Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1519

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.357.178/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1065 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen arbitraal appelvonnis inzake aansprakelijkheid verzakkingen containerterminal

Dusseldorp vordert vernietiging van een arbitraal appelvonnis dat haar aansprakelijk stelt voor verzakkingen aan een containerterminal, stellende dat het vonnis onvoldoende gemotiveerd is, het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden en sprake is van een verrassingsbeslissing.

Het hof overweegt dat het appelvonnis voldoende gemotiveerd is, waarbij appelarbiters onderscheid maken tussen zettingen en verzakkingen en de exoneratieclausule niet van toepassing achten. De waarnemingen ter plaatse en de rapportages zijn betrokken bij de beoordeling. Het hof oordeelt dat Dusseldorp voldoende gelegenheid heeft gehad haar standpunten toe te lichten en dat geen sprake is van een verrassingsbeslissing.

De vordering tot vernietiging wordt afgewezen en Dusseldorp wordt veroordeeld in de proceskosten. Het hof benadrukt dat de omvang van de schadevergoeding nog in een aparte schadestaatprocedure zal worden vastgesteld.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt de aansprakelijkheid van Dusseldorp voor de verzakkingen, met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.357.178/01
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026
inzake
DUSSELDORP INFRA, SLOOP EN MILIEUTECHNIEK B.V.,
gevestigd te Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre,
eiseres,
advocaat: mr. F.R.H. Kuiper te Hattem,
tegen
FERLINE PARTICIPATIES B.V.,
gevestigd te Drachten, gemeente Smallingerland,
gedaagde,
advocaat: mr. A.J. van de Watering te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dusseldorp en Ferline genoemd.

1.De zaak in het kort

Dusseldorp vordert dat het hof een tussen partijen gewezen arbitraal appelvonnis vernietigt op de gronden dat dit vonnis gebrekkig althans onvoldoende is gemotiveerd, dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, en een verrassingsbeslissing is gegeven. Het hof wijst de vordering af en overweegt daartoe dat het arbitraal appelvonnis voldoende is gemotiveerd, dat niet is gebleken van schending van het beginsel van hoor en wederhoor en evenmin sprake is van een verrassingsbeslissing.

2.Het verloop van het geding

2.1
Dusseldorp heeft bij dagvaarding van 17 juni 2025, met producties, vernietiging gevorderd van een arbitraal appelvonnis van 14 februari 2025 van de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen (hierna: RvA), onder zaaknummer 72.331 (hierna: het appelvonnis). Het appelvonnis is tussen Ferline als appellante in principaal appel tevens geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel en Dusseldorp als geïntimeerde in principaal appel tevens appellante in voorwaardelijk incidenteel appel gewezen.
2.2
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- de akte overlegging producties van Dusseldorp d.d. 17 juni 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord van Ferline d.d. 2 september 2025, met producties.
2.3
De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Bij die gelegenheid is namens Dusseldorp verschenen [naam 1] , directeur, bijgestaan door mr. Kuiper voornoemd. Namens Ferline is verschenen [naam 2] , facilitair manager bij MCS B.V., bijgestaan door mr. Van de Watering voornoemd en mr. R. van den Brink, advocaat te Rotterdam. De advocaten hebben de stellingen van partijen toegelicht aan de hand van schriftelijke notities die zijn overgelegd. Tevens zijn door partijen enige vragen van het hof beantwoord.
2.4
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, staat het volgende vast.
3.2
In augustus 2011 is tussen (de rechtsvoorgangster van) Dusseldorp en (de rechtsvoorgangster van) Ferline een bouwteamovereenkomst gesloten ter voorbereiding van de realisatie van een containerterminal aan de Newtonweg 5 te Leeuwarden, waar op dat moment een vuilstortplaats aanwezig was. Bij deze bouwteamovereenkomst was ook ingenieursbureau [bedrijf] uit Deventer partij. Dusseldorp was de bouwkundig aannemer. [bedrijf] was de partij die belast was met ontwerpende, adviserende en ondersteunende werkzaamheden. (De rechtsvoorgangster van) Dusseldorp heeft in haar offerte een exoneratie opgenomen die als volgt luidt:
“Voor schade aan het terrein, als gevolg van zettingen in de ondergrond, kan Jager Sloop Infra & Milieu niet aansprakelijk worden gesteld.”
3.3
Op 2 december 2011 hebben (de rechtsvoorgangsters van) partijen een aannemingsovereenkomst ondertekend voor de bouw van de genoemde containerterminal voor een bedrag van € 3.950.000,- ex btw.
3.4
De werkzaamheden zijn in de periode september 2011 – augustus 2012 uitgevoerd. De containerterminal is omstreeks augustus 2012 in gebruik genomen.
3.5
Ongeveer een maand na ingebruikname van de containerterminal zijn er verzakkingen in de klinkerbestrating geconstateerd, met name ter plaatse van de opstelstrook voor vrachtwagens en het binnengebied van de zogenoemde stack area (containeropslag).
3.6
Nadat de gebreken aan Dusseldorp waren gemeld, hebben partijen zich met name beziggehouden met onderzoek naar de oorzaak daarvan en een mogelijke oplossing daarvoor. Tussen partijen heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden.
3.7
Nadat Dusseldorp geen aansprakelijkheid erkende, heeft Ferline in verband met het ontstane geschil een procedure aanhangig gemaakt bij de RvA. Ferline vorderde, kort samengevat:
( i) een verklaring voor recht dat Dusseldorp, althans haar rechtsvoorgangster, tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de bouwteam- en/of de aannemingsovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld en hiervoor aansprakelijk is; en veroordeling van Dusseldorp tot betaling van:
(ii) de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente;
(iii) een voorschot op de schadevergoeding van € 375.374,36;
(iv) de expertisekosten van € 29.854,33, te vermeerderen met wettelijke rente, en tot betaling van de overige expertisekosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
( v) de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.8
Nadat Dusseldorp verweer had gevoerd, heeft het scheidsgerecht van de RvA bij arbitraal vonnis van 17 oktober 2023, gewezen onder nummer 36.107, Ferline niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen voor zover die betrekking hebben op de bouwteamovereenkomst, de overige vorderingen van Ferline afgewezen en Ferline veroordeeld tot betaling aan Dusseldorp van een bedrag van € 12.856,- ter zake van proceskosten.
3.9
Ferline is van het arbitraal vonnis in hoger beroep gegaan en heeft daartegen vijf grieven gericht. Dusseldorp heeft de grieven bestreden en - voorwaardelijk -incidenteel appel ingesteld.
3.1
Op 6 december 2024 heeft een mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden ten overstaan van het appelscheidsgerecht. De mondelinge behandeling bestond uit drie delen. In de ochtend vond in het Van der Valk hotel in Leeuwarden de mondelinge behandeling plaats, waarbij partijen hun standpunten hebben uiteengezet en toegelicht ten overstaan van de appelarbiters (eerste deel). Na de lunchpauze hebben partijen en de appelarbiters zich begeven naar de locatie van de containerterminal waar een bezichtiging heeft plaatsgevonden (tweede deel). Vervolgens zijn partijen en de appelarbiters teruggekeerd naar het Van der Valk hotel waar de mondelinge behandeling is voortgezet en afgerond (derde deel). Partijen hebben tijdens de voortgezette mondelinge behandeling hun standpunten nogmaals toegelicht en vragen van de appelarbiters beantwoord.
3.11
Bij het appelvonnis heeft het appelscheidsgerecht het arbitraal vonnis vernietigd voor zover daarbij de vordering van Ferline uit hoofde van de aannemingsovereenkomst is afgewezen en zij is veroordeeld in de proceskosten. Het appelscheidsgerecht heeft - in zoverre opnieuw rechtdoende - voor recht verklaard dat Dusseldorp jegens Ferline toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de aannemingsovereenkomst en Dusseldorp veroordeeld tot betaling aan Ferline van een voorschot op schadevergoeding van
€ 375.374,36 en een voorschot van € 29.854,33 op kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Voor het overige heeft het appelscheidsgerecht bepaald dat de vervangende schadevergoeding en de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid alsmede buitengerechtelijke incassokosten, zullen worden opgemaakt bij staat en te vereffenen volgens de wet. Dusseldorp is veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep. Het appelvonnis luidt voor zover in deze zaak van belang, als volgt:
“(…)
20. Naar het oordeel van appelarbiters heeft aanneemster onvoldoende gesteld en aangetoond dat de verzakkingen zijn veroorzaakt door een voor rekening van opdrachtgeefster komende ontwerpfout of door een door opdrachtgeefster voorgeschreven functioneel gebrekkige bouwstof. Appelarbiters overwegen daartoe het volgende.
21. Mede gezien hun waarnemingen ter plaatse achten appelarbiters aannemelijk dat, zoals opdrachtgeefster stelt, de fundatie van de containerterminal gebrekkig is. Appelarbiters hebben op het terrein wijdverspreide schades aan de verharding waargenomen, ook in zones waar minder intensief gebruik plaatsvindt of op hoge punten waar geen water blijft staan.
22. Verder volgt uit de door opdrachtgeefster overlegde druksterktemetingen van KOAC-NPC van 14 augustus 2013 en van Greenhouse van 23 november 2016 dat plaatselijk lagere druksterktes van de Powerbase zijn gemeten dan voorgeschreven in het ontwerp en zoals zijn gemeten bij oplevering. Aanneemster stelt, naar het oordeel van appelarbiters ten onrechte, dat haar contractuele verplichting zich beperkte tot het leveren van Powerbase 5 en Powerbase 10 met een vooraf overeengekomen druksterkte en dat zij aan deze verplichting heeft voldaan, omdat de druksterktes bij oplevering aantoonbaar zijn gehaald. In het van de contractstukken deel uitmakende verhardingsadvies van Via Aperta is een ontwerplevensduur van 20 jaar bepaald. Dit advies is een bijlage van het DO, dat tot de contractstukken behoort. Afgezien van de vraag of dit betekent dat aanneemster moet instaan voor een levensduur van twintig jaar, hoefde opdrachtgeefster redelijkerwijze niet te verwachten dat binnen zo een korte termijn na oplevering verzakkingen zouden optreden door het degraderen van de Powerbase.
23. De werking van een cementgebonden fundering (CTB-laag) is een complexe interactie tussen:
- de stijfheid en draagkracht van de van nature aanwezige ondergrond
- de conditie van de straatlaag (onder andere vlakheid en waterafvoer)
- de te verwachte dikte, sterkte en stijfheid van de aangebrachte CTB-funderingslaag (ontwerp
en dikte)
- de feitelijke kwaliteit.
24. Opdrachtgeefster heeft [bedrijf] opdracht gegeven het ontwerp van de containerterminal te maken. [bedrijf] heeft Via Aperta opdracht gegeven de engineering van de verhardingsconstructie te verzorgen.
25. De exacte oorzaak van de ondeugdelijke werking van de CTB-laag is niet duidelijk geworden. Aanneemster heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld, en ook is niet gebleken dat het ontwerp of de engineering aan de ontstane problemen hebben bijgedragen. Hetzelfde geldt voor de kwaliteit van de ondergrond en de conditie van de straatlaag. Aanneemster heeft volstaan met de blote stelling dat sprake is van een ontwerpfout door onvoldoende afschot en waterophoping en dat sprake is van zetting. Verder heeft aanneemster in randnummer 70 van haar memorie van antwoord in principaal appel/memorie van grieven in incidenteel appel uitdrukkelijk betwist da de namens opdrachtgeefster voorgeschreven Powerbase kan worden gezien als een gebrekkige bouwstof, zodat appelarbiters in deze procedure ervan uit dienen te gaan dat de Powerbase (functioneel) geschikt is.
26. Nu onvoldoende gesteld en ook niet gebleken is dat de Powerbase is bezweken door een aan opdrachtgeefster toerekenbare oorzaak, moet aanneemster daarvoor aansprakelijk worden gehouden.
(…)
42. Evenals arbiters in eerste aanleg zijn appelarbiters van oordeel dat het beroep van aanneemster op het exoneratiebeding in de aannemingsovereenkomst haar niet kan baten, nu hier geen sprake is van zettingen in de ondergrond maar van verzakking in de klinkerbestrating als gevolg van een gebrekkige fundatie met straatlaag, zoals opdrachtgeefster ook aanvoert. Zetting is wat anders dan verzakkingen door een gebrekkige funderingslaag. Het schadebeeld dat appelarbiters tijdens de bezichtiging hebben waargenomen, duidt niet op zetting, en onvoldoende gesteld en ook niet aangetoond is dat het type ondergrond tot de verzakkingen heeft geleid. Aanneemster heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan het voor opdrachtgeefster duidelijk moest zijn dat aanneemster met deze exoneratiebepaling de aansprakelijkheid voor alle verzakkingen wilde voorkomen, ongeacht de oorzaak.(…)
43. Aanneemster beroept zich daarnaast op de in de aannemingsovereenkomst opgenomen exoneratiebepaling, waarin staat dat aanneemster alleen aansprakelijk kan worden gesteld voor de kwaliteit van het uitgevoerde werk, en de aansprakelijkheid voor het ontwerp van het terrein inclusief de bijkomende berekeningen bij de ontwerpende partij ligt ( [bedrijf] ). Zoals in principaal appel is overwogen, is onvoldoende gesteld en ook niet gebleken dat de oorzaak van de verzakkingen is gelegen in het ontwerp.
(…)
47. Opnieuw rechtdoende zal de gevorderde verklaring voor recht worden afgegeven dat aanneemster jegens opdrachtgeefster toerekenbaar tekortgeschoten is in haar verplichtingen voortvloeiende uit de aannemingsovereenkomst.
48. Aanneemster wordt veroordeeld tot betaling van een vervangende schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
(…)
50. Het gevorderde voorschot van (bedoeld zal zijn:) € 375.374,86 op de vervangende schadevergoeding (wegens gemaakte voorlopige herstelkosten) en de gevorderde, reeds gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van € 29.854,33, zijn onvoldoende gemotiveerd weersproken en worden om die reden bij wijze van voorschot toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde - niet specifiek weersproken - wettelijke rente.
(…)”

4.De vordering

4.1
Dusseldorp vordert dat het hof het appelvonnis vernietigt en, uitvoerbaar bij voorraad, Ferline verplicht tot terugbetaling van al hetgeen Dusseldorp aan Ferline heeft voldaan ter voldoening aan het appelvonnis, vermeerderd met wettelijke rente.
4.2
Dusseldorp voert daartoe aan (1) dat het appelvonnis onvoldoende gemotiveerd is (artikel 1065 lid 1 aanhef Pro en onder d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)), en (2) dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Blijkens de toelichting stelt Dusseldorp dat aan het appelvonnis de volgende vijf gebreken kleven, door haar grondslagen genoemd:
Grondslag 1: wetenschap zettingen, rapportage Via Aperta
Ferline wist, voordat zij de aannemingsovereenkomst sloot, dat er sprake zou zijn van aanzienlijke zettingen. Dusseldorp heeft in haar processtukken hier meermalen expliciet op gewezen en appelarbiters verzocht daaraan de conclusie te verbinden dat Dusseldorp om die reden niet toerekenbaar tekortgeschoten kan zijn door het enkele feit dat er verzakkingen zijn opgetreden. Appelarbiters hebben hier met geen woord over gerept. Daarbij komt dat appelarbiters hebben miskend dat verzakkingen nooit voor 100% voor rekening van Dusseldorp kunnen komen. Uit de rapportage van Via Aperta blijkt immers dat op het gehele terrein sprake zal zijn van aanzienlijke zettingen, die van dien aard zijn dat zelfs meermalen groot onderhoud nodig is. Nu appelarbiters het verweer van Dusseldorp onbesproken hebben gelaten - de naam Via Aperta komt slechts één keer voor in het appelvonnis, maar niet in de context van bespreking of weerlegging van een verweer van Dusseldorp -, en de overwegingen van appelarbiters met randnummers 20 en 21 in het licht van het verweer van Dusseldorp onnavolgbaar zijn, is het appelvonnis vernietigbaar, aldus Dusseldorp.
Grondslag 2: appelarbiters zijn voorbijgegaan aan het exoneratiebeding
Dusseldorp heeft in de arbitrale procedure zich beroepen op het tussen partijen overeengekomen exoneratiebeding dat ertoe strekt dat Dusseldorp niet aansprakelijk kan worden gehouden voor zettingen in de ondergrond. Appelarbiters hebben zonder enige nadere motivering overwogen dat het schadebeeld dat zij hebben waargenomen niet op zetting duidt en dat zetting iets anders is dan verzakkingen door een gebrekkige onderlaag. Dusseldorp stelt dat in het onderhavige geval sprake is van zetting en dat zetting niets anders is dan het inklinken van grond als gevolg van een hierop rustende belasting met als gevolg van die inklinking een zichtbare verzakking. Volgens Dusseldorp hebben appelarbiters, zonder daarbij acht te slaan op de rapportage van Via Aperta en het beroep van Dusseldorp hierop, zonder enige nadere motivering overwogen dat het schadebeeld dat zij hebben waargenomen, niet op zetting duidt.
Grondslag 3: voorschot schadevergoeding toegewezen zonder acht te slaan op verweer Dusseldorp
Dusseldorp stelt dat appelarbiters geen enkele aandacht hebben besteed aan haar verweer tegen de gevorderde schadevergoeding. Als Dusseldorp al aansprakelijk is voor verzakkingen, kan zij nooit gehouden zijn tot vergoeding van alle door Ferline gemaakte kosten. Ferline wist blijkens de rapportages dat meermalen groot onderhoud nodig zou zijn en dat er aanzienlijke verzakkingen zouden optreden met alle kosten van dien. Door het gevorderde voorschot toe te wijzen, zijn die kosten ten onrechte ten laste van Dusseldorp gebracht.
Grondslag 4: geen hoor en wederhoor en verrassingsbeslissing
Dusseldorp stelt dat het appelscheidsgerecht het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en dat sprake is van een verrassingsbeslissing. Dusseldorp voert in dit kader het volgende aan. Er heeft een plaatsopneming plaatsgevonden, waarbij appelarbiters op het terrein zijn rondgeleid door Ferline en haar advocaten. Dusseldorp liep met haar advocaat hier achteraan en heeft niet exact verstaan wat er toen is besproken. Tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling is niet ingegaan op de waarnemingen van appelarbiters ter plaatse. Evenmin zijn er vragen gesteld aan Dusseldorp. Hoe appelarbiters tot de conclusie zijn gekomen dat de fundatie van de containerterminal gebrekkig is, is in het appelvonnis niet gemotiveerd. Deze conclusie is ook niet met partijen gedeeld waardoor Dusseldorp er niet op heeft kunnen reageren. Daarmee is volgens Dusseldorp sprake van een verrassingsbeslissing en van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
Grondslag 5: zonder motivering verweer ontwerpfout verworpen
Appelarbiters hebben zonder motivering het verweer van Dusseldorp dat sprake is van een ontwerpfout verworpen. Onder randnummer 25 van het appelvonnis overwegen appelarbiters dat de exacte oorzaak van de ondeugdelijke werking van de CTB-laag niet duidelijk is geworden, maar vervolgens overwegen zij dat Dusseldorp onvoldoende heeft gesteld dat het ontwerp of de engineering aan de ontstane problemen heeft bijgedragen. Deze twee overwegingen zijn niet met elkaar verenigbaar. Juist als geen exacte oorzaak duidelijk is, is er alle reden om aan te nemen dat sprake is van een ontwerpfout. Evenmin is juist dat Dusseldorp onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat sprake is van een ontwerpfout. Dusseldorp verwijst in dit verband naar de inhoud van de processtukken waar zij op meerdere plaatsen dit heeft aangevoerd, aldus Dusseldorp.

5.Het verweer

5.1
Ferline voert gemotiveerd verweer. Zij concludeert tot verwerping van de aangevoerde grondslagen en tot afwijzing van de vordering van Dusseldorp, met veroordeling van Dusseldorp in de kosten van het geding, met nakosten en wettelijke rente.
5.2
Met betrekking tot de grondslagen 1 en 2 voert Ferline aan dat appelarbiters onder randnummer 42 van het appelvonnis het zettingenverweer van Dusseldorp hebben besproken, waarbij zij duidelijk een onderscheid hebben gemaakt tussen zettingen en verzakkingen. Dusseldorp is niet verder gekomen dan de blote stelling dat zettingen tot het gebrek hebben geleid en dat haar om die reden een beroep op het exoneratiebeding toekomt. Appelarbiters zijn daarin niet meegegaan en hebben hun beslissing onder randnummer 25 van het appelvonnis gemotiveerd. Volgens Ferline is van het ontbreken van een motivering of van een zodanige gebrekkige motivering dat die met een geheel ongemotiveerd vonnis op een lijn gesteld moet worden, dan ook geen sprake. Met het bespreken van het zettingenverweer is gegeven dat Dusseldorp ter zake is gehoord, zodat van schending van het beginsel van hoor en wederhoor ook geen sprake is, aldus Ferline.
5.3
Met betrekking tot grondslag 3 (voorschot op schadevergoeding) meent Ferline dat appelarbiters onder randnummer 50 van het appelvonnis wel degelijk aandacht hebben besteed aan het verweer van Dusseldorp. Zij hebben dit verweer als onvoldoende gemotiveerd gekwalificeerd en op die grond verworpen.
5.4
Ferline voert ten aanzien van grondslag 4 aan dat appelarbiters met partijen en hun advocaten gezamenlijk over het terrein van de containerterminal hebben gelopen en dat appelarbiters in het bijzijn van alle aanwezigen de vraag hebben gesteld welk deel van het terrein door de BAM is hersteld, waarna Ferline dat deel heeft aangewezen. Dusseldorp had tijdens de bezichtiging, althans daarna bij gelegenheid van de voortzetting van de mondelinge behandeling, voldoende mogelijkheid haar stellingen naar voren te brengen en verweer te voeren. Van schending van hoor en wederhoor is volgens Ferline dan ook geen sprake. Van een verrassingsbeslissing kan evenmin sprake zijn, omdat Dusseldorp redelijkerwijs had kunnen voorzien dat het appelvonnis voor haar ongunstig zou zijn. Op Dusseldorp rustte immers de bewijslast ter zake van het gebrek bestaande uit de verzakkingen in de ondergrond en zij heeft in dat kader slechts blote stellingen aangevoerd, aldus Ferline
5.5
Ten slotte bestrijdt Ferline dat het appelvonnis onvoldoende met redenen is omkleed omdat appelarbiters het verweer van Dusseldorp inzake een ontwerpfout zonder motivering zouden hebben verworpen. Volgens Ferline hebben appelarbiters onder randnummers 20, 25 en 43 van het appelvonnis gemotiveerd waarom zij het ter zake gevoerde verweer van Dusseldorp hebben verworpen.

6.Beoordeling

Ten aanzien van de eerste vernietigingsgrond (appelvonnis is niet met redenen omkleed)
6.1
Ingevolge artikel 1065 lid 1 aanhef Pro en onder d Rv kan vernietiging van een arbitraal vonnis plaatsvinden op de grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed. Aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen. Dit criterium moet door de rechter met terughoudendheid worden toegepast, in die zin dat hij slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. Uitsluitend indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, mag de rechter dit vonnis vernietigen op de in artikel 1065 lid 1 aanhef Pro en onder d Rv vermelde grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed. Met het ontbreken van een motivering moet op één lijn gesteld worden het geval dat weliswaar een motivering is gegeven, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen (HR 9 januari 2004,
NJ2005/190
(Nannini/SFT Bank)).
6.2
Naar het hof begrijpt, betoogt Dusseldorp met de hiervoor onder 4.2 weergegeven grondslagen 1, 2, 3 en 5 dat het appelvonnis geen (steekhoudende) motivering bevat en dat dit vonnis daarom op grond van artikel 1065 lid 1 aanhef Pro en onder d Rv voor vernietiging in aanmerking komt. Dit betoog faalt. Naar hiervoor onder 3.11 is weergegeven, hebben appelarbiters in het kader van de tussen partijen in geschil zijnde vraag of Dusseldorp was tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens Ferline, onder randnummers 20 tot en met 26, 42 en 43 van het appelvonnis toegelicht waarom die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Uit die overwegingen volgt dat appelarbiters van oordeel zijn dat geen sprake is van zetting, maar van verzakkingen ten gevolge van de gebrekkige Powerbase die Dusseldorp voor de fundatie heeft toegepast, en dat zij daarom verder niet zijn ingegaan op de rapportage van Via Aperta die betrekking heeft op zetting. Bij dit oordeel hebben appelarbiters mede betrokken hun waarnemingen ter plaatse. Anders dan Dusseldorp heeft aangevoerd, hebben appelarbiters onder randnummers 42 en 43 van het appelvonnis zich tevens uitgelaten over het beroep van Dusseldorp op het exoneratiebeding. Ten aanzien daarvan hebben appelarbiters immers overwogen dat het beroep van Dusseldorp faalt, omdat het exoneratiebeding ziet op zetting en niet op verzakkingen en dat deze verschijnselen van elkaar moeten worden onderscheiden. Hetzelfde geldt ten aanzien van het verweer van Dusseldorp tegen de gevorderde schadevergoeding. Onder randnummer 50 van het appelvonnis hebben appelarbiters overwogen dat het door Ferline gevorderde voorschot door Dusseldorp onvoldoende gemotiveerd is weersproken. Hoewel het hof begrijpt dat - mede gelet op het door Dusseldorp (herhaald) gevoerde verweer - het wenselijk was geweest als appelarbiters hun oordeel van een nadere motivering hadden voorzien, kan niet worden geoordeeld dat de door appelarbiters gegeven motivering niet voldoet aan de hiervoor onder 6.1 weergegeven maatstaf. Voor zover Dusseldorp met grondslag 3 betoogt dat appelarbiters hun beslissing gebrekkig hebben gemotiveerd doordat zij Dusseldorp volledig aansprakelijk hebben gehouden voor alle door Ferline geleden schade, miskent zij met dit betoog dat appelarbiters voor de omvang van de schadevergoeding het geschil hebben verwezen naar de - naar het hof begrijpt - inmiddels tussen partijen aanhangige schadestaatprocedure zoals onder randnummer 48 van het appelvonnis is overwogen. De exacte omvang van de schadevergoeding zal in die procedure nog moeten worden vastgesteld, waarbij Dusseldorp de mogelijkheid heeft ter zake verweer te voeren. Verder blijkt uit de overwegingen onder randnummers 20, 25 en 43 van het appelvonnis dat appelarbiters met betrekking tot de stelling van Dusseldorp dat de opgetreden verzakkingen het gevolg zijn van een ontwerpfout, van oordeel zijn dat Dusseldorp die stelling onvoldoende heeft onderbouwd en daarom hebben verworpen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat appelarbiters hun beslissing dat Dusseldorp is tekortgeschoten jegens Ferline hebben gemotiveerd, althans dat niet kan worden gezegd dat het appelvonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld. Het verlangen van een verdergaande motivering zou neerkomen op een nadere beoordeling van het materiële geschil tussen partijen welke beoordeling, gegeven de hiervoor onder 6.1 vermelde maatstaf, in het kader van de onderhavige vernietigingsprocedure niet aan de orde kan zijn. Het hof verwerpt de aangevoerde vernietigingsgrond dat het appelvonnis niet met redenen is omkleed.
Ten aanzien van de tweede vernietigingsgrond (het appelvonnis is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor tot stand gekomen)
6.3
Op grond van artikel 1065 lid 1 aanhef Pro en sub e Rv kan vernietiging van een arbitraal vonnis ook plaatsvinden indien het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand is gekomen, in strijd is met de openbare orde. Dat is bijvoorbeeld het geval als het scheidsgerecht handelt in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Deze vernietigingsgrond zal het hof toetsen zonder de in 6.1 vermelde terughoudendheid.
Dusseldorp betoogt met de grondslagen 1 en 4 dat (i) appelarbiters het beginsel van hoor en wederhoor hebben geschonden, en (ii) dat zij een verrassingsbeslissing hebben gegeven.
6.4
Naar hiervoor onder 3.10 is vermeld, heeft in de ochtend van 6 december 2024 een mondelinge behandeling plaatsgevonden in het Van der Valk hotel te Leeuwarden. Niet in geschil is dat partijen en hun advocaten bij die gelegenheid ten overstaan van appelarbiters hun standpunten nader hebben toegelicht en vragen van appelarbiters hebben beantwoord. Vervolgens hebben partijen zich met hun advocaten en appelarbiters begeven naar het terrein van de containerterminal. Daar heeft een plaatsopneming plaatsgevonden. Zij zijn daarna teruggekeerd naar het Van der Valk hotel, waar de mondelinge behandeling is voortgezet en afgerond. Uit het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken dat - naar de advocaat van Dusseldorp desgevraagd heeft verklaard - het beroep van Dusseldorp op schending van het beginsel van hoor en wederhoor - anders dan randnummer 34 van de dagvaarding doet suggereren - geen betrekking heeft op de feitelijke gang van zaken ten tijde van de bezichtiging ter plaatse. Het beroep van Dusseldorp ziet erop dat appelarbiters tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in het Van der Valk hotel niet nader zijn ingegaan op de door hen gedane waarnemingen en wat de betekenis daarvan was voor de vraag wat de oorzaak is van de geconstateerde verzakkingen en wie daarvoor aansprakelijk is. Dusseldorp heeft bij de voortzetting van de mondelinge behandeling evenwel voldoende gelegenheid gehad in te gaan op de waarnemingen ter plaatse, deze waarnemingen desgewenst te betrekken bij haar standpunt in de arbitrale procedure en daaraan de consequenties te verbinden die zij juist achtte. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is, gegeven deze feitelijke gang van zaken, geen sprake. De stelling van Dusseldorp dat appelarbiters tijdens de voortgezette mondelinge behandeling niet zijn ingegaan op door henzelf gedane waarnemingen, maar eerst bij het appelvonnis in het kader van de motivering van hun beslissing daaraan gerefereerd hebben, leidt niet tot een ander oordeel. Appelarbiters waren niet gehouden tijdens de voortgezette mondelinge behandeling aan partijen mee te delen tot welk oordeel zij, mede in aanmerking genomen de door hen gedane waarnemingen ter plaatse, zouden komen. Nog daargelaten dat het de vraag was of appelarbiters hun oordeel op dat moment al gereed hadden. Naar hiervoor onder 6.2 is overwogen, hebben appelarbiters hun beslissingen gemotiveerd. Appelarbiters zijn ingegaan op door Dusseldorp naar voren gebrachte stellingen en verweren en hebben zich daarbij mede gebaseerd op de door hen in bijzijn van partijen gedane waarnemingen ter plaatse. Anders dan Dusseldorp heeft betoogd, is dus evenmin sprake van een verrassingsbeslissing. Dit leidt ertoe dat ook de tweede vernietigingsgrond niet slaagt.
6.5
De slotsom is dat de vordering van Dusseldorp zal worden afgewezen en dat zij, als de in het ongelijk gestelde partij, zal worden veroordeeld in de kosten van het geding die aan de zijde van Ferline als volgt worden begroot:
€ 6.803,- griffierecht;
€ 9.414,- salaris van de advocaat berekend (2 punten á € 4.707,- per punt).

7.Beslissing

Het hof:
wijst de vordering af;
veroordeelt Dusseldorp in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Ferline begroot op € 6.803,- aan verschotten en € 9.414,- voor salaris en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, H.T. van der Meer en M.J.R. Brons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.