Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 2] ,
1.[naam 6] Adriaan BLIJDORP ,
[geïntimeerde 2],
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Beoordeling
primairte vernietigen of b)
subsidiairte ontbinden en
in alle gevalleniii) [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van
primairde vso te vernietigen of
subsidiairhet vonnis te bekrachtigen voor zover de vso daarbij is ontbonden. Ook vorderen zij
primairom [appellant 2] op grond van de leningsovereenkomsten, met additionele boeterente, te veroordelen tot terugbetaling aan [geïntimeerden] ,
subsidiairde leningsovereenkomsten te vernietigen,
meer subsidiairhet bestreden vonnis te bekrachtigen voor zover [appellant 2] daarbij uit hoofde van nakoming van de leningsovereenkomsten is veroordeeld tot terugbetaling van de leningen of
meest subsidiairde leningsovereenkomsten te ontbinden. Zij vorderen in alle gevallen (ook als geen vernietiging of ontbinding wordt uitgesproken) het vonnis te bekrachtigen voor zover [appellant 2] daarin veroordeeld is tot betaling van € 46.549.430,00 aan [geïntimeerde 1] en € 28.800.000,00 aan [geïntimeerde 2] , alsook [appellant 2] te veroordelen tot betaling van toepasselijke wettelijke en/of contractuele rente en boeterente over deze bedragen en het vonnis te bekrachtigen voor zover [appellant 2] daarin veroordeeld is tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg.
grieven 1 en 2 van [geïntimeerden]zijn het meest verstrekkend, omdat [geïntimeerden] met deze grieven betogen dat [appellant 2] in strijd met de afspraken tussen partijen een significant deel van de door [geïntimeerden] ter beschikking gestelde bedragen niet heeft aangewend voor de aankoop (van licenties in) en exploitatie van steengroeven in [plaats 5] en de vso vernietigd dient te worden wegens bedrog of dwaling.
“Official English Translator to the Judiciairy”, gewaarmerkt door een Iraanse
“NOTARY PUBLIC”)
,waaruit valt op te maken dat de koopprijzen omgerekend naar Euro ‘grosso modo neerkomen op de daartoe door [geïntimeerden] aan [appellant 2] ter beschikking gestelde gelden’, brieven van Iraanse autoriteiten (zoals een brief en een mail van de (voormalig) Iraanse ambassadeur in Nederland aan [appellant 2] van 1 juli 2018 en 18 januari 2022, met metadata en aangehechte brief van de Iraanse Mijnbouwkundige Organisatie aan de ambassadeur van 14 mei 2018 en een vertaling door een beëdigd vertaler van deze laatste brief), waarin melding wordt gemaakt van een investering van [appellant 2] van € 88.300.000,00 voor aankoop van licenties van negen groeven en de exploitatie daarvan en (Engelse vertalingen en scans van originele) cheques waarmee de aankoopprijzen van de groeven zijn voldaan. Ook verwijst hij naar schriftelijke verklaringen in het Engels van de advocaten en de escrow-notaris betrokken bij de aanschaf van de groeven van maart 2025 (met bijlagen in Farsi en Engelse vertaling, waaronder eigendomscertificaten van de licenties van de groeven, koopovereenkomsten voor de aanschaf van de groeven en een overzicht van de bankcheques), waaruit volgt op welke data de koopovereenkomsten voor de groeven zijn getekend, dat de koopprijzen met cheques zijn voldaan en op welke data de licenties zijn overgedragen aan de Iraanse werkmaatschappijen. Verder verwijst hij naar een vertaling door een beëdigd vertaler van een brief van de Iraanse Rijksdienst voor Registratie van Documenten en Eigendommen van 30 augustus 2016, waaruit valt op te maken dat [appellant 2]
“de wettige bezitter”is van
“vergunningen voor het gebruikmaken van”in de brief vermelde mijnen, en een
“preliminary assessment”van een Frans advocatenkantoor (Gide) dat een onderzoek naar de
“(juridische status van) de licentiebewijzen”heeft uitgevoerd.
“een beloning in het vooruitzicht had gesteld voor diens bijdrage aan de totstandkoming van het groevenproject”en
“voor verrichte netwerkactiviteiten”. [appellant 2] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde 1] wist dat [naam 1] geen onafhankelijke bemiddelaar was, omdat hij zakelijke relaties onderhield met beide partijen en [appellant 2] betwist dat hij [naam 1] hiermee een ‘aanzienlijk eigen belang in het geschil tussen partijen’ heeft gegeven. Ook voert hij aan dat [geïntimeerde 1] niet door [appellant 2] of door [naam 1] is bewogen tot het aangaan van de vso, laat staan dat hij benadeeld is bij het aangaan van
grieven 1 en 2 in het incidenteel hoger beroepop de wilsgebreken bedrog en dwaling doen, kunnen dragen.
grieven 1 en 2 van [geïntimeerden]merkt het op dat het betoog van [appellant 2] dat het onderzoek door de FIOD gemankeerd is en onvolledig, en ingegeven is door onjuiste en onvolledige verklaringen van [geïntimeerde 1] aan de FIOD afstuit op wat het hof hierna zal overwegen.
“verified facts and accurate information”, “de verstrekte officiële en wettelijke documenten”en
“de documenten en bewijzen die zijn aangeboden”, maar nadere stukken zijn niet in het geding gebracht. Ook stroken de nauwkeurige vaststelling in de mail van de (voormalige) ambassadeur en de brief van voormelde Mijnbouwkundige Organisatie van een investering door [appellant 2] ten bedrage van € 88.300.000,00 en de betaling via cheques niet met het standpunt van [appellant 2] dat de
“essentie van dergelijke alternatieve betaalmethoden”met zich brengt
“dat gelden van buiten [plaats 5] niet herleidbaar zijn naar [plaats 5] ”en dat het
“praktisch onmogelijk”is de
“(per definitie) ondoorzichtige geldstromen naar de relevante tegenpartijen in [plaats 5] in kaart te brengen”.Tot slot betreft het rapport van het Franse advocatenkantoor slechts een voorlopig rapport.
“nauwelijks grenzen”kent, dat [appellant 2] miljoenen euro’s heeft uitgegeven aan casinobezoeken, horloges, kunstaankopen, motorvoertuigen en huur van jachten, privévliegtuigen en appartementen, dat de uitgaven van [appellant 2]
“sterk toenemen, nadat [geïntimeerde 1] in beeld is gekomen en hij geld aan [appellant 2] heeft overgemaakt”, dat het uitgavenpatroon van [appellant 2] niet strookt met zijn Nederlandse inkomensbronnen, dat bij onderzoek in diverse bankgegevens geen andere wezenlijke inkomstenbronnen van [appellant 2] zijn aangetroffen en dat dit betekent
“dat een aantal van de uitgaven vrijwel zeker moeten zijn gedaan met het geld van [geïntimeerde 1] .”Een deugdelijke, overtuigende en goed onderbouwde uitleg van de gang van zaken ten opzichte van deze specifieke verdenkingen uit het strafdossier heeft [appellant 2] niet gegeven, terwijl dat gezien het omvangrijke strafdossier en de zich daarin bevindende onderzoeksbevindingen op zijn weg had gelegen.
“vanwege de noodzakelijke alternatieve betaalmethoden niet te volgen zouden zijn tot investeringen in de groeven”,zou [appellant 2] naar het oordeel van het hof in staat moeten zijn om verantwoording af te leggen door ‘de route’ van het geleende geld zo goed mogelijk stap voor stap te reconstrueren en te onderbouwen met stukken, zoals facturen van de goederen die hij heeft aangeschaft als alternatieve betaalmethode en correspondentie met betrokken personen. Het betoog van [appellant 2] dat [geïntimeerde 1] had aanvaard dat [appellant 2] geen rekening en verantwoording zou afleggen, omdat alternatieve betaalmethoden zich daar in de regel niet voor lenen, strandt hierop. [appellant 2] heeft echter nog geen begin van bewijs van het gebruik van deze uitgaven als alternatieve betaalmethoden in het geding gebracht. Daarbij komt dat [appellant 2] ten aanzien van verschillende van deze uitgaven ongeloofwaardig heeft verklaard. Zo heeft hij verklaard dat hij de jachten bij wijze van betaling zou hebben gehuurd voor zakelijke Iraanse contacten die in Europa op vakantie wilden, terwijl in het strafdossier een verklaring van een personeelslid van [appellant 2] is opgenomen die heeft verklaard dat [appellant 2] jaarlijks zelf een
“boottripje”voor genodigden organiseerde. Los daarvan ontbreekt iedere feitelijke onderbouwing van deze stelling. Ook heeft [appellant 2] verklaard dat hij het casino bezocht om met bankpassen speelpenningen te verkrijgen die hij later kon inwisselen voor contant geld om mee naar [plaats 5] te nemen, terwijl in het strafdossier staat vermeld dat Holland Casino hem beschrijft als een
“high roller”die
“grof speelt”.
“screenshots van de bankrekening van [appellant 2] , die in combinatie met een aantal vermoedelijk valse kopie leningovereenkomsten de indruk moeten wekken dat er door [appellant 2] ruim €20 miljoen meer is overgemaakt ten behoeve van de aanschaf van de groeven, dan dat daadwerkelijk had plaatsgevonden.”
“een lening”heeft verstrekt van
“24,2 mio aan Turkse firma’s”en per e-mail van 4 maart 2016 heeft [appellant 2] zelf aan [geïntimeerde 1] melding gemaakt van een
“Geldlening overeenkomst tussen mij en bedrijven in turkey en Dubai”en heeft hij medegedeeld dat
“Bedrijven in turkey en Dubai willen de lening aan mij uit hun boeken hebben (…) Hoe dit te doen?”.De vervalste betalingsbewijzen sluiten naadloos aan op de in deze mails door [appellant 2] geschetste situatie. Voor zover de betalingsbewijzen volgens [appellant 2] zijn vervalst in het kader van belastingoptimalisatie aan de zijde van [geïntimeerden] acht het hof dit niet overtuigend. [appellant 2] wijst in dat kader naar e-mailcorrespondentie tussen [geïntimeerde 1] , [appellant 2] en de heer Van Laar (hierna: Van Laar) over
“het belang om fiscale issues in Nederland te voorkomen”en overleg
“over de toekomstige structuur”van september 2015, maar deze correspondentie sluit daarmee niet zo naadloos aan bij de vervalste betalingsbewijzen. De overige e-mails van de zijde van [geïntimeerden] en andere stukken waar [appellant 2] zich ter onderbouwing van de door hem gestelde betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de vervalsing beroept, sluiten ook niet zo naadloos aan bij de vervalste betalingsbewijzen en zijn bovendien van een latere datum dan voormelde e-mails van [appellant 2] en borduren slechts voort op de mededelingen van [appellant 2] . Voor zover de betalingsbewijzen volgens [appellant 2] zijn vervalst in het kader van de lastercampagne, acht het hof dit bij gebreke van overtuigende feiten evenmin geloofwaardig. De lastercampagne begon immers pas eind 2017 en niet gebleken is dat hier eerder al een aanvang mee is gemaakt.
“Op basis van mijn prognoses en de reeds gerealiseerde omzetten en verkopen verwacht (…) binnen 5 jaar de hele lening terug te kunnen betalen inclusief de rente”.Deze tijd had [appellant 2] naar eigen zeggen nodig om opbrengsten te genereren met de groeven om daarmee af te lossen op de leningen. Deze prognose vormt het uitgangspunt van de vso, waarin is bepaald dat de leningen binnen vijf jaar worden afgelost. Vast staat dat [appellant 2] tot op heden niets op de leningen heeft afgelost. De prognose is niet gerealiseerd. Voor het geval [appellant 2] geen (licenties in) steengroeven heeft verworven, was de prognose leugenachtig. Voor het geval [appellant 2] wel (licenties in) steengroeven heeft verworven is, zoals hiervoor is geoordeeld, voor de aankoop en exploitatie daarvan niet het volledige geleende geld aangewend en vertegenwoordigen deze groeven een lagere waarde, waarmee de prognose minst genomen twijfelachtig is. Het betoog van [appellant 2] dat de aankoopprijs van de groeven niet de verwachte vrije kasstromen uit de groeven bepaalt, kan hem niet baten. Het ligt in de rede aan te nemen dat het te verwachten rendement van de groeven mede bepalend is voor de hoogte van de aankoopprijs van de groeven, waarmee sprake is van een verband tussen aankoopprijs en rendement.
“tijdens het vervullen van zijn bemiddelende rol in deze kwestie, ook netwerkactiviteiten voor [appellant 2] verrichte en hier minimaal een bedrag van
“wanneer de groeven worden verkocht. Omdat (….) de verwachting is dat verkoop nog tussen 3 en 6 jaar op zich zal laten wachten, wordt er door [appellant 2] toegezegd dat hij binnen 1 maand ná 12 april 2016 een bedrag €150.000 overmaakt naar (…) een rechtspersoon van”[naam 1] .
“voor verrichte netwerkactiviteiten”hebben plaatsgevonden in de periode dat [naam 1] als bemiddelaar fungeerde. Nu zowel [appellant 2] alsook [naam 1] dit bovendien voor [geïntimeerde 1] hebben verzwegen, betekent dit dat [naam 1] naar het oordeel van het hof niet is aan te merken als een onafhankelijk en onpartijdig bemiddelaar in de door [geïntimeerde 1] gestelde zin, te weten: zonder eigen belang in de verhouding tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] , objectief en neutraal.
“ruim €20 miljoen”minder is besteed. Ook is het hof hiervoor tot de conclusie gekomen dat sprake was van leugenachtige dan wel minst genomen twijfelachtige prognoses aan de zijde van [appellant 2] en dat [naam 1] in verband met de hem door [appellant 2] in het vooruitzicht gestelde en/of gedane betalingen niet als onafhankelijk en onpartijdig bemiddelaar is aan te merken, alsmede dat hij een persoonlijk financieel belang heeft in het geschil tussen [geïntimeerde 1] en [appellant 2] .
“Re: uitwerking schikkingsovereenkomst”, onder meer heeft geschreven:
“de afsprak zal dus kort een bondig moeten zijn. - waar is het geld gebleven - hij[ [appellant 2] ; toevoeging hof]
garandeert dat het voor de aanschaf van de respectievelijke groeven is geweest. - mocht blijken dat dat niet het geval is , is de schuld direct opeisbaar. - de quote berichten , zijn zorgwekkend , laten we daar geen misverstand over hebben, - er is blijkbaar meer aan de hand - een strafbaar feit, zou ik dan ook niet willen uitsluiten.”leidt het hof niet tot een andere conclusie. Deze mail dient gelezen te worden tegen de achtergrond van de totstandkoming van de vso, waarbij beide partijen bij [naam 1] zoveel mogelijk hun eigen standpunten voor het voetlicht brengen en zoveel mogelijk voordeel uit de vso trachten te behalen. Het stond [geïntimeerde 1] vrij de anonieme, niet geverifieerde beschuldigingen uit de lastercampagne in zijn voordeel te benutten, maar dit maakt niet dat hij ten tijde van de vso een juiste voorstelling van zaken had. Dat er in de vso uiteindelijk geen garantie is opgenomen, maakt dit - bezien tegen voormelde achtergrond - niet anders. De garantie was slechts een van de vele punten betreffende de vso die [geïntimeerde 1] in deze mail en andere mailcorrespondentie noemde en de beschuldigingen werden door [appellant 2] ten stelligste weersproken.
“de indruk”wekt
“niet neutraal”te zijn en dat [geïntimeerde 1]
“zich niet aan de indruk”kan
“onttrekken dat de belangen van [naam 1] verstrengeld zijn met die van [appellant 2] ”- leidt het hof af dat [geïntimeerde 1] niet op de hoogte was van de overeenkomst tussen [appellant 2] en [naam 1] en de door [appellant 2] aan [naam 1] gedane en/of toegezegde betalingen en niet de vinger kan leggen op het handelen van [naam 1] .
“vanzelfsprekend niet”ziet op de vorderingen van [geïntimeerden]
“tot terugbetaling van de leningen met rente en wat daarmee in verband staat (dus inclusief uitwinning zekerheden etc.)”.Gelet op de tekst van deze bepaling kan deze door partijen redelijkerwijs niet anders begrepen worden dan dat deze niet aan de vordering van [geïntimeerden] tot terugbetaling van de leningen in de weg kan staan. Echter, niet alleen een zuiver taalkundige uitleg is van belang, maar ook de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de inhoud van (deze bepaling in) de vso mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en moeten deze worden meegewogen naar wat de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat over de inhoud van de vso tussen beide als professioneel aan te merken partijen gedurende meerdere weken is onderhandeld, dat zij hierin werden begeleid door een advocaat - [naam 1] -, dat er meerdere concepten zijn opgesteld, dat partijen met de vso overeenkomstig het kortgedingvonnis van 29 november 2017 de samenwerking wensten te beëindigen en de vso strekte tot terugbetaling van de leningen aan [geïntimeerden] enerzijds en het tegengaan van effecten van de lastercampagne voor [appellant 2] anderzijds. Dit maakt dat [geïntimeerde 1] redelijkerwijs heeft mogen begrijpen en er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de kwijtingsbepaling niet in de weg zou staan aan een vordering tot terugbetaling van de leningen. Aanknopingspunten voor een andere uitleg biedt de vso niet en zijn ook anderszins niet gebleken.
“de betalingen van [geïntimeerde 1] aan [appellant 2] en de geldstroom die vanuit deze stortingen was waargenomen”aan de orde zijn gekomen, dat aan [geïntimeerde 1] is gevraagd of
“hij via kanalen die zich aan het zicht van de FIOD onttrekken”wellicht nog bedragen aan [appellant 2] had overgemaakt en/of had ontvangen van [appellant 2] en dat er aandacht is besteed
“aan de persoonlijke beleving van [geïntimeerde 1] in deze zaak”.Verder blijkt hieruit dat [geïntimeerde 1] aangaf
“op basis van vertrouwen met [appellant 2] in zee te zijn gegaan”,dat hij
“derhalve zeer onprettig verrast en geschokt”was
“door de nieuwe informatie waar hij door de FIOD op dat moment mee werd geconfronteerd”,dat met [geïntimeerde 1] is
“afgesproken dat hij de tijd zou nemen om de situatie die was ontstaan, samen met zijn advocaten, te bespreken”en dat ook
“de mogelijkheid van het doen van aangifte besproken”is. Naar het oordeel van het hof was [geïntimeerde 1] gelet op het oriënterende karakter van dit gesprek naar aanleiding hiervan nog niet daadwerkelijk in staat een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Het hof is van oordeel dat eerst ten tijde van de aangifte door [geïntimeerde 1] bij de FIOD op 27 september 2019 althans op het moment dat de advocaten van [geïntimeerde 1] aan de FIOD medio 2019 telefonisch kenbaar hebben gemaakt dat [geïntimeerde 1] aangifte wilde doen sprake was van daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid met de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bedrog is gegrond. Zelfs als het hof veronderstellenderwijs ervan uit zou gaan dat de verjaringstermijn al zou zijn gaan lopen naar aanleiding van het oriënterend gesprek van [geïntimeerde 1] met de FIOD op 20 december 2018 is van verjaring geen sprake, nu de advocaat van [geïntimeerde 1] op 16 december 2021 een stuitingsbrief heeft gericht aan [appellant 2] , [appellant 1] en hun advocaten en de verjaringstermijn ook dan nog niet verlopen is.
(grieven 1 en 2)slaagt.
grief 1stelt [appellant 2] zich op het standpunt dat de leningen een durfinvestering zijn van [geïntimeerden] in het startende bedrijf van [appellant 2] dat de groeven zou uitbaten. Er zijn daarom geen terugbetalingstermijnen en zekerheden tot terugbetaling opgenomen in de leningsovereenkomsten. De leningen en rente zouden op basis van de tussen partijen gesloten Letters of Intent (hierna: LoI’s) worden terugbetaald uit vrije kasstromen die de door partijen op te richten joint venture zou genereren uit de groeven. Zouden vrije kasstromen uitblijven, dan was dat voor risico van [geïntimeerden] Het was niet de bedoeling van partijen dat [geïntimeerde 1] de aan [appellant 2] verstrekte gelden eenzijdig en op ieder moment bij [appellant 2] kon opeisen.
“Events of defaults”, inhoudende:
“and all accrued interests and any other amount due under this Agreement shall become due and payable immediately.”
“events of defaults”volgt dat partijen de mogelijke terugbetalingsmomenten niet slechts hebben willen beperken tot het moment waarop er voldoende vrije kasstromen gegenereerd zouden zijn en dat het wel degelijk de bedoeling was dat [geïntimeerde 1] onder bepaalde omstandigheden de verstrekte gelden bij [appellant 2] kon opeisen. Partijen hebben dat ook zo redelijkerwijs moeten begrijpen.
“does not comply with any disposition of this Agreement”als verwoord in de
“events of defaults”. Verder heeft [appellant 2] in zijn memorie van grieven te kennen gegeven de leningen niet te kunnen terugbetalen en is niet in geschil dat het Openbaar Ministerie beslag heeft gelegd onder [appellant 2] en diens ondernemingen en vervolging van [appellant 2] heeft ingesteld. Ook vanwege die
“events of defaults”zijn die leningen direct opeisbaar.
“The term of the Loan is undefined.”. De leningen hebben dus - zo is verder ook niet in geschil - een onbepaalde looptijd. In het ten tijde van het sluiten van de leningsovereenkomsten van toepassing zijnde artikel 6:38 BW is bepaald dat leningen met een onbepaalde looptijd terstond opeisbaar zijn. Ook op grond van de wet zijn de leningen derhalve direct opeisbaar.
“Indien men is overeengekomen dat hij die een goed ter leen heeft ontvangen dit zal terug geven, wanneer hij daartoe in staat zal zijn, zal de regter, naar gelang der omstandigheden, den tijd der teruggave bepalen.”Partijen zijn overeengekomen dat de leningen een onbepaalde looptijd hebben en dat
“At all times and without prior notice, the Borrower is entitled to make repayments.”. Daarnaast hebben partijen voormelde
“events of defaults”opgenomen in de leningsovereenkomsten. Daarmee zijn partijen naar het oordeel van het hof niet overeengekomen dat - zoals [appellant 2] aanvoert - de geleende bedragen pas moeten worden terugbetaald indien [appellant 2] daartoe in staat is, zodat het beroep van [appellant 2] op artikel 7A:1798 (oud) BW faalt.
grieven 2, 3 en 4betoogt [appellant 2] dat ook als de leningen direct opeisbaar zijn uitstel van terugbetaling van de leningen gerechtvaardigd is. [appellant 2] voert in dat kader het volgende aan.
“to use their best endeavours”en om
“loyal to each other in the execution of”de leningsovereenkomsten te zijn. Een dergelijke bepaling ontbreekt weliswaar in leningsovereenkomst 3, maar een zodanige zorgplicht vloeit ook voort uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. [appellant 2] dient op grond van (aanvullende werking van de) redelijkheid en billijkheid dan ook een redelijke termijn te worden gegund om tot terugbetaling over te (kunnen) gaan, aldus nog steeds
“NEE IK KEN DIE MENEER [geïntimeerde 1] NIET EN WERK OOK NIET VOOR HEM”. Bij vonnis van 17 november 2023 is [naam 3] in een door [appellant 2] tegen hem aangespannen kort geding bij de rechtbank Overijssel veroordeeld om bekend te maken van wie hij direct of indirect opdracht heeft ontvangen tot de uitvoering van de lastercampagne tegen [appellant 2] . [naam 3] heeft daarop bij schriftelijke verklaring van 17 november 2023 verklaard:
“(…) Er is geen naam en functie van een persoon/personen en/of entiteiten. Want niemand heeft mij opdracht gegeven om [appellant 2] te lasteren, dan wel een lastercampagne tegen hem te beginnen. Niemand, houdt dus ook echt in niemand! Ook niet [geïntimeerde 1] . (…) Dit is mijn verklaring. Dit blijft mijn verklaring, en ik zal er geen woord van terug nemen. Dit is de waarheid.”Ook staat in deze verklaring dat van de zijde van [appellant 2] eind december 2019 aan [naam 3] het voorstel is gedaan dat [naam 3] zal verklaren dat [geïntimeerde 1] de opdrachtgever was, tegen betaling van € 685.000,00 en onder intrekking van alle procedures van [appellant 2] tegen [naam 3] , dat het gesprek in februari 2020 waarop [appellant 2] zich beroept een
“toneelstukje”was en dat [naam 3] een aanbetaling heeft ontvangen van € 135.000,00. Gelet op deze inconsistenties zijn deze verklaringen van [naam 3] zodanig onbetrouwbaar dat van de juistheid daarvan geenszins kan worden uitgegaan.
“ [naam 6] heeft een bandje en daaruit zou blijken wie achter de mails zit Hij kreeg nu bezoek en belt mijzo
terug Ik krijg het bandje ook denk ik Bel je straks”. Volgens [appellant 2] liet [naam 1] hem vervolgens weten dat hij de geluidsopname van [geïntimeerde 1] had ontvangen en beluisterd, dat daarop een gesprek tussen [geïntimeerde 1] en [naam 7] te horen was en dat
Aanleiding tot het strafrechtelijk onderzoek was een signaal van de FIU betreffende 74 meldingen van verdachte transacties verricht in de periode 2 april 2013 tot en met 23 juli 2017 door [appellant 2] , voor een totaal bedrag van 27,8 miljoen euro. De meldende instanties waren de [bedrijven] ”
grieven 1 tot en met 4 in principaal hoger beroepfalen. Dit met dien verstande dat
grief 1 in principaal hoger beroepdeels slaagt, en wel voor zover deze grief ziet op de op de opeisbaarheid van de leningsovereenkomsten van toepassing zijnde wetsartikelen. Dat brengt echter niet met zich dat de vorderingen van [appellant 2] toegewezen dienen te worden.
“binnen vier weken na heden”, waarmee de leningen zijn opgeëist. In zoverre slaagt de hierop betrekking hebbende
grief 6 van [geïntimeerden]Nu [appellant 2] in het bestreden vonnis uit hoofde van nakoming van de leningsovereenkomsten is veroordeeld tot terugbetaling van de leningen met contractuele rente, dient het bestreden vonnis, overeenkomstig de - na eiswijziging - meer
subsidiairevordering van [geïntimeerden] daartoe, in zoverre bekrachtigd te worden. Gelet hierop hebben [geïntimeerden] geen belang bij hun - na eiswijziging -
primairevordering om [appellant 2] op grond van de leningsovereenkomsten te veroordelen tot terugbetaling aan [geïntimeerden]
grief 3 van [geïntimeerden] ,die ziet op hun - na eiswijziging -
subsidiairevordering tot vernietiging van de leningsovereenkomsten, komt het hof niet meer toe.
“If the borrower fails to repay the Loan and/or interest, the Borrower shall be obliged to pay a penalty Interest in accordance with Article 6:119 as stipulated in the Dutch Civil law (Burgerlijk Wetboek), calculated over the amount due and for each day of the delay.”.
“Desalniettemin (…) tot het uiterste”in zal spannen die betaling te voldoen en sluit onder meer af met een uitnodiging tot overleg. Bij brief van 2 oktober 2020 aan de toenmalige advocaat van [appellant 2] heeft de advocaat van [geïntimeerden] betaling van de leningen inclusief rente en kosten geëist
“binnen vier weken na heden”.Naar het oordeel van het hof is [appellant 2] de boeterente verschuldigd vanaf 30 oktober 2020 tot de dag van betaling.
“If the Borrower fails to pay any amount payable under any Finance Document on its due date, interest shall accrue on that overdue amount from the due date up to the date of actual payment (both before and after judgment) at a rate which is 2% higher than the rate set out in Clause 3.1 (Rate). Any interest accruing pursuant to this Clause 3.3 is immediately payable by the Borrower on demand by the Lender and may be compounded by the Lender at any time.”Ook deze boeterente ad 6,5% is verschuldigd vanaf 30 oktober 2020 tot de dag van betaling.
grief 5vorderen [geïntimeerden] verwijzing naar de schadestaatprocedure. Deze vordering is kennelijk abusievelijk niet in het petitum opgenomen, maar blijkt voldoende duidelijk uit de grieven van [geïntimeerden] Daarbij komt dat [geïntimeerden] in eerste aanleg eenzelfde vordering hebben ingesteld en de strekking van de petita in eerste aanleg en hoger beroep gelijk zijn. Bovendien heeft [appellant 2] ook in hoger beroep verweer tegen deze vordering gevoerd en heeft hij de vordering van [geïntimeerden] dus ook zo begrepen.
rieven 1, 2, 4, 5 en 6 van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroepslagen. De vso dient alsnog vernietigd te worden en de leningsovereenkomsten dienen nagekomen te worden (zodat het hof het bestreden vonnis in zoverre zal bekrachtigen) vermeerderd met zowel de contractuele rente als ook de boeterente zoals hierna in het dictum weergegeven. De zaak zal worden verwezen naar de schadestaatprocedure. Aan behandeling van
grief 3 van [geïntimeerden]komt het hof niet meer toe. De
grieven van [appellant 2] in principaal hoger beroepfalen. Dit met dien verstande dat
grief 1 van [appellant 2]deels slaagt, en wel voor zover deze grief ziet op de op de opeisbaarheid van de leningsovereenkomsten van toepassing zijnde wetsartikelen. Dat leidt echter niet tot een andere uitkomst van de zaak. De incidentele vordering ex artikel 843a (oud) Rv van [appellant 2] dient afgewezen te worden.