Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1512

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.365.615
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep zorgregeling en omgang minderjarige met tijdelijke aanpassing zonder dwangsommen

De zaak betreft een geschil over de zorgregeling voor een minderjarige dochter na het uiteengaan van de ouders. De voorzieningenrechter had bepaald dat de moeder de zorgregeling moest naleven waarbij de dochter in de oneven weken en vakanties bij de vader verblijft, met een dwangsom bij niet-nakoming. De moeder ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof constateert dat er een blokkade bestaat bij de minderjarige ten aanzien van overnachtingen bij de vader, waarvan de oorzaak nog onduidelijk is. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert rust en het normaliseren van de omgang zonder dwangsommen, omdat de spanningen tussen ouders schadelijk zijn voor het kind.

Het hof vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de dwangsom en de veroordeling tot nakoming betreft en stelt een tijdelijke zorgregeling vast zonder dwangsommen, waarbij de minderjarige eerst zonder overnachtingen bij de vader verblijft. Vanaf 27 juni 2026 wordt de oorspronkelijke zorgregeling hervat. De proceskosten worden gecompenseerd en de vorderingen van de vader in incidenteel hoger beroep worden afgewezen.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis voor dwangsommen en nakoming, stelt een tijdelijke zorgregeling zonder dwangsommen vast en veroordeelt moeder tot nakoming vanaf 27 juni 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.365 615.01
zaaknummer rechtbank : C/15/372835/KG ZA 25-786
arrest van de meervoudige familiekamer van 2 juni 2026 in de zaak van
[de moeder]
wonend te [plaats A] ,
appellante,
eiseres in het incident,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. G. Kartal, te Rotterdam,
tegen
[de vader],
wonend te [plaats A] ,
geïntimeerde,
verweerder in het incident,
tevens incidenteel appellant,
advocaat: mr. T.A. Bruins te Aerdenhout.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige] . De voorzieningenrechter heeft bepaald dat de zorgregeling waarin [minderjarige] in de oneven weken van maandag tot dinsdag en van vrijdag tot maandag bij de vader verblijft moet worden nageleefd. Als de zorgregeling niet wordt nageleefd moet de moeder een dwangsom betalen. De moeder is het hier niet mee eens. De vader is het wel eens met het bestreden vonnis.

2.Het geding in hoger beroep en in het incident tot schorsing

2.1
Partijen worden hierna de moeder en de vader genoemd.
2.2
De moeder is bij dagvaarding van 19 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) van 22 januari 2026 (hierna: het bestreden vonnis), in kort geding gewezen onder het hierboven genoemde zaak-/rolnummer tussen de vader als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en de moeder als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.
De appeldagvaarding van de moeder bevat de grieven en producties. Tevens bevat de appeldagvaarding een vordering tot schorsing van de werking van het bestreden vonnis.
2.3
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van antwoord in principaal hoger beroep en antwoord in het incident tot schorsing, tevens incidenteel hoger beroep en vermeerdering van eis, met producties
1. t/m 7, van de zijde van de vader.
2.4
Nadat de verweertermijn in incidenteel hoger beroep was verstreken is een memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van de zijde van de moeder ingediend. Omdat deze buiten de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, maakt deze geen deel uit van de processtukken
2.5
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 april 2026, tezamen met de mondelinge behandeling in na te noemen zaak met zaaknummer 200.366.715.01. Hierbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de voorzitter in aanwezigheid van de griffier met [minderjarige] gesproken. Van dit gesprek heeft de voorzitter tijdens de mondelinge behandeling een samenvatting gegeven.
2.6
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.3 de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Ook het hof zal daarvan uitgaan, voor zover in hoger beroep nog van belang. Die feiten zijn, aangevuld met andere relevante feiten die in dit geding zijn komen vast te staan, de volgende.
3.2
Partijen hebben een relatie gehad tot het voorjaar van 2024. Uit die relatie is op
[in] 2014 hun dochter [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
3.3
[minderjarige] heeft sinds het uiteengaan van partijen haar hoofdverblijf bij de moeder. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 10 februari 2025 is een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld.
3.4
Bij beschikking van 25 juni 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank), de volgende zorgregeling vastgesteld:
- [minderjarige] verblijft eens in de veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de tussenliggende week van maandag uit school tot dinsdag naar school en bij de vader;
- [minderjarige] verblijft in de even jaren gedurende de 1e week van de kerstvakantie, meivakantie, de 1e, de 2e en de 4e week van de zomervakantie en in de oneven jaren gedurende de herfstvakantie, de 2e week van de kerstvakantie de 3e, de 5e en de 6e week van de zomervakantie bij de vader.
3.5
Na het wijzen van het bestreden vonnis heeft de vader opnieuw een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt omdat de zorgregeling volgens hem niet naar behoren werd nageleefd. Dit heeft geleid tot de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2026. Hierbij is, onder meer, voor zover in de onderhavige zaak relevant, [minderjarige] voor een beperkte periode, te weten de periode van en rond de voorjaarsvakantie, toevertrouwd aan de vader en is de dwangsom verhoogd. De moeder heeft ook hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Dit hoger beroep is bij het hof in behandeling onder zaaknummer 200.366.715.01. Het hof doet in beide zaken op dezelfde dag uitspraak.

4.De vorderingen en het bestreden vonnis

Vorderingen in eerste aanleg
4.1.
Bij de voorzieningenrechter heeft de vader (in conventie) gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de moeder te veroordelen mee te werken aan de zorgregeling met de vader, te weten dat [minderjarige] bij de vader verblijft:
- eens in de veertien dagen (te beginnen op 12 januari 2026) in de oneven weken van maandag uit school tot dinsdag naar school en (te beginnen op 16 januari 2026) van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- in de schooljaren die beginnen met een even jaar de 1e week van de kerstvakantie, meivakantie en de 1e, 2e en 4e week van de zomervakantie;
- en in de in de schooljaren die beginnen met een oneven jaar in de herfstvakantie, 2e week van de kerstvakantie, voorjaarsvakantie en de 3e, 5e en 6e week van de zomervakantie;
- in de voorjaarsvakantie 2026, van vrijdagmiddag 20 februari 2026 uit school tot 2 maart 2026 naar school;
- waarbij de moeder wordt veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van
€ 500.- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de vast te stellen zorgregeling voldoet;
II. te bepalen dat de moeder is gehouden [minderjarige] en het geldige reisdocument van [minderjarige] af te geven aan de vader ten behoeve van voornoemde voorjaarsvakantie en de moeder te veroordelen om aan de vader te betalen een dwangsom van €500.- euro voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het gevorderde voldoet;
III. aan de vader vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] af te reizen naar Oostenrijk en te verblijven in [plaats] in de periode van 21 tot en met 27 februari 2026;
IV. te bepalen dat [minderjarige] , vanwege het missen van vakantie en feestdagen in december 2025 en begin januari 2026, in 2026 extra bij de vader is van:
- 25 april 2026 uit school tot 11 mei 2026 naar school (de meivakantie);
- 31 december 2026 van 9:30 uur (gebracht door de moeder bij de vader) tot 1 januari 2027 20:30 uur (gebracht door de vader bij de moeder);
en de moeder te veroordelen om aan de vader een dwangsom van €500.- te voldoen voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de vast te stellen zorgregeling ;
en tot slot de moeder te veroordelen in de proceskosten.
4.2
De moeder heeft (in reconventie) bij de voorzieningenrechter gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de door de rechtbank bij beschikking van 25 juni 2025 vastgestelde zorgregeling alsmede de verdeling van de vakanties en feestdagen te schorsen in die zin dat [minderjarige] niet bij de vader zal hoeven overnachten en dat [minderjarige] in plaats daarvan iedere avond van de zorgdagen van de vader om 20:00 uur door de moeder bij de vader wordt opgehaald als de daaropvolgende dag een schooldag is en door de moeder de volgende ochtend naar school wordt gebracht en als de daaropvolgende dag een weekeinde -of vakantiedag is, de moeder [minderjarige] om 21:00 uur bij de vader ophaalt en de vader [minderjarige] die daaropvolgende dag om 09:30 bij de moeder ophaalt;
- aan de moeder vervangende toestemming verleent om [minderjarige] voor behandeling aan te melden bij psychologe Hester Boersma waarbij de toestemming van de rechtbank die van de vader vervangt;
- de proceskosten compenseert in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Bestreden vonnis
4.3
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis, in conventie en reconventie:
- de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling, zoals bepaald bij beschikking van de rechtbank van 25 juni 2025;
- de volgende regeling inzake de verdeling van de vakantie en feestdagen vastgesteld: [minderjarige] verblijft bij de vader in de schooljaren die beginnen met een even jaar gedurende de 1e week van de kerstvakantie, de meivakantie, de 1e de 2e en de 4e week van de zomervakantie en in de schooljaren die beginnen met een oneven jaar gedurende, de herfstvakantie, de 2e week van de kerstvakantie, de voorjaarsvakantie, de 3e de 5e en de 6e week van de zomervakantie, waarbij [minderjarige] in de voorjaarsvakantie 2026 van vrijdagmiddag 20 februari 2026 uit school tot 2 maart 2026 naar school bij de vader is;
- aan de vader, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, toestemming verleend om met [minderjarige] te reizen naar Oostenrijk en te verblijven in [plaats] in de periode van 21 tot en met 27 februari 2026;
- bepaald dat de moeder een geldig reisdocument van [minderjarige] aan de vader moet geven ten behoeve van de voorjaarsvakantie 2026;
- en de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500.- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000.- is bereikt.
De voorzieningenrechter heeft het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij eigen kosten draagt.
Vorderingen in hoger beroep
4.4
De moeder concludeert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest de volgende zorgregeling vast zal stellen:
De vader heeft eenmaal per veertien dagen omgang met [minderjarige] op zaterdag van 10:00 uur tot 20:00 uur en in de andere week op maandag na schooltijd tot 20:00 uur. Deze regeling geldt voorlopig ook tijdens de vakanties en feestdagen. Op het moment dat [minderjarige] weer bij de vader wil overnachten kan de zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van de rechtbank 25 juni 2025 worden hervat, dan wel een voorlopige zorgregeling zoals het hof in goede justitie acht.
Daarnaast vordert de moeder in incident, op de voet van artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover mogelijk bij voorraad, de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis te schorsen.
4.5
De vader concludeert tot afwijzing van (naar het hof begrijpt) de vorderingen, de grieven en de incidentele vordering van de moeder, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van de moeder in de proceskosten in dit geding. Verder vordert de vader in incidenteel hoger beroep met vermeerdering van eis:
[minderjarige] voorlopig toe te vertrouwen aan de vader en de moeder te verplichten [minderjarige] aan de vader af te geven, hetgeen ook betekent dat een ieder, dan wel iedere organisatie gehouden is om [minderjarige] op eerste verzoek af te geven aan de vader, dan wel aan een door de vader aan te wijzen vertegenwoordiger en:
- primair: de moeder in de gelegenheid te stellen bij bijvoorbeeld ZIJN of een andere organisatie [minderjarige] in het kader van begeleide omgang te zien;
- subsidiair: als zorgregeling tijdelijk vast te stellen dat: [minderjarige] in alle schoolweken van dinsdag uit school tot vrijdag naar school bij de moeder verblijft;
- meer subsidiair: ten tijde van alle op basis van het vonnis in kort geding van 22 januari 2026 opgenomen vakanties [minderjarige] bij de vader zal zijn;
in alle gevallen geldt de toevertrouwing totdat in een binnen één week na het arrest te starten bodemprocedure is beslist;
de vader te machtigen de beslissingen van het hiervoor gevorderde, als ook het bij bestreden vonnis bepaalde, zo nodig ten uitvoer te laten leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, in die zin dat indien de moeder niet meewerkt, na betekening haar veertien dagen lijfsdwang mag worden opgelegd.

5.Beoordeling

Spoedeisend belang
5.1
Uit de aard van de zaak en het gevorderde volgt naar het oordeel van het hof een voldoende spoedeisend belang bij een beslissing van het hof.
De zorgregeling en vakantieregeling (grief 1 en grief 2)
Standpunten van partijen
5.2
De moeder heeft vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Het hof zal de grieven 1 en 2 gelet op hun inhoud en onderlinge samenhang gezamenlijk bespreken.
De moeder voert aan dat [minderjarige] grote moeite heeft met de overnachtingen bij de vader. De gedwongen overnachtingen zorgen bij haar voor (ernstige) psychische en lichamelijke klachten. De moeder meent dat de voorzieningenrechter ten onrechte onvoldoende gewicht aan de mening en beleving van [minderjarige] heeft toegekend (grief 1) en ten onrechte heeft bepaald dat er geen contra-indicaties zijn voor overnachtingen van [minderjarige] bij de vader (grief 2). De blokkade bij [minderjarige] moet serieus worden genomen en onderzocht worden, gedwongen overnachtingen zorgen voor psychische schade en zijn niet in het belang van [minderjarige] , aldus de moeder.
5.3
De vader betwist de stellingen van de moeder en voert verweer, waarop hierna, waar nodig, zal worden ingegaan.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat de strijd tussen de ouders zeer belastend is voor [minderjarige] . Het is van belang dat de ouders met elkaar leren te communiceren, dat de overdracht vrij van spanningen is en dat [minderjarige] voelt dat zij van beide ouders de emotionele toestemming heeft om bij de andere ouder te zijn. De procedures die door de ouders worden gevoerd zijn schadelijk voor [minderjarige] . Hulpverlening voor [minderjarige] kan haar helpen beter om te gaan met de situatie maar de oplossing ligt bij de ouders, aldus de raad. Op dit moment is er geen zicht op de oorzaken die ten grondslag liggen aan de redenen waarom de overnachtingen bij de vader lastig zijn voor [minderjarige] . Het is dus ook niet duidelijk of de moeder bewust of onbewust druk op [minderjarige] uitoefent. Het door de raad te starten beschermingsonderzoek zal hier mogelijk meer duidelijkheid over kunnen geven. Wel adviseert de raad de moeder de overnachtingen bij de vader zoveel mogelijk te normaliseren en kalm te blijven wanneer [minderjarige] stress ervaart. Hoewel de angst van de vader om [minderjarige] kwijt te raken invoelbaar is, is het nu vooral van belang om met rust te reageren. Het afdwingen van de overnachtingen, onder andere door politie-inzet en dwangsommen, is niet in het belang van [minderjarige] .
De beoordeling
5.5
Uit de overlegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat tussen de ouders sprake is van wederzijds wantrouwen en dat de communicatie tussen hen ernstig is verstoord. De gespannen sfeer tussen partijen en het gebrek aan communicatie kunnen niet los worden gezien van de wijze waarop de zorgregeling loopt. In de afgelopen periode heeft [minderjarige] uitsluitend tijdens de voorjaarsvakantie, en tijdens twee andere weekenden bij de vader overnacht. Bij de overdracht van [minderjarige] is, in één van de twee weekenden, de politie betrokken geweest. De moeder stelt dat zij [minderjarige] motiveert om naar de vader te gaan en daar te overnachten. De vader betwist dit. Volgens hem frustreert de moeder de zorgregeling en geeft zij [minderjarige] geen emotionele toestemming om bij hem te overnachten. Het is het hof gebleken dat de ouders op dit moment niet in staat zijn om samen constructief te overleggen over de zorgregeling en de wijze waarop deze het beste kan worden uitgevoerd. Hierdoor komt [minderjarige] klem te zitten tussen de ouders.
5.6
Ter beoordeling ligt aan het hof voor of de zorg- en vakantieregeling, zoals vastgelegd in de beschikking van 25 juni 2025 en waarvan in het bestreden vonnis nakoming is bepaald, moet worden voortgezet of dat, overeenkomstig de vordering van de moeder, de zorg- en vakantieregeling (tijdelijk) moet worden beperkt. Hiervoor acht het hof het volgende van belang. Het hof constateert dat bij [minderjarige] een blokkade bestaat ten aanzien van de overnachtingen bij de vader. De raad zal binnenkort starten met een beschermingsonderzoek waardoor er meer duidelijkheid zal komen over de mogelijke oorzaken van deze blokkade. Op dit moment kan door het hof niet worden vastgesteld waarom [minderjarige] moeite heeft met de overnachtingen. Het hof kan er dan ook niet vanuit gaan dat, zoals de vader aanvoert, de blokkade wordt veroorzaakt door de dynamiek tussen de moeder en [minderjarige] . Wel is gebleken dat [minderjarige] veel last heeft van spanningen tussen de ouders en de gespannen situatie rondom de zorgregeling. Bij één van de overdrachtsmomenten is zelfs politie betrokken geweest, hetgeen een grote negatieve impact op [minderjarige] heeft gehad. Met de raad is het hof van oordeel dat de druk en de spanning die [minderjarige] voelt moet worden weggenomen. Het is belangrijk dat er nu eerst rust komt voor [minderjarige] zodat zij minder stress ervaart rondom de zorgregeling. [minderjarige] heeft zelf ook aangegeven dat zij eerst een (korte) periode van rust wenst voordat zij weer bij de vader wil overnachten. Het hof acht een tijdelijke zorgregeling waarbij [minderjarige] eerst twee weken zonder overnachtingen bij de vader verblijft dan ook het meest in haar belang. Dat betekent dat de tijdelijke zorgregeling op de hieronder in het dictum te noemen wijze wordt aangepast.
5.7
Het hof benadrukt dat het van groot belang is dat vervolgens met een opbouw, waarbij [minderjarige] in de derde week tweemaal (van vrijdag tot en met zondag) bij de vader zal overnachten, wordt toegewerkt naar hervatting van de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van de rechtbank van 25 juni 2025, nader omschreven in 2.4 van dit arrest. Het hof bepaalt dat met ingang van 27 juni 2026 de regeling zal moeten worden hervat en veroordeelt de moeder tot nakoming hiervan. Aanvullend bepaalt het hof dat de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft haar naar de andere ouder brengt als de overdracht niet via school kan plaatsvinden. Zo wordt voor [minderjarige] duidelijk dat beide ouders achter de zorgregeling staan. Buiten de bovenomschreven problematiek, is het hof is niet gebleken van contra-indicaties voor de overnachtingen bij de vader en ook de betrokken hulpverlening geeft aan dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat [minderjarige] niet veilig is bij de vader. Ondanks het feit dat [minderjarige] verdriet en spanningen ervaart door genoemde situatie heeft zij het leuk bij de vader en wil zij na een (korte) periode van rust weer bij hem overnachten. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat zij zich bij beide ouders thuis kan voelen. Gelet op bovenstaande is het in het belang van [minderjarige] om een regeling vast te stellen waarin rust voor haar wordt gecreëerd maar waarbij zij daarna weer bij haar vader gaat overnachten. Dit betekent dat naast de hervatting van de zorgregeling ook de vakantieregeling zoals deze is vastgesteld bij beschikking van 25 juni 2025 in stand blijft. Het hof zal de zorg- en vakantieregeling iets gewijzigd formuleren zodat deze voor partijen duidelijkheid verschaft en aansluit bij de regeling zoals deze in de eerste drie weken plaatsvindt. Tot slot geeft het hof de ouders mee dat als [minderjarige] eerder bij de vader wil overnachten partijen haar daarvoor ruimte moeten bieden. De grieven 1 en 2 van de moeder slagen deels zodat het bestreden vonnis in zoverre zal worden vernietigd.
De voorjaarsvakantie (grief 3)
5.8
Als derde grief heeft de moeder aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte vervangende toestemming heeft verleend voor de wintersportvakantie van [minderjarige] met de vader. Aangezien de voorjaarsvakantie inmiddels heeft plaatsgevonden en [minderjarige] met de vader is meegeweest is de grief achterhaald en heeft de moeder hierbij geen belang meer. Daarmee behoeft deze grief verder geen bespreking. De grief faalt.
De dwangsom (grief 4)
Standpunten van partijen
5.9
De moeder voert aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte een dwangsom verbonden heeft aan de zorg- en vakantieregeling nu de dwangsom in de gegeven omstandigheden leidt tot ongeoorloofde druk op [minderjarige] en daarmee strijdig is met haar belang.
5.1
De vader betwist de stellingen van de moeder en voert verweer, waarop hierna, waar nodig, zal worden ingegaan.
De beoordeling
5.11
Het hof overweegt als volgt. Het hof merkt allereerst op dat door partijen uitvoering dient te worden gegeven aan een door de rechter bepaalde zorgregeling. Het opleggen van een dwangsom kan daarbij een passend middel zijn om nakoming te bevorderen, met name indien is gebleken dat één van de partijen zich in het verleden niet of onvoldoende aan de regeling heeft gehouden. Het kan echter ook voorkomen dat een situatie ontstaat waarin het in strijd met zwaarwegende belangen van het kind is om dwangsommen op te leggen. Van een dergelijke situatie is in deze zaak sprake. Met de raad is het hof van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat de spanningen tussen de ouders niet verder oplopen en dat de druk op haar zoveel mogelijk wordt weggenomen. Het op dit moment opleggen van een dwangsom zal daarom niet in het belang van [minderjarige] zijn. Daarbij overweegt het hof verder dat de oorzaak van de blokkade ten aanzien van de overnachtingen bij de vader bij [minderjarige] nu nog niet duidelijk is en dat ook daardoor een dwangsom op dit moment niet passend is. Het hof spreekt de hoop uit dat nu geen dwangsom wordt verbonden aan de zorgregeling dit kan zorgen voor rust en een nieuwe start. Het hof gaat er bovendien vanuit dat de moeder haar volledige medewerking verleent aan een juiste uitvoering van de door het hof te bepalen zorgregeling. De grief slaagt en het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd.
Het incident tot schorsing
5.12
Omdat het hof met dit arrest een einduitspraak doet, heeft de moeder geen belang meer bij haar vordering tot schorsing van de werking van het bestreden vonnis. Deze vordering zal daarom worden afgewezen. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd.
Het incidenteel hoger beroep van de vader en zijn vermeerdering van eis
5.13
De vader heeft bij vermeerdering van eis, onder meer, gevorderd dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd overeenkomstig 3.5 van dit arrest.
5.14
De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
De beoordeling
5.15
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader desgevraagd verklaard geen belang (meer) te hebben bij zijn vorderingen, nu hij in het tweede hoger beroep in kort geding onder zaaknummer 200.366.715.01, waarin het hof gelijktijdig arrest zal wijzen, een vergelijkbaar verzoek heeft gedaan. Het hof zal deze vorderingen daarom in onderhavige zaak afwijzen. Dit geldt eveneens voor zijn vordering hem te machtigen de beslissingen van het bestreden vonnis zo nodig ten uitvoer te laten leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren nu ook deze vorderingen in het hoger beroep onder zaaknummer 200.366.715.01 zijn gedaan en betrekking hebben op de nakoming van de (bij vonnis van 19 februari 2026 in stand gelaten) zorg- en vakantieregeling.
Proceskosten
5.16
Ten aanzien van de door de vader gevorderde proceskosten overweegt het hof als volgt. Nu de grieven van de moeder gedeeltelijk slagen en gelet op de familierechtelijke aard van het geschil, ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.17
Dit alles leidt tot de volgende beslissing

6.Beslissing

Het hof:
In het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 22 januari 2026 ten aanzien van de veroordeling tot nakoming van de zorgregeling en de opgelegde dwangsom;
I. bepaalt, opnieuw rechtdoende, een voorlopige zorgregeling waarbij [minderjarige] vanaf 5 juni 2026 bij de vader verblijft:
in week 1:
- op vrijdag 5 juni 2026 uit school tot 20:00 uur
- op zaterdag 6 juni 2026 van 10:00 tot 20:00 uur
- op zondag 7 juni 2026 van 10:00 tot 20:00 uur
in week 2:
- op maandag 15 juni 2026 uit school tot 20:00 uur
in week 3:
van vrijdag 19 juni 2026 uit school tot zondag 21 juni 2026 te 20.00 uur;
II. veroordeelt de moeder vanaf 27 juni 2026 tot nakoming van de zorgregeling en vakantie- en feestdagenregeling, die is bepaald bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 25 juni 2026, waarbij [minderjarige] :
- eens in de veertien dagen in de oneven weken (te starten vanaf maandag 29 juni 2026) van maandag uit school tot dinsdag naar school en in de even weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft.
- in de schooljaren die beginnen met een even jaar gedurende de 1e week van de kerstvakantie, meivakantie, de 1e, de 2e en de 4e week van de zomervakantie en in de schooljaren die beginnen met een oneven jaar (zoals het huidige schooljaar 2025/2026) gedurende, de herfstvakantie, de 2e week van de kerstvakantie, de voorjaarsvakantie, de 3e, de 5e en de 6e week van de zomervakantie bij de vader verblijft;
dit betekent dat [minderjarige] bij de vader verblijft:
- de 3e week (17 juli 2026 vanaf 20:00 uur tot 24 juli 2026 te 20:00 uur) de 5de en de 6de week (31 juli 2026 te 20:00 uur t/m 14 augustus 2026 te 20:00 uur) van de zomervakantie;
- van vrijdag 21 augustus 2026 uit school tot maandag 24 augustus 2026 naar school;
- van maandag 31 augustus 2026 uit school tot dinsdag 1 september 2026 naar school;
waarbij ten aanzien van alle regelingen (I en II) geldt dat de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft haar brengt naar de andere ouder als de overdracht niet via school kan plaatsvinden;
waarbij ten aanzien van alle regelingen (I en II) geldt dat, indien er geen school is op een dag waarop [minderjarige] na school bij de vader verblijft, [minderjarige] vanaf 15:00 uur bij de vader verblijft;
III. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
IV. wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;
In het incident tot schorsing:
V. wijst de vordering af;
In beide procedures
VI. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. F. Kleefmann, M.T. Hoogland en J. van Zaane en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.