ECLI:NL:GHAMS:2026:15

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
200.334.293
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over terugbetaling van leningen en lastercampagne tussen partijen

In deze zaak gaat het om een geschil tussen twee partijen over de terugbetaling van leningen die zijn verstrekt in het kader van een samenwerking die inmiddels is beëindigd. De leningen, ter waarde van € 75.349.430,00, zijn verstrekt door de geïntimeerden aan de appellant in het kader van de aankoop en exploitatie van natuursteengroeven. De appellant heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Amsterdam aangevochten, waarin de rechtbank de vorderingen van de geïntimeerden heeft toegewezen en de appellant heeft veroordeeld tot terugbetaling van de leningen. De appellant stelt dat hij de leningen niet kan terugbetalen vanwege een lastercampagne die tegen hem is gevoerd, en dat de geïntimeerden betrokken zijn bij deze campagne. De rechtbank heeft in haar vonnis geoordeeld dat de appellant niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan en dat de vorderingen van de geïntimeerden terecht zijn toegewezen. Het hof heeft de vso van 12 januari 2018 vernietigd en de appellant veroordeeld tot betaling van de leningen, vermeerderd met rente en boeterente. De zaak is verwezen naar de schadestaatprocedure om de schade van de geïntimeerden vast te stellen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.334.293/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/720388 / HA ZA 22-554
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 januari 2026
inzake

1.[appellant 2] ,

wonend te [plaats 1] , Qatar,
2. de vennootschap naar Zwitsers recht
[appellant 1],
gevestigd te [plaats 2] , Zwitserland,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
verzoekers in het incident ex artikel 843a (oud) Rv,
advocaten: mrs. D.C. Roessingh, J.W.M.K. Meijer, M. Gerrits en F.J.L. Kaptein te Amsterdam,
tegen

1.[naam 6] Adriaan BLIJDORP ,

wonend te [plaats 3] , Zwitserland,
2.
[geïntimeerde 2],
gevestigd te [plaats 4] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
verweerders in het incident ex artikel 843a (oud) Rv,
advocaten: mrs. E.E.U. Vroom, I. Koudstaal en J.M. Schepel te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellanten] (en afzonderlijk [appellant 2] en [appellant 1] ) en [geïntimeerden] (en afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ) genoemd.

1.De zaak in het kort

In de kern ziet het geschil tussen partijen op (de opeisbaarheid van althans de termijn
voor het aflossen van) leningen ten bedrage van € 75.349.430,00. Deze leningen zijn
door [geïntimeerden] aan [appellant 2] verstrekt in het kader van een inmiddels geëindigde
samenwerking tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] ter zake van de aankoop (van licenties in) en exploitatie van natuursteengroeven in [plaats 5] .

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 25 oktober 2023 in hoger beroep
gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2023, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.
2.2.
[geïntimeerden] hebben op 27 oktober 2023 bij exploot tot anticipatie als bedoeld in artikel 126 Rv een vroegere roldatum aangezegd.
2.3.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens eiswijziging en tevens vordering in incident ex artikel 843a (oud) Rv, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel en tevens conclusie van antwoord in incident, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.
2.4.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 26 maart 2025 laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten. De advocaten van [appellanten] en [geïntimeerden] hebben daartoe spreekaantekeningen overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben [appellanten] twee akten met producties in het geding gebracht en hebben [geïntimeerden] één akte met producties in het geding gebracht.
2.5.
Na afloop van de mondelinge behandeling is uitspraak bepaald.

3.Feiten

3.1.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere voldoende aannemelijk geworden feiten, komen deze feiten neer op het volgende.
3.2.
[appellant 2] is geboren in [plaats 5] en bezit de Nederlandse nationaliteit. Hij spreekt zowel Farsi als Nederlands. [appellant 2] is sinds 2010 actief in de import en bewerking van natuursteen. [appellant 1] is een aan [appellant 2] verbonden vennootschap naar Zwitsers recht.
3.3.
[geïntimeerde 1] is ondernemer. [geïntimeerde 2] is zijn persoonlijke houdstervennootschap.
3.4.
In 2015 was [appellant 2] op zoek naar een investeerder voor een project, bestaande
uit het verwerven, winstgevend maken en vervolgens verkopen of exploiteren van natuursteengroeven in [plaats 5] . De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), destijds advocaat van zowel [appellant 2] als [geïntimeerde 1] , heeft [appellant 2] en [geïntimeerde 1] met elkaar in contact gebracht.
3.5.
In de periode van juni 2015 tot en met december 2016 hebben [geïntimeerden] op
basis van losse schriftelijke leningsovereenkomsten in totaal voor € 75.349.430,00
aan leningen verstrekt aan [appellant 2] .
3.6.
In 2016 hebben [geïntimeerde 1] en [appellant 2] met bemiddeling van [naam 1] tevergeefs getracht de samenwerking tussen hen te formaliseren. In april 2017 heeft [appellant 2] laten weten dat hij de samenwerking met [geïntimeerde 1] niet langer wilde voortzetten.
3.7.
Op 29 augustus 2017 is de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) een strafrechtelijk onderzoek gestart naar [appellant 2] op verdenking van witwassen. Aanleiding daartoe was een signaal van de Financial Intelligence Unit Nederland (hierna: FIU) betreffende tientallen meldingen van verdachte transacties verricht tussen april 2013 en juli 2017 door [appellant 2] .
3.8.
Op 11 november 2017 hebben [geïntimeerden] een kort geding aanhangig gemaakt tegen [appellant 2] . De vorderingen richtten zich op overdracht van de licenties van de steengroeven aan een aan [geïntimeerde 1] gelieerde vennootschap, het overhandigen van
bewijsstukken met betrekking tot de aankoop van de steengroeven en het dooronderhandelen over voortzetting van de samenwerking.
Bij vonnis van 29 november 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:8885) heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [geïntimeerden] afgewezen.
De voorzieningenrechter heeft in dat verband overwogen dat sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk waardoor verdere samenwerking niet in de rede ligt, dat de
eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat er voor [geïntimeerden] zicht moet zijn op een termijn waarbinnen terugbetaling zal plaatsvinden en dat partijen daarover nadere afspraken zullen moeten maken.
3.9.
Half november/begin december 2017 is een lastercampagne op gang gekomen tegen [appellant 2] . In berichten en publicaties van een fictieve organisatie genaamd Global Advisory Board Middle East (hierna: GABME) werden [appellant 2] en zijn ondernemingen in verband gebracht met fraude, oplichting, witwassen en het hebben van nauwe banden met ‘de corrupte Iraanse overheid’. Ook werd door GABME vermeld dat [appellant 2] zijn investeerders niet terugbetaalde en dat hij er een exorbitante levensstijl op na hield. Op 4 december 2017 heeft het tijdschrift Quote een eerste artikel gepubliceerd over het geschil tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] .
3.10.
Op 12 januari 2018 hebben [geïntimeerde 1] en [appellant 2] , wederom na bemiddeling door [naam 1] , een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten (hierna: vso). De vso strekt tot beëindiging van de samenwerking, terugbetaling van de leningen en het tegengaan van effecten van de lastercampagne. In de vso staat dat de afspraken nader uitgewerkt zullen worden met bijstand van een notaris.
3.11.
[geïntimeerde 1] en [appellant 2] hebben onderhandeld over de uitwerking van de afspraken in de vso. In november 2018 heeft de notaris de opdracht tot het nader uitwerken van deze afspraken teruggegeven.
3.12.
Op 20 december 2018 is [geïntimeerde 1] door de FIOD uitgenodigd voor een oriënterend gesprek. Aanleiding daarvoor was dat uit het onderzoek van de FIOD het vermoeden was gerezen dat [appellant 2] het geld van [geïntimeerde 1] niet (geheel) had aangewend voor de aankoop en exploitatie van steengroeven in [plaats 5] , maar voor diverse privédoeleinden.
3.13.
Op 27 september 2019 heeft [geïntimeerde 1] bij de FIOD aangifte gedaan tegen [appellant 2] van strafbare feiten die mogelijk door [appellant 2] zijn gepleegd.
3.14.
Bij brief van 16 juni 2020 heeft de toenmalige advocaat van [appellanten] aan de advocaat van [geïntimeerden] bericht dat sprake is van schuldeisersverzuim van [geïntimeerden] en dat [appellanten] de terugbetalingsverplichting zal opschorten, omdat [geïntimeerde 1] de lastercampagne tegen [appellant 2] na het sluiten van de vso heeft voortgezet en een valse aangifte bij de FIOD heeft gedaan.
3.15.
Bij brief van 2 oktober 2020 heeft de advocaat van [geïntimeerden] [appellant 2] gesommeerd de leningen aan [geïntimeerden] terug te betalen. Bij brief van 16 december 2021 zijn zowel [appellant 2] als [appellant 1] gesommeerd om de leningen terug te betalen. Aan die sommaties is niet voldaan.
3.16.
Ondanks verdere (e-mail)correspondentie tussen de (toenmalige) advocaten van partijen, zijn partijen niet tot een oplossing van het geschil gekomen. Op de leningen is niet afgelost.

4.Beoordeling

De procedure in eerste aanleg
4.1.
[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg (conventie) gevorderd i) de vso en ii) de
leningsovereenkomsten a)
primairte vernietigen of b)
subsidiairte ontbinden en
in alle gevalleniii) [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van
€ 75.349.430,00, te vermeerderen met wettelijke en/of contractuele rente en iv) voor recht te verklaren dat [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor alle schade die [geïntimeerden] daardoor hebben geleden, nader op te maken bij staat. Een en ander met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.2.
[appellanten] hebben een tegenvordering (reconventie) ingesteld. Zij hebben gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen tot i) het nakomen van de verplichting tot uitwerking van de vso (artikel 13 vso), ii) het uitbrengen van een persverklaring, op straffe van een dwangsom, iii) het corrigeren van de door [geïntimeerde 1] tegen [appellant 2] gedane aangifte, op straffe van een dwangsom, en iv) het nalaten zich te mengen in het leven van [appellant 2] , de aan hem gelieerde (rechts)personen, ondernemingen en zijn werknemers en klanten, op straffe van een dwangsom. Verder hebben zij gevorderd te bepalen dat v) de aangepaste aflossingstermijnen zoals opgenomen in de conclusie van antwoord in de plaats komen van de verplichtingen uit de artikelen 3, 4 en 6 vso, en dat vi) de datum van de vierde (en laatste) aflossingstermijn in de vso wordt aangepast. Een en ander met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.3.
Bij tussenvonnis van 18 januari 2023 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gelast, die op 13 juni 2023 is gehouden.
4.4.
In het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank in conventie i) de vso met onmiddellijke ingang ontbonden en ii) [appellant 2] veroordeeld om aan [geïntimeerde 1]
€ 46.549.430,00 en aan [geïntimeerde 2] € 28.800.000,00 te betalen, vermeerderd met de contractuele rente van 4,5% per jaar zoals overeengekomen in de leningsovereenkomsten. Het in conventie meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Een en ander met veroordeling van [appellant 2] in conventie en in reconventie in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De procedure in principaal hoger beroep, in het incident en in incidenteel hoger beroep
vorderingen
4.5.
[appellant 1] heeft bij memorie van grieven te kennen gegeven haar vorderingen in te trekken. Het hof zal [appellant 1] niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep. Waar hierna over ‘partijen’ wordt gesproken, worden daarmee [appellant 2] en [geïntimeerden] bedoeld.
4.6.
[appellant 2] concludeert in principaal hoger beroep het bestreden vonnis deels te vernietigen en heeft zijn eis in hoger beroep deels gewijzigd.
4.7.
[appellant 2] stelt een incidentele vordering ex artikel 843a (oud) Rv in, waarin hij vordert [geïntimeerden] te bevelen de geluidsopnames van ontmoetingen tussen [geïntimeerde 1] en de heer [naam 7] (hierna: [naam 7] ) op 2 en 18 december 2017 te verstrekken, op straffe van een dwangsom.
4.8.
In de hoofdzaak vordert [appellant 2] om [geïntimeerden] in hun vorderingen alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans hen deze te ontzeggen, dan wel die vorderingen af te wijzen.
Indien [appellant 2] wordt veroordeeld tot terugbetaling van (enig deel van) de leningen, met of zonder rente, vordert hij:
- te bepalen dat hij de leningen, met of zonder rente, terugbetaalt met de vrije kasstromen uit de groeven overeenkomstig de afspraak tussen partijen, althans
- dat hij een termijn voor het terugbetalen van de leningen, met of zonder rente, heeft van vijf jaar te beginnen op 1 januari 2024, uitgaande van de situatie dat [geïntimeerden] zich gedurende deze periode onthouden van verdere inmenging in de bedrijfsvoering van [appellant 2] en zijn bedrijven die het genereren van vrije kasstromen uit de groeven negatief kan beïnvloeden, althans
- dat hij de leningen, met of zonder rente, terugbetaalt overeenkomstig in redelijkheid te bepalen aflossingstermijnen;
- de vergoeding van (wettelijke) rente over de leningen af te wijzen, althans
- te bepalen dat geen rente verschuldigd is na 31 december 2022.
In het geval het hoger beroep van [appellant 2] geheel of gedeeltelijk wordt verworpen, vordert hij bovendien de door [geïntimeerden] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad te vernietigen.
Ook vordert [appellant 2] voor recht te verklaren:
- dat hij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de vso;
- dat de vso is ontbonden, althans beëindigd;
- dat de leningen, met of zonder rente, moeten worden terugbetaald met de vrije kasstromen uit de groeven overeenkomstig de afspraak tussen partijen, althans
- dat hij een termijn voor het terugbetalen van de leningen, met of zonder rente, heeft van vijf jaar te beginnen op 1 januari 2024, uitgaande van de situatie als hiervoor vermeld, althans
- dat hij de leningen, met of zonder rente, terugbetaalt overeenkomstig in redelijkheid te bepalen aflossingstermijnen;
- dat geen rente is verschuldigd over de leningen, althans
- dat geen rente verschuldigd is na 31 december 2022 en ook vordert hij:
- [geïntimeerden] te veroordelen tot het corrigeren van de door [geïntimeerde 1] gedane aangifte, op straffe van een dwangsom.
4.9.
Een en ander met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de proces- en nakosten van het geding in beide instanties (in conventie en reconventie), alsmede in het incident ex 843a (oud) Rv, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.10.
In principaal en in incidenteel hoger beroep concluderen [geïntimeerden] het bestreden vonnis in conventie deels te vernietigen en deels te bekrachtigen en het vonnis in reconventie te bekrachtigen. Ook zij hebben hun eis in hoger beroep deels gewijzigd.
4.11.
[geïntimeerden] vorderen
primairde vso te vernietigen of
subsidiairhet vonnis te bekrachtigen voor zover de vso daarbij is ontbonden. Ook vorderen zij
primairom [appellant 2] op grond van de leningsovereenkomsten, met additionele boeterente, te veroordelen tot terugbetaling aan [geïntimeerden] ,
subsidiairde leningsovereenkomsten te vernietigen,
meer subsidiairhet bestreden vonnis te bekrachtigen voor zover [appellant 2] daarbij uit hoofde van nakoming van de leningsovereenkomsten is veroordeeld tot terugbetaling van de leningen of
meest subsidiairde leningsovereenkomsten te ontbinden. Zij vorderen in alle gevallen (ook als geen vernietiging of ontbinding wordt uitgesproken) het vonnis te bekrachtigen voor zover [appellant 2] daarin veroordeeld is tot betaling van € 46.549.430,00 aan [geïntimeerde 1] en € 28.800.000,00 aan [geïntimeerde 2] , alsook [appellant 2] te veroordelen tot betaling van toepasselijke wettelijke en/of contractuele rente en boeterente over deze bedragen en het vonnis te bekrachtigen voor zover [appellant 2] daarin veroordeeld is tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg.
Een en ander met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
In het incident ex artikel 843a (oud) Rv vorderen [geïntimeerden] de vorderingen van [appellant 2] af te wijzen, met veroordeling van [appellant 2] in de kosten van het incident, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
4.12.
[appellant 2] concludeert het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] te verwerpen en het vonnis in conventie te bekrachtigen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
eiswijzigingen
4.13.
Partijen hebben over en weer geen processuele bezwaren geuit tegen de gewijzigde eisen. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijzigingen ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Het geschil zal worden beoordeeld met inachtneming van de gewijzigde eisen. Op inhoudelijke bezwaren van partijen tegen de eiswijzigingen zal het hof waar nodig bij de verdere beoordeling van het geschil ingaan.
Nederlandse rechter, Nederlands recht
4.14.
De zaak heeft internationale aspecten. Het hof moet dan ook ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.
4.15.
Het merendeel van de tussen [geïntimeerden] en [appellant 2] gesloten leningsovereenkomsten en de vso bevatten een forumkeuze voor de Nederlandse rechter. Voor zover de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet reeds uit deze forumkeuze volgt (artikel 8 lid 1 Rechtsvordering (Rv), artikel 23 lid 1 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EVEX II-Verdrag) en/of artikel 25 lid 1 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikte EEX-Vo/Vo Brussel Ibis)), geldt het volgende. Geen van de partijen heeft de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in deze zaak betwist, zodat die bevoegdheid er, voor zover nodig, is op de voet van artikel 9 aanhef en sub a Rv, artikel 24 EVEX II-Verdrag en/of artikel 26 lid 1 Vo Brussel Ibis.
4.16.
Het merendeel van de tussen [geïntimeerden] en [appellant 2] gesloten leningsovereenkomsten bevat een rechtskeuze voor Nederlands recht. Beide partijen zijn in eerste aanleg uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. De rechtbank heeft het geschil beoordeeld naar Nederlands recht. Daartegen is geen grief gericht. Ook het hof zal daarom Nederlands recht toepassen.
Voorts in incidenteel hoger beroep
grieven 1 en 2 in incidenteel hoger beroep: vernietiging vso wegens bedrog of dwaling?
4.17.
De
grieven 1 en 2 van [geïntimeerden]zijn het meest verstrekkend, omdat [geïntimeerden] met deze grieven betogen dat [appellant 2] in strijd met de afspraken tussen partijen een significant deel van de door [geïntimeerden] ter beschikking gestelde bedragen niet heeft aangewend voor de aankoop (van licenties in) en exploitatie van steengroeven in [plaats 5] en de vso vernietigd dient te worden wegens bedrog of dwaling.
4.18.
[geïntimeerden] stellen zich op het standpunt zij niet weten of [appellant 2] steengroeven in [plaats 5] heeft gekocht en dat als dat zo is, dat hij deze voor een veel lager bedrag heeft gekocht dan hij [geïntimeerde 1] voorspiegelde. Volgens [geïntimeerden] was er iedere keer dat [appellant 2] aan [geïntimeerde 1] de kosten van een bepaalde investering voorhield sprake van een onjuiste mededeling en heeft [appellant 2] iedere keer verzwegen dat hij de geleende gelden op een onjuiste manier aanwendde. Door de opeenstapeling van al deze kunstgrepen in de periode van 2015 tot en met januari 2018 heeft [appellant 2] bij [geïntimeerde 1] bewust de onjuiste indruk gewekt dat hij de gelden overeenkomstig de afspraken heeft geïnvesteerd. Onder invloed van die onjuiste voorstelling van zaken, die [appellant 2] aan [geïntimeerde 1] voorspiegelde en die hij jarenlang in stand heeft weten te houden, heeft [geïntimeerde 1] - aldus [geïntimeerden] - zich aan de vso gecommitteerd.
4.19.
[geïntimeerden] hebben ter onderbouwing van het beroep op bedrog zes door hen gestelde kunstgrepen uitgelicht. Het betreft: a) het doen van misleidende mededelingen over het doel van de geldleningen, b) het vervalsen van betalingsbewijzen, c) het verzwijgen van privé-aankopen met de geleende gelden, d) het doen van onjuiste en misleidende prognoses, e) het doen van betalingen aan, en het sluiten van een overeenkomst met, [naam 1] en f) het verzwijgen daarvan aan [geïntimeerde 1] . Zij verwijzen daarbij naar het door de FIOD opgemaakte procesdossier inzake het onderzoek naar strafbare gedragingen van [appellant 2] (inleidende dagvaarding, productie 3, hierna: strafdossier) en e-mailcorrespondentie tussen [appellant 2] en [geïntimeerde 1] . Het hof loopt deze gestelde kunstgrepen hierna na.
standpunten [appellant 2]
4.20.
[appellant 2] kan zich niet vinden in de gestelde kunstgrepen en voert aan dat hij de (licenties voor de) steengroeven wel degelijk heeft aangekocht en dat [geïntimeerde 1] hiervan al sinds eind september 2016 op de hoogte was. [appellant 2] verwijst in dat kader naar schriftelijke verklaringen van de verkopers van de licenties van de groeven (in Farsi, alsmede vertalingen daarvan in het Engels door een Iraanse
“Official English Translator to the Judiciairy”, gewaarmerkt door een Iraanse
“NOTARY PUBLIC”)
,waaruit valt op te maken dat de koopprijzen omgerekend naar Euro ‘grosso modo neerkomen op de daartoe door [geïntimeerden] aan [appellant 2] ter beschikking gestelde gelden’, brieven van Iraanse autoriteiten (zoals een brief en een mail van de (voormalig) Iraanse ambassadeur in Nederland aan [appellant 2] van 1 juli 2018 en 18 januari 2022, met metadata en aangehechte brief van de Iraanse Mijnbouwkundige Organisatie aan de ambassadeur van 14 mei 2018 en een vertaling door een beëdigd vertaler van deze laatste brief), waarin melding wordt gemaakt van een investering van [appellant 2] van € 88.300.000,00 voor aankoop van licenties van negen groeven en de exploitatie daarvan en (Engelse vertalingen en scans van originele) cheques waarmee de aankoopprijzen van de groeven zijn voldaan. Ook verwijst hij naar schriftelijke verklaringen in het Engels van de advocaten en de escrow-notaris betrokken bij de aanschaf van de groeven van maart 2025 (met bijlagen in Farsi en Engelse vertaling, waaronder eigendomscertificaten van de licenties van de groeven, koopovereenkomsten voor de aanschaf van de groeven en een overzicht van de bankcheques), waaruit volgt op welke data de koopovereenkomsten voor de groeven zijn getekend, dat de koopprijzen met cheques zijn voldaan en op welke data de licenties zijn overgedragen aan de Iraanse werkmaatschappijen. Verder verwijst hij naar een vertaling door een beëdigd vertaler van een brief van de Iraanse Rijksdienst voor Registratie van Documenten en Eigendommen van 30 augustus 2016, waaruit valt op te maken dat [appellant 2]
“de wettige bezitter”is van
“vergunningen voor het gebruikmaken van”in de brief vermelde mijnen, en een
“preliminary assessment”van een Frans advocatenkantoor (Gide) dat een onderzoek naar de
“(juridische status van) de licentiebewijzen”heeft uitgevoerd.
4.21.
Volgens [appellant 2] bevatten de leningsovereenkomsten een zodanig algemene doelomschrijving dat hij de ruimte had om de door [geïntimeerden] verstrekte gelden naar eigen inzichten via alternatieve betaalmethoden, waaronder informele vormen van ruilhandel (barter trade), die noodzakelijk waren vanwege de internationale sancties tegen [plaats 5] , naar [plaats 5] te leiden, zonder dat er voor derden een link met [plaats 5] zichtbaar was. De ogenschijnlijke privé-uitgaven van [appellant 2] laten zich hierdoor verklaren. [appellant 2] deed al deze transacties in het kader van het alternatieve betaalverkeer met [plaats 5] . Dit overeenkomstig de afspraken met, en met medeweten van, [geïntimeerde 1] . Het was als gevolg van de sancties onmogelijk gelden direct naar [plaats 5] over te maken. [appellant 2] zou hierover geen rekening en verantwoording kunnen afleggen, omdat alternatieve betaalmethoden zich daar in de regel niet voor lenen.
4.22.
[appellant 2] betwist niet dat sprake was van vervalste betalingsbewijzen, maar weerspreekt dat hij vervalste betalingsbewijzen heeft verstrekt aan een medewerker van [geïntimeerde 1] , de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en voert aan dat hij op het door [geïntimeerden] genoemde moment van verstrekken aantoonbaar niet in Nederland was. [appellant 2] betoogt dat hij niet uitsluit dat de valse betalingsbewijzen zijn opgemaakt door of namens [geïntimeerde 1] omwille van belastingoptimalisatie. Ook voert hij aan dat van onjuiste prognoses geen sprake was, noch dat [geïntimeerde 1] door die prognoses zou zijn bewogen tot het aangaan van de vso.
4.23.
[appellant 2] betwist verder niet dat hij [naam 1]
“een beloning in het vooruitzicht had gesteld voor diens bijdrage aan de totstandkoming van het groevenproject”en
betalingen heeft gedaan
“voor verrichte netwerkactiviteiten”. [appellant 2] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde 1] wist dat [naam 1] geen onafhankelijke bemiddelaar was, omdat hij zakelijke relaties onderhield met beide partijen en [appellant 2] betwist dat hij [naam 1] hiermee een ‘aanzienlijk eigen belang in het geschil tussen partijen’ heeft gegeven. Ook voert hij aan dat [geïntimeerde 1] niet door [appellant 2] of door [naam 1] is bewogen tot het aangaan van de vso, laat staan dat hij benadeeld is bij het aangaan van
de vso.
doel geldleningen
4.24.
Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat alle geldleningen zijn verstrekt ten behoeve van de financiering van de aankoop en exploitatie van steengroeven. De vraag die allereerst voorligt, is of alle gelden ook daartoe door [appellant 2] zijn aangewend en zo niet, of de vso dan op grond van bedrog of dwaling vernietigd dient te worden. Daarbij verdient opmerking dat op [geïntimeerden] de last rust de feiten en omstandigheden aan te voeren (en zo nodig te bewijzen) die het beroep dat [geïntimeerden] in de context van de
grieven 1 en 2 in het incidenteel hoger beroepop de wilsgebreken bedrog en dwaling doen, kunnen dragen.
verdenkingen
4.25.
[geïntimeerde 1] heeft in verband hiermee gewezen op het strafdossier (algemeen dossier, p. 49, 50), waarin de volgende verdenkingen aangaande [appellant 2] zijn vermeld:
“(…)Verdenkingen
Het vermoeden bestaat dat [appellant 2] , door middel van het met opzet onjuist en/of onvolledig informeren van [geïntimeerde 1] en daarbij gebruikmakend van vermoedelijk valse documenten, aan [geïntimeerde 1] te hoge aanschafprijzen en te verwachten opbrengsten van in totaal 9 Iraanse steengroeven heeft voorgespiegeld. [geïntimeerde 1] is hierdoor meermalen bewogen om gelden ter financiering van de aankoop en exploitatie van deze steengroeven ter beschikking te stellen.
[appellant 2] heeft vermoedelijk gebruik gemaakt van valse documenten, in casu screenshots van zijn bankrekening en daarbij behorende kopieën van leningovereenkomsten en deze als inhoudelijk authentiek aan een medewerker van [geïntimeerde 1] overhandigd.
Op deze screenshots van de bankrekeningen waren bedragen te zien , als zouden deze bedragen zijn overgemaakt naar een bepaalde bankrekening. Die bedragen zouden corresponderen met uitgaven ten aanzien van de groeven of daaromtrent. Nader onderzoek naar de overboekingen op die rekening leverde op dat er in werkelijkheid wel bedragen zijn overgemaakt, maar deze bedragen waren veel lager.
Deze screenshots en leningovereenkomsten zouden aldus als bewijs voor derden moeten dienen van het feit dat door [appellant 2] de verschuldigde koopprijs voor 8 Iraanse steengroeven, ter financiering waarvan [geïntimeerde 1] een bedrag van €21,5 miljoen aan Mayhari had overgemaakt. aan buitenlandse partijen was voldaan, terwijl dit in werkelijkheid niet of slechts gedeeltelijk het geval was.
Vervolgens is het van [geïntimeerde 1] verkregen geld door [appellant 2] voor diverse privé doeleinden aangewend. Ook is een deel van het geld van [geïntimeerde 1] binnen andere ondernemingen van [appellant 2] , dan wel bij rechtspersonen waar [appellant 2] direct bij betrokken is terecht gekomen. (…)”
4.26.
Voordat het hof nader ingaat op de
grieven 1 en 2 van [geïntimeerden]merkt het op dat het betoog van [appellant 2] dat het onderzoek door de FIOD gemankeerd is en onvolledig, en ingegeven is door onjuiste en onvolledige verklaringen van [geïntimeerde 1] aan de FIOD afstuit op wat het hof hierna zal overwegen.
a) misleidende mededelingen doel geldleningen, b) vervalsen betalingsbewijzen, c)
verzwijgen privé-aankopen en d) onjuiste en misleidende prognoses
4.27.
De door [appellant 2] in het geding gebrachte producties ter onderbouwing van de aankoop (van licenties in) en exploitatie van de groeven overtuigen het hof niet. De authenticiteit van stukken afkomstig van Iraanse instanties en personen en de juistheid van de inhoud van deze stukken zijn niet of nauwelijks eenvoudig op authenticiteit en betrouwbaarheid te verifiëren, temeer in aanmerking genomen de hiernavolgende overwegingen over de vervalste betalingsbewijzen en de hiervoor in het strafdossier vermelde verdenking dat [appellant 2] gebruik maakt van vermoedelijk valse documenten.
Daarbij betrekt het hof dat in de mail van de (voormalige) Iraanse ambassadeur en de brieven van voormelde Iraanse Rijksdienst en de Iraanse Mijnbouwkundige Organisatie melding wordt gemaakt van
“verified facts and accurate information”, “de verstrekte officiële en wettelijke documenten”en
“de documenten en bewijzen die zijn aangeboden”, maar nadere stukken zijn niet in het geding gebracht. Ook stroken de nauwkeurige vaststelling in de mail van de (voormalige) ambassadeur en de brief van voormelde Mijnbouwkundige Organisatie van een investering door [appellant 2] ten bedrage van € 88.300.000,00 en de betaling via cheques niet met het standpunt van [appellant 2] dat de
“essentie van dergelijke alternatieve betaalmethoden”met zich brengt
“dat gelden van buiten [plaats 5] niet herleidbaar zijn naar [plaats 5] ”en dat het
“praktisch onmogelijk”is de
“(per definitie) ondoorzichtige geldstromen naar de relevante tegenpartijen in [plaats 5] in kaart te brengen”.Tot slot betreft het rapport van het Franse advocatenkantoor slechts een voorlopig rapport.
4.28.
[appellant 2] voert aan dat [geïntimeerde 1] kennis had van het bestaan van de groeven en het uitbaten daarvan. [appellant 2] wijst er in dat kader op dat [geïntimeerde 1] de groeven met zijn expert heeft bezocht, dat hij onderzoek heeft laten doen naar de potentiële waarde van de groeven, businessplannen heeft laten opstellen ten behoeve van de voorgenomen joint-venture en dat hij (via een van zijn vennootschappen) nauw betrokken was bij de exploitatie van de groeven. Verder voert [appellant 2] aan dat [geïntimeerde 1] al in december 2015 aangaf tevreden te zijn met zijn investering in de groeven, dat hij in maart 2016 aan acht groeven een waarde van ruim € 259.000.000,00 toekende en meerdere pogingen heeft gedaan zich de groeven toe te eigenen. Dit past volgens [appellant 2] niet bij het beeld dat [geïntimeerden] proberen te schetsen dat de groeven niet zouden zijn aangekocht en dat [geïntimeerde 1] zou zijn bedrogen.
4.29.
Uit dit alles, wat hier ook van zij, blijkt echter geenszins met een redelijke mate van zekerheid dat [appellant 2] alle geleende gelden daadwerkelijk heeft besteed aan de aankoop van (licenties in) steengroeven en de exploitatie daarvan. Daarbij komt dat [geïntimeerden] onweersproken hebben gesteld dat de waardering van de groeven is gebaseerd op input van [appellant 2] die voor [geïntimeerde 1] niet verifieerbaar was en niet is in geschil dat de daadwerkelijke exploitatie van de groeven lokaal werd uitgevoerd door althans onder verantwoordelijkheid van [appellant 2] .
4.30.
Uit het strafdossier (p. 59 e.v.) maakt het hof op dat het uitgavenpatroon van [appellant 2]
“nauwelijks grenzen”kent, dat [appellant 2] miljoenen euro’s heeft uitgegeven aan casinobezoeken, horloges, kunstaankopen, motorvoertuigen en huur van jachten, privévliegtuigen en appartementen, dat de uitgaven van [appellant 2]
“sterk toenemen, nadat [geïntimeerde 1] in beeld is gekomen en hij geld aan [appellant 2] heeft overgemaakt”, dat het uitgavenpatroon van [appellant 2] niet strookt met zijn Nederlandse inkomensbronnen, dat bij onderzoek in diverse bankgegevens geen andere wezenlijke inkomstenbronnen van [appellant 2] zijn aangetroffen en dat dit betekent
“dat een aantal van de uitgaven vrijwel zeker moeten zijn gedaan met het geld van [geïntimeerde 1] .”Een deugdelijke, overtuigende en goed onderbouwde uitleg van de gang van zaken ten opzichte van deze specifieke verdenkingen uit het strafdossier heeft [appellant 2] niet gegeven, terwijl dat gezien het omvangrijke strafdossier en de zich daarin bevindende onderzoeksbevindingen op zijn weg had gelegen.
4.31.
Ook als het hof veronderstellenderwijs uit zou gaan van de juistheid van het
standpunt van [appellant 2] dat de geleende gelden
“vanwege de noodzakelijke alternatieve betaalmethoden niet te volgen zouden zijn tot investeringen in de groeven”,zou [appellant 2] naar het oordeel van het hof in staat moeten zijn om verantwoording af te leggen door ‘de route’ van het geleende geld zo goed mogelijk stap voor stap te reconstrueren en te onderbouwen met stukken, zoals facturen van de goederen die hij heeft aangeschaft als alternatieve betaalmethode en correspondentie met betrokken personen. Het betoog van [appellant 2] dat [geïntimeerde 1] had aanvaard dat [appellant 2] geen rekening en verantwoording zou afleggen, omdat alternatieve betaalmethoden zich daar in de regel niet voor lenen, strandt hierop. [appellant 2] heeft echter nog geen begin van bewijs van het gebruik van deze uitgaven als alternatieve betaalmethoden in het geding gebracht. Daarbij komt dat [appellant 2] ten aanzien van verschillende van deze uitgaven ongeloofwaardig heeft verklaard. Zo heeft hij verklaard dat hij de jachten bij wijze van betaling zou hebben gehuurd voor zakelijke Iraanse contacten die in Europa op vakantie wilden, terwijl in het strafdossier een verklaring van een personeelslid van [appellant 2] is opgenomen die heeft verklaard dat [appellant 2] jaarlijks zelf een
“boottripje”voor genodigden organiseerde. Los daarvan ontbreekt iedere feitelijke onderbouwing van deze stelling. Ook heeft [appellant 2] verklaard dat hij het casino bezocht om met bankpassen speelpenningen te verkrijgen die hij later kon inwisselen voor contant geld om mee naar [plaats 5] te nemen, terwijl in het strafdossier staat vermeld dat Holland Casino hem beschrijft als een
“high roller”die
“grof speelt”.
4.32.
In het strafdossier (p. 52) staat verder vermeld dat [appellant 2] aan [geïntimeerde 1]
“onjuiste informatie en valse documenten ter beschikking”heeft gesteld. Het gaat
daarbij om
“screenshots van de bankrekening van [appellant 2] , die in combinatie met een aantal vermoedelijk valse kopie leningovereenkomsten de indruk moeten wekken dat er door [appellant 2] ruim €20 miljoen meer is overgemaakt ten behoeve van de aanschaf van de groeven, dan dat daadwerkelijk had plaatsgevonden.”
4.33.
Bij e-mails van 15 september 2015 heeft [naam 2] aan [appellant 2] gevraagd of hij
de betalingsbewijzen heeft aangeleverd en heeft [naam 2] geschreven dat hij deze een paar dagen later wel even zal komen halen op kantoor van [appellant 2] , waarop [appellant 2] heeft laten weten dat hij de bewijzen klaar zou leggen voor [naam 2] . Of [appellant 2] op dat moment al dan niet in Nederland was, is dan ook niet van belang. Aan het betoog van [appellant 2] dat niet uit te sluiten valt dat de betalingsbewijzen zijn opgemaakt door of namens [geïntimeerde 1] zelf gaat het hof voorbij. [appellant 2] heeft per e-mail van 5 januari 2016 zelf aan [naam 2] laten weten dat hij
“een lening”heeft verstrekt van
“24,2 mio aan Turkse firma’s”en per e-mail van 4 maart 2016 heeft [appellant 2] zelf aan [geïntimeerde 1] melding gemaakt van een
“Geldlening overeenkomst tussen mij en bedrijven in turkey en Dubai”en heeft hij medegedeeld dat
“Bedrijven in turkey en Dubai willen de lening aan mij uit hun boeken hebben (…) Hoe dit te doen?”.De vervalste betalingsbewijzen sluiten naadloos aan op de in deze mails door [appellant 2] geschetste situatie. Voor zover de betalingsbewijzen volgens [appellant 2] zijn vervalst in het kader van belastingoptimalisatie aan de zijde van [geïntimeerden] acht het hof dit niet overtuigend. [appellant 2] wijst in dat kader naar e-mailcorrespondentie tussen [geïntimeerde 1] , [appellant 2] en de heer Van Laar (hierna: Van Laar) over
“het belang om fiscale issues in Nederland te voorkomen”en overleg
“over de toekomstige structuur”van september 2015, maar deze correspondentie sluit daarmee niet zo naadloos aan bij de vervalste betalingsbewijzen. De overige e-mails van de zijde van [geïntimeerden] en andere stukken waar [appellant 2] zich ter onderbouwing van de door hem gestelde betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de vervalsing beroept, sluiten ook niet zo naadloos aan bij de vervalste betalingsbewijzen en zijn bovendien van een latere datum dan voormelde e-mails van [appellant 2] en borduren slechts voort op de mededelingen van [appellant 2] . Voor zover de betalingsbewijzen volgens [appellant 2] zijn vervalst in het kader van de lastercampagne, acht het hof dit bij gebreke van overtuigende feiten evenmin geloofwaardig. De lastercampagne begon immers pas eind 2017 en niet gebleken is dat hier eerder al een aanvang mee is gemaakt.
4.34.
Al het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat [appellant 2] met een redelijke mate van zekerheid in ieder geval een substantieel deel van de geleende gelden niet heeft aangewend voor de aankoop (van licenties in) en exploitatie van groeven in [plaats 5] .
4.35.
Ter zake van de onjuiste en misleidende prognoses verwijzen [geïntimeerden] onder meer naar een e-mail van 29 april 2017. In die mail heeft [appellant 2] aan [geïntimeerde 1] medegedeeld dat hij
“Op basis van mijn prognoses en de reeds gerealiseerde omzetten en verkopen verwacht (…) binnen 5 jaar de hele lening terug te kunnen betalen inclusief de rente”.Deze tijd had [appellant 2] naar eigen zeggen nodig om opbrengsten te genereren met de groeven om daarmee af te lossen op de leningen. Deze prognose vormt het uitgangspunt van de vso, waarin is bepaald dat de leningen binnen vijf jaar worden afgelost. Vast staat dat [appellant 2] tot op heden niets op de leningen heeft afgelost. De prognose is niet gerealiseerd. Voor het geval [appellant 2] geen (licenties in) steengroeven heeft verworven, was de prognose leugenachtig. Voor het geval [appellant 2] wel (licenties in) steengroeven heeft verworven is, zoals hiervoor is geoordeeld, voor de aankoop en exploitatie daarvan niet het volledige geleende geld aangewend en vertegenwoordigen deze groeven een lagere waarde, waarmee de prognose minst genomen twijfelachtig is. Het betoog van [appellant 2] dat de aankoopprijs van de groeven niet de verwachte vrije kasstromen uit de groeven bepaalt, kan hem niet baten. Het ligt in de rede aan te nemen dat het te verwachten rendement van de groeven mede bepalend is voor de hoogte van de aankoopprijs van de groeven, waarmee sprake is van een verband tussen aankoopprijs en rendement.
e) betalingen aan, en overeenkomst met, [naam 1] en f) verzwijgen daarvan
4.36.
In het proces-verbaal van aangifte van [geïntimeerde 1] bij de FIOD van 1 mei 2020 staat dat de verbalisanten aan [geïntimeerde 1] hebben gevraagd of het hem bekend was dat [naam 1] ,
“tijdens het vervullen van zijn bemiddelende rol in deze kwestie, ook netwerkactiviteiten voor [appellant 2] verrichte en hier minimaal een bedrag van
€ 450.000, maar waarschijnlijk nog een hoger bedrag van de zijde van [appellant 2] , voor heeft ontvangen?”en dat [geïntimeerde 1] deze vraag ontkennend heeft beantwoord. Uit het strafdossier (p. 50) maakt het hof op dat een overeenkomst is aangetroffen tussen [appellant 2] en [naam 1] van 12 april 2016, waarin door [appellant 2] een vergoeding van
€ 10.000.000,00 aan [naam 1] is toegezegd
“wanneer de groeven worden verkocht. Omdat (….) de verwachting is dat verkoop nog tussen 3 en 6 jaar op zich zal laten wachten, wordt er door [appellant 2] toegezegd dat hij binnen 1 maand ná 12 april 2016 een bedrag €150.000 overmaakt naar (…) een rechtspersoon van”[naam 1] .
4.37.
Voormelde overeenkomst dateert van drie maanden voordat [appellant 2] per mail aan [geïntimeerde 1] heeft laten weten dat hij [naam 1] zal vragen te bemiddelen. De betalingen
“voor verrichte netwerkactiviteiten”hebben plaatsgevonden in de periode dat [naam 1] als bemiddelaar fungeerde. Nu zowel [appellant 2] alsook [naam 1] dit bovendien voor [geïntimeerde 1] hebben verzwegen, betekent dit dat [naam 1] naar het oordeel van het hof niet is aan te merken als een onafhankelijk en onpartijdig bemiddelaar in de door [geïntimeerde 1] gestelde zin, te weten: zonder eigen belang in de verhouding tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] , objectief en neutraal.
Daarbij geldt dat, ook als - zoals [appellant 2] aanvoert - de vso aan [appellant 2] niet meer rechten geeft ter zake van de verkoop van de groeven dan voordien en de vso de betalingsverplichting aan [geïntimeerden] onverlet laat, [naam 1] door voormelde overeenkomst een eigen belang heeft verkregen in het geschil tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] . Dat persoonlijk belang bestaat er uit dat [appellant 2] in een positie komt te verkeren waarin hij de steengroeven kan verkopen. Terecht stellen [geïntimeerden] dat [naam 1] er daarmee ook belang bij heeft dat [geïntimeerden] bijvoorbeeld het in de vso genoemde pandrecht niet kunnen uitwinnen, omdat dat een verkoop door [appellant 2] onmogelijk zou kunnen maken en dat [naam 1] er belang bij heeft dat [geïntimeerden] hun vordering op [appellant 2] niet kunnen innen, omdat dat de verhaalbaarheid van zijn eigen vordering zou kunnen beïnvloeden.
artikel 3:44 leden 1 en 3 BW
4.38.
Volgens artikel 3:44 lid 1 BW is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij
door bedrog tot stand is gekomen. In dat geval is de wil van de handelende op onregelmatige wijze tot stand gekomen. Volgens artikel 3:44 lid 3 BW is bedrog aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep.
onjuiste voorstelling van zaken
4.39.
Hiervoor heeft het hof vastgesteld dat met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat [appellant 2] in strijd met de afspraken met [geïntimeerden] een substantieel deel van de geleende gelden niet heeft aangewend voor de aankoop (van licenties in) en exploitatie van groeven in [plaats 5] . [appellant 2] heeft blijkens de onderzoeksbevindingen van de FIOD zoals neergelegd in het strafdossier miljoenen euro’s uitgegeven aan casinobezoeken, horloges, kunstaankopen, motorvoertuigen en huur van jachten, privévliegtuigen en appartementen, maar heeft nog geen begin van bewijs geleverd dat deze uitgaven instrumenteel waren voor het gestelde alternatieve betalingsverkeer met [plaats 5] en hoe dan ook zijn aangewend voor de betaling van de aankoop van (licenties in) steengroeven en de exploitatie daarvan. Er is sprake van vervalste betalingsbewijzen die naadloos aansluiten bij de door [appellant 2] geschetste situatie dat de leningen zijn aangewend voor de aankoop van (licenties in) steengroeven en de exploitatie daarvan, terwijl daaraan in werkelijkheid
“ruim €20 miljoen”minder is besteed. Ook is het hof hiervoor tot de conclusie gekomen dat sprake was van leugenachtige dan wel minst genomen twijfelachtige prognoses aan de zijde van [appellant 2] en dat [naam 1] in verband met de hem door [appellant 2] in het vooruitzicht gestelde en/of gedane betalingen niet als onafhankelijk en onpartijdig bemiddelaar is aan te merken, alsmede dat hij een persoonlijk financieel belang heeft in het geschil tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] .
4.40.
Mailcorrespondentie tussen partijen uit 2015, waarin [geïntimeerde 1] verzoekt om kopieën van aankoopcontracten en licenties en de door [geïntimeerden] in het kort geding in 2017 gevorderde informatie kunnen [geïntimeerden] in het kader van het sluiten van de vso niet tegengeworpen worden. Aan voormeld verzoek en voormelde vordering lagen niet de feiten en omstandigheden ten grondslag die [geïntimeerden] aan het beroep op bedrog ten grondslag leggen. In 2016 hebben [geïntimeerden] nog leningen verstrekt aan [appellant 2] voor meer dan € 50.000.000,00 en de vorderingen van [geïntimeerden] in het kort geding zagen in de kern op overdracht van de licenties van de steengroeven aan [geïntimeerde 1] en het dooronderhandelen over voortzetting van de samenwerking. Niet gezegd kan worden dat [geïntimeerde 1] een juiste voorstelling van zaken had.
4.41.
De lastercampagne tegen [appellant 2] met de daaruit voortvloeiende media-artikelen was al eind 2017 begonnen, maar daarin ging het om anonieme, niet geverifieerde beschuldigingen van fraude en bedrog. Bovendien zijn die beschuldigingen door [appellant 2] gemotiveerd weersproken, onder meer in bijlage 1 bij de vso. Dat [geïntimeerde 1] hiervan op de hoogte was ten tijde van het aangaan van de vso en daar in e-mailberichten van januari 2018 op ingaat, betekent evenmin dat [geïntimeerde 1] een juiste voorstelling van zaken had. Dat [geïntimeerde 1] in een mail van 8 januari 2018 aan [naam 1] , met het onderwerp
“Re: uitwerking schikkingsovereenkomst”, onder meer heeft geschreven:
“de afsprak zal dus kort een bondig moeten zijn. - waar is het geld gebleven - hij[ [appellant 2] ; toevoeging hof]
garandeert dat het voor de aanschaf van de respectievelijke groeven is geweest. - mocht blijken dat dat niet het geval is , is de schuld direct opeisbaar. - de quote berichten , zijn zorgwekkend , laten we daar geen misverstand over hebben, - er is blijkbaar meer aan de hand - een strafbaar feit, zou ik dan ook niet willen uitsluiten.”leidt het hof niet tot een andere conclusie. Deze mail dient gelezen te worden tegen de achtergrond van de totstandkoming van de vso, waarbij beide partijen bij [naam 1] zoveel mogelijk hun eigen standpunten voor het voetlicht brengen en zoveel mogelijk voordeel uit de vso trachten te behalen. Het stond [geïntimeerde 1] vrij de anonieme, niet geverifieerde beschuldigingen uit de lastercampagne in zijn voordeel te benutten, maar dit maakt niet dat hij ten tijde van de vso een juiste voorstelling van zaken had. Dat er in de vso uiteindelijk geen garantie is opgenomen, maakt dit - bezien tegen voormelde achtergrond - niet anders. De garantie was slechts een van de vele punten betreffende de vso die [geïntimeerde 1] in deze mail en andere mailcorrespondentie noemde en de beschuldigingen werden door [appellant 2] ten stelligste weersproken.
4.42.
Ook uit het feit dat [geïntimeerde 1] op de dag van het ondertekenen van de vso in zijn conclusie van antwoord in het door [appellant 2] aangespannen kort geding met betrekking tot de lastercampagne de objectiviteit en integriteit van [naam 1] in twijfel heeft getrokken, volgt naar het oordeel van het hof niet dat [geïntimeerde 1] een juiste voorstelling van zaken had ten tijde van het aangaan van de vso. Uit de conclusie van antwoord - waarin onder meer staat dat [naam 1]
“de indruk”wekt
“niet neutraal”te zijn en dat [geïntimeerde 1]
“zich niet aan de indruk”kan
“onttrekken dat de belangen van [naam 1] verstrengeld zijn met die van [appellant 2] ”- leidt het hof af dat [geïntimeerde 1] niet op de hoogte was van de overeenkomst tussen [appellant 2] en [naam 1] en de door [appellant 2] aan [naam 1] gedane en/of toegezegde betalingen en niet de vinger kan leggen op het handelen van [naam 1] .
4.43.
Het vorenstaande laat, in onderling verband en samenhang bezien, naar het oordeel van het hof geen andere conclusie toe dan dat [geïntimeerde 1] bij het aangaan van de vso een onjuiste voorstelling van zaken had.
opzettelijke misleiding
4.44.
Het beeld dat uit het vorenstaande en de overige door partijen in het geding gebrachte stukken naar voren komt, is dat [appellant 2] jarenlang opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken bij [geïntimeerde 1] creëerde en in stand hield. [appellant 2] hield [geïntimeerde 1]
telkens voor dat gelden nodig waren voor investeringen in [plaats 5] voor de aankoop (van licenties in) en de exploitatie van de steengroeven, [geïntimeerden] verstrekten die gelden, waarna [appellant 2] (een aanzienlijk deel van) die gelden besteedde aan de aankoop van onroerend goed en horloges, casinobezoeken en de huur van vliegtuigen en jachten, waarvan hij nog geen begin van bewijs bijeen heeft gebracht dat het hier om alternatieve betaalmethoden ging. De onjuiste mededelingen, het verzwijgen van relevante informatie die [appellant 2] aan [geïntimeerde 1] had moeten mededelen en andere kunstgrepen, zoals het vervalsen van betalingsbewijzen en het heimelijk toezeggen van betalingen aan de bemiddelaar van partijen, laten zich naar het oordeel van het hof slechts verklaren door de bedoeling van [appellant 2] om te verhullen dat de geleende gelden niet overeenkomstig de afspraken aan de aankoop van (licenties in) steengroeven in [plaats 5] en de exploitatie daarvan zijn besteed. Overtuigende feiten en omstandigheden die daarop een ander licht zouden kunnen werpen zijn door [appellant 2] niet aangevoerd. De onjuiste voorstelling van zaken aan de zijde van [geïntimeerden] is naar het oordeel van het hof aan niets anders te wijten dan aan opzettelijke misleiding door [appellant 2] . De vso is daarmee onder invloed van een wilsgebrek - opzettelijke misleiding door [appellant 2] - tot stand gekomen en daarmee voor [geïntimeerden] vernietigbaar.
causaal verband
4.45.
Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [geïntimeerde 1] de vso niet
althans niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan zonder het samenstel aan onjuiste mededelingen, opzettelijke verzwijgingen en de andere kunstgrepen van [appellant 2] . [geïntimeerde 1] had dan immers een juiste voorstelling van zaken gehad en had geweten dat [appellant 2] in ieder geval een substantieel deel van de geleende gelden niet aan de aankoop van (licenties in) steengroeven en de exploitatie daarvan heeft besteed, dat [naam 1] niet als onafhankelijk bemiddelaar is aan te merken en een eigen belang had in het geschil tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] en dat de prognose die als uitgangspunt gold voor de vso minst genomen twijfelachtig is. Dat de vso - zoals [appellant 2] betoogt - zakelijke en voor [geïntimeerde 1] gunstige voorwaarden bevat en [geïntimeerde 1] tevreden was met de voorwaarden van de vso, doet daar niet aan af. Niet valt in te zien dat [geïntimeerde 1] de vso zou zijn aangegaan in de wetenschap van de overeenkomst tussen [appellant 2] en [naam 1] en de door [appellant 2] aan [naam 1] in het vooruitzicht gestelde en/of gedane betalingen.
kwijting
4.46.
Het antwoord op de vraag of de kwijtingsbepaling in de vso, zoals [appellant 2] betoogt, in de weg staat aan de vordering van [geïntimeerden] tot terugbetaling van de leningen, moet door uitleg van (deze bepaling in) de vso worden bepaald.
In de kwijtingsbepaling is opgenomen dat deze
“vanzelfsprekend niet”ziet op de vorderingen van [geïntimeerden]
“tot terugbetaling van de leningen met rente en wat daarmee in verband staat (dus inclusief uitwinning zekerheden etc.)”.Gelet op de tekst van deze bepaling kan deze door partijen redelijkerwijs niet anders begrepen worden dan dat deze niet aan de vordering van [geïntimeerden] tot terugbetaling van de leningen in de weg kan staan. Echter, niet alleen een zuiver taalkundige uitleg is van belang, maar ook de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de inhoud van (deze bepaling in) de vso mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en moeten deze worden meegewogen naar wat de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat over de inhoud van de vso tussen beide als professioneel aan te merken partijen gedurende meerdere weken is onderhandeld, dat zij hierin werden begeleid door een advocaat - [naam 1] -, dat er meerdere concepten zijn opgesteld, dat partijen met de vso overeenkomstig het kortgedingvonnis van 29 november 2017 de samenwerking wensten te beëindigen en de vso strekte tot terugbetaling van de leningen aan [geïntimeerden] enerzijds en het tegengaan van effecten van de lastercampagne voor [appellant 2] anderzijds. Dit maakt dat [geïntimeerde 1] redelijkerwijs heeft mogen begrijpen en er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de kwijtingsbepaling niet in de weg zou staan aan een vordering tot terugbetaling van de leningen. Aanknopingspunten voor een andere uitleg biedt de vso niet en zijn ook anderszins niet gebleken.
De in de vso opgenomen kwijting staat naar het oordeel van het hof dan ook niet in de weg aan de vordering van [geïntimeerden] tot vernietiging van de vso wegens bedrog.
verjaring, bevestiging
4.47.
[appellant 2] beroept zich op verjaring en bevestiging. Rechtsvorderingen tot
vernietiging van een rechtshandeling verjaren ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder c BW in geval van bedrog drie jaren nadat het bedrog is ontdekt. Voor het gaan lopen van deze verjaringstermijn is een daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid vereist met de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bedrog is gegrond, zij het dat een absolute zekerheid omtrent die feiten niet vereist is doch een redelijke mate van zekerheid daaromtrent volstaat. De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen.
4.48.
Anders dan [appellant 2] betoogt, is de verjaringstermijn naar het oordeel van het hof niet gaan lopen door bekendheid van [geïntimeerde 1] met de lastercampagne en de daaruit voortvloeiende media-artikelen. Het ging daarin immers slechts om anonieme, niet geverifieerde beschuldigingen van fraude en bedrog, die bovendien door [appellant 2] gemotiveerd zijn weersproken. Ook is de verjaringstermijn niet gaan lopen naar aanleiding van het oriënterend gesprek dat [geïntimeerde 1] op 20 december 2018 met de FIOD heeft gehad. Uit het daarvan later opgemaakte proces-verbaal volgt dat in dit gesprek
“de betalingen van [geïntimeerde 1] aan [appellant 2] en de geldstroom die vanuit deze stortingen was waargenomen”aan de orde zijn gekomen, dat aan [geïntimeerde 1] is gevraagd of
“hij via kanalen die zich aan het zicht van de FIOD onttrekken”wellicht nog bedragen aan [appellant 2] had overgemaakt en/of had ontvangen van [appellant 2] en dat er aandacht is besteed
“aan de persoonlijke beleving van [geïntimeerde 1] in deze zaak”.Verder blijkt hieruit dat [geïntimeerde 1] aangaf
“op basis van vertrouwen met [appellant 2] in zee te zijn gegaan”,dat hij
“derhalve zeer onprettig verrast en geschokt”was
“door de nieuwe informatie waar hij door de FIOD op dat moment mee werd geconfronteerd”,dat met [geïntimeerde 1] is
“afgesproken dat hij de tijd zou nemen om de situatie die was ontstaan, samen met zijn advocaten, te bespreken”en dat ook
“de mogelijkheid van het doen van aangifte besproken”is. Naar het oordeel van het hof was [geïntimeerde 1] gelet op het oriënterende karakter van dit gesprek naar aanleiding hiervan nog niet daadwerkelijk in staat een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Het hof is van oordeel dat eerst ten tijde van de aangifte door [geïntimeerde 1] bij de FIOD op 27 september 2019 althans op het moment dat de advocaten van [geïntimeerde 1] aan de FIOD medio 2019 telefonisch kenbaar hebben gemaakt dat [geïntimeerde 1] aangifte wilde doen sprake was van daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid met de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bedrog is gegrond. Zelfs als het hof veronderstellenderwijs ervan uit zou gaan dat de verjaringstermijn al zou zijn gaan lopen naar aanleiding van het oriënterend gesprek van [geïntimeerde 1] met de FIOD op 20 december 2018 is van verjaring geen sprake, nu de advocaat van [geïntimeerde 1] op 16 december 2021 een stuitingsbrief heeft gericht aan [appellant 2] , [appellant 1] en hun advocaten en de verjaringstermijn ook dan nog niet verlopen is.
4.49.
Van bevestiging in de zin van artikel 3:55 lid 1 BW van de vso door een brief die de advocaat van [geïntimeerden] op 29 januari 2018 aan de voorzieningenrechter stuurde of door het sluiten van de overeenkomst inzake de bemiddeling door [naam 1] op 29 maart 2019 is daarmee ook geen sprake.
gevolgen van het bedrog
4.50.
Het beroep van [geïntimeerden] op vernietiging van de vso wegens bedrog
(grieven 1 en 2)slaagt.
Met het slagen van het beroep op bedrog staat het onrechtmatig karakter van het handelen van [appellant 2] vast en is dus zijn aansprakelijkheid jegens [geïntimeerden] voor de dientengevolge geleden schade gegeven.
Voorts in principaal hoger beroep
grieven 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep: leningsovereenkomsten
4.51.
Met de vernietiging van de vso, komt het hof toe aan de grieven over de leningsovereenkomsten.
4.52.
In
grief 1stelt [appellant 2] zich op het standpunt dat de leningen een durfinvestering zijn van [geïntimeerden] in het startende bedrijf van [appellant 2] dat de groeven zou uitbaten. Er zijn daarom geen terugbetalingstermijnen en zekerheden tot terugbetaling opgenomen in de leningsovereenkomsten. De leningen en rente zouden op basis van de tussen partijen gesloten Letters of Intent (hierna: LoI’s) worden terugbetaald uit vrije kasstromen die de door partijen op te richten joint venture zou genereren uit de groeven. Zouden vrije kasstromen uitblijven, dan was dat voor risico van [geïntimeerden] Het was niet de bedoeling van partijen dat [geïntimeerde 1] de aan [appellant 2] verstrekte gelden eenzijdig en op ieder moment bij [appellant 2] kon opeisen.
4.53.
Het antwoord op de vraag wat partijen in de leningsovereenkomsten en de LoI’s hebben afgesproken, moet door uitleg hiervan worden bepaald.
De afspraken die partijen in de LoI’s uit 2015 hebben vastgelegd, komen erop neer dat de geldleningen door [appellant 2] worden aangewend om belangen te verwerven in steengroeven in [plaats 5] , dat de licenties van die groeven ingebracht worden in een door partijen op te richten joint venture en dat deze joint venture de leningen terugbetaalt met de uit de steengroeven te genereren vrije kasstromen.
Alleen al doordat de samenwerking tussen partijen in april 2017 door [appellant 2] is beëindigd, kan [appellant 2] naar het oordeel van het hof geen beroep op de in de LoI’s opgenomen afspraken doen. De stelling van [appellant 2] dat de voorgenomen joint venture door toedoen van [geïntimeerde 1] niet tot stand is gekomen en dat de onredelijke houding van [geïntimeerde 1] heeft geleid tot het stuklopen van de samenwerking, doet aan het vorenstaande niet af. De samenwerking is beëindigd, partijen waren niet langer gebonden aan de afspraken in de LoI’s en deze afspraken zijn ook niet (verder) nagekomen.
4.54.
Alle leningsovereenkomsten - met uitzondering van de leningsovereenkomst van 14 januari 2016 - bevatten ruime, min of meer gelijkluidende
“Events of defaults”, inhoudende:
“ - The Borrower does not comply with any disposition of this Agreement. In case of bankruptcy or liquidation of the Borrower, or if it were to result insolvent or admits its incapacity to pay its debts when due, or an embargo, executory process, attachment or other legal process were presented or initiated against any of its assets or its business activities (…); or
- An encumbrancer takes possession of the whole or (in the opinion of the Lender) any material part of the property, assets or business activities of the Borrower or any of its subsidiaries or a distress, execution or other process is levied or enforced upon or sued out against any property, assets or business activities of the Borrower or of its subsidiaries; or
- Any other event or events (whether related or not) occurs the effect of which is, in the opinion of the Lender, to imperil, delay or prevent the due fulfillment by the Borrower of any of its obligations or undertakings contained in this Agreement,”
op grond waarvan [geïntimeerde 1] de leningen direct kan opeisen
“and all accrued interests and any other amount due under this Agreement shall become due and payable immediately.”
4.55.
Het hof stelt voorop dat al uit deze
“events of defaults”volgt dat partijen de mogelijke terugbetalingsmomenten niet slechts hebben willen beperken tot het moment waarop er voldoende vrije kasstromen gegenereerd zouden zijn en dat het wel degelijk de bedoeling was dat [geïntimeerde 1] onder bepaalde omstandigheden de verstrekte gelden bij [appellant 2] kon opeisen. Partijen hebben dat ook zo redelijkerwijs moeten begrijpen.
Het geslaagde beroep van [geïntimeerden] op bedrog in aanmerking nemend, zijn
de leningen - met uitzondering van de lening van 14 januari 2016 - alleen al direct opeisbaar omdat [appellant 2]
“does not comply with any disposition of this Agreement”als verwoord in de
“events of defaults”. Verder heeft [appellant 2] in zijn memorie van grieven te kennen gegeven de leningen niet te kunnen terugbetalen en is niet in geschil dat het Openbaar Ministerie beslag heeft gelegd onder [appellant 2] en diens ondernemingen en vervolging van [appellant 2] heeft ingesteld. Ook vanwege die
“events of defaults”zijn die leningen direct opeisbaar.
4.56.
In de leningsovereenkomsten is opgenomen dat
“The term of the Loan is undefined.”. De leningen hebben dus - zo is verder ook niet in geschil - een onbepaalde looptijd. In het ten tijde van het sluiten van de leningsovereenkomsten van toepassing zijnde artikel 6:38 BW is bepaald dat leningen met een onbepaalde looptijd terstond opeisbaar zijn. Ook op grond van de wet zijn de leningen derhalve direct opeisbaar.
Ingevolge het ten tijde van het aangaan van de leningsovereenkomsten geldende artikel 7A:1797 (oud) BW kan de rechter de inlener enig uitstel verlenen. Nog daargelaten dat het hof gezien het geslaagde beroep van [geïntimeerden] op bedrog geen aanleiding ziet [appellant 2] uitstel te verlenen, is dit artikel niet van toepassing als de verbintenis tot teruggave opeisbaar wordt door een tekortkoming van de inlener, al dan niet na opzegging of ontbinding door de uitlener. Gelet op het voorgaande kan deze bepaling [appellant 2] dan ook niet baten.
[appellant 2] heeft zich nog beroepen op het ten tijde van het aangaan van de leningsovereenkomsten geldende artikel 7A:1798 (oud) BW. Dit artikel luidt als volgt:
“Indien men is overeengekomen dat hij die een goed ter leen heeft ontvangen dit zal terug geven, wanneer hij daartoe in staat zal zijn, zal de regter, naar gelang der omstandigheden, den tijd der teruggave bepalen.”Partijen zijn overeengekomen dat de leningen een onbepaalde looptijd hebben en dat
“At all times and without prior notice, the Borrower is entitled to make repayments.”. Daarnaast hebben partijen voormelde
“events of defaults”opgenomen in de leningsovereenkomsten. Daarmee zijn partijen naar het oordeel van het hof niet overeengekomen dat - zoals [appellant 2] aanvoert - de geleende bedragen pas moeten worden terugbetaald indien [appellant 2] daartoe in staat is, zodat het beroep van [appellant 2] op artikel 7A:1798 (oud) BW faalt.
4.57.
Met de
grieven 2, 3 en 4betoogt [appellant 2] dat ook als de leningen direct opeisbaar zijn uitstel van terugbetaling van de leningen gerechtvaardigd is. [appellant 2] voert in dat kader het volgende aan.
- [appellant 2] heeft aan zijn verplichtingen op grond van de leningsovereenkomsten en LoI’s voldaan. [geïntimeerde 1] is zijn verplichtingen niet nagekomen. Zo torpedeerde [geïntimeerde 1] de voorgenomen verkoop van groeven en stelde zich tijdens de onderhandelingen in het kader van de voorgenomen joint venture niet redelijk op. De joint venture is nooit tot stand gekomen;
- [geïntimeerde 1] is betrokken geweest bij de lastercampagne, als opdrachtgever, als deelnemer of als partij die de gevolgen daarvan had kunnen (en moeten) voorkomen.
De lastercampagne ving eind 2017 aan ten tijde van het kort geding van [geïntimeerde 1] tegen [appellant 2] . [geïntimeerde 1] had er belang bij [appellant 2] onder druk te zetten en in diskrediet te brengen;
- In december 2018 heeft [geïntimeerde 1] aan de FIOD een evident onjuiste en onvolledige verklaring afgelegd over de stukgelopen samenwerking met [appellant 2] . [geïntimeerde 1] heeft immers niet verklaard dat afgesproken was dat [appellant 2] zou investeren in [plaats 5] via alternatieve betaalmethoden. Ook heeft [geïntimeerde 1] in zijn aangifte van september 2019 tegen [appellant 2] onder meer verklaard dat hij niet over bewijs beschikte dat [appellant 2] de groeven had aangekocht. Als [geïntimeerde 1] eerlijk en volledig was geweest, dan had de FIOD haar onderzoek naar [appellant 2] niet uitgebreid naar oplichting, verduistering en valsheid in geschrifte;
- Van meet af aan heeft [geïntimeerde 1] getracht de samenwerking met [appellant 2] te frustreren, heeft hij zich niet aan de afspraken gehouden, is hij betrokken geweest bij de lastercampagne en heeft hij deze kracht bijgezet door onjuist en onvolledig te verklaren tegenover de FIOD. [appellant 2] daarentegen heeft er alles aan gedaan om na de breuk met [geïntimeerde 1] financiering aan te trekken om de groeven volledig operationeel te maken om vrije kasstromen te genereren en de leningen af te lossen. Door de gevolgen van de lastercampagne en het strafrechtelijk onderzoek is dit niet gelukt. De gehele bedrijfsvoering werd negatief beïnvloed en [appellant 2] moest tijd en middelen besteden aan het tegengaan van de laster alsook aan zijn verweer in het strafrechtelijk onderzoek en in de door [geïntimeerde 1] aangespannen civiele procedures.
- Met zijn onrechtmatige handelwijze heeft [geïntimeerde 1] het [appellant 2] onmogelijk gemaakt om de leningen terug te betalen, en ook overigens enorme schade toegebracht aan [appellant 2] en zijn bedrijven. Onder deze omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als [geïntimeerde 1] de leningen direct bij [appellant 2] zou kunnen opeisen. Bovendien zijn partijen op grond van de leningsovereenkomsten gehouden
“to use their best endeavours”en om
“loyal to each other in the execution of”de leningsovereenkomsten te zijn. Een dergelijke bepaling ontbreekt weliswaar in leningsovereenkomst 3, maar een zodanige zorgplicht vloeit ook voort uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. [appellant 2] dient op grond van (aanvullende werking van de) redelijkheid en billijkheid dan ook een redelijke termijn te worden gegund om tot terugbetaling over te (kunnen) gaan, aldus nog steeds
[appellant 2] .
verplichtingen, handelwijze
4.58.
Het hof stelt vast dat met de gegrondbevinding van het beroep op bedrog gegeven is dat [appellant 2] niet aan zijn verplichtingen uit de leningsovereenkomsten heeft voldaan. Voor zover in de grieven wordt betoogd dat dit anders is en dat [geïntimeerde 1] zijn verplichtingen niet is nagekomen, faalt dit. Duidelijk is dat partijen gedurende de samenwerking van mening verschilden over de uitvoering van de samenwerking en de uitwerking van afspraken rond de samenwerking. Het stond partijen vrij zoveel mogelijk hun eigen standpunten goed over het voetlicht te brengen en zoveel mogelijk te trachten voordeel uit de samenwerking te behalen. Ook als [appellant 2] dit als onredelijk heeft ervaren, ziet het hof hierin, zeker bezien in samenhang met de navolgende overwegingen over de lastercampagne en het strafrechtelijk onderzoek, geen aanleiding [appellant 2] uitstel van terugbetaling van de leningen te verlenen.
lastercampagne
4.59.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant 2] onvoldoende onderbouwd dat hij als gevolg van de lastercampagne ook thans nog niet in staat is om de leningen terug te betalen. Dit had, zeker gelet op de vragen die hierover al in eerste aanleg door de rechtbank zijn gesteld en hetgeen hierover in het vonnis is overwogen (rov. 4.18), wel op de weg van [appellant 2] gelegen. Daarbij betrekt het hof dat de berichten en publicaties van GABME dateren van december 2017 en dat het eerste bericht in Quote over het geschil tussen [appellant 2] en [geïntimeerde 1] op 4 december 2017 is gepubliceerd. Desondanks heeft [appellant 2] in januari 2018 ermee ingestemd dat in de vso werd opgenomen dat volledige terugbetaling uiterlijk 31 december 2022 diende te geschieden. Ook neemt het hof hierbij in aanmerking dat uit de conclusie van antwoord van [appellant 2] volgt dat de GABME alert in januari 2018 offline is gehaald en dat - naar eigen zeggen van [appellant 2] - eind 2019 ook alle publicaties in Quote offline zijn gehaald en zijn verwijderd.
4.60.
Ook is het hof van oordeel dat [appellant 2] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit met een redelijke mate van zekerheid kan volgen dat [geïntimeerde 1] bij de lastercampagne betrokken is geweest. Daaromtrent geldt het volgende.
4.61.
Volgens [appellant 2] blijkt de betrokkenheid van [geïntimeerde 1] allereerst uit de aanwijzing van [geïntimeerde 1] als opdrachtgever door de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] , hoofduitvoerder van de lastercampagne). [appellant 2] wijst op een transcriptie van een telefoongesprek tussen hem en [naam 3] van 4 februari 2020, waaruit valt op te maken dat [naam 3] al in april 2017 is benaderd om [appellant 2] ‘kapot te maken’, dat [geïntimeerde 1] hem daartoe indirect opdracht heeft gegeven tegen betaling van € 750.000,00 en dat hij bewijs hiervan heeft. Volgens [appellant 2] heeft hij met [naam 3] afgesproken dat [naam 3] dit bewijs aan hem zou verstrekken tegen onder meer een aanbetaling van
€ 135.000,00 en het stopzetten van de lopende procedures tegen [naam 3] , maar heeft [naam 3] na betaling het bewijs nooit verstrekt.
4.62.
Het hof stelt vast dat [naam 3] niet consistent is in zijn verklaringen. Zo heeft hij bij e-mail van 6 december 2017 aan de headhunter van [appellant 2] - via wie hij bij [appellant 2] is gaan werken - gemeld:
“NEE IK KEN DIE MENEER [geïntimeerde 1] NIET EN WERK OOK NIET VOOR HEM”. Bij vonnis van 17 november 2023 is [naam 3] in een door [appellant 2] tegen hem aangespannen kort geding bij de rechtbank Overijssel veroordeeld om bekend te maken van wie hij direct of indirect opdracht heeft ontvangen tot de uitvoering van de lastercampagne tegen [appellant 2] . [naam 3] heeft daarop bij schriftelijke verklaring van 17 november 2023 verklaard:
“(…) Er is geen naam en functie van een persoon/personen en/of entiteiten. Want niemand heeft mij opdracht gegeven om [appellant 2] te lasteren, dan wel een lastercampagne tegen hem te beginnen. Niemand, houdt dus ook echt in niemand! Ook niet [geïntimeerde 1] . (…) Dit is mijn verklaring. Dit blijft mijn verklaring, en ik zal er geen woord van terug nemen. Dit is de waarheid.”Ook staat in deze verklaring dat van de zijde van [appellant 2] eind december 2019 aan [naam 3] het voorstel is gedaan dat [naam 3] zal verklaren dat [geïntimeerde 1] de opdrachtgever was, tegen betaling van € 685.000,00 en onder intrekking van alle procedures van [appellant 2] tegen [naam 3] , dat het gesprek in februari 2020 waarop [appellant 2] zich beroept een
“toneelstukje”was en dat [naam 3] een aanbetaling heeft ontvangen van € 135.000,00. Gelet op deze inconsistenties zijn deze verklaringen van [naam 3] zodanig onbetrouwbaar dat van de juistheid daarvan geenszins kan worden uitgegaan.
4.63.
Daarbij betrekt het hof dat niet goed valt in te zien welk belang [geïntimeerde 1] heeft bij een lastercampagne tegen [appellant 2] , nu hierdoor de terugbetaling van de leningen in gevaar wordt gebracht, terwijl [appellant 2] er wel belang bij lijkt te hebben om [geïntimeerde 1] te beschuldigen van betrokkenheid bij de lastercampagne, om zo uitstel van zijn betalingsverplichtingen te verkrijgen. Het is bovendien niet onaannemelijk dat [naam 3] een eigen persoonlijk belang had bij het starten van de lastercampagne eind 2018.
4.64.
Volgens [appellant 2] blijkt de betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de lastercampagne verder uit een gesprek dat [naam 3] (direct of indirect) met [geïntimeerde 1] had op 2 december 2017 en uit informatie die [naam 3] had en die alleen afkomstig kon zijn van [geïntimeerde 1] , zoals het reisschema van [geïntimeerde 1] , een ‘speech’ waar [geïntimeerde 1] met [appellant 2] aan werkte en (het voornemen tot) het doen van aangifte tegen [appellant 2] . [appellant 2] wijst in dat verband naar transcripties van gesprekken tussen [naam 3] en onder andere de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] , eveneens betrokken bij de lastercampagne) van eind 2017, een verklaring van [naam 4] als getuige in een aanverwante procedure en whatsapp-/audioberichten tussen [naam 3] en [naam 7] van november 2017 tot en met februari 2018.
4.65.
Voormelde onderbouwing van [appellant 2] is gebaseerd op transcripties van
gesprekken met [naam 3] en verklaringen van derden over verklaringen van [naam 3] . Hiervoor heeft het hof al geoordeeld dat de verklaringen van [naam 3] te onbetrouwbaar zijn om van de juistheid daarvan te kunnen uitgaan en daarmee zijn ook de daarop voortbouwende verklaringen van derden, zoals [naam 4] voornoemd en de door [appellant 2] in zijn stukken genoemde heer [naam 5] (hierna: [naam 5] ), zonder waarde. De daarop gebaseerde onderbouwing van het verwijt van [appellant 2] over [geïntimeerde 1] ’s betrokkenheid bij de lastercampagne stuit daarop dan ook af.
4.66.
Verder wijst [appellant 2] ter onderbouwing van zijn standpunt op de gesprekken tussen [geïntimeerde 1] en [naam 7] op 2 en 18 december 2017. Deze gesprekken laten zich - aldus [appellant 2] - niet anders verklaren dan dat deze onderdeel waren van de lastercampagne.
4.67.
Het hof merkt op dat deze gesprekken plaatsvonden na het kortgedingvonnis van 29 november 2017 en voordat de vso is getekend. Niet in geschil is dat tijdens deze gesprekken over [appellant 2] is gesproken. Vast staat dat [geïntimeerde 1] na het eerste gesprek contact heeft opgenomen met [naam 1] - die toen net weer was benaderd om tussen [appellant 2] en [geïntimeerde 1] te bemiddelen - met de boodschap dat hij een geluidsopname had waaruit zou blijken wie achter de GABME-laster zou zitten en dat [naam 1] op 6 december 2017 per mail aan [appellant 2] heeft laten weten:
“ [naam 6] heeft een bandje en daaruit zou blijken wie achter de mails zit Hij kreeg nu bezoek en belt mijzo
terug Ik krijg het bandje ook denk ik Bel je straks”. Volgens [appellant 2] liet [naam 1] hem vervolgens weten dat hij de geluidsopname van [geïntimeerde 1] had ontvangen en beluisterd, dat daarop een gesprek tussen [geïntimeerde 1] en [naam 7] te horen was en dat
[geïntimeerde 1] hem geen toestemming had gegeven om de opname met [appellant 2] te delen.
Het komt het hof onwaarschijnlijk voor dat als [geïntimeerde 1] iets met de lastercampagne van doen zou hebben gehad, hij deze geluidsopname aan [naam 1] ter beschikking zou stellen, waaruit volgens [geïntimeerde 1] valt op te maken dat [naam 7] betrokken is bij de lastercampagne. Dat [geïntimeerde 1] nog een tweede gesprek met [naam 7] heeft gehad en daarbij over [appellant 2] is gesproken, acht het hof in het licht van de onderhandelingen over de vso verklaarbaar, maar ook daaruit volgt geenszins dat [geïntimeerde 1] betrokken is geweest bij de lastercampagne. Voor zover het hof al belang hecht aan verklaringen van [naam 3] , volgt uit door [appellant 2] overgelegde whatsapp-/audioberichten van januari en februari 2018 dat het [naam 7] vervolgens niet meer lukte nogmaals een afspraak met [geïntimeerde 1] in te plannen.
4.68.
Voor zover [appellant 2] betoogt dat [geïntimeerde 1] naar aanleiding van de gesprekken met [naam 7] had moeten proberen de lastercampagne te stoppen, faalt dit betoog. Het hof is van oordeel dat [appellant 2] door de mail van [naam 1] van 6 december 2017 en de mededeling dat daarop een gesprek tussen [geïntimeerde 1] en [naam 7] te horen was over voldoende informatie beschikte om zelf, na nader onderzoek, in te grijpen. Het gaat niet aan om dit bij [geïntimeerde 1] neer te leggen.
4.69.
Tot slot betoogt [appellant 2] dat betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de lastercampagne ook volgt uit de door [geïntimeerde 1] bedongen finale kwijting in de vso voor de schade als gevolg van de lastercampagne, alsook uit het neerzetten van [geïntimeerde 1] als enige investeerder van [appellant 2] als slachtoffer in de lastercampagne.
4.70.
Het hof volgt [appellant 2] niet in zijn betoog. [geïntimeerde 1] had wel degelijk belang bij deze kwijting ook als hij niet betrokken was bij de lastercampagne. Dit belang bestond uit het voorkomen van verdere discussies en mogelijke procedures over de lastercampagne. Dat [geïntimeerde 1] al dan niet als enige investeerder als slachtoffer werd neergezet in de lastercampagne, duidt geenszins op betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de
lastercampagne.
4.71.
Enige betrokkenheid of verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1] bij/voor de lastercampagne, is dan ook niet vast komen te staan. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is geen sprake is van een onrechtmatige handelwijze van [geïntimeerde 1] als door [appellant 2] gesteld zodat het daarop steunende beroep dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde 1] de leningen bij [appellant 2] opeist, moet falen.
strafrechtelijk onderzoek
4.72.
Het hof stelt voorop dat het strafrechtelijk onderzoek geen verband houdt met de lastercampagne en niet is gestart naar aanleiding van de lastercampagne of naar aanleiding van de aangifte van [geïntimeerde 1] in 2019. Uit het strafdossier (p. 47) volgt dat “
Aanleiding tot het strafrechtelijk onderzoek was een signaal van de FIU betreffende 74 meldingen van verdachte transacties verricht in de periode 2 april 2013 tot en met 23 juli 2017 door [appellant 2] , voor een totaal bedrag van 27,8 miljoen euro. De meldende instanties waren de [bedrijven] ”
Gelet op het geslaagde beroep van [geïntimeerden] op bedrog kan niet worden gezegd dat [geïntimeerde 1] onjuist en onvolledig heeft verklaard tegenover de FIOD of dat zijn aangifte onjuist en onvolledig zou zijn geweest. Ook als [geïntimeerde 1] - zoals [appellant 2] betoogt - in het eerste gesprek met de FIOD de vso niet ter sprake heeft gebracht, valt niet in te zien dat dit tot een ander oordeel zou moeten leiden.
grieven over de leningsovereenkomsten
4.73.
Uit het vorenstaande volgt dat de
grieven 1 tot en met 4 in principaal hoger beroepfalen. Dit met dien verstande dat
grief 1 in principaal hoger beroepdeels slaagt, en wel voor zover deze grief ziet op de op de opeisbaarheid van de leningsovereenkomsten van toepassing zijnde wetsartikelen. Dat brengt echter niet met zich dat de vorderingen van [appellant 2] toegewezen dienen te worden.
Voorts in incidenteel hoger beroep
grieven 6 en 3 in incidenteel hoger beroep: nakoming of vernietiging leningsovereenkomsten?
4.74.
Uit het voorgaande volgt dat de leningsovereenkomsten nagekomen dienen te worden en direct opeisbaar zijn. Bij brief van 2 oktober 2020 heeft de advocaat van [geïntimeerden] aan de toenmalige advocaat van [appellant 2] medegedeeld dat [appellant 2] de eerste betalingstermijn heeft gemist, zodat het gehele geleende bedrag inclusief rente en kosten direct opeisbaar is en is [appellant 2] gesommeerd tot betaling
“binnen vier weken na heden”, waarmee de leningen zijn opgeëist. In zoverre slaagt de hierop betrekking hebbende
grief 6 van [geïntimeerden]Nu [appellant 2] in het bestreden vonnis uit hoofde van nakoming van de leningsovereenkomsten is veroordeeld tot terugbetaling van de leningen met contractuele rente, dient het bestreden vonnis, overeenkomstig de - na eiswijziging - meer
subsidiairevordering van [geïntimeerden] daartoe, in zoverre bekrachtigd te worden. Gelet hierop hebben [geïntimeerden] geen belang bij hun - na eiswijziging -
primairevordering om [appellant 2] op grond van de leningsovereenkomsten te veroordelen tot terugbetaling aan [geïntimeerden]
Aan behandeling van
grief 3 van [geïntimeerden] ,die ziet op hun - na eiswijziging -
subsidiairevordering tot vernietiging van de leningsovereenkomsten, komt het hof niet meer toe.
Voorts in het incident ex artikel 843a (oud) Rv
vordering ex artikel 843a (oud) Rv
4.75.
In deze zaak is het recht van toepassing dat gold voor de inwerkingtreding op 1 januari 2025 van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht.
4.76.
Het vorenstaande brengt ook met zich dat de incidentele vordering ex artikel 843a (oud) Rv van [appellant 2] , waarin hij vordert [geïntimeerden] te bevelen de geluidsopnames van de gesprekken met [naam 7] op 2 en 18 december 2017 te verstrekken, faalt. Zoals reeds overwogen, komt het het hof onwaarschijnlijk voor dat als [geïntimeerde 1] iets met de lastercampagne van doen zou hebben gehad, hij deze geluidsopname aan [naam 1] ter beschikking zou stellen. Het hof volgt [appellant 2] dan ook niet in zijn betoog dat de geluidsopnames cruciale informatie zullen bevatten over (de aard van de) betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de lastercampagne. Niet valt in te zien dat de geluidsopnames relevant kunnen zijn voor de vorderingen van [appellant 2] . Daarbij komt dat [appellant 2] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij als gevolg van de lastercampagne ook thans nog niet in staat is om de leningen terug te betalen. Het ontbreekt [appellant 2] daarmee aan rechtmatig belang bij verstrekking van de geluidsopnames.
Voorts in incidenteel hoger beroep
grief 4 in incidenteel hoger beroep: rente?
4.77.
Grief 4 van [geïntimeerden]heeft betrekking op de door [geïntimeerden] gevorderde rente.
4.78.
Het hof neemt het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de gevorderde rentevergoeding als opgenomen in de leningsovereenkomsten over en maakt dit tot het zijne. Partijen zijn in alle leningsovereenkomsten overeengekomen dat de lener ( [appellant 2] ) een jaarlijkse rente van 4,5% betaalt, berekend over de openstaande lening en te betalen aan het eind van elk kalenderjaar. De gevorderde rente is verschuldigd met ingang van de datum waarop elke lening aan [appellant 2] is verstrekt, zoals opgenomen in het dictum van het bestreden vonnis.
4.79.
Daarnaast is in de leningsovereenkomsten, met uitzondering van de leningsovereenkomsten van 14 januari 2016 en 7 maart 2016 (in de inleidende dagvaarding aangeduid als IV v1), een min of meer gelijkluidende boeterenteclausule opgenomen, inhoudende:
“If the borrower fails to repay the Loan and/or interest, the Borrower shall be obliged to pay a penalty Interest in accordance with Article 6:119 as stipulated in the Dutch Civil law (Burgerlijk Wetboek), calculated over the amount due and for each day of the delay.”.
Krachtens artikel 6:83 onder a en c BW treedt verzuim in zonder ingebrekestelling i) wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen en ii) wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
Anders dan [geïntimeerden] stellen, valt naar het oordeel van het hof uit de brief van de toenmalige advocaat van [appellant 2] van 16 juni 2020 niet op te maken dat [appellant 2] en [appellant 1] hun verplichtingen niet zullen nakomen. De slotsom in deze brief houdt in dat [appellant 2] op grond van de lastercampagne en de aangifte bij de FIOD niet kan worden gehouden tot betaling van de in de vso opgenomen eerste termijnbetaling op 30 juni 2020, maar dat [appellant 2] zich
“Desalniettemin (…) tot het uiterste”in zal spannen die betaling te voldoen en sluit onder meer af met een uitnodiging tot overleg. Bij brief van 2 oktober 2020 aan de toenmalige advocaat van [appellant 2] heeft de advocaat van [geïntimeerden] betaling van de leningen inclusief rente en kosten geëist
“binnen vier weken na heden”.Naar het oordeel van het hof is [appellant 2] de boeterente verschuldigd vanaf 30 oktober 2020 tot de dag van betaling.
4.80.
Voormelde leningsovereenkomst van 14 januari 2016 bevat geen boeterenteclausule. Voormelde leningsovereenkomst van 7 maart 2016 bevat een boeterenteclausule, luidende:
“If the Borrower fails to pay any amount payable under any Finance Document on its due date, interest shall accrue on that overdue amount from the due date up to the date of actual payment (both before and after judgment) at a rate which is 2% higher than the rate set out in Clause 3.1 (Rate). Any interest accruing pursuant to this Clause 3.3 is immediately payable by the Borrower on demand by the Lender and may be compounded by the Lender at any time.”Ook deze boeterente ad 6,5% is verschuldigd vanaf 30 oktober 2020 tot de dag van betaling.
4.81.
Het verweer van [appellant 2] dat het nooit de bedoeling van partijen is geweest dat [appellant 2] rente zou betalen, stuit al af op het opnemen van rentebedingen in de leningsovereenkomsten.
Voorts in principaal hoger beroep
grief 5 in principaal hoger beroep: rente?
4.82.
Grief 5 van [appellant 2]heeft eveneens betrekking op de door [geïntimeerden] gevorderde rente. Ook hier is de stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerden] aanspraak maken op rente over de leningsovereenkomsten, omdat het aan [geïntimeerde 1] is te wijten dat de leningen niet zijn terugbetaald casu quo [appellant 2] niet in staat is terug te betalen en geen kasstromen zijn gegenereerd. Die argumenten zijn hiervoor door het hof gewogen en ondeugdelijk bevonden, zodat het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid geen doel treft.
Voorts in incidenteel hoger beroep
grief 5 in incidenteel hoger beroep: schadestaat?
4.83.
In
grief 5vorderen [geïntimeerden] verwijzing naar de schadestaatprocedure. Deze vordering is kennelijk abusievelijk niet in het petitum opgenomen, maar blijkt voldoende duidelijk uit de grieven van [geïntimeerden] Daarbij komt dat [geïntimeerden] in eerste aanleg eenzelfde vordering hebben ingesteld en de strekking van de petita in eerste aanleg en hoger beroep gelijk zijn. Bovendien heeft [appellant 2] ook in hoger beroep verweer tegen deze vordering gevoerd en heeft hij de vordering van [geïntimeerden] dus ook zo begrepen.
4.84.
Hiervoor heeft het hof al overwogen dat met de gegrondbevinding van het beroep op bedrog het onrechtmatig karakter van het handelen van [appellant 2] en daarmee ook diens aansprakelijkheid jegens [geïntimeerden] voor de dientengevolge geleden schade vaststaat. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is naar vaste rechtspraak voldoende dat de eisende partij de mogelijkheid van schade aannemelijk heeft gemaakt. [geïntimeerden] voeren in dat kader aan dat als [geïntimeerde 1] van het bedrog op de hoogte was geweest, hij de leningsovereenkomsten en de vso niet had gesloten en hij bepaalde kosten, zoals kosten ten behoeve van de voorgenomen joint venture, niet had gemaakt. Ook voeren zij aan dat [geïntimeerde 1] de leningsovereenkomsten is aangegaan met een aantal onzakelijke voorwaarden, zoals het relatief lage rentepercentage, het gebrek aan zekerheden en de onbepaalde looptijd, in het licht van de totstandkoming van de joint venture. De mogelijkheid dat [geïntimeerden] schade hebben geleden door het onrechtmatig handelen van [appellant 2] is daarmee voldoende aannemelijk. Het hof zal op de voet van artikel 612 Rv de zaak dan ook verwijzen naar de schadestaatprocedure.
Voorts in principaal hoger beroep
grief 6 in principaal hoger beroep: uitvoerbaarverklaring bij voorraad?
4.85.
Grief 6van [appellant 2] ziet op de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis en deze uitspraak.
4.86.
Het hof neemt het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de uitvoerbaarverklaring bij voorraad over en maakt dit tot het zijne. Van meet af aan was duidelijk dat de leningen terugbetaald moesten worden. Tot op heden heeft [appellant 2] niets aan [geïntimeerden] terugbetaald, waarbij niet vastgesteld kan worden dat [appellant 2] door omstandigheden buiten hem om niets heeft kunnen terugbetalen. [geïntimeerden] zijn vermogend, waardoor geen sprake is van een restitutierisico voor [appellant 2] . Het belang van [geïntimeerden] bij aanstondse terugbetaling weegt daarom zwaarder dan het belang van [appellant 2] om nog niet aan de veroordelingen te voldoen.
4.87.
Aan het betoog van [appellant 2] dat hij een schadevergoedingsvordering op [geïntimeerden] heeft, die zijn betalingsverplichting ruimschoots overstijgt, zodat [appellant 2] deze schadevergoedingsvordering eerst moet kunnen indienen, om te voorkomen dat hij bedragen betaalt waar hij later weer recht op heeft, gaat het hof voorbij. Dit alleen al bij gebreke van een restitutierisico maar vooral, en ook omdat [appellant 2] tot op heden niet een dergelijke vordering heeft ingesteld. Het betoog van [appellant 2] dat hij bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet of minder kan investeren in de exploitatie van de groeven, waardoor het uiteindelijk moeilijker dan wel onmogelijk voor hem wordt om het gehele bedrag terug te betalen, faalt reeds bij gebreke van afdoende onderbouwing.
Voorts in principaal hoger beroep, in het incident en in incidenteel hoger beroep
bewijslevering
4.88.
Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, nu partijen daarvoor onvoldoende concrete feitelijke stellingen hebben aangevoerd, die indien zij komen vast te staan, tot een andere beslissing aanleiding geven.
slotsom
4.89.
De slotsom is dat de g
rieven 1, 2, 4, 5 en 6 van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroepslagen. De vso dient alsnog vernietigd te worden en de leningsovereenkomsten dienen nagekomen te worden (zodat het hof het bestreden vonnis in zoverre zal bekrachtigen) vermeerderd met zowel de contractuele rente als ook de boeterente zoals hierna in het dictum weergegeven. De zaak zal worden verwezen naar de schadestaatprocedure. Aan behandeling van
grief 3 van [geïntimeerden]komt het hof niet meer toe. De
grieven van [appellant 2] in principaal hoger beroepfalen. Dit met dien verstande dat
grief 1 van [appellant 2]deels slaagt, en wel voor zover deze grief ziet op de op de opeisbaarheid van de leningsovereenkomsten van toepassing zijnde wetsartikelen. Dat leidt echter niet tot een andere uitkomst van de zaak. De incidentele vordering ex artikel 843a (oud) Rv van [appellant 2] dient afgewezen te worden.
proceskosten
4.90.
Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het principaal hoger beroep, de kosten van het incident ex artikel 843a (oud) Rv en de kosten van het incidenteel hoger beroep. Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Het hof zal [appellanten] dan ook, zoals door [geïntimeerden] gevorderd, hoofdelijk in de proceskosten veroordelen.
4.91.
Voor de volledigheid merkt het hof op aanleiding te zien bij de begroting van het salaris van de advocaat in hoger beroep het bedrag van de te liquideren kosten te bepalen overeenkomstig tarief VIII, voor zaken van een geldswaarde boven € 1.000.000,00.
4.92.
De kosten voor de procedure in principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] worden vastgesteld op:
- griffierecht € 1.780,00,
- salaris advocaat € 12.434,00 (2 punten × tarief VIII in hoger beroep á € 6.217,00),
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld),
- totaal: € 14.392,00.
4.93.
De kosten van het incident ex artikel 843a (oud) Rv aan de zijde van [geïntimeerden] worden vastgesteld op:
- salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt x tarief II in hoger beroep à € 1.214,00).
4.94.
De kosten voor de procedure in incidenteel hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] worden vastgesteld op:
- salaris advocaat € 6.217,00 (2 punten × tarief VIII in hoger beroep á € 6.217,00 × 0,5),
- totaal: € 6.217,00.
4.95.
Als niet afzonderlijk weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5.Beslissing

Het hof:
recht doende in principaal hoger beroep, in het incident ex artikel 843a (oud) Rv en in incidenteel hoger beroep:
verklaart [appellant 1] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;
vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarin de vso van 12 januari 2018 is ontbonden (rov. 5.1.);
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
vernietigt de vso van 12 januari 2018;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover [appellant 2] daarin op grond van de leningsovereenkomsten is veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] te betalen een bedrag van
€ 46.549.430,00 en om aan [geïntimeerde 2] te betalen een bedrag van € 28.800.000,00, telkens vermeerderd met de contractuele rente van 4,5% per jaar zoals overeengekomen in de leningsovereenkomsten en zoals nader vastgesteld in het bestreden vonnis (rov. 5.2.1. en 5.2.2.);
veroordeelt [appellant 2] om aan [geïntimeerden] te betalen de krachtens de geldleningsovereenkomsten verschuldigde boeterente, met ingang van 30 oktober 2020 tot de dag van volledige betaling;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure teneinde de schade van [geïntimeerden] op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, in het incident ex artikel 843a (oud) Rv en in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 14.392,00 in principaal hoger beroep,
€ 1.214,00 in het incident en € 6.217,00 in incidenteel hoger beroep, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [appellanten] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met
€ 92,00 en de kosten van betekening;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, H.K.N. Vos en C.B.M. Scholten van Aschat en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.