Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
[appellant 3],
1.[geïntimeerde 2] ,
[geïntimeerde 3],
1.De zaak in het kort
Ook [geïntimeerden] hebben vorderingen ingesteld. Deze gaan met name over de vraag of [appellanten] onrechtmatig jegens [geïntimeerden] hebben gehandeld door, kort gezegd, de manier waarop [appellanten] de procedure over de vernietiging van de besluiten hebben gevoerd. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerden] grotendeels toegewezen. In hoger beroep hebben [geïntimeerden] hun vorderingen voor een deel gewijzigd. Het hof oordeelt dat de vorderingen van [geïntimeerden] grotendeels toewijsbaar zijn.
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
Structuurvoorstel tbv doorbraak schikking [naam 1] / [geïntimeerde 1]’ (hierna: het structuurvoorstel). Voor zover van belang luidt het structuurvoorstel als volgt:
Onder afspraak de waardeerder hierover niet te informeren
2.Overname [naam 1] Aandelen tegen de door de deskundigen vastgestelde prijs
(…)
3.Voorwaarden
Indicatieve waardering [bedrijf 2] .(hierna: het concept-rapport) aan [geïntimeerde 2] en [naam 1] gestuurd. In het concept-rapport heeft [naam 2] de prijs van de [naam 1] aandelen vastgesteld op € 3.364.000. [geïntimeerde 1] (vertegenwoordigd door [geïntimeerde 2] ) en [naam 1] hebben op het concept-rapport gereageerd. Op 19 april 2019 heeft [naam 2] haar definitieve rapport (hierna: het [naam 2] -rapport) uitgebracht waarin de waarde van het 20% pakket van [naam 1] in [geïntimeerde 1] per peildatum 9 juli 2014 is vastgesteld op € 4.093.000. Op deze waarde moet conform de VSO het na de peildatum op dit pakket uitgekeerde dividend in mindering worden gebracht, waarbij [naam 2] ervan uitgaat dat partijen dit zelfstandig regelen. In bijlage 5 bij het rapport heeft [naam 2] een reactie gegeven op de commentaren van [geïntimeerde 1] en [naam 1] en benoemd in welke commentaren zij aanleiding zag om het concept-rapport aan te passen.
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
- de in rov. 5.6 bedoelde besluiten zal vernietigen;
- geïntimeerden in het principaal hoger beroep zal veroordelen om al hetgeen [appellanten] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hen hebben voldaan aan [appellanten] terug te betalen, met rente;
- de vorderingen van (naar het hof begrijpt) [geïntimeerden] alsnog volledig af te wijzen;
[geïntimeerden] vorderen samengevat, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
exitvan [naam 1] . Het resultaat van dit alles was een onnodige uitkoop tegen een veel te hoge uitkoopprijs. De financiële situatie van [geïntimeerde 1] liet uitkoop tegen die prijs niet toe.
exitvan [naam 1] .
Voor de beoordeling van de vraag of het instellen van een procedure onrechtmatig is, moet gekeken worden naar de ingestelde vordering. Onrechtmatig procederen is pas aan de orde indien het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Aan de vrijheid van procederen kunnen vanwege artikel 6 EVRM Pro slechts met terughoudendheid grenzen worden gesteld. [appellanten] hadden een gerechtvaardigd belang bij hun vordering, namelijk de vernietiging van een aantal door [geïntimeerden] genomen besluiten. Die vordering was niet evident ongegrond. De kosten van [geïntimeerden] komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat [appellanten] niet onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld. Die kosten komen ook niet voor vergoeding in aanmerking omdat er geen noodzaak was voor [geïntimeerden] in deze procedure – die is gestart als een vordering van [appellanten] tegen [geïntimeerde 1] – zich te voegen of tussen te komen. [geïntimeerden] waren, anders dan de rechtbank overweegt, niet in feite gedwongen om in deze zaak tussen te komen. Er is geen grond voor de overweging van de rechtbank in rov. 7.15: “
Van de kant van de gedaagde [geïntimeerde 1] , waarvan [appellant 3] weer de bestuurder is, was immers niet te verwachten dat veel verweer gevoerd zou worden.” Deze overweging is speculatief en de rechtbank heeft de werking van artikel 2:15 lid 4 BW Pro daarmee miskend. De voorzieningenrechter had op de voet van artikel 2:15 lid 4 BW Pro mr. Stek als vertegenwoordiger van [geïntimeerde 1] benoemd, zodat die [geïntimeerde 1] in deze procedure vertegenwoordigde en niet [appellant 3] , aldus nog steeds [appellanten]
onder valse voorwendselentoegang heeft verschaft tot de [bedrijf 1] -gelden kan zonder toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen. Dat geldt ook voor de opmerking die een advocaat, die [geïntimeerde 2] had ingeschakeld, heeft gemaakt na de benoeming van [geïntimeerde 2] als indirect bestuurder van [bedrijf 1] : “
In theorie kan je dus morgen al naar de bank!”.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen.
€ 1.290(tarief II, 1 punt)
6.Beslissing
€ 1.000;