Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1536

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
200.247.055
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:224 BWArt. 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding na vervuiling en beschadiging gehuurde woning

In deze zaak vordert de verhuurder schadevergoeding van de huurder wegens de staat van de woning na beëindiging van de huurovereenkomst. De woning was extreem vervuild en beschadigd, mede door het houden van acht honden en twee katten. De huurder had het check-in rapport niet ondertekend en maakte klachten over de staat van de woning, maar het hof oordeelt dat de woning bij aanvang goed verzorgd was.

De kantonrechter wees de vorderingen gedeeltelijk toe, waarna de verhuurder in hoger beroep haar eis wijzigde en vermeerderde. Het hof bevestigt de toewijzing van reeds toegewezen posten en wijst aanvullende schadeposten toe, waaronder kosten voor loodgieter, tuinman, garagezenders en herstel van beschadigingen. Diverse gevorderde boetes en waardevermindering van de onroerende zaak worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De huurder is niet verschenen in hoger beroep en verstek is verleend. Het hof veroordeelt de huurder tot betaling van €5.373,37 aan schadevergoeding en tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof wijst gedeeltelijk de vorderingen van de verhuurder toe en veroordeelt de huurder tot betaling van €5.373,37 plus proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.347.055/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 10259049/ CV EXPL 22-7519
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. M.A.M. Euverman te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft een woning gehuurd van [appellant] . In deze procedure vordert [appellant] diverse geldbedragen van [geïntimeerde] omdat de woning na beëindiging van de huuroverkomst volgens haar extreem vies en met schade is opgeleverd. Ook is [geïntimeerde] na het einde van de huur nog in de woning gebleven. Het hof wijst de vorderingen van [appellant] gedeeltelijk toe.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 14 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 7 augustus 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] en [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.
Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend.
[appellant] en [naam 1] hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging eis;
- memorie van antwoord/antwoordakte tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel.
Op 31 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van [appellant] en [naam 1] hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
[appellant] en [naam 1] hebben een schikking bereikt, waarmee de zaak tussen hen is beëindigd.
Ten slotte is arrest gevraagd in de zaak tussen [appellant] en [geïntimeerde] .

3.Feiten

3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
[appellant] verhuurde met ingang van 5 november 2021 aan [geïntimeerde] en [naam 1] de gemeubileerde woning aan het adres [straat] [nummer] te [plaats 2] (hierna: het gehuurde), tegen een huurprijs van € 1.850,- per maand.
3.3
In november 2021 heeft [appellant] een check-in rapport opgesteld. Op 13 november 2021 hebben [geïntimeerde] en [naam 1] bezwaar gemaakt tegen het rapport en te kennen gegeven dat de woning niet op orde is, dat er muizen zijn, dat de woning koud is (ook met de verwarming aan) en dat er gebreken in de woning zijn, die nog zullen worden aangegeven op het check in rapport.
3.4
[geïntimeerde] en [naam 1] hebben acht honden en twee katten in het gehuurde gehad. [appellant] heeft [geïntimeerde] hierop aangesproken.
3.5
Op 15 en 16 november 2021 hebben [geïntimeerde] en [naam 1] nogmaals aangegeven het check-in rapport niet te ondertekenen en dat het houden van meerdere huisdieren los staat van de staat van de woning. Op 22 en 29 november 2021 hebben [geïntimeerde] en [naam 1] diverse klachten gemeld.
3.6
[appellant] heeft overlastklachten van buren ontvangen. Zij rapporteren kort gezegd ernstige stank- en vuiloverlast.
3.7
Op 7 maart 2022 heeft de gemachtigde van [appellant] [geïntimeerde] en [naam 1] verzocht om toegang tot het gehuurde te geven:
“(…)Graag ontvang ikbinnen 10 dagen na hedenschriftelijk uw toestemming.(…)Cliënte gaat er nog steeds vanuit dat u gehoor geeft aan haar verzoek, en dat deze kwestie buiten rechte kan worden opgelost.Mocht u dat echter wederom niet het geval zijn, dan ben ik helaas genoodzaakt om een (kort geding) procedure bij de rechtbank tegen u aanhangig te maken. In die procedure vorder ik namens cliënte dat u medewerking verleent op straffe van verbeurte van een dwangsom en/of gedeeltelijke ontruiming van het gehuurde.
Ook eist cliënte dan de reeds aangekondigde contractuele boete ad. €35 per dag op vanaf het moment dat u het verzoek tot medewerking heeft geweigerd, te weten 13 januari 2022. Die boete bedraagt thans €1.855 en blijft oplopen totdat u meewerkt.(…)”
3.8
Op 17 maart 2022 heeft een inspectie plaatsgevonden.
3.9
[geïntimeerde] en [naam 1] hebben de sloten van het gehuurde vervangen.
3.1
[geïntimeerde] en [naam 1] hebben de huurovereenkomst per 1 juni 2022 opgezegd. Op 1 juni 2022 heeft [naam 1] het gehuurde verlaten.
3.11
Op 30 juli 2022 heeft de politie zich toegang verschaft tot het gehuurde. Zeven honden en twee katten zijn door de politie meegenomen.
3.12
[geïntimeerde] zegde eerst toe uiterlijk vóór 12 augustus 2022 het gehuurde verlaten, maar zij heeft om een week uitstel verzocht en zij heeft het gehuurde op 19 augustus 2022 verlaten.
3.13
Op 19 augustus 2022 heeft de verhuurmakelaar de check-out gedaan. In het rapport staat, voor zover van belang:
“Entree / hal(…)- Spullen van huurder in meter- en trapkast achtergebleven.(…)
Woonkamer(…)- Volle vuilniszakken in de woonkamer.- Openslaande deur naar de tuin is opengebroken door de politie i.v.m. melding geuroverlast van de buren.
(…)
Keuken(…)- Koelkast met producten van huurder.(…)
Opslag / schuur / garage 1- Extreem vies. Professioneel bedrijf ingeschakeld om dit schoon te krijgen.- Zeer penetrante uitwerpselen geur.- Vloer, wanden en deuren zijn overal nat en plakkerig door uitwerpselen.- Heel veel vuilnis achtergebleven.- Twee hondenhokken achtergebleven met uitwerpselen.- In vriezer producten van huurders achtergebleven.(…)
Slaapkamer 1(…)- Producten van huurder achtergebleven.(…)
Voortuin(…)- Meerdere volle afvalzakken op de oprijlaan. Volle afvalbakken.(…)
Achtertuin(…)- Schuur vol met volle afvalzakken. Trekt ratten aan.(…)- Kerstverlichting van huurders is achtergebleven.(…)
SleutelsOp 22-08-2022 zijn door [naam 2] de volgende sleutels overgedragen aan de nieuwe bewoner(s). (…)”
3.14
Op 19 augustus 2022 heeft een deurwaarder een proces-verbaal opgesteld over de staat van de woning. Hierin is vermeld:
“In de woonkamer:(…)Tuindeuren zelf beschadigd door een politie-inval (foto 2).(…)
In de tuin/schuur:Divers achtergelaten vuil en vuilniszakken (foto 5 en 6).(…)
In de garage:Twee achtergelaten honden benches, vuil, urine en uitwerpselen (foto 17).(…) De in de woning achter gelaten zaken (behoudens bij verhuring reeds aanwezige zaken) hadden geen enkele economische of financiële waarde. (…)”

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
Samengevat en voor zover hier nog van belang heeft [appellant] bij de kantonrechter gevorderd:
- betaling van een bedrag van € 50.142,69 dan wel € 28.825,18 aan schade- en verbruiksvergoeding;
- betaling van de kosten van gas, water en licht begroot op € 700,-.
4.2
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] gedeeltelijk toegewezen.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellant] vordert - na eiswijziging - vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog
- uitvoerbaar bij voorraad -:
I. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van de volgende bedragen:
primair:
- een bedrag ad € 3.846,17 aan verbruikskosten;
- een boete wegens het niet toelaten tot het gehuurde ad € 1.855,-;
- een boete wegens het te laat opleveren ad € 2.800,-;
- een boete ad € 20,- per dag wegens het houden van te veel huisdieren ad (primair)
€ 3.100,- en (subsidiair) € 1.520,-;
- een boete ad € 20,- per dag wegens overlast ad (primair) € 3.100,- en (subsidiair) € 1.520,-;
- de loodgieter ad € 1.272,92;
- schoonmaakbedrijf ad € 2.180,-;
- garagehandzenders ad € 250,90;
- missende roerende zaken ad € 1.750,-;
- waardevermindering onroerende zaak € 35.000,-;
en
subsidiair
de schade onder meer bestaande uit de naar objectieve maatstaven berekende
herstelkosten, bestaande uit:
- het bedrag ad € 3.846,17 aan verbruikskosten;
- een boete wegens het niet toelaten tot het gehuurde ad € 1.855,-;
- een boete wegens het te laat opleveren ad € 2.800,-;
- een boete ad € 20,- per dag wegens het houden van te veel huisdieren ad (primair)
€ 3.100,- en (subsidiair) € 1.520,-;
- een boete ad € 20,- per dag overlast ad (primair) € 3.100,- en (subsidiair) € 1.520,-;
- loodgieter ad € 1.272,92;
- schoonmaakbedrijf ad € 2.180,-;
- garagehandzenders ad € 250,90;
- tuinman ad € 850,-;
- herstel voordeuren ad € 2.286,90;
- verhelpen stankoverlast ad € 2.500,-;
- missende roerende zaken ad € 1.750,-;
- beschadigde (on)roerende zaken ad € 8.045,59;
althans (zowel
primair als subsidiair)een door het hof in goede justitie vast te
stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding in
eerste aanleg, althans een door het hof vast te stellen datum, tot aan de dag der
algehele voldoening;
II. [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding aan [appellant] van de kosten voor gas, water en licht over de periode tot 19 augustus 2022, welke kosten voorlopig dienen te worden begroot op € 700,-, althans een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag met inachtneming van
productie 26 in eerste aanleg;
III. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep (inclusief het (na)salaris advocaat).

6.Beoordeling

Eiswijziging en devolutie
6.1
Tegen de beslissing van de kantonrechter komt [appellant] met veertien grieven op. Tevens heeft zij bij akte haar eis gewijzigd, onder meer bestaande uit een vermeerdering van eis. Daarnaast ziet de eiswijziging op neerwaartse aanpassing van het gevorderde bedrag aan verbruikskosten, om dit in lijn te brengen met wat de kantonrechter heeft toegewezen. De vorderingen van € 2.180,- aan schoonmaakkosten en € 2.286,90 aan herstelkosten deuren zijn door de kantonrechter ook al toegewezen. Tegen dit oordeel richt [appellant] geen grieven. Het hof zal bij deze drie posten dus hoe dan ook volstaan met bekrachtiging van het bestreden vonnis.
[geïntimeerde] is niet verschenen in hoger beroep. Tegen haar is verstek verleend. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zal het hof het verweer van [geïntimeerde] in eerste aanleg bij de beoordeling van de grieven betrekken.
De samenvatting van de zaak
6.2
De eerste grief richt zich tegen de samenvatting van de zaak onder het kopje “De zaak in het kort”. Wat in een dergelijke samenvatting staat is echter niet meer dan dat en niet dragend voor (de beslissingen in) het bestreden vonnis, zodat die grief faalt. Het hof zal wat inhoudelijk in de toelichting op de grief is gesteld wel meenemen bij de beoordeling van de desbetreffende andere grieven.
Boetes
6.3
De grieven II, X en XI hebben betrekking op de afwijzing van gevorderde boetes wegens het niet toelaten tot de woning en wegens het te laat opleveren ervan. [geïntimeerde] heeft echter in eerste aanleg als verweer gevoerd dat de toen gevorderde boete niet is aangezegd, zodat die niet opeisbaar was. Daarop heeft [appellant] in hoger beroep niet meer gereageerd, zodat niet kan worden aangenomen dat die opeisbaarheid wel bestond. Hetzelfde geldt voor de andere gevorderde boete. Gesteld noch gebleken is dat die wel is aangezegd. In het verlengde van het verweer in eerste aanleg mocht van [appellant] verlangd worden daarover in hoger beroep een standpunt in te nemen, wat niet is gebeurd.
Wat betreft de brief van 7 maart 2022 geldt dat er toen wel een boete is aangezegd als [appellant] niet tot de woning zou worden toegelaten, maar die toegang is toen binnen de gestelde termijn ook verleend. Het hof leest die brief verder zo dat pas als binnen de gestelde termijn die toegang zou worden onthouden een boete zou worden gevorderd vanaf 13 januari 2022. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de verzochte aanwezigheid van [appellant] bij het onderzoek van de Huurcommissie op 22 februari 2022. Dit alles geldt temeer nu in de algemene voorwaarden staat dat verhuurder wel is gerechtigd het gehuurde voor inspectie te betreden, maar dat dit na overleg met de huurder plaatsvindt. De grieven falen dus.
Hoofdelijke aansprakelijkheid [naam 1]
6.4
Nu met [naam 1] een schikking is bereikt is er geen belang meer bij de grieven III, IV en VII.
Waardevermindering onroerende zaak
6.5
Grief VIII ziet op de afwijzing van de gevorderde post “waardevermindering onroerende zaak”. De kantonrechter heeft deze post afgewezen omdat die niet was onderbouwd met stukken en omdat volgens [appellant] het door de taxateur genoemde hogere (verkoop)bedrag uitging van nog uit te voeren werkzaamheden, zodat van een daadwerkelijke waardevermindering geen sprake is geweest. In hoger beroep voert [appellant] aan dat de taxateur bij zijn waardering is uitgegaan van een situatie waarin alle noodzakelijke herstelwerkzaamheden zouden zijn uitgevoerd en dat er wel degelijk een waardevermindering van de woning was bij die taxatie omdat de woning zich toen in beschadigde staat bevond. [appellant] verwijst ook naar een bericht van de makelaar van 23 augustus 2022 en een bericht van de kopers van de woning van 28 mei 2024 waaruit zou moeten volgen dat de woning aanvankelijk getaxeerd was op € 550.000,-, maar wegens de staat waarin deze door [geïntimeerde] was achtergelaten slechts voor € 515.000,- kon worden verkocht.
6.6
Het bedrag van € 550.000,- wordt genoemd door de makelaar in voornoemd bericht als reële verkoopprijs. De woning is voor dat bedrag ook te koop gezet. Uit genoemd bericht van de kopers volgt dat zij in overleg met [appellant] een korting daarop hebben gekregen van
€ 35.000,-, volgens hun zeggen wegens de staat van het huis, de tuin en de garage. Een taxatie door een beëdigd taxateur waaruit kan volgen dat de woning daadwerkelijk € 550.000,- waard was, maar door de staat ervan op € 35.000,- minder moest worden getaxeerd, heeft het hof echter niet bij de stukken aangetroffen. Kennelijk doelt [appellant] op de inschatting door de makelaar van de verkoopprijs in samenhang met de door de kopers bedongen en gekregen korting op de verkoopprijs. Dat is echter te weinig. Daarmee is deze post ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. De grief faalt. Dit betekent eveneens dat het hof hieronder verder uitsluitend de subsidiaire vorderingen van [appellant] zal beoordelen.
Schade
6.7
De grieven V en VI zien op diverse posten aan schade, waaronder met name de staat van de woning na oplevering bij einde huur. [appellant] betoogt dat de kantonrechter ten onrechte diverse posten heeft afgewezen. Het hof zal de posten die in hoger beroep aan de orde zijn gesteld bespreken.
De staat van de woning, inleiding
6.8
Hoewel het check-in rapport niet door [geïntimeerde] en [naam 1] is getekend, geven de foto’s daarin wel een handvat om te beoordelen hoe de staat van de woning was bij aanvang huur. Dit betreft een goed verzorgde woning zonder zichtbare gebreken. Weliswaar heeft [geïntimeerde] klachten over de staat van de woning naar [appellant] toe geuit, maar die klachten zijn relatief beperkt (en bovendien wilde [appellant] deze aanpakken maar werd zij niet tot de woning toegelaten). Zij zijn verder niet één op één herleidbaar tot de foto’s en beschrijvingen uit dat rapport. Bovendien heeft de huurcommissie, die onder meer naar aanleiding van die klachten is ingeschakeld, geoordeeld dat de woning geen ernstige gebreken kende in de categorieën A, B en/of C. Dat de staat van de woning verder goed was hebben partijen ook bevestigd in de huurovereenkomst.
6.9
Het gehuurde is in snel tempo vervuild. Dat kwam in maart 2022 aan het licht. Dit volgt allereerst uit de waarnemingen van de buren van [appellant] , zoals aan haar schriftelijk gecommuniceerd. Daaruit bleek van een enorme stank en het gebruik van de tuin als een soort vuilstortplaats. Die waarnemingen maakten aannemelijk dat het ook binnen in de woning geen oase van properheid was. [appellant] heeft dan ook bij haar enige bezoek aan het gehuurde eind maart 2022 die vervuiling zelf geconstateerd. Die vervuiling hield mede verband met de aanwezigheid van acht honden en twee katten in het gehuurde. Dat die, zoals [geïntimeerde] stelt, alleen in de schuur verbleven is niet aannemelijk mede omdat [appellant] onbetwist heeft gesteld dat die dieren bij de inval van de politie in het huis op bedden en de bank in hun eigen uitwerpselen werden aangetroffen. Het is zeer aannemelijk en mag van algemene bekendheid worden geacht dat acht honden en twee katten - en zeker bij verwaarlozing, waarvan bleek toen zij door de politie werden aangetroffen - vervuiling en schade aan een woning en de inboedel ervan toebrengen. Uit het check-out rapport van de makelaar en het proces-verbaal van de deurwaarder blijkt dat bij het einde van de huur de woning extreem was vervuild, stonk naar uitwerpselen en op diverse onderdelen beschadigd was. Zo wordt beschreven dat er diverse beschadigingen waren, onder meer aan het parket (dat ook bezaaid was met uitwerpselen), de matrassen waren bevuild, dat de tuin was overwoekerd en het toilet was vervuild net als de badkuip, die ook beschadigd was. De vervuiling en staat van de woning die worden beschreven en op foto’s is vastgelegd, duidt erop dat [geïntimeerde] geen enkele zorg voor het gehuurde heeft betracht en dit vanaf aanvang heeft verwaarloosd. Deze staat van de woning bij einde huur staat ook in geen enkel verband met of verhouding tot de klachten die [geïntimeerde] over de woning tegenover [appellant] heeft verwoord. Hoewel dus geen getekend check-in rapport aanwezig is geweest en [appellant] daarom tegenbewijs moest leveren dat de woning bij einde huur niet in dezelfde staat is opgeleverd als deze bij aanvang was, is het hof van oordeel dat zij daarin is geslaagd. Dat er geen voorinspectie is geweest doet daar niet aan af. Dit betekent dat [geïntimeerde] in beginsel voor de schade aansprakelijk is.
Loodgieter
6.1
De post loodgieter ad € 1.272,92 komt voor toewijzing in aanmerking omdat er een verstopping bleek in de riolering die - naar voldoende aannemelijk is - door [geïntimeerde] is veroorzaakt. Dat is onvoldoende door haar betwist, net als de hoogte van de factuur. Zij moet daarom deze kosten betalen.
Garagezenders
6.11
Onvoldoende betwist is dat er bij aanvang huur twee garagezenders in de woning waren en bij einde huur niet meer. [naam 1] heeft dit bij de zitting in hoger beroep overigens ook verklaard en uitgelegd dat er één door zijn toedoen is kwijtgeraakt. De andere komt voor rekening van [geïntimeerde] . Een bedrag van € 125,45 is dus toewijsbaar.
Tuin
6.12
Weliswaar is voldoende aannemelijk dat de tuin bij aanvang huur niet in aanmerking kwam voor een schoonheidsprijs en dat er problemen met de vijver waren in die zin dat die overstromen kon en wateroverlast kon veroorzaken, anderzijds heeft het hof ook kennis genomen van foto’s van de tuin bij einde huur, waarop te zien is dat die volledig overwoekerd was en waaruit af te leiden valt dat er door [geïntimeerde] in het geheel geen tuinonderhoud heeft plaatsgevonden. Datzelfde constateren ook de buren in hun aan [appellant] toegezonden klachten. Dat het doordat de vijver op een zeker moment overstroomde onmogelijk was om gedurende de gehele huurperiode enig onderhoud te plegen is onvoldoende aannemelijk.
Het is daarom redelijk om de post ad € 850,- toe te wijzen voor achterstallig tuinonderhoud.
Verhelpen stankoverlast
6.13
Grief IX richt zich tegen de afwijzing van de post “verhelpen stankoverlast”. [appellant] betoogt dat er na de schoonmaak nog een behandeling tegen overgebleven stank moest plaatsvinden waarvoor € 2.500,- is geoffreerd. Ter zitting in hoger beroep is deze offerte besproken en is aan de gemachtigde van [appellant] voorgelegd dat het hof deze leest als een offerte voor de totale schoonmaak, waarvan echter geen gebruik is gemaakt (omdat die door een ander bedrijf is verricht). De gemachtigde heeft dat onvoldoende weerlegd en ook niet aangetoond dat de kosten van € 2.500,- zijn gemaakt en betaald. Daarmee faalt de grief.
Missende roerende zaken
6.14
Voor zover het gaat om andere goederen dan de garagezenders die hiervoor aan de orde zijn gekomen overweegt het hof het volgende. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] deze post gemotiveerd betwist. In hoger beroep is [appellant] daar niet meer inhoudelijk op teruggekomen. Dat betekent dat deze post niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Beschadigde (on)roerende zaken
6.15
[appellant] heeft verwezen naar productie 15 waar wat betreft beschadigde zaken de volgende posten zijn opgenomen:
“• Plissé horren dubbele deuren huiskamer, 2x plissé hor keukenraam,
plissé hor slaapkamer. Prijsindicatie leverancier € 900
• Parket hal beneden en parket bovenverdieping, offerte € 4.406,02
• Slot voordeur (nota) € 125
• Elektrische boxsprings Auping (180-200) inclusief topper € 1545,-”.
Op de lijst staan meer posten, maar die zijn hetzij niet voorzien van een schadebedrag, hetzij betreffen die geen beschadigingen.
[geïntimeerde] heeft als verweer aangevoerd dat het hier ontbreekt aan facturen en dat er al veel beschadigd of vies was bij de aanvang van de huur.
Dat [geïntimeerde] het slot van de voordeur had vervangen heeft zij zelf erkend, [appellant] moest dit dus op haar beurt weer vervangen. Die post is sowieso toewijsbaar. Verder is het verweer van [geïntimeerde] tegenover de constateringen die na oplevering van het gehuurde zijn gedaan (uitwerpselen en beschadigingen op het parket en de bedden, beschadigde horren) in zoverre onvoldoende dat het hof het schattenderwijs voldoende aannemelijk acht dat in de woning voor € 3.000,- aan schade is toegebracht. [geïntimeerde] moet dan ook € 3.125,- aan schade aan [appellant] betalen.
Nutskosten
6.16
Grief XII houdt in dat de vordering voor kosten gas, water en licht ten onrechte is afgewezen. Ter toelichting verwijst [appellant] naar productie 26 bestaande uit specificaties en betaalbewijzen. Het hof kan echter van die producties weinig chocola maken en voelt zich - bij gebreke van een helder overzicht in de memorie van grieven op dit punt - ook niet geroepen daartoe een poging te doen. Dit geldt temeer nu volgens artikel 6 van Pro de huurovereenkomst huurders zelf zullen zorgdragen voor de levering van elektriciteit, gas en water terwijl de facturen op naam van [appellant] staan hetgeen nog meer vragen oproept. Deze post is dus nog steeds onvoldoende onderbouwd en ook deze grief faalt.
Verdere verhuur?
6.17
Met grief XIII richt [appellant] zich tegen de overweging van de kantonrechter dat de schadevordering wegens het niet opnieuw kunnen verhuren van de woning wordt afgewezen omdat zou zijn gebleken dat de woning op 22 augustus 2022 opnieuw is verhuurd. Deze grief faalt wegens gebrek aan belang omdat een dergelijke vordering in hoger beroep niet langer is gehandhaafd.
Veeggrief
6.18
Grief XIV is een veeggrief die geen afzonderlijke behandeling behoeft.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.19
Het hoger beroep heeft gedeeltelijk succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en in aanvulling daarop zal het hof [geïntimeerde] veroordelen om aan [appellant] de betalen de posten:
- € 1.272,92 (loodgieter);
- € 125,45 (garagezender);
- € 850,- (tuinman);
- € 3.125,- ( beschadigingen);
----------------------
Totaal € 5.373,37.
6.2
Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [geïntimeerde] is in het hoger beroep voor een groot deel in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof ziet geen aanleiding voor een andere proceskostenbeslissing voor de eerste aanleg. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast, waarbij wat betreft het salaris van de gemachtigde wordt aangesloten bij het bedrag dat in hoger beroep is toegewezen:
- explootkosten € 123,97
- griffierecht € 798,-
- salaris advocaat € 1.824,- (tarief I, 2 punten)
Totaal € 2.745,97.

7.Beslissing

Het hof:
7.1
bekrachtigt het bestreden vonnis, en voorts:
7.2
veroordeelt [geïntimeerde] aan [appellant] te betalen een bedrag van € 5.373,37;
7.3
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 2.745,97;
7.4
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 189, voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
7.5
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, K. Mans en I. de Greef en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.