Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1540

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
200.337.565
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:15 BWArt. 2:207 BWArt. 2:8 BWArt. 2:343 BWArt. 2:338 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vernietiging besluiten en kostenveroordeling in ondernemingsrechtelijke geschil

In deze ondernemingsrechtelijke zaak vorderen appellanten de vernietiging van besluiten van door de Ondernemingskamer benoemde bestuurders van een houdstervennootschap, met name het inkoopbesluit van aandelen en de vaststelling dat aan de uitkeringstest is voldaan. De rechtbank wees deze vorderingen af en veroordeelde appellanten in de proceskosten van geïntimeerden wegens onrechtmatig procederen.

Het hof oordeelt dat het inkoopbesluit gebonden was aan een vaststellingsovereenkomst en dat de bestuurder binnen de redelijkheid en billijkheid tot dit besluit kon komen. De vaststelling van de uitkeringstest is geen besluit in de zin van artikel 2:15 BW Pro en kan niet tot vernietiging leiden. De vorderingen van geïntimeerden wegens onrechtmatig handelen van appellanten worden grotendeels toegewezen, waarbij appellanten worden veroordeeld tot betaling van juridische en overige kosten, alsmede een immateriële schadevergoeding.

Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige, vernietigt enkele onderdelen van het dictum en doet opnieuw recht door appellanten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van ruim € 587.000 plus wettelijke rente en griffierecht. Tevens wordt een verbod opgelegd aan appellanten om bepaalde ongegronde stellingen te betrekken in processtukken, met uitzondering van een tegen dit arrest in te stellen rechtsmiddel.

Uitkomst: Het hof wijst de vernietigingsvorderingen af en veroordeelt appellanten tot betaling van ruim € 587.000 aan schadevergoeding en griffierecht wegens onrechtmatig procederen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.337.565/01
zaak / rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/316091/ HA ZA 21-255
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

gevestigd te [plaats 1] ,
2.
[appellant 2],
gevestigd te [plaats 2] ,
3.
[appellant 3],
wonende te [plaats 3] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde 1],
gevestigd te [plaats 2] ,
op grond van artikel 2:15 lid 4 BW Pro vertegenwoordigd door mr. J.H. Stek te Amsterdam,
geïntimeerde in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.A. van de Hel te Amsterdam,
en

1.[geïntimeerde 2] ,

wonende te [plaats 4] ,
2.
[geïntimeerde 3],
wonende te [plaats 5] ,
in eerste aanleg tussengekomen en gevoegde partijen,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. Y. Borrius te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] genoemd. [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] worden gezamenlijk [appellanten] genoemd; [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] gezamenlijk [geïntimeerden]

1.De zaak in het kort

[appellant 1] en [appellant 2] zijn de aandeelhouders van [geïntimeerde 1] . [appellant 3] is bestuurder van [geïntimeerde 1] en de achterliggende belanghebbende. [appellanten] hebben in het verleden een conflict gehad met de toenmalige minderheidsaandeelhouder van [geïntimeerde 1] . Daarover zijn procedures gevoerd, onder meer bij de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer heeft een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken binnen [geïntimeerde 1] . De Ondernemingskamer heeft [geïntimeerde 2] benoemd als bestuurder van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] als beheerder van de aandelen in [geïntimeerde 1] .
In deze procedure hebben [appellanten] de vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW Pro gevorderd van een aantal (volgens [appellanten] : vennootschapsrechtelijke) besluiten van [geïntimeerden] De rechtbank heeft die vorderingen afgewezen. In hoger beroep staan twee van die besluiten centraal. Net als de rechtbank is het hof van oordeel, dat deze besluiten niet voor vernietiging in aanmerking komen.
Ook [geïntimeerden] hebben vorderingen ingesteld. Deze gaan met name over de vraag of [appellanten] onrechtmatig jegens [geïntimeerden] hebben gehandeld door, kort gezegd, de manier waarop [appellanten] de procedure over de vernietiging van de besluiten hebben gevoerd. De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerden] grotendeels toegewezen. In hoger beroep hebben [geïntimeerden] hun vorderingen voor een deel gewijzigd. Het hof oordeelt dat de vorderingen van [geïntimeerden] grotendeels toewijsbaar zijn.

2.Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaardingen van 18 december 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 20 september 2023 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats [plaats 2] , onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers, verweerders tegen de vorderingen van de tussengekomen partijen, [geïntimeerde 1] als gedaagde, verweerster tegen de vorderingen van de tussengekomen partijen en [geïntimeerden] , als gevoegde (aan de zijde van [geïntimeerde 1] ) en tussengekomen partijen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met gewijzigde eis, met producties 74 en 75;
- memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] tot referte;
- memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel tevens houdende akte wijziging van eis van [geïntimeerden] , met producties 37 tot en met 52;
- memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellanten]
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 14 mei 2025 laten toelichten, [appellanten] door hun advocaat en diens kantoorgenoot mr. J.J. Klaassens, [geïntimeerde 1] door haar advocaat en [geïntimeerden] door hun advocaat en haar kantoorgenoot mr. E.A. Buziau mede aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. [appellanten] en [geïntimeerden] hebben bij die gelegenheid aanvullende producties in het geding gebracht: [appellanten] de producties 76 tot en met 83 en [geïntimeerden] de producties 53 tot en met 58.
Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verstrekt.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.28 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief 1 in het principaal hoger beroep voeren [appellanten] aan dat deze vaststelling onevenwichtig en onvolledig is. Voor zover terecht en voor de beslissing van belang, houdt het hof hierna rekening met de bezwaren van [appellanten] Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[geïntimeerde 1] is een houdstervennootschap die in 1995 is opgericht door onder andere [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [appellant 3] . De activiteiten van [geïntimeerde 1] zijn ondergebracht in verschillende deelnemingen. [appellant 1] en [appellant 2] zijn op dit moment de aandeelhouders van [geïntimeerde 1] .
3.2.
Sinds 1995 hebben [naam 1] en [appellant 3] deelgenomen in het aandelenkapitaal van [geïntimeerde 1] . Vanaf 2005 hield [naam 1] 20% en [appellant 3] via [appellant 1] 80% van de aandelen in [geïntimeerde 1] .
3.3.
[appellant 3] was en is enig bestuurder van [appellant 1] . Hij was en is inmiddels weer enig bestuurder van [geïntimeerde 1] .
3.4.
In 2010 heeft [appellant 3] een herstructurering bij [geïntimeerde 1] in gang gezet die neerkwam op omzetting van het kapitaal in preferente aandelen en gewone aandelen. Na de omzetting hield [naam 1] 20% van de gewone aandelen en 20% van de preferente aandelen.
3.5.
Begin 2012 heeft [geïntimeerde 1] besloten tot aandelenuitgifte. Als gevolg daarvan verwaterde het gewone aandelenbelang van [naam 1] tot 4,58%. Dat leidde tot een conflict tussen [naam 1] en [appellant 3] / [appellant 1] waarna [naam 1] in 2013 bij de rechtbank Noord-Holland een uittredingsprocedure ex artikel 2:343 lid 1 BW Pro is gestart. Daarin heeft [naam 1] veroordeling gevorderd van [appellant 1] en [geïntimeerde 1] tot overname van zijn aandelen in [geïntimeerde 1] (hierna: de [naam 1] aandelen) tegen gelijktijdige betaling door [appellant 1] en [geïntimeerde 1] aan [naam 1] van een door de rechtbank vast te stellen koopprijs (hierna: de uittredingsprocedure).
3.6.
Op 19 maart 2012 heeft [geïntimeerde 1] een lening van € 10 miljoen verstrekt aan haar dochtervennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] , en de uit hoofde van de lening verstrekte gelden: de [bedrijf 1] -gelden).
3.7.
Op 17 september 2013 is [appellant 2] opgericht door [geïntimeerde 1] . [appellant 1] heeft vervolgens een aantal van haar aandelen in [geïntimeerde 1] aan [appellant 2] overgedragen. [appellant 2] heeft zich als medeaandeelhouder gevoegd in de door [naam 1] gestarte uittredingsprocedure. Bij tussenvonnis van 9 juli 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat de uittredingsvordering van [naam 1] zal worden toegewezen en aangekondigd een deskundige te benoemen om de prijs van de aandelen van [naam 1] vast te stellen.
3.8.
Op 8 juli 2015 is [naam 1] bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof [plaats 1] (hierna: de Ondernemingskamer) een enquêteprocedure gestart tegen [geïntimeerde 1] . Bij beschikking van 5 januari 2016 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken binnen [geïntimeerde 1] en een nader aan te wijzen persoon benoemd tot bestuurder van [geïntimeerde 1] . In de beschikking heeft de Ondernemingskamer overwogen dat de te benoemen bestuurder het tot zijn taak mag rekenen een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven. Bij beschikking van 28 april 2016 heeft de Ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorziening [geïntimeerde 2] benoemd als bestuurder van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] als beheerder van de aandelen van [geïntimeerde 1] .
3.9.
Bij vonnis van 24 mei 2017 heeft de rechtbank [appellant 1] en [geïntimeerde 1] in de uittredingsprocedure veroordeeld tot overname van elk de helft van de aandelen van [naam 1] voor een bedrag van in totaal € 7.520.000. [appellant 1] , [appellant 2] en [geïntimeerde 1] hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Ondernemingskamer. Na een daartoe strekkende incidentele vordering heeft de Ondernemingskamer bij tussenarrest van 23 januari 2018 de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van 24 mei 2017 geschorst, omdat was gebleken dat [naam 1] in de procedure in eerste aanleg niet had voldaan aan de in artikel 21Rv neergelegde verplichting de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
3.10.
Bij beschikking van eveneens 23 januari 2018 heeft de Ondernemingskamer in de enquêteprocedure geoordeeld dat sprake was van wanbeleid bij [geïntimeerde 1] en dat [appellant 3] voor dat wanbeleid verantwoordelijk is. In de beschikking heeft de Ondernemingskamer bij wijze van voorziening (vooralsnog) voor de duur van twee jaar [appellant 3] geschorst als bestuurder van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tot respectievelijk bestuurder van [geïntimeerde 1] en beheerder van alle in [geïntimeerde 1] gehouden aandelen benoemd.
3.11.
Tussen [geïntimeerde 2] en [naam 1] is een document van één pagina, gedateerd 15 februari 2019, uitgewisseld met de titel ‘
Structuurvoorstel tbv doorbraak schikking [naam 1] / [geïntimeerde 1]’ (hierna: het structuurvoorstel). Voor zover van belang luidt het structuurvoorstel als volgt:
“ Package deal
(…)
Waardering van het 20% belang [naam 1] : Middels gezamenlijke opdracht aan [naam 2] , waarbij [geïntimeerde 1] en [naam 1] het resultaat op voorhand accepteren
(…)
Voorstel bandbreedte ‘vooraf’: Minimaal €4.000.000 en maximaal €7.000.000.
Onder afspraak de waardeerder hierover niet te informeren
(…)”
3.12.
Op 15 maart 2019 hebben [geïntimeerde 1] , vertegenwoordigd door [geïntimeerde 2] , en [naam 1] een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) gesloten. In de considerans van de VSO staat onder meer:
“G Naar het oordeel van [geïntimeerde 1] hebben het voortslepen van de geschillen en de procedures een diepgaand negatief effect op de toestand van [geïntimeerde 1] en de met haar verbonden onderneming. Daarnaast meent [geïntimeerde 1] dat het, ook los van de lopende procedures, in het belang van de onderneming is dat [appellant 1] / [appellant 3] en [naam 1] uit elkaar gaan. Reeds om die reden is het belang van [geïntimeerde 1] bij beëindiging van de geschillen en procedures gegeven. Deze leggen bovendien een aanzienlijk beslag op de (management)tijd en middelen van de [geïntimeerde 1] -groep, en de middelen van de andere partijen, en de onzekerheden omtrent de uitkomst van de Uittredingsprocedure belemmeren de ontwikkeling en nopen tot een onwenselijke terughoudendheid in het doen van investeringen. Voor [naam 1] is het belang van een schikking ook gelegen in de wens, gelet op zijn leeftijd, het dossier te kunnen sluiten.H [geïntimeerde 1] en [naam 1] wensen hun geschillen definitief te beslechten, onder de voorwaarden als opgenomen in de onderhavige vaststellingsovereenkomst (…).”
De VSO bevat onder meer de volgende bepalingen:
1 Bindende vaststelling van de prijs van de [naam 1] Aandelen
1.1
Binnen 3 werkdagen na ondertekening van deze [VSO] geven Partijen aan [naam 3] en [naam 4] verbonden aan [naam 2] (hierna: de “Deskundigen”) de opdracht om - ten behoeve van de transactie als beschreven in artikel 2 - tussen Partijen bindend de prijs van de [naam 1] Aandelen vast te stellen, een en ander met inachtneming van de bepalingen en de uitgangspunten zoals vastgelegd in deze Vaststellingsovereenkomst. (…)
1.2
Bij de vaststelling van de prijs van de [naam 1] Aandelen zullen de Deskundigen de navolgende uitgangspunten dienen te hanteren, welke uitgangspunten tussen Partijen hierbij worden vastgesteld, en zijn zij voor het overige vrij om naar hun eigen inzicht de prijs te bepalen:
i) de bij de waardering te hanteren peildatum (...) zal zijn 9 juli 2014 (...). De Deskundigen zullen aldus bij hun waardering rekening houden met feiten, omstandigheden en verwachtingen die op de peildatum bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn en niet met dergelijke feiten, omstandigheden of verwachtingen van na de peildatum;
ii) de Deskundigen zullen één bedrag noemen als de prijs van de [naam 1] Aandelen die zij per de peildatum vaststellen, en niet werken met een range of bandbreedte. (…)
iii) de Deskundigen zijn vrij in de keuze voor de te hanteren waarderingsmethode en/of de te hanteren combinatie van waarderingsmethoden. In dat kader stellen Partijen wel vast dat onderbouwde en consistente informatie wat betreft de zogenaamde herpositionering en de daarbij behorende businessplannen van de [geïntimeerde 1] -groep in dat kader ontbreken en dat dit een betrouwbare inschatting van toekomstige kasstromen, benodigd voor een DCF-waardering, ernstig bemoeilijkt zo niet onmogelijk maakt;
iv) bij de vaststelling van de prijs van de [naam 1] Aandelen zal worden verondersteld dat de [naam 1] Aandelen nog steeds 20% van het kapitaal vertegenwoordigen, zowel wat betreft de preferente aandelen als wat betreft de gewone aandelen, en aldus zal de verwatering van de gewone aandelen die als gevolg van de 2012 uitgifte heeft plaatsgevonden worden genegeerd. (…)
(…)

2.Overname [naam 1] Aandelen tegen de door de deskundigen vastgestelde prijs

(…)

2.2
De koop- en verkoop en levering van de [naam 1] Aandelen vindt plaats door middel van het passeren van een standaard notariële koop- en leveringsakte (…). De betaling van de koopprijs vindt gelijktijdig met het passeren van bedoelde koop- en leveringsakte plaats (…) Het verrichten van de in dit artikellid bedoelde handelingen wordt hierna aangeduid als: de“Closing”. (…)
(…)
2.4
Het bestuur van [geïntimeerde 1] verleent hierbij op grond van artikel 8.4 van de statuten van [geïntimeerde 1] op verzoek van [naam 1] reeds goedkeuring aan de overdracht door [naam 1] van de [naam 1] Aandelen aan [geïntimeerde 1] in overeenstemming met deze Vaststellingsovereenkomst, en [geïntimeerde 1] zal deze goedkeuring voor zover nodig in verband met de Closing nogmaals bevestigen.
(...)

3.Voorwaarden

3.1
De verplichtingen van Partijen op grond van artikel 2 zijn Pro voorwaardelijk, en de werking van deze verplichtingen vangt eerst aan, en ook de Closing vindt pas plaats, nadat aan alle navolgende voorwaarden is voldaan:
(i) op basis van de door de Deskundigen vastgestelde prijs voor de [naam 1] Aandelen heeft het bestuur van [geïntimeerde 1] een balans- en uitkeringstoets gedaan en op basis daarvan heeft het bestuur van [geïntimeerde 1] vastgesteld dat wordt voldaan aan de vereisten als bedoeld in artikel 2:207 lid 2 BW Pro. Hierbij wordt aangetekend dat per december 2018, in het kader van de geconsolideerde jaarrekening 2017 van [geïntimeerde 1] , mede ten behoeve van de accountant van [geïntimeerde 1] (EY) nog een continuïteitstoets is gedaan, waarbij is gerekend met het scenario van een inkoop van de [naam 1] Aandelen door [geïntimeerde 1] . [geïntimeerde 1] heeft ten tijde van de ondertekening van deze Vaststellingsovereenkomst geen redenen aan te nemen dat een actuele balans- en uitkeringstoets materieel tot andere inzichten leidt dan de bedoelde continuïteitstoets die per december 2018 heeft plaatsgevonden, met dien verstande dat Partijen onderkennen dat in die continuïteitstoets geen rekening is gehouden met - en ook deze zullen worden betrokken in de balans- en uitkeringstoets - de navolgende elementen: (a) verplichtingen jegens de Belastingdienst ter zake verschuldigde kansspelbelasting waarvan de omvang [geïntimeerde 1] thans niet bekend is en (b) een naar het oordeel van [geïntimeerde 2] bevredigende reservering voor mogelijke toekomstige kosten van verweer ten behoeve van hem;
(ii) op verzoek van [geïntimeerde 1] en/of [naam 1] is door de Ondernemingskamer een beschikking gegeven waarmee het beheer van de [naam 1] Aandelen, zoals dat laatstelijk is bevolen bij beschikking van 23 januari 2018, wordt opgeheven met als doel [naam 1] in staat te stellen de [naam 1] Aandelen te verkopen en te leveren aan [geïntimeerde 1] zoals voorzien in deze Vaststellingsovereenkomst;
iii) vanwege het bepaalde in artikel 2:343 lid 2 BW Pro juncto 2:338 lid 1 BW, doch uitsluitend voor zover de Notaris van oordeel is dat dit nodig is: (a) is de Uittredingsprocedure (inclusief in de verhouding tot [appellant 1] ) beëindigd of (b) heeft [appellant 1] toestemming verleend voor de overdracht door [naam 1] van de [naam 1] Aandelen aan [geïntimeerde 1] of (c) heeft de Ondernemingskamer op basis van een daartoe door [naam 1] in te stellen incidentele vordering in de Uittredingsprocedure een uitspraak gedaan waarmee zij hetzij toestemming verleent voor de overdracht door [naam 1] van de [naam 1] Aandelen aan [geïntimeerde 1] hetzij bevestigt dat een dergelijke toestemming voor deze overdracht niet is vereist;
iv) nadat [geïntimeerde 1] aan [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] een kopie van de Vaststellingsovereenkomst en het finale rapport van de Deskundigen als bedoeld in artikel 1 heeft Pro verstrekt zijn ten minste 4 weken verstreken zonder dat [appellant 1] , [appellant 2] , de Dochtervennootschappen en/of [appellant 3] hebben verzocht c.q. gevorderd, met verzoek de behandeling met de meeste spoed te laten plaatsvinden, dat (a) de Ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorziening of bij wijze van een te wijzigen getroffen voorziening en/of (b) de voorzieningenrechter in kort geding maatregelen treft die ertoe strekken dat [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] niet gerechtigd waren deze Vaststellingsovereenkomst in de huidige vorm aan te gaan c.q. die meebrengen dat de (verdere) uitvoering van de Vaststellingsovereenkomst op de hierin voorziene wijze geen doorgang behoort te vinden of daaraan in de weg staan, dan wel – in het geval [appellant 1] , [appellant 2] , de Dochtervennootschappen en/of [appellant 3] wel binnen 4 weken na verkrijging van een kopie van de Vaststellingsovereenkomst en het finale rapport van de Deskundigen een dergelijke procedure zijn gestart – de Ondernemingskamer of de voorzieningenrechter in kort geding hun verzoeken en/of vorderingen in eerste aanleg heeft afgewezen en/of hen daarin niet-ontvankelijk heeft verklaard. (…)”
3.13.
[geïntimeerde 1] en [naam 1] hebben vervolgens [naam 2] (hierna: [naam 2] ) opdracht gegeven de indicatieve prijs van de [naam 1] aandelen vast te stellen. [naam 2] heeft op 8 april 2019 het door haar opgestelde rapport
Indicatieve waardering [bedrijf 2] .(hierna: het concept-rapport) aan [geïntimeerde 2] en [naam 1] gestuurd. In het concept-rapport heeft [naam 2] de prijs van de [naam 1] aandelen vastgesteld op € 3.364.000. [geïntimeerde 1] (vertegenwoordigd door [geïntimeerde 2] ) en [naam 1] hebben op het concept-rapport gereageerd. Op 19 april 2019 heeft [naam 2] haar definitieve rapport (hierna: het [naam 2] -rapport) uitgebracht waarin de waarde van het 20% pakket van [naam 1] in [geïntimeerde 1] per peildatum 9 juli 2014 is vastgesteld op € 4.093.000. Op deze waarde moet conform de VSO het na de peildatum op dit pakket uitgekeerde dividend in mindering worden gebracht, waarbij [naam 2] ervan uitgaat dat partijen dit zelfstandig regelen. In bijlage 5 bij het rapport heeft [naam 2] een reactie gegeven op de commentaren van [geïntimeerde 1] en [naam 1] en benoemd in welke commentaren zij aanleiding zag om het concept-rapport aan te passen.
3.14.
[geïntimeerde 1] heeft bij e-mail van 19 april 2019 [appellant 3] , [appellant 1] , en [appellant 2] geïnformeerd over de getroffen schikking tussen [geïntimeerde 1] en [naam 1] en bij deze e-mail als bijlagen de VSO en het [naam 2] -rapport gevoegd.
3.15.
Op 23 april 2019 heeft [geïntimeerde 1] een verzoekschrift ingediend bij de Ondernemingskamer waarin zij – en vervolgens ook [geïntimeerden] – onder meer hebben verzocht te bepalen dat 1) [geïntimeerde 1] de kosten van verweer van [geïntimeerden] betaalt ter zake de vaststelling van aansprakelijkheid jegens [geïntimeerde 1] en [appellanten] wegens onbehoorlijke taakvervulling en/of onrechtmatig handelen, 2) [geïntimeerde 2] bevoegd is voor die kosten een bedrag van € 1 miljoen in escrow te plaatsen en/of 3) op andere wijze zeker te stellen dat een bedrag van € 1 miljoen buiten het vermogen van [geïntimeerde 1] wordt gereserveerd. Op 17 mei 2019 hebben ook [appellanten] (tezamen met anderen) een verzoekschrift ingediend waarin zij kort gezegd hebben verzocht de uitvoering van de VSO te verbieden. Bij beschikking van 8 juli 2019 heeft de Ondernemingskamer op beide verzoekschriften beslist (ECLI:NL:GHAMS:2019:3182). Kort gezegd heeft de Ondernemingskamer de hiervoor genoemde verzoeken van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden] toegewezen en de verzoeken van [appellanten] afgewezen.
3.16.
[appellanten] hebben tegen de beschikking van de Ondernemingskamer van 8 juli 2019 beroep in cassatie ingesteld. Bij beschikking van 9 oktober 2020 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen.
3.17.
Op 11 juni 2019 heeft de Ondernemingskamer bij eindarrest in de uittredingsprocedure de vordering van [naam 1] tot overname van zijn aandelen in [geïntimeerde 1] door [appellant 1] en [geïntimeerde 1] afgewezen.
3.18.
Op 9 juli 2019 heeft [geïntimeerde 2] besloten dat [geïntimeerde 1] de [naam 1] aandelen inkoopt.
3.19.
Op 10 juli 2019 heeft [geïntimeerde 2] vastgesteld dat bij de inkoop van de [naam 1] aandelen is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 2:207 lid 2 BW Pro. Bij deze balanstest en uitkeringstoets heeft [geïntimeerde 2] betekenis toegekend aan de continuïteitsbeoordeling die in het kader van het opmaken en de controle van de jaarrekening 2017 van [geïntimeerde 1] heeft plaatsgevonden.
3.20.
Eveneens op 10 juli 2019 heeft [geïntimeerde 1] , vertegenwoordigd door [geïntimeerde 2] , de [naam 1] aandelen voor een bedrag van ruim € 4 miljoen gekocht en geleverd gekregen. De betaling van de koopprijs heeft plaatsgevonden uit de [bedrijf 1] -gelden.
3.21.
Op 12 juli 2019 heeft [geïntimeerde 3] als beheerder van de aandelen in het kapitaal van [geïntimeerde 1] besloten: (a) aan [geïntimeerde 2] décharge te verlenen voor het door hem als bestuurder van [geïntimeerde 1] gevoerde bestuur, (b) onherroepelijk en onvoorwaardelijk afstand te doen van alle vorderingen en/of aanspraken van [geïntimeerde 1] op [geïntimeerde 2] in verband met het door hem gevoerde bestuur, (c) [geïntimeerde 2] toestemming te geven zich in het geval hij toch wordt geconfronteerd met een aanspraak of claim van [geïntimeerde 1] , [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , de dochtermaatschappijen of anderszins in verband met het door hem gevoerde bestuur te laten bijstaan door advocatenkantoor [bedrijf 3] waarbij [geïntimeerde 1] hem een kopie van het volledige dossier verstrekt en (d) aan [geïntimeerde 2] toestemming te geven zeker te stellen dat € 1 miljoen buiten het vermogen en de macht van [geïntimeerde 1] wordt gereserveerd ten behoeve van de eventuele kosten van verweer van [geïntimeerde 2] tegen aansprakelijkstelling door [geïntimeerde 1] , [appellanten] en de dochtervennootschappen van [geïntimeerde 1] .
3.22.
Bij notariële akte van 22 juli 2019 heeft [geïntimeerde 1] in verband met de beschikking van de Ondernemingskamer van 8 juli 2019 (zie 3.15) een bedrag van € 670.000 schuldig erkend aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] .
3.23.
Op 22 juli 2019 heeft [geïntimeerde 2] namens [geïntimeerde 1] een bedrag van € 330.000 in escrow laten plaatsen op de derdengeldenrekening van advocatenkantoor [bedrijf 3] .
3.24.
Bij beschikking van 25 juli 2019 heeft de Ondernemingskamer op verzoek van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de enquêteprocedure en daarmee ook de benoemingen van [geïntimeerde 2] als bestuurder en van [geïntimeerde 3] als beheerder van de aandelen beëindigd. In de beschikking heeft de Ondernemingskamer overwogen:
“(…)
Ten overvloede wijst de Ondernemingskamer er op dat (…) het recht van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] om over de buiten de macht van de vennootschap geplaatste gelden tot hun genoegen te kunnen beschikken ter voldoening van, kort gezegd, hun kosten van verweer niet wordt getroffen door deze beëindiging van de tweede fase procedure.
(…)”.
3.25.
Sinds de beëindiging van de benoemingen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] is [appellant 3] weer bestuurder van [geïntimeerde 1] en hebben [appellant 1] en [appellant 2] weer het beheer over hun aandelen in [geïntimeerde 1] .
3.26.
In de tijd dat [geïntimeerde 2] bestuurder was van [geïntimeerde 1] , is [geïntimeerde 1] bijgestaan door advocaten van het kantoor [bedrijf 3] . Bij brief van 10 augustus 2019 heeft het kantoor [naam 5] aan [bedrijf 3] laten weten op te treden voor [geïntimeerde 1] en verzocht de dossiers over te dragen. [bedrijf 3] heeft op 10 september 2019 via toezending van een link aan [naam 5] een digitaal dossier ter beschikking gesteld.
3.27.
Op verzoek van [geïntimeerde 1] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland bij beschikking van 6 oktober 2020 op grond van artikel 2:15 lid 4 BW Pro mr. J.H. Stek aangewezen om ter zake van dit geding in de plaats van het bestuur van [geïntimeerde 1] te treden.
3.28.
[appellanten] en [geïntimeerde 1] hebben bij brieven van 19 januari 2021 en 3 februari 2021 aan [geïntimeerde 3] respectievelijk [geïntimeerde 2] hun rechten voorbehouden ter zake van aansprakelijkheid voor onbehoorlijke taakvervulling in verband met diverse handelingen die zij hebben verricht in hun hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde functionaris.
3.29.
[appellanten] en [geïntimeerde 1] hebben een procedure gevoerd tegen (de maatschap) [naam 2] en haar maten. Zij hebben hieraan kort gezegd ten grondslag gelegd dat het [naam 2] -rapport inhoudelijk ernstig tekort schiet en hierover onder meer een verklaring voor recht gevorderd. Bij vonnis van 20 april 2022 heeft de rechtbank Amsterdam de vorderingen afgewezen. Bij arrest van 23 juli 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:2081) heeft dit hof het vonnis bekrachtigd en de in hoger beroep gewijzigde vorderingen afgewezen. [appellanten] en [geïntimeerde 1] hebben tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld. Bij arrest van 3 oktober 2025 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro (HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1458).
3.30.
[geïntimeerde 2] heeft een tuchtklacht ingediend tegen de advocaat van [appellanten] die de zaak in eerste aanleg grotendeels heeft behandeld, niet zijnde een van de huidige advocaten van [appellanten] Bij beslissing van de Raad van Discipline Amsterdam van 15 juli 2024 is de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en is aan deze (inmiddels voormalige) advocaat de maatregel van berisping opgelegd, onder meer wegens het innemen van feitelijk onjuiste, misleidende en onnodig grievende stellingen in de inleidende dagvaarding en een akte in deze procedure.

4.Eerste aanleg

4.1.
Voor zover voor het hoger beroep van belang en samengevat, hebben [appellanten] in eerste aanleg, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW Pro gevorderd van het besluit van [geïntimeerde 2] dat [geïntimeerde 1] de [naam 1] aandelen inkoopt en van de vaststelling door [geïntimeerde 2] dat bij die inkoop is voldaan aan de vereisten van artikel 2:207 lid 2 BW Pro, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten met nakosten en rente.
4.2.
[geïntimeerden] zijn, na een daarop gerichte vordering, in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten als gevoegde partijen aan de zijde van [geïntimeerde 1] . De rechtbank heeft hen verder, eveneens na een daarop gerichte vordering, toegestaan in de hoofdzaak tussen te komen. Voor zover voor het hoger beroep van belang en samengevat hebben [geïntimeerden] na tussenkomst gevorderd, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een verklaring voor recht dat de besluiten van [geïntimeerden] waarvan [appellanten] de vernietiging vorderen, niet vernietigbaar zijn;
II. een verklaring voor recht dat [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [geïntimeerden] door het uitbrengen van de dagvaarding en de akte van 12 mei 2021 (hierna: de akte);
III. veroordeling, voor zover mogelijk hoofdelijk, van [appellanten] tot betaling aan [geïntimeerden] van door hen geleden schade, op te maken bij staat, met rente;
IV. veroordeling, voor zover mogelijk hoofdelijk, van [appellanten] tot betaling aan [geïntimeerden] van € 200.000 als voorschot op de schade, met rente;
V. subsidiair voor de vorderingen onder (III) en (IV): [appellanten] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten;
VI. ieder van [appellanten] en [geïntimeerde 1] te verbieden – onder oplegging van een dwangsom – om schriftelijk een of meer van de volgende stellingen te betrekken:
a. [geïntimeerde 2] heeft de mediation ondermijnd;
b. het structuurvoorstel behelst overeenstemming tussen enerzijds [naam 1] en anderzijds [geïntimeerde 1] / [geïntimeerde 2] ;
c. [geïntimeerde 2] heeft zichzelf onder valse voorwendselen toegang verschaft tot de [bedrijf 1] - gelden;
d. [geïntimeerde 2] heeft de Ondernemingskamer misleid door niet mee te delen dat de inkoopprijs voor de [naam 1] aandelen al was overeengekomen;
e. [geïntimeerde 2] heeft [naam 2] onder druk gezet om de waardering in het kader van de VSO te verhogen;
f. [geïntimeerde 3] heeft de besluiten van [geïntimeerde 2] klakkeloos geaccordeerd. Zij heeft zich bij haar besluitvorming met betrekking tot [geïntimeerde 1] laten leiden door mogelijke aansprakelijkstelling door [appellanten] [geïntimeerde 3] was zodoende niet onafhankelijk.
4.3.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] in de hoofdzaak afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerden] In de tussenkomst heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen, waarbij de rechtbank heeft bepaald dat het onder VI vermelde verbod niet geldt voor een hoger beroep in deze zaak.

5.Beoordeling

In het principaal en het incidenteel hoger beroep
De vorderingen in hoger beroep
5.1.
[appellanten] vorderen in het principaal hoger beroep, samengevat, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – opnieuw rechtdoende:
  • de in rov. 5.6 bedoelde besluiten zal vernietigen;
  • geïntimeerden in het principaal hoger beroep zal veroordelen om al hetgeen [appellanten] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hen hebben voldaan aan [appellanten] terug te betalen, met rente;
  • de vorderingen van (naar het hof begrijpt) [geïntimeerden] alsnog volledig af te wijzen;
met veroordeling van geïntimeerden in het principaal hoger beroep in de proceskosten in beide instanties, met rente en nakosten.
5.2.
[geïntimeerde 1] heeft zich in het principaal hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof. [geïntimeerden] hebben in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellanten]
5.3.
[geïntimeerden] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld en hun vorderingen gedeeltelijk gewijzigd. Daartegen is geen bezwaar gemaakt. Voor de duidelijkheid somt het hof hierna de vorderingen van [geïntimeerden] op aan de hand van een eigen nummering van het hof. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de verduidelijking van deze vorderingen die [geïntimeerden] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben gegeven.
[geïntimeerden] vorderen samengevat, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. een verklaring voor recht dat de handelingen van [geïntimeerde 2] waarvan [appellanten] de vernietiging vorderen, niet vernietigbaar zijn;
2. een verklaring voor recht dat [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [geïntimeerden] , onder meer door schending van artikel 21 Rv Pro;
3. [appellanten] , zo mogelijk hoofdelijk, te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde 2] van een bedrag van (nu) € 464.440,72 met rente, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
4. [appellanten] , zo mogelijk hoofdelijk, te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde 3] van een bedrag van (nu) € 122.945,36 met rente, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
5. een verklaring voor recht dat de verweerkosten [geïntimeerde 2] en de verweerkosten [geïntimeerde 3] moeten worden gekwalificeerd als verweerkosten, die zij kunnen verhalen op de escrow en vallen onder de schuldigerkenning;
6. een verklaring voor recht dat de advocaatkosten tuchtprocedure zijn te kwalificeren als verweerkosten, die [geïntimeerde 2] kan verhalen op de escrow en vallen onder de schuldigerkenning;
7. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] immateriële schade hebben geleden;
8. [appellanten] , zo mogelijk hoofdelijk, te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] van een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag aan immateriële schadevergoeding;
9. ieder van [appellanten] en [geïntimeerde 1] te verbieden – onder oplegging van een dwangsom – om schriftelijk een of meer van hiervoor in 4.2 onder VI genoemde stellingen te betrekken.
Verder vorderen [geïntimeerden] in het principaal en in het incidenteel hoger beroep veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de reële proceskosten althans een hogere proceskostenveroordeling uit te spreken dan op grond van het liquidatietarief .
5.4.
[appellanten] hebben in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de (gewijzigde) vorderingen van [geïntimeerden] , met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties, met rente en nakosten. [geïntimeerde 1] heeft in het incidenteel hoger beroep niet geconcludeerd.
In het principaal hoger beroep
5.5.
[appellanten] komen met tien grieven op tegen het bestreden vonnis. Grief 1 is hiervoor aan de orde gekomen. Grieven 2 – 8 zien op de vordering tot vernietiging van besluiten, die de rechtbank volgens [appellanten] ten onrechte heeft afgewezen. Met grief 9 klagen [appellanten] over de toewijzing door de rechtbank van een aantal van de vorderingen van [geïntimeerden] Onder grief 10 hebben [appellanten] (tegen)bewijs aangeboden.
De vordering tot vernietiging van besluiten (grieven 2 – 8)
5.6.
[appellanten] vorderen in het principaal hoger beroep de vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW Pro van het besluit van [geïntimeerde 2] dat [geïntimeerde 1] de [naam 1] aandelen inkoopt (zie 3.18, hierna: het inkoopbesluit) en van de vaststelling door [geïntimeerde 2] dat bij die inkoop is voldaan aan de vereisten van de uitkeringstest van artikel 2:207 lid 2 BW Pro (zie 3.19). Volgens [appellanten] betreffen dit besluiten die [geïntimeerde 2] als bestuurder van [geïntimeerde 1] heeft genomen. [appellanten] stellen dat deze bestuursbesluiten zijn genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW Pro wordt geëist.
5.7.
Volgens [geïntimeerden] stuit de vernietigingsvordering van [appellanten] af op het gezag van gewijsde dat moet worden toegekend aan de beschikking van de Ondernemingskamer van 8 juli 2019 (zie 3.15 en 3.16). Dit argument gaat niet op. De beslissingen uit deze beschikking waarop [geïntimeerden] zich beroepen zijn genomen in het kader van een verzoek tot het treffen van een onmiddellijke voorziening in een enquêteprocedure. Aan dergelijke beslissingen komt geen gezag van gewijsde toe.
5.8.
Bij een vernietigingsvordering op de voet van artikel 2:15 lid 1 sub b BW Pro moet beoordeeld worden of het orgaan van de rechtspersoon bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW Pro bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid, en met inachtneming van de nodige zorgvuldigheid tot het besluit heeft kunnen komen. Dit moet beoordeeld worden naar het moment waarop het besluit werd genomen. De rechter dient zich hierover een zelfstandig oordeel te vormen. Bij deze beoordeling past de rechter terughoudendheid.
Inkoop van aandelen
5.9.
[appellanten] hebben toegelicht dat zij, indien hun vordering succes heeft, van plan zijn de schade die zij als gevolg van de inkoop stellen te hebben geleden op [naam 1] te verhalen. Daarmee hebben zij, anders dan [geïntimeerden] betogen, als aandeelhouders van [geïntimeerde 1] respectievelijk, wat [appellant 3] betreft, als achterliggende belanghebbende, voldoende belang bij hun vordering tot vernietiging van het inkoopbesluit.
5.10.
Samengevat leggen [appellanten] het volgende ten grondslag aan hun vordering tot vernietiging van het inkoopbesluit. Het inkoopbesluit is niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. De prijs waartegen is uitgekocht is het resultaat van een slordige en gebrekkige waardering met tal van ontoelaatbare fouten. De uitkoopprijs is gebaseerd op het [naam 2] -rapport, dat niet meer is dan een indicatieve waardering. Het [naam 2] -rapport is tot stand gekomen op basis van beperkte informatie, zonder prognoses en in zeer korte tijd. Dat rapport bevat ten minste drie ontoelaatbare materiële fouten, te weten willekeur bij de normalisatie van juridische kosten, het elimineren van bestaande personeelskosten en het elimineren van de personeelskosten van Pretium eind 2023. Die fouten hadden een significante impact op de uitkomst van de waardering van [geïntimeerde 1] , die veel te hoog was. Deze fouten kunnen aan [geïntimeerde 2] worden toegerekend. Hij heeft gekozen voor, althans is akkoord gegaan met, een gebrekkig waarderingsproces, waarbij [naam 2] geen toegang had tot sleutelfiguren bij [geïntimeerde 1] , zoals de externe accountant, [appellant 3] en de leden van het management- team van [geïntimeerde 1] . [geïntimeerde 2] heeft verder onvoldoende tegenwicht geboden aan [naam 1] en zijn advocaten, die druk op [naam 2] uitoefenden om tot een hogere waardering te komen. [geïntimeerde 2] heeft verder onvoldoende oog gehad voor de belangen van [appellanten] Hij had er (meer) rekening mee moeten houden dat de vordering van [naam 1] in de uittredingsprocedure op de helling stond. De Ondernemingskamer had de tenuitvoerlegging van het vonnis in de uittredingsprocedure geschorst, er lag een verklaring van een deskundige dat er onvoldoende grond was voor toewijzing van die vordering en bovendien had de onderzoeker in de enquêteprocedure in wezen geconcludeerd dat van wanbeleid bij [geïntimeerde 1] geen sprake was. Deze omstandigheden noopten [geïntimeerde 2] tot terughoudendheid: er was geen noodzaak voor een snelle
exitvan [naam 1] . Het resultaat van dit alles was een onnodige uitkoop tegen een veel te hoge uitkoopprijs. De financiële situatie van [geïntimeerde 1] liet uitkoop tegen die prijs niet toe.
5.11.
Deze stellingen kunnen – met toepassing van de onder 5.8 genoemde maatstaf – niet de conclusie rechtvaardigen dat het inkoopbesluit moet worden vernietigd. Het hof licht dit als volgt toe.
5.12.
Voorop staat dat [geïntimeerde 1] zich in de VSO had verbonden de [naam 1] -aandelen in te kopen onder de daarin opgenomen voorwaarden. In dit hoger beroep staat niet ter discussie dat [geïntimeerde 2] als bestuurder van [geïntimeerde 1] bevoegd was de VSO aan te gaan en dat hij – kort gezegd – in redelijkheid daartoe had kunnen besluiten. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vordering tot vernietiging van het besluit de VSO aan te gaan afgewezen en [appellanten] hebben daartegen geen grieven gericht. Dit brengt met zich dat [geïntimeerde 2] bij het nemen van het inkoopbesluit gebonden was aan de afspraken in de VSO. Hij diende binnen de daarin afgesproken voorwaarden uitvoering te geven aan de VSO. De bezwaren van [appellanten] tegen in de VSO vastgelegde afspraken over het waarderingsproces (zoals het korte tijdspad en de informatie die aan [naam 2] beschikbaar zou worden gesteld) gaan daarmee niet op. [geïntimeerde 2] was bij het nemen van het inkoopbesluit aan die afspraken gebonden. Verder geldt dat de speelruimte van [geïntimeerde 2] vanwege de bindende afspraken in de VSO beperkt was. Dat [geïntimeerde 1] (onder de voorwaarden van de VSO) de [naam 1] -aandelen zou inkopen, was voor [geïntimeerde 2] bij het nemen van het inkoopbesluit een gegeven. Met omstandigheden die de noodzaak van die inkoop in twijfel zouden kunnen trekken kon en mocht [geïntimeerde 2] geen rekening houden. Dat geldt in elk geval voor de mogelijke verwachtingen over de uitkomst van het hoger beroep in de uittredingsprocedure, de verklaring hierover van een deskundige, de conclusie van de onderzoeker in de enquêteprocedure en de vraag of er een noodzaak was voor een snelle
exitvan [naam 1] .
5.13.
[geïntimeerde 2] heeft erop gewezen dat hij het inkoopbesluit pas heeft genomen nadat de Ondernemingskamer het verzoek van [appellanten] om de uitvoering van de VSO – dat wil zeggen: de inkoop van de [naam 1] -aandelen – te verbieden, had afgewezen (zie 3.15). De gronden die [appellanten] in de procedure bij de Ondernemingskamer hebben aangevoerd, komen voor een belangrijk deel overeen met de gronden die [appellanten] in deze procedure aanvoeren ter ondersteuning van hun vordering tot vernietiging van het inkoopbesluit. Dit betreft in elk geval het verwijt dat de waardering door [naam 2] het resultaat is van een onzorgvuldig proces, het verwijt dat de financiële situatie van [geïntimeerde 1] uitkoop tegen de op basis van die waardering vastgestelde inkoopprijs niet toeliet en de hiervoor in 5.12 genoemde verwijten over de noodzaak van de inkoop van de [naam 1] -aandelen. De Ondernemingskamer heeft al deze verwijten niet gegrond bevonden. Hoewel dit oordeel niet beslissend is voor het lot van de in deze zaak te beoordelen vernietigingsvordering – als gezegd dient het hof zich hierover in deze zaak een zelfstandig oordeel te vormen – vormde dit oordeel wel een belangrijk ijkpunt voor [geïntimeerde 2] bij het nemen van het inkoopbesluit. [geïntimeerde 2] mocht zich als redelijk handelend bestuurder richten naar het oordeel van de Ondernemingskamer. Overigens onderschrijft het hof het oordeel van de Ondernemingskamer over de gestelde onzorgvuldige totstandkoming van het inkoopbesluit.
5.14.
De omstandigheid dat [naam 2] geen toegang had tot [appellant 3] , de externe accountant van [geïntimeerde 1] en het management-team, betekent niet dat [geïntimeerde 2] niet in redelijkheid en naar billijkheid tot het inkoopbesluit heeft kunnen komen. [geïntimeerde 2] mocht erop vertrouwen dat [naam 2] , als deskundige, zich in staat achtte tot een waardering te komen zonder toegang tot deze personen. Dit hof heeft in het in 3.29 bedoelde arrest geoordeeld dat het [naam 2] vrij stond de opdracht op deze wijze te aanvaarden en het hof ziet geen aanleiding daar nu anders over te denken. Daar komt bij dat [geïntimeerde 2] heeft toegelicht dat hij goede gronden had om [appellant 3] niet toe te laten tot het onderhandelings- en waarderingsproces, omdat dit de schikking in gevaar zou kunnen brengen. [geïntimeerde 2] had op dit punt de bevoegdheden die hem als bestuurder toekwamen en heeft dit in zijn besluitvorming mogen meewegen. [geïntimeerde 2] kon overigens ook hiervoor steun ontleden aan het oordeel van de Ondernemingskamer in de beschikking van 8 juli 2019.
5.15.
Verder is van belang dat [appellanten] de, wat zij noemt, materiële fouten in het [naam 2] -rapport niet in de procedure bij de Ondernemingskamer naar voren heeft gebracht. Niet gebleken is dat zij daartoe niet in staat waren omdat de hiervoor benodigde informatie destijds niet beschikbaar was. [geïntimeerde 2] mocht er als redelijk handelend bestuurder vanuit gaan dat [appellanten] alle relevante bezwaren tegen de voor de inkoop te hanteren waardering bij de Ondernemingskamer hadden aangevoerd. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde 2] de gestelde materiële fouten in het [naam 2] -rapport had moeten onderkennen, in een situatie dat [appellanten] – die zich krachtig verweerden tegen de voorgenomen inkoop van de [naam 1] -aandelen – die fouten niet zelf onder de aandacht van de Ondernemingskamer hadden gebracht. Daar komt bij dat deze bezwaren van [appellanten] door dit hof in het in 3.29 bedoelde arrest ongegrond zijn bevonden. Ook hier ziet het hof geen aanleiding daar nu anders over te denken. Wat betreft de normalisatie van juridische kosten hebben [appellanten] nader toegelicht dat bij normalisatie van de juridische kosten vanwege de schikking met KPN ook de opbrengsten van die schikking buiten beschouwing hadden moeten worden gelaten of in elk geval ook hadden moeten worden genormaliseerd. Daarin volgt het hof [appellanten] niet. De schikking met KPN betekende immers dat de opbrengsten van die schikking in de toekomst zouden worden gerealiseerd terwijl de kosten van het geschil met KPN zouden wegvallen.
5.16.
Verder is er ook geen grond voor de verwijten dat [geïntimeerde 2] onvoldoende tegenwicht heeft geboden aan [naam 1] en zijn advocaten, die druk op [naam 2] uitoefenden om tot een hogere waardering te komen, en dat [geïntimeerde 2] onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van [appellanten] [geïntimeerden] hebben hierover onder meer aangevoerd dat [geïntimeerde 2] (i) zich tijdens de onderhandelingen met [naam 1] en het waarderingsproces heeft laten bijstaan door een ervaren waarderingsdeskundige en ervaren advocaten, (ii) zich hard heeft gemaakt voor een voor [geïntimeerde 1] zo gunstig mogelijke peildatum en het buiten beschouwing laten van door [naam 1] bepleite ‘gemiste dividenden’, (iii) als eis heeft gesteld dat in de VSO een bezwaarmogelijkheid voor [appellanten] zou worden opgenomen, (iv) door middel van de door hem ingeschakelde waarderingsdeskundige op het concept-rapport van [naam 2] heeft gereageerd in een poging de waardering omlaag te krijgen en (v) namens [geïntimeerde 1] een kort geding tegen [naam 1] heeft gevoerd toen deze weigerde de VSO na te komen. [appellanten] hebben dit alles niet voldoende gemotiveerd betwist. Ook los daarvan hebben [appellanten] hun verwijten onvoldoende geconcretiseerd. Overigens heeft dit hof in het in 3.29 bedoelde arrest in de verhouding tot [naam 2] ook deze verwijten ongegrond geacht en ziet het hof geen aanleiding hier in deze zaak anders over te oordelen.
Tot slot volgt uit wat [appellanten] hebben aangevoerd niet dat [geïntimeerde 2] niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om, ter uitvoering van het inkoopbesluit, (een deel van) de [bedrijf 1] -gelden aan te wenden voor het betalen van de koopprijs voor de [naam 1] aandelen. Dit maakt in elk geval niet dat het inkoopbesluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, zoals [appellanten] betogen, of in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW Pro wordt geëist.
5.17.
Dit alles leidt tot de conclusie dat [geïntimeerde 2] als bestuurder van [geïntimeerde 1] , bij afweging van alle bij dit besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW Pro bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid, en met inachtneming van de nodige zorgvuldigheid, tot het inkoopbesluit heeft kunnen komen. De rechtbank heeft de daartegen gerichte vernietigingsvordering terecht afgewezen.
Uitkeringstest
5.18.
De vaststelling door het bestuur van een besloten vennootschap dat wel of niet is voldaan aan de zogeheten uitkeringstest van artikel 2:207 lid 2 BW Pro is geen beslissing die rechtsgevolgen heeft voor de vennootschap. Daarom is deze vaststelling geen besluit in de zin van artikel 2:15 BW Pro. De vordering van [appellanten] op dit punt is dus niet toewijsbaar.
5.19.
Ook als de bedoelde vaststelling wel een besluit in de zin van 2:15 BW is, kan dat niet leiden tot toewijzing van de daartegen gerichte vernietigingsvordering van [appellanten] Vernietiging van de vaststelling tast de rechtsgeldigheid van het inkoopbesluit niet aan. Het leidt hoogstens tot bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:207 lid 3 BW Pro. De vordering uit hoofde van die bepaling komt toe aan de vennootschap ( [geïntimeerde 1] ) en niet aan [appellanten] [geïntimeerde 1] en [appellanten] hebben ter zitting van het hof afstand gedaan van (onder meer) deze vordering. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat [appellanten] onder deze omstandigheden belang (in de zin van artikel 2:15 lid 3 sub a BW Pro) hebben bij hun vordering tot vernietiging van – naar dan moet worden aangenomen – het besluit dat voldaan is aan de uitkeringstest.
Ten onrechte toewijzing vorderingen [geïntimeerden] (grief 9)
5.20.
[appellanten] klagen in het principaal hoger beroep verder over de toewijzing door de rechtbank van een aantal vorderingen van [geïntimeerden]
Verklaring voor recht besluiten niet vernietigbaar
5.21.
Uit de overwegingen hiervoor volgt dat het hof de vernietigingsvordering van [appellanten] over de inkoop van aandelen en de vaststelling dat aan de uitkeringstest is voldaan, niet toewijsbaar acht. De rechtbank heeft daarover dus terecht voor recht verklaard dat zij niet vernietigbaar zijn. De verklaring voor recht van de rechtbank ziet ook op andere besluiten maar die zijn in dit hoger beroep niet aan de orde. Het hof zal het bestreden vonnis op dit punt, voor zo ver aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.
Uitbrengen dagvaarding en akte onrechtmatig
5.22.
[appellanten] bestrijden met grief 9 verder het oordeel van de rechtbank dat zij met het uitbrengen van de dagvaarding en het doen nemen van de akte onrechtmatig jegens [geïntimeerden] hebben gehandeld en als gevolg daarvan schadeplichtig zijn. Zij voeren hiervoor samengevat het volgende aan.
Voor de beoordeling van de vraag of het instellen van een procedure onrechtmatig is, moet gekeken worden naar de ingestelde vordering. Onrechtmatig procederen is pas aan de orde indien het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Aan de vrijheid van procederen kunnen vanwege artikel 6 EVRM Pro slechts met terughoudendheid grenzen worden gesteld. [appellanten] hadden een gerechtvaardigd belang bij hun vordering, namelijk de vernietiging van een aantal door [geïntimeerden] genomen besluiten. Die vordering was niet evident ongegrond. De kosten van [geïntimeerden] komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat [appellanten] niet onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld. Die kosten komen ook niet voor vergoeding in aanmerking omdat er geen noodzaak was voor [geïntimeerden] in deze procedure – die is gestart als een vordering van [appellanten] tegen [geïntimeerde 1] – zich te voegen of tussen te komen. [geïntimeerden] waren, anders dan de rechtbank overweegt, niet in feite gedwongen om in deze zaak tussen te komen. Er is geen grond voor de overweging van de rechtbank in rov. 7.15: “
Van de kant van de gedaagde [geïntimeerde 1] , waarvan [appellant 3] weer de bestuurder is, was immers niet te verwachten dat veel verweer gevoerd zou worden.” Deze overweging is speculatief en de rechtbank heeft de werking van artikel 2:15 lid 4 BW Pro daarmee miskend. De voorzieningenrechter had op de voet van artikel 2:15 lid 4 BW Pro mr. Stek als vertegenwoordiger van [geïntimeerde 1] benoemd, zodat die [geïntimeerde 1] in deze procedure vertegenwoordigde en niet [appellant 3] , aldus nog steeds [appellanten]
5.23.
[geïntimeerden] hebben aan hun vordering op dit punt ten grondslag gelegd dat [appellanten] in hun processtukken in deze zaak in eerste aanleg – en met name in de dagvaarding en de akte – vele feitelijk onjuiste en misleidende stellingen hebben ingenomen die in veel gevallen valse en smadelijke verwijten jegens hen bevatten en dat daarnaast ook feiten zijn verzwegen of misleidend zijn weergegeven. Volgens [geïntimeerden] is dit in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro en tasten [appellanten] door deze wijze van procederen hun eer en goede naam aan. [geïntimeerden] hebben in hoger beroep ook verwezen naar de tuchtrechtelijke veroordeling van de voormalig advocaat van [appellanten] (zie 3.30).
5.24.
[geïntimeerden] hebben niet gesteld dat de vorderingen die [appellanten] in deze procedure hebben ingesteld (op voorhand) evident kansloos zijn en misbruik van procesrecht opleveren. Het door [appellanten] geschetste en hierboven weergegeven juridisch kader is daarmee voor de beoordeling van de vordering van [geïntimeerden] niet van belang en het daarop gebaseerde betoog van [appellanten] kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in rovv. 7.3 – 7.13 uitgebreid toegelicht dat en waarom [appellanten] met het uitbrengen van de dagvaarding en het doen nemen van de akte vanwege de inhoud van deze stukken onrechtmatig jegens [geïntimeerden] hebben gehandeld. [appellanten] hebben tegen die overwegingen geen grieven gericht, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.
5.25.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook in hoger beroep moet worden aangenomen dat [appellanten] met het uitbrengen van de dagvaarding en de akte onrechtmatig jegens [geïntimeerden] hebben gehandeld. De rechtbank heeft overwogen dat [appellanten] gehouden zijn de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden die [geïntimeerden] hebben geleden als gevolg van het interveniëren in deze procedure. [appellanten] komen tegen dat oordeel in dit hoger beroep op. Zij betogen dat er geen noodzaak was voor [geïntimeerden] zich in deze procedure te voegen of daarin tussen te komen. Het hof verwerpt dat betoog. Vanwege de onterechte beschuldigingen waren [geïntimeerden] in feite gedwongen in deze procedure te interveniëren. [geïntimeerden] hadden er groot belang bij dat deze onterechte beschuldigingen werden weersproken, waarmee kon worden voorkomen dat die als onweersproken zouden worden aangenomen. [geïntimeerden] hoefden er in redelijkheid niet op te vertrouwen dat mr. Stek, als op de voet van artikel 2:15 lid 4 BW Pro benoemde vertegenwoordiger van [geïntimeerde 1] , dit verweer ten volle en naar tevredenheid van [geïntimeerden] zou voeren. Gelet op de ernst van de beschuldigingen hebben [geïntimeerden] in redelijkheid ervoor mogen kiezen hierover zelf de regie te voeren. Daar komt bij dat [geïntimeerden] er terecht op hebben gewezen dat zij beschikten over diepgaande en eigen kennis van de relevante feiten, terwijl mr. Stek nieuw was in de zaak. Zij hebben bovendien onweersproken aangevoerd dat mr. Stek direct na zijn aanstelling heeft geopperd dat [geïntimeerden] over het bestaan van deze procedure zouden worden geïnformeerd, zodat zij hierin konden interveniëren, wat vervolgens ook is gebeurd. [geïntimeerden] mochten daaruit begrijpen dat mr. Stek het in deze zaak te voeren verweer in belangrijke mate aan hen zou overlaten. Het interveniëren in deze zaak was een redelijke maatregel tot schadebeperking. [geïntimeerden] kunnen de (proces)kosten die in verband met deze procedure in redelijkheid zijn gemaakt als schade op [appellanten] verhalen. Anders dan in eerste aanleg vorderen [geïntimeerden] geen voorschot op de schade en verwijzing naar de schadestaat, maar concrete bedragen aan schade. In hoeverre die bedragen kunnen worden toegewezen, beoordeelt het hof hierna in het incidentele hoger beroep.
5.26.
De conclusie is dat deze onderdelen van grief 9 geen succes hebben.
Verbod stellingen te betrekken
5.27.
[appellanten] klagen er onder grief 9 ten slotte over dat de rechtbank hen heeft verboden – op verbeurte van een dwangsom – om zes specifiek omschreven stellingen (zie 4.2 onder VI) te betrekken.
5.28.
De rechtbank heeft over deze stellingen overwogen dat het beschuldigingen zijn aan het adres van [geïntimeerden] die evident ongegrond zijn en die hun eer en goede naam aantasten. [appellanten] hebben dit in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden voor de stellingen a, b, d, e en f. Over stelling c hebben [appellanten] opgemerkt dat [geïntimeerde 2] zich zelf heeft benoemd als indirect bestuurder van [bedrijf 1] en de [bedrijf 1] gelden heeft gebruikt om de koopprijs van de [naam 1] aandelen te betalen. Waarom deze omstandigheden steun geven aan de stelling dat [geïntimeerde 2] zich
onder valse voorwendselentoegang heeft verschaft tot de [bedrijf 1] -gelden kan zonder toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen. Dat geldt ook voor de opmerking die een advocaat, die [geïntimeerde 2] had ingeschakeld, heeft gemaakt na de benoeming van [geïntimeerde 2] als indirect bestuurder van [bedrijf 1] : “
In theorie kan je dus morgen al naar de bank!”.
5.29.
[geïntimeerden] hebben gemotiveerd gesteld dat [appellanten] de genoemde stellingen niet alleen in deze procedure hebben betrokken, maar ook in procedures tegen derden en buiten rechte, zoals in een aansprakelijkstelling van [naam 1] . [appellanten] hebben dat niet gemotiveerd weersproken. Het hof is van oordeel dat [appellanten] met het verkondigen van deze ongegronde beschuldigingen onrechtmatig jegens [geïntimeerden] hebben gehandeld. De vordering van [geïntimeerden] op dit punt houdt een beperking in van het recht van [appellanten] op de vrijheid van meningsuiting. Een in het kader van artikel 10 EVRM Pro te maken belangenafweging valt in het voordeel uit van [geïntimeerden] Zij hebben er groot belang bij verschoond te blijven van aantastingen van hun eer en goede naam. Dit geldt te meer in dit geval waar de beschuldigingen van [appellanten] zien op handelingen van [geïntimeerden] in hun hoedanigheid van door de Ondernemingskamer benoemde functionarissen. Twijfel over de reputatie van [geïntimeerden] kan in de weg staan aan toekomstige benoemingen en kan hen beperken in het verwerven van inkomsten. Het belang van [appellanten] om hun mening te uiten en niet beperkt te worden in de wijze waarop zij gerechtelijke procedures voeren, weegt hier niet tegen op. Hierbij weegt zwaar dat [appellanten] de juistheid van de stellingen op geen enkele manier hebben kunnen onderbouwen en dat zij, ook nadat [geïntimeerden] de beschuldigingen gemotiveerd hadden weerlegd, daarin zijn blijven volharden. Anders dan [appellanten] betogen kan het door de rechtbank opgelegde verbod niet als een ‘gag order’ worden beschouwd en evenmin als een procedeerverbod. Zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt volgt ook uit artikel 21 Rv Pro. dat [appellanten] zich in rechte moeten onthouden van het betrekken van onwaarheden in hun processtukken.
5.30.
De omstandigheid dat [appellanten] in de memorie van grieven hebben vermeld “dat thans geen reden wordt gezien bedoelde stellingen in te nemen” maakt, zeker gelet op de hardnekkigheid waarmee [appellanten] deze stellingen in het verleden hebben verkondigd, niet dat [geïntimeerden] geen belang hebben bij een met een dwangsom versterkt verbod. Het hof zal het bestreden vonnis wat betreft het opgelegde verbod en de daaraan verbonden dwangsom, voor zo ver aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen. Het hof zal bepalen dat het verbod niet geldt voor een tegen dit arrest in te stellen rechtsmiddel.
Tussenconclusie
5.31.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de grieven 1 – 9 falen, althans niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis
In het incidenteel hoger beroep
5.32.
Gelet op de overwegingen hiervoor in het principaal hoger beroep zal het hof het bestreden vonnis wat betreft de in 5.3 genoemde vorderingen 1 en 2 bekrachtigen. [geïntimeerden] hebben in hoger beroep hun vordering 2 weliswaar iets anders geformuleerd dan door de rechtbank toegewezen maar inhoudelijk bestaat tussen die vorderingen geen verschil zodat [geïntimeerden] geen belang hebben bij vernietiging van het bestreden vonnis en beoordeling van hun in hoger beroep gewijzigde vordering 2. Het hof zal het bestreden vonnis verder bekrachtigen voor vordering 9 voor zover het [appellanten] betreft. [geïntimeerde 1] is van het verbod in het bestreden vonnis om stellingen te betrekken niet in hoger beroep gekomen zodat het vonnis op dit punt kracht van gewijsde heeft in de verhouding tussen [geïntimeerden] en [geïntimeerde 1] . Daarmee resteren de vorderingen 3 tot en met 8, die het hof hierna bespreekt.
Vorderingen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] (vorderingen 3 en 4)
5.33.
[geïntimeerden] vorderen in dit hoger beroep veroordeling van [appellanten] tot betaling van de schade die zij hebben geleden als gevolg van de door [appellanten] gepleegde onrechtmatige daad. Die schade bestaat volgens [geïntimeerden] uit de kosten die zijn gemaakt in verband met het interveniëren in deze procedure. Zij hebben deze kosten per persoon onderverdeeld in juridische kosten, bestaande uit de facturen van hun advocaat, en overige kosten, bestaande uit een vergoeding voor aan de zaak bestede tijd van zichzelf. Zij hebben de kosten gespecificeerd in hun producties 48-51 en 54-57.Zij hebben daarmee naar oordeel van het hof het bestaan van schade voldoende aannemelijk gemaakt.
5.34.
[appellanten] voeren in hun memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep als eerste het verweer dat er geen grond is voor toewijzing van de door [geïntimeerden] gevorderde schade. [appellanten] voeren kort gezegd aan dat er in deze zaak geen aanleiding bestaat voor enige kostenveroordeling althans niet voor een kostenveroordeling die afwijkt van het liquidatietarief. [appellanten] betogen dat zij geen misbruik van procesrecht hebben gemaakt bij het instellen van hun vordering en dat zij niet onrechtmatig jegens [geïntimeerden] hebben gehandeld. Het hof heeft deze verweren besproken bij de behandeling van het principaal hoger beroep. Het hof heeft de door [appellanten] aangevoerde bezwaren tegen de op dit punt relevante overwegingen in het bestreden vonnis verworpen en geoordeeld dat [geïntimeerden] de (proces)kosten die in verband met deze procedure in redelijkheid zijn gemaakt als schade op [appellanten] kunnen verhalen. Dit oordeel strekt in het incidenteel hoger beroep tot uitgangspunt.
5.35.
[appellanten] hebben tegen de omvang van de door [geïntimeerden] gevorderde juridische kosten, zoals geactualiseerd ter zitting en met producties 54 en 55, geen verweer gevoerd. Dat hebben zij wel gedaan tegen de omvang van de door [geïntimeerden] gevorderde overige kosten, zoals geactualiseerd ter zitting en met producties 56 en 57. Het hof stelt hierbij voorop dat [geïntimeerden] door hen zelf aan de zaak bestede tijd in beginsel als schade van [appellanten] kunnen vorderen. Ook kosten van zelf bestede tijd kunnen als redelijke kosten ter beperking of voorkoming van schade worden aangemerkt, mits de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. Hierbij is van belang dat zowel [geïntimeerde 2] als [geïntimeerde 3] beroepsmatig op basis van een uurtarief werken en zij de tijd die zij aan deze zaak hebben moeten besteden niet op andere wijze hebben kunnen inzetten. Voor [geïntimeerde 3] geldt daarbij dat uren die kantoorgenoten van haar hebben gemaakt in beginsel ook als redelijke kosten ter beperking of voorkoming van schade kunnen worden aangemerkt, mits de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. Het is voor een advocaat die in kantoorverband werkzaam is niet ongebruikelijk zich door kantoorgenoten te laten bijstaan. Dat heeft ook [geïntimeerde 3] in deze zaak laten doen, waarbij voor haar kantoorgenoten een lager uurtarief is gerekend dan voor haarzelf. Zo bezien, kan het inzetten van kantoorgenoten als een passende maatregel om de schade te beperken worden beschouwd.
5.36.
[appellanten] hebben de door [geïntimeerde 2] opgevoerde overige kosten betwist en aangevoerd dat deze voor een groot deel zijn gebaseerd op een uit de lucht gegrepen schatting van bestede tijd en overigens niet zijn gespecificeerd. [geïntimeerde 2] heeft zijn uren voor de periode 2019 – 2023 geschat omdat hij over die periode geen concrete tijdadministratie heeft bijgehouden. Hij heeft toegelicht dat hij in het vierde kwartaal van 2023 gemiddeld zes uur per maand aan de zaak had besteed. Hiervan uitgaand heeft hij geschat dat hij over de gehele periode 2019 – 2023 gemiddeld vijf uur per maand aan de zaak heeft besteed. Vanwege het ontbreken van een tijdadministratie over deze periode kan de schade op dit punt niet nauwkeurig worden vastgesteld zodat zij moet worden geschat. Het hof acht de schatting die [geïntimeerde 2] heeft gemaakt, ook gelet op de omvang van het dossier, redelijk en zal deze volgen. [geïntimeerde 2] heeft verder gesteld in de periode 1 januari 2024 – 25 juli 2024 in totaal 66 uur aan de zaak te hebben besteed. Het hof acht ook dit een redelijke tijdsbesteding, zeker nu in deze periode de memorie van grieven is ingediend en de memorie van antwoord is opgesteld. Dat [geïntimeerde 2] geen gedetailleerde specificatie van zijn uren heeft gegeven, betekent niet dat het opgegeven aantal uren niet als redelijk kan worden aangemerkt. [geïntimeerde 2] heeft de na 25 juli 2024 door hem aan de zaak bestede tijd in detail gespecificeerd en ook deze komt het hof redelijk voor. Ook het door [geïntimeerde 2] over de verschillende jaren gehanteerde uurtarief acht het hof, gelet op hetgeen in de branche gebruikelijk is, redelijk. Dat [geïntimeerde 2] zijn tarief jaarlijks indexeert, is naar oordeel van het hof niet ongebruikelijk en leidt in enig jaar niet tot een tarief dat niet redelijk is. Het totaal van de door [geïntimeerde 2] gevorderde overige kosten is naar oordeel van het hof redelijk. Dit betekent dat het door [geïntimeerde 2] in hoofdsom van [appellanten] gevorderde bedrag toewijsbaar is: tegen de omvang van de gevorderde juridische kosten is geen verweer gevoerd en het verweer tegen de omvang van de gevorderde overige kosten is hiervoor verworpen.
5.37.
[appellanten] hebben de door [geïntimeerde 3] opgevoerde overige kosten, zoals ter zitting en met productie 57 geactualiseerd, betwist. Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat de kosten van door [geïntimeerde 3] ingezette kantoorgenoten als schade kunnen worden gevorderd. [appellanten] hebben over de door [geïntimeerde 3] opgevoerde overige kosten aangevoerd dat deze onvoldoende zijn gespecificeerd. Het hof volgt [appellanten] hierin niet. [geïntimeerde 3] heeft deze kosten voldoende gespecificeerd. De overzichten vermelden de datum waarop werkzaamheden zijn verricht, de hoeveelheid bestede tijd, een omschrijving van de verrichting en het toepasselijke uurtarief. Deze specificatie is voldoende gedetailleerd voor [appellanten] om daartegen concrete bezwaren te uiten. Dat hebben zij nagelaten. Het hof acht de door [geïntimeerde 3] opgevoerde hoeveelheid aan de zaak bestede tijd, gelet op de omvang van het dossier, redelijk. Ook de gehanteerde uurtarieven acht het hof redelijk. Het totaal van de door [geïntimeerde 3] gevorderde overige kosten is naar oordeel van het hof redelijk.
5.38.
[appellanten] hebben verder naar voren gebracht dat de als overige kosten gevorderde schade van [geïntimeerde 3] , schade betreft die niet [geïntimeerde 3] zelf maar haar kantoor heeft geleden. Dit is op zich juist maar betekent niet dat deze kosten niet als schade kunnen worden aangemerkt. Het blijven immers kosten die zijn veroorzaakt door de door [appellanten] gepleegde onrechtmatige daad, waarvan het hof hiervoor heeft geoordeeld dat deze de zogeheten dubbele redelijkheidstoets doorstaan. De vervolgvraag is dan of [geïntimeerde 3] gerechtigd is deze kosten in deze procedure te vorderen. Het hof overweegt hierover als volgt.
5.39.
[geïntimeerde 3] heeft in reactie op het verweer van [appellanten] een brief van haar kantoor overgelegd waarin staat dat het kantoor [geïntimeerde 3] op grond van lastgeving opdracht heeft gegeven de door het kantoor geleden schade op [appellanten] te verhalen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde 3] zich uitdrukkelijk op lastgeving beroepen. [appellanten] hebben bezwaar gemaakt tegen het overleggen van de bedoelde brief en het beroep op lastgeving. Volgens [appellanten] is dit in strijd met de goede procesorde en de tweeconclusieregel. Het hof verwerpt dit betoog van [appellanten] Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een lasthebber die in rechte optreedt ten behoeve van een ander (de lastgever), niet gehouden is in de dagvaarding of anderszins te vermelden dat hij ter behartiging van de belangen van een ander optreedt. Pas als een verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is op eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden. Dit verweer van [appellanten] is bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep gevoerd en [geïntimeerde 3] heeft daarop bij de eerstvolgende mogelijkheid, de mondelinge behandeling, een beroep op lastgeving gedaan. Dit stond haar vrij. De goede procesorde en de tweeconclusieregel staan daaraan niet in de weg. Het hof verwerpt om deze reden ook het bezwaar van [appellanten] tegen het overleggen van de bedoelde brief, die overigens tijdig voor de zitting in het geding is gebracht. Met die brief heeft [geïntimeerde 3] genoegzaam aangetoond dat zij uit hoofde van lastgeving bevoegd is op eigen naam ten behoeve van haar kantoor op te treden. Dit betekent dat ook het door [geïntimeerde 3] in hoofdsom van [appellanten] gevorderde bedrag toewijsbaar is: tegen de omvang van de gevorderde juridische kosten is geen verweer gevoerd en het verweer tegen de omvang van de gevorderde overige kosten is hiervoor verworpen.
5.40.
[geïntimeerden] vorderen niet langer verwijzing naar de schadestaatprocedure en een voorschot op de schade. Het hof zal om die reden de onderdelen 8.6, 8.7 en 8.8. van het dictum van het bestreden vonnis vernietigen en in plaats daarvan [appellanten] veroordelen tot betaling aan respectievelijk [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] van de door hen gevorderde en hiervoor als redelijk beoordeelde bedragen. De gevorderde hoofdelijkheid is toewijsbaar. [appellanten] hebben hiertegen ook in hoger beroep geen verweer gevoerd en evenmin een grief gericht tegen de hoofdelijke veroordeling tot het betalen van schadevergoeding, die de rechtbank heeft uitgesproken. Het hof tekent hierbij aan dat met de vernietiging van onderdeel 8.8 van het dictum de titel voor het daarin toegewezen voorschot van € 200.000 (met rente) komt te vervallen. Omdat het totaalbedrag van de bedragen die in dit arrest zullen worden toegewezen hoger is dan € 200.000 (met rente), is de vordering van [appellanten] tot terugbetaling van wat ter uitvoering van het bestreden vonnis is betaald, niet toewijsbaar. Het hof gaat ervan uit dat, zoals ook op de mondeling behandeling aan de orde is geweest, partijen dit praktisch zullen oplossen.
5.41.
[geïntimeerden] vorderen wettelijke rente over de bedragen waaruit hun juridische kosten en hun overige kosten zijn opgebouwd. Voor de juridische kosten vorderen zij de wettelijke rente vanaf de data waarop de onderscheidenlijke facturen zijn betaald, zoals vermeld in de kolom ‘laatste betaaldatum in hun producties 54 ( [geïntimeerde 2] ) respectievelijk 55 ( [geïntimeerde 3] ). Voor hun overige kosten vorderen zij, naar het hof begrijpt, de wettelijke rente vanaf de eerste dag na het einde van de maand waarin de relevante uren zijn gemaakt, zoals vermeld in hun producties 50/56 ( [geïntimeerde 2] ) en 51/57 ( [geïntimeerde 3] ). Deze ingangsdata, waartegen [appellanten] geen verweer hebben gevoerd, zijn als gegrond op de wet toewijsbaar.
Verklaring voor recht verweerkosten (vordering 5)
5.42.
Met vordering 5 beogen [geïntimeerden] te laten vaststellen dat hun verweerkosten (juridische kosten en overige kosten, zoals hiervoor beoordeeld) kunnen worden verhaald op het bedrag van € 1 miljoen dat op grond van de beschikking van de Ondernemingskamer van 8 juli 2019 hiervoor is gereserveerd (zie 3.15). Uit de overwegingen in de beschikking van de Ondernemingskamer blijkt dat het doel hiervan was dat een bedrag van € 1 miljoen buiten het vermogen en de macht van [geïntimeerde 1] zou worden geplaatst. Dat bedrag zou kort gezegd dienen ter voldoening van kosten van verweer van [geïntimeerden] ter zake de vaststelling van aansprakelijkheid jegens [geïntimeerde 1] en een aantal andere partijen vanwege onbehoorlijke taakvervulling en/of onrechtmatig handelen tijdens de tijdelijke aanstelling. Dit buiten het vermogen en de macht plaatsen van het bedrag is gebeurd doordat € 330.000 in escrow is geplaatst op de derdengeldenrekening van het kantoor [bedrijf 3] , terwijl [geïntimeerde 1] bij notariële akte € 670.000 schuldig heeft erkend aan [geïntimeerden] (zie 3.23 en 3.22).
5.43.
Volgens [appellanten] kunnen de verweerkosten van [geïntimeerden] niet worden verhaald op het bedrag van € 1 miljoen en moet deze vordering worden afgewezen. [appellanten] voeren aan dat het bedrag van € 1 miljoen uitsluitend is bedoeld voor de kosten van verweer ter zake de vaststelling van aansprakelijkheid van [geïntimeerden] jegens [geïntimeerde 1] en [appellanten] , vanwege onbehoorlijke taakvervulling en/of onrechtmatig handelen tijdens hun aanstelling. Op die onderwerpen heeft deze procedure geen betrekking. Deze procedure ziet op de vernietiging van besluiten en niet op de vaststelling van aansprakelijkheid, aldus steeds [appellanten]
5.44.
Dit verweer gaat niet op. Uit de strekking van de beschikking van de Ondernemingskamer van 8 juli 2019 (rov. 3.18 e.v.) volgt dat het doel waarvoor het gereserveerde bedrag van € 1 miljoen kan worden aangewend, ruim moet worden uitgelegd. Ook verweerkosten gemaakt voor procedures die niet rechtstreeks zien op de vaststelling van aansprakelijkheid van [geïntimeerden] maar daar wel mee verband houden en/of een opmaat voor (kunnen) vormen, kunnen op dit bedrag worden verhaald (vergelijk ook de beschikking van de Ondernemingskamer in de zogeheten Monitor-zaak, Gerechtshof Amsterdam 23 december 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:4259). De verweerkosten van [geïntimeerden] voor deze procedure houden verband met hun (mogelijke) aansprakelijkheid. Hiervoor is mede van belang dat [appellanten] en [geïntimeerde 1] voorafgaand aan deze procedure aan [geïntimeerden] de in 3.28 genoemde brieven hebben gestuurd die [geïntimeerden] redelijkerwijs mochten opvatten als aansprakelijkheidstellingen, dat [appellanten] in deze procedure aanvankelijk ook de vernietiging van besluiten hebben gevorderd die zien op de décharge van [geïntimeerde 2] en de aan hem verleende finale kwijting en dat [appellanten] aan hun vorderingen mede ten grondslag hebben gelegd dat [geïntimeerden] hun taak onbehoorlijk hebben vervuld. Dat [appellanten] en [geïntimeerde 1] de aansprakelijkstellingen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] uiteindelijk tijdens de zitting in hoger beroep hebben ingetrokken, doet aan het voorgaande niet af. [geïntimeerden] hadden hun verweerkosten toen immers al gemaakt.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen.
Verklaring voor recht kosten tuchtrechtelijke procedure (vordering 6)
5.45.
Deze verklaring voor recht is niet toewijsbaar. De kosten die [geïntimeerde 2] heeft gemaakt in de tuchtrechtelijke procedure tegen de voormalig advocaat van [appellanten] kunnen niet als redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade worden gezien. Dat de tuchtrechtprocedure in belangrijke mate een ondersteuning en bevestiging van de stellingen van [geïntimeerden] in deze procedure betreft, zoals [geïntimeerden] stellen, is hiervoor niet toereikend (vergelijk HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4097). Dit te meer omdat [appellanten] de verschuldigdheid van deze kosten gemotiveerd hebben betwist en [geïntimeerden] dit onweersproken hebben gelaten.
Immateriële schade (vorderingen 7 en 8)
5.46.
Op grond van artikel 6:106 BW Pro heeft een benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding in een aantal (limitatief) omschreven gevallen. [geïntimeerden] hebben aan hun vorderingen 7 en 8 ten grondslag gelegd dat zij immateriële schade hebben geleden vanwege de onrechtmatigheid van de door [appellanten] jegens hen ondernomen procesgang. Zij wijzen op processtukken uit de eerste aanleg, die wegens schending van de waarheidsplicht onrechtmatig jegens hen zijn. [geïntimeerden] stellen dat [appellanten] het oogmerk hadden hen nadeel dat niet in vermogensschade bestaat toe te brengen (artikel 6:106 sub a BW Pro), dat zij daarmee in hun eer en goede naam zijn geschaad of op een andere wijze in hun persoon zijn aangetast (artikel 6:106 sub b BW Pro).
5.47.
Wil immateriële schade toewijsbaar zijn op de grond (a) van artikel 6:106 BW Pro dan is daarvoor vereist dat het oogmerk gericht was op het toebrengen van specifiek de immateriële schade. De enkele omstandigheid dat iemand opzettelijk een situatie heeft geschapen waardoor ander nadeel dan vermogensschade is toegebracht, kan de gevolgtrekking dat deze het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen niet dragen (HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:868). [geïntimeerden] hebben niet gesteld dat [appellanten] bij hun onrechtmatig handelen het hiervoor bedoelde oogmerk hadden, zodat de vorderingen niet op deze grond toewijsbaar zijn.
5.48.
Wel kan worden aangenomen dat [geïntimeerden] door de inhoud van de processtukken in hun eer en goede naam zijn aangetast. Deze processtukken bevatten onder meer ongegronde beschuldigingen aan het adres van [geïntimeerden] (zie met name de overwegingen van het hof over grief 9, rov. 5.22 e.v.). In dit oordeel ligt besloten dat een inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerden] , waarmee een aanspraak op een (naar billijkheid vast te stellen) schadevergoeding wegens een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder Pro b BW is gegeven (zie ook HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:851). Het hof stelt de door [appellanten] te betalen schadevergoeding naar billijkheid vast op € 1.000. De gevorderde hoofdelijkheid is niet betwist en toewijsbaar. De door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] geleden schade is het gevolg van een gezamenlijk door [appellanten] gepleegde onrechtmatige daad. Gelet op de overwegingen in dit arrest en de veroordeling van [geïntimeerden] om de immateriële schade die [geïntimeerden] hebben geleden te vergoeden, hebben [geïntimeerden] geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht op dit punt, zodat die zal worden afgewezen.
In het principaal en het incidenteel hoger beroep
5.49.
[appellanten] hebben met grief 10 erover geklaagd dat de rechtbank hen niet heeft toegelaten tot bewijslevering. Zij hebben in hoger beroep naast een algemeen bewijsaanbod, ook bewijs (onder meer door getuigen) aangeboden van specifiek door hen genoemde stellingen. Zij hebben daarbij echter geen bewijs aangeboden van feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst van de zaak kunnen leiden. Ook [geïntimeerden] hebben dergelijk bewijs niet aangeboden. Om die reden verwerpt het hof de bewijsaanbiedingen van partijen.
5.50.
De slotsom is dat het principaal hoger beroep faalt en dat het incidenteel hoger beroep gedeeltelijk succes heeft. De in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [geïntimeerden] zullen op de wijze als hierna vermeld worden toegewezen en voor het overige worden afgewezen. Omdat de door [geïntimeerden] gemaakte proceskosten in deze zaak als schadevergoeding worden toegewezen bestaat geen aanleiding daar bovenop nog een aparte proceskostenveroordeling voor salaris ten gunste van hen uit te spreken [appellanten] zal wel – hoofdelijk, gelet op HR 23 december 2022, ECLI:HR:2022: 1942 – worden veroordeeld tot betaling van € 349 wegens het griffierecht dat aan [geïntimeerden] in rekening is gebracht.
5.51.
[appellanten] zijn in het principaal hoger beroep tegen [geïntimeerde 1] in het ongelijk gesteld. Zij zullen daarom eveneens hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde 1] in hoger beroep, waarbij het salaris, gelet op de volledige referte en de verschijning ter zitting, in totaal op 1 punt wordt gesteld. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:
- verschotten (griffierecht): € 798
- salaris:
€ 1.290(tarief II, 1 punt)
Totaal: € 2.088

6.Beslissing

Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel hoger beroep:
6.1.
vernietigt het bestreden vonnis uitsluitend voor zover het betreft de onderdelen van het dictum onder 8.6, 8.7 en 8.8 en de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze onderdelen (8.14);
en doet in zoverre opnieuw recht:
6.2.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan [geïntimeerde 2] te betalen een bedrag van € 464.440,72 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de data genoemd in rov. 5.41 tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan [geïntimeerde 3] te betalen een bedrag van € 122.945,36 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van de data genoemd in rov. 5.41 tot de dag van volledige betaling;
6.4.
verklaart voor recht dat de verweerkosten van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] als bedoeld in rov. 5.42 kunnen worden verhaald op het bedrag van € 1 miljoen dat op grond van de beschikking van de Ondernemingskamer van 8 juli 2019 buiten het vermogen van [geïntimeerde 1] is geplaatst;
6.5.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan [geïntimeerde 2] te betalen een bedrag van
€ 1.000;
6.6.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan [geïntimeerde 3] te betalen een bedrag van € 1.000;
6.7.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk om aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag van € 349;
6.8.
verklaart de veroordelingen in 6.2, 6.3, 6.5, 6.6 en 6.7 uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
bepaalt dat het onder 8.9 van het bestreden vonnis vermelde verbod niet geldt voor een tegen dit arrest in te stellen rechtsmiddel;
6.10.
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige, voor zover dat vonnis is onderworpen aan het oordeel van het hof;
6.11.
veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] , tot aan vandaag vastgesteld op € 2.088;
6.12.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.J. Bisschop, S.C.H. Molin en O.J. van Leeuwen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.