afspraak zou zijn gemaakt dat de uitgeleende som binnen twee maanden zou moeten worden terugbetaald, maar [geïntimeerde] heeft dit niet onderbouwd. Hoewel dit aan de juridische kwalificatie niets verandert, meent [appellant] dat het voor de beoordeling van het hoger beroep van belang is in aanmerking te nemen dat de uitleg die [geïntimeerde] over de feitelijke gang van zaken heeft gegeven, onjuist is.
5.3
De grief faalt bij gebrek aan belang. [appellant] bestrijdt immers niet het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een geldlening. Voor zover [appellant] betoogt dat [geïntimeerde] een onjuiste weergave heeft gegeven van de afspraken omtrent de lening, leidt dat niet tot een ander oordeel. Wat er ook zij van die afspraken, [appellant] erkent dat hij het bedrag van € 35.000,- als lening heeft ontvangen en dat hij gehouden is dit terug te betalen, aan welke verplichting hij - naar eigen zeggen - heeft voldaan.
5.4
Met
de grieven II tot en met VIkomt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de getuigenverklaringen en de kwitantie onvoldoende bewijs opleveren van de gestelde (contante) betaling van € 35.000,- door [appellant] aan [naam 2] . Gelet op de onderlinge samenhang zullen deze grieven gezamenlijk worden behandeld.
5.5
Op grond van de inhoud van de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen en de ingebrachte bescheiden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Daartoe is het volgende redengevend. [appellant] en [naam 2] hebben als getuigen weliswaar verklaard dat [appellant] op 7 februari 2022 een bedrag van € 35.000,- in contanten heeft overhandigd aan [naam 2] en dat zij daarbij een kwitantie - als bewijs van betaling - hebben ondertekend, maar de rechtbank heeft deze verklaringen terecht van onvoldoende gewicht geacht voor het bewijs van de gestelde betaling. Allereerst zijn de getuigen niet objectief. [appellant] is partijgetuige en zijn verklaring heeft op grond van artikel 164, tweede lid, (oud) Rv beperkte bewijskracht in die zin dat het geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren maar slechts strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Ten aanzien van [naam 2] staat vast dat hij ten tijde van het afleggen van de verklaring in een vechtscheiding was verwikkeld met [naam 1] en al langere tijd goed bevriend is met [appellant] . Dit betekent dat de verklaring van [naam 2] met de nodige behoedzaamheid moet worden gewogen. In dit verband is verder van belang dat de verklaringen van [appellant] en [naam 2] op essentiële punten van elkaar afwijken en ongerijmdheden bevatten. Zo heeft [appellant] verklaard dat het opmaken van de kwitantie zijn idee was en dat hij om bewijs van de (terug)betaling heeft gevraagd terwijl [naam 2] heeft verklaard dat hij op eigen initiatief de kwitantie heeft opgemaakt zonder dat [appellant] daarom heeft gevraagd. Beide getuigenverklaringen waarin de kwitantie als een belangrijk bewijsstuk werd gezien, stroken bovendien niet met de omstandigheid dat zowel [appellant] als [naam 2] in hun reacties op de hiervoor onder 3.4 en 3.5 genoemde verzoeken om terugbetaling van 16 april 2022 respectievelijk 11 januari 2024 alsook op de hiervoor onder 3.6 genoemde sommatiebrief van de advocaat van [geïntimeerde] van 22 januari 2024, de kwitantie ten bewijze van de gestelde terugbetaling niet hebben genoemd zoals dit ook volgt uit de getuigenverklaring van [naam 1] en de schriftelijke verklaring van [naam 3] . Beide getuigen hebben geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat deze kwitantie eerst bij conclusie van antwoord in de procedure op 24 april 2024 - derhalve meer dan twee jaar na de gestelde terugbetaling en ondertekening van de kwitantie - is genoemd en aan de gestelde terugbetaling ten grondslag is gelegd. Vooral nadat boekhouder [naam 3] bij brief van 11 januari 2024 aan [naam 2] had opgemerkt dat hij van de gestelde terugbetaling een ontvangstbewijs nodig had voordat het bedrag uit de boeken kon worden gehaald, had het voor de hand gelegen dat [naam 2] de kwitantie had genoemd. Ook [appellant] die heeft verklaard dat hij de brief van 11 januari 2024 van [naam 3] met [naam 2] had besproken, heeft de kwitantie toen onvermeld gelaten. Deze ongerijmdheden roepen zodanige twijfels op omtrent de verklaringen van [appellant] en [naam 2] en de authenticiteit van de kwitantie dat aan deze bewijsmiddelen afzonderlijk en in samenhang bezien geen, althans onvoldoende bewijswaarde toekomt. Het bovenstaande leidt ertoe dat de grieven II tot en met VI falen.
5.6
Onverminderd het voorgaande geldt dat ook in het geval [appellant] wel zou zijn geslaagd in het leveren van het van hem verlangde bewijs, dit hem niet zou hebben gebaat. Het hof komt in dat geval via de devolutieve werking van het appel toe aan de vraag of [appellant] bevrijdend heeft betaald aan [naam 2] . Anders dan de rechtbank beantwoordt het hof die vraag ontkennend. Daartoe geldt het volgende. Vast staat dat [naam 2] formeel niet bevoegd was [geïntimeerde] te vertegenwoordigen. Uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel volgt dat alleen [naam 1] bevoegd was [geïntimeerde] te vertegenwoordigen. [appellant] kan zich niet met succes erop beroepen dat [geïntimeerde] de schijn heeft gewekt dat [naam 2] bevoegd was haar te vertegenwoordigen. Voor dat beroep is immers vereist dat sprake is van verklaringen en/of gedragingen van [geïntimeerde] althans van zodanige feiten en omstandigheden dat op grond daarvan die schijn kan worden aangenomen. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn niet althans onvoldoende gebleken. De enkele omstandigheid dat [naam 2] in zekere mate betrokken was bij de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] is onvoldoende om te oordelen dat hij vertegenwoordigingsbevoegd was. Evenmin kan worden geoordeeld dat op grond daarvan bij [appellant] gerechtvaardigd de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt. Naar [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld, ontving [naam 2] wel eens opdrachten van [naam 1] die [naam 2] daarbij een machtiging verstrekte om bepaalde handelingen namens [geïntimeerde] uit te voeren. Deze omstandigheid maakt echter nog niet dat [naam 2] in zijn algemeenheid bevoegd was namens [geïntimeerde] te handelen en evenmin dat daarmee de schijn is gewekt dat hij ook in het onderhavige geval vertegenwoordigingsbevoegd was en dat hij uit dien hoofde namens [geïntimeerde] geld in ontvangst mocht nemen. Daarbij komt dat [appellant] ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard dat zijn wetenschap dat [naam 2] langere tijd als pseudo gemachtigde van [geïntimeerde] optrad, is gebaseerd op verklaringen en gedragingen van [naam 2] zelf. Het voorgaande betekent dat ook indien vast zou komen te staan dat [appellant] het bedrag van € 35.000,- aan [naam 2] heeft betaald, die betaling niet bevrijdend is geweest jegens [geïntimeerde] aangezien onvoldoende is gebleken dat [naam 2] bevoegd was namens [geïntimeerde] voornoemd geldbedrag in ontvangst te nemen.
5.7
Grief VII, ten slotte, is gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken veroordelingen ter zake van de hoofdsom, de wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Aangezien deze grief zonder zelfstandige betekenis is maar slechts verwijst naar of voortbouwt op de voorgaande grieven, faalt ook deze grief.
5.8
[appellant] biedt bewijs aan van zijn stellingen, in het bijzonder door het horen van [naam 2] en [bedrijf] , medewerkster van [bedrijf] , als getuigen. Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd. [naam 2] is in eerste aanleg gehoord als getuige en [appellant] heeft niet toegelicht wat [naam 2] meer of anders kan verklaren dat relevant is met het oog op een te nemen beslissing in hoger beroep. Met betrekking tot de medewerkster van [bedrijf] heeft [appellant] weliswaar verwezen naar het hiervoor onder 3.2 weergegeven WhatsApp-bericht van 11 januari 2022, maar hij heeft - in het licht van de omstandigheid dat dit bericht dateert van vóór de lening - niet toegelicht wat deze medewerkster zou kunnen verklaren ten bewijze van de stelling dat het bedrag van € 35.000,- door [appellant] aan [naam 2] (bevrijdend) is betaald.
In het incident
5.9
Mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot (de authenticiteit van) de kwitantie is voldoende aannemelijk geworden dat [geïntimeerde] niet beschikt over het originele Word-bestand van de kwitantie zodat de vordering tot het verschaffen van inzage in het originele Word-bestand reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. Met betrekking tot de vordering tot het verstrekken van inzage in het proces-verbaal van aangifte omstreeks mei 2023 betreffende de diefstal van contante gelden, overweegt het hof dat [appellant] onvoldoende heeft toegelicht dat de diefstal van contant geld uit de woning van [naam 1] relevante betekenis heeft voor zijn standpunt in de onderhavige hoofdzaak. Ook die vordering wordt, bij gebrek aan belang, afgewezen.
In de hoofdzaak en in het incident
5.1
De slotsom is dat de grieven falen. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd en de incidentele vorderingen zullen worden afgewezen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de hoofdzaak worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten. [appellant] zal tevens worden veroordeeld in de kosten in het incident aangezien hij ook daarin in het ongelijk is gesteld. Die kosten zullen evenwel worden begroot op nihil omdat het tussen partijen gevoerde debat inzake de vorderingen in het incident is vervat in de memories in de hoofdzaak en de omvang daarvan zo gering is dat de toegewezen proceskosten in de hoofdzaak daarvoor een vergoeding plegen in te sluiten.

6.Beslissing

Het hof:
in de hoofdzaak en in het incident:
bekrachtigt de bestreden vonnissen;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, in de hoofdzaak tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.255,- aan griffierecht en € 3.340,- voor salaris advocaat en in het incident op nihil, en op € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt;
verklaart dit arrest ten aanzien van bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het (meer of anders) gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, A.S. Arnold en S. Tamboer, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.