Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1547

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
200.346.656/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 230 lid 1 onder e RvArt. 149 lid 1 RvArt. 195 Rv (oud)Art. 130 lid 2 RvArt. 3.6 Cliëntovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid beleggingsonderneming voor vertraagde overboeking effectenportefeuille na opzegging overeenkomst

De appellant gaf op 5 november 2020 opdracht aan DeGiro om zijn effectenportefeuille over te boeken naar Lynx, nadat DeGiro de overeenkomst had beëindigd. De overboeking werd pas op 17 maart 2021 voltooid, ruim vier maanden later dan de gebruikelijke termijn van enkele weken. De appellant stelde dat DeGiro en Lynx tekort waren geschoten en daardoor schade hadden veroorzaakt.

De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof oordeelde dat DeGiro na 15 januari 2021 de overboeking had moeten voltooien en daarmee tekort was geschoten. De vertraging was deels te wijten aan de appellant zelf, maar ook aan DeGiro, die onvoldoende voortvarend handelde. Lynx werd niet aansprakelijk gehouden omdat zij niet de opdrachtnemer was voor de overboeking.

Het hof stelde dat de hoedanigheid van de appellant (consument of professioneel belegger) relevant is voor de toepassing van het exoneratiebeding in de overeenkomst met DeGiro. Dit zal nader worden onderzocht. Tevens is een deskundigenonderzoek bevolen om de schade door de vertraging te bepalen. De vermeerderde eis tegen Lynx wegens onrechtmatige verkoop van aandelen en sluiting van short-opties wordt toegewezen wegens gebrek aan verweer.

Uitkomst: DeGiro is tekortgeschoten in de nakoming van de overboeking en in beginsel aansprakelijk voor de schade door vertraging; Lynx is niet aansprakelijk; nader onderzoek naar hoedanigheid en schade wordt bevolen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.346.656/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/732417 / HA ZA 23-370
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. L.F.P. Coehorst te Utrecht,
tegen

1.de rechtspersoon naar buitenlands recht

FLATEXDEGIRO BANK DUTCH BRANCH,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
advocaat: mr. M. van Schoonhoven te Amsterdam.
2. de besloten vennootschap
LYNX B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. W.P. Wijers te Amsterdam,
geïntimeerden.
Partijen worden hierna [appellant] , DeGiro en Lynx genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[appellant] heeft DeGiro op 5 november 2020 opgedragen om zijn beleggingsportefeuille over te boeken naar Lynx. Deze opdracht is ruim vier maanden later, op 17 maart 2021 voltooid. [appellant] stelt dat DeGiro en/of Lynx zijn tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis om de overboeking met bekwame spoed tot stand te brengen en dat hij door die tekortkoming schade heeft geleden.
1.2.
De rechtbank heeft de vordering van [appellant] ten aanzien van zowel DeGiro als Lynx afgewezen. Tegen die afwijzing komt [appellant] in dit hoger beroep op. Daarbij heeft hij ook zijn eis ten aanzien van Lynx vermeerderd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellant] is bij dagvaarding van 9 april 2024 in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de rechtbank Amsterdam op 10 januari 2024, onder bovenvermeld zaaknummer, heeft gewezen tussen [appellant] als eiser en DeGiro en Lynx als gedaagden.
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met productie, die tevens een vermeerdering van eis inhoudt;
- memorie van antwoord van Lynx, met producties;
- memorie van antwoord van DeGiro, met producties;
- akte overlegging aanvullende producties van [appellant] ;
- antwoordakte van DeGiro;
- antwoordakte van Lynx.
2.3.
Op 27 maart 2026 heeft het hof de zaak mondeling behandeld. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun advocaten, Lynx mede door mr. B.T. Klinger, advocaat te Amsterdam. Daarbij is gebruikgemaakt van spreekaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd.
2.4.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
Onder 2.1 tot en met 2.16 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank opgesomd welke feiten tussen partijen vaststaan. Tegen die opsomming heeft [appellant] zijn eerste zes grieven gericht. Die grieven falen voor zover zij feiten betreffen die voor de beslissing in deze zaak niet relevant zijn (art. 230 lid 1 onder Pro e Rv), voor zover de door [appellant] bedoelde feiten niet vaststaan omdat ze door DeGiro en Lynx voldoende gemotiveerd zijn bestreden (art. 149 lid 1 Rv Pro), en voor zover bij die grieven aan een vaststaand feit een juridische gevolgtrekking wordt verbonden.
De stelling van [appellant] dat als een vaststaand feit moet worden aangemerkt dat hij bij aangetekende brief van 31 december 2020 DeGiro om informatie heeft gevraagd, faalt omdat DeGiro de ontvangst van de brief ontkent.
3.2.
In dit hoger beroep zijn de volgende feiten tussen partijen niet in geschil.
3.3.
[appellant] is een belegger. DeGiro is een beleggingsonderneming die "execution only" diensten aanbiedt, in het bijzonder een platform waarmee haar klanten kunnen beleggen in effecten. Lynx is een beleggingsonderneming die bemiddelt bij de aan- en verkoop van effecten, door middel van Interactive Brokers Ireland Ltd (hierna: IB), die optreedt als “broker”.
3.4.
Op 1 mei 2014 heeft [appellant] met DeGiro een overeenkomst gesloten, op grond waarvan hij door middel van DeGiro belegde in effecten en, met zijn effecten als onderpand, geld van DeGiro leende om te beleggen (zogenoemde “margin lending”).
3.5.
De Giro heeft de overeenkomst met [appellant] begin november 2020 beëindigd en het account van [appellant] geblokkeerd, op de grond dat [appellant] DeGiro niet in staat stelde om het voor DeGiro verplichte cliëntonderzoek te verrichten. [appellant] betwistte dit. DeGiro heeft [appellant] bij e-mail van 4 november 2020 de mogelijkheid gegeven om zijn portefeuille over te boeken naar een andere bank of broker.
3.6.
Op 5 november 2020 hebben [appellant] en Lynx een cliëntovereenkomst gesloten. Bij e-mail van dezelfde datum heeft Lynx DeGiro verzocht om de effectenportefeuille van [appellant] over te boeken. Daarbij heeft Lynx aan [appellant] kenbaar gemaakt dat de levering van Nederlandse effecten via haar broker IB dient plaats te vinden.
Lynx heeft dezelfde dag per e-mail [appellant] van haar verzoek aan DeGiro op de hoogte gesteld en hem erop gewezen dat de overboeking enkele weken in beslag kan nemen, waarbij Lynx afhankelijk was van DeGiro. Verder schreef Lynx in deze e-mail dat de overboekingsservice van haar kant kosteloos was, maar dat de bank waar de portefeuille wordt aangehouden kosten in rekening kan brengen voor de overboeking.
3.7.
Bij e-mail van 18 november 2020 heeft DeGiro aan [appellant] geschreven dat zij een overboekingsverzoek van Lynx heeft ontvangen, dat ze € 100 per positie rekent voor het overboeken naar een andere broker, dat het in de meeste gevallen voordeliger is om de effecten te verkopen en weer te kopen bij de nieuwe bank of broker, en [appellant] gevraagd of hij de overboeking van zijn effectenportefeuille wenst voort te zetten.
3.8.
[appellant] heeft vervolgens een aantal posities verkocht en via IB en Lynx nieuwe effecten gekocht. Een grote positie in Snowworld wilde [appellant] echter niet verkopen omdat Snowworld op dat moment die aandelen zelf inkocht en daarna niet meer op de markt bracht. Deze aandelen evenals zes andere posities wenste [appellant] over te boeken naar DeGiro.
3.9.
Bij e-mail van 25 november 2020 heeft [appellant] zich bij DeGiro over (onder meer) de traagheid van het overboekingsproces beklaagd, DeGiro tot 30 november 2020, 23:59 uur, de tijd gegeven om de overboeking van zijn effectenportefeuille kosteloos te voltooien en DeGiro te kennen gegeven niet te willen betalen voor de overboekingen.
3.10.
Nadat een klachtprocedure bij DeGiro over de overboekingskosten niet tot het door hem beoogde resultaat had geleid, heeft [appellant] bij e-mail van 7 december 2020 aan DeGiro bericht dat hij alsnog instemde met de overboekingskosten.
3.11.
Bij e-mail van 14 december 2020 heeft DeGiro [appellant] erop gewezen dat een aandelenoptie in zijn portefeuille op l8 december 2020 zou verlopen en hem gevraagd of hij de optie wil uitoefenen, verkopen of laten expireren. [appellant] heeft op deze e-mail niet gereageerd. De optie is geëxpireerd.
3.12.
Bij e-mail van 11 januari 2021 heeft DeGiro Lynx erop gewezen dat de effectenportefeuille van [appellant] ten gevolge van de expiratie van de optie was veranderd en om een bevestiging gevraagd dat ze de portefeuille niettemin accepteert.
3.13.
Nadat [appellant] DeGiro bij brief van 11 februari 2021 aansprakelijk had gesteld en haar had gesommeerd om de overboeking van zijn effectenportefeuille uiterlijk op 16 februari 2021 te voltooien, heeft DeGiro bij e-mail van l6 februari 2021 onder meer geantwoord dat de overboeking bleef steken op het uitblijven van een reactie van Lynx. Lynx heeft, eveneens bij e-mail van l6 februari 2021, zich jegens DeGiro verontschuldigd voor haar vertraagde reactie en DeGiro verzocht de portefeuille van [appellant] aan het overboekingsteam van IB aan te bieden.
De overboeking van de effectenportefeuille van [appellant] is op 17 maart 2021 voltooid.
3.14.
Op 4 maart 2022 steeg de waarde van de aandelen van [appellant] , waardoor het risico van zijn short-opties toenam. Daarop heeft Lynx [appellant] ’ marginverplichting aangepast, wat tot gevolg had dat [appellant] aanvullende zekerheid moest stellen. Lynx heeft vervolgens de zogenoemde BCEL-aandelen van [appellant] verkocht. Omdat de opbrengst van deze verkoop niet voldoende was om het margintekort aan te zuiveren, heeft [appellant] bovendien short-opties voortijdig en met verlies moeten sluiten.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd (kort gezegd) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (1) voor recht verklaart dat DeGiro respectievelijk Lynx is tekortgeschoten in de nakoming van haar cliëntovereenkomst met [appellant] dan wel onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door, kort gezegd, te talmen bij de overboeking van zijn effectenportefeuille, en (2) DeGiro en Lynx hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 111.796,34, met rente en kosten, althans tot schadevergoeding op te maken bij staat, met rente. Voorts heeft hij de veroordeling van DeGiro gevorderd tot betaling van € 4.223,40 met rente, althans tot schadevergoeding op te maken bij staat, wegens het negeren van een opdracht tot het uitoefenen van twee opties, inclusief rendement en tijd van [appellant] .
4.2.
De rechtbank heeft de vordering die betrekking heeft op de overboeking van de effectenportefeuille, afgewezen op de grond dat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] schade heeft geleden en dat daarom niet van een tekortkoming van DeGiro of Lynx kan worden uitgegaan. Met betrekking tot de vordering aangaande de opties heeft de rechtbank overwogen dat DeGiro [appellant] , lopende de procedure, door betaling van € 5.022,61, met rente, afdoende schadeloos heeft gesteld. [appellant] is veroordeeld in de kosten van Lynx. De kosten tussen [appellant] en DeGiro zijn gecompenseerd.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] is tegen het vonnis opgekomen met achttien grieven, waarvan de grieven I tot en met VI hierboven zijn beoordeeld. [appellant] wil dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat zijn vorderingen alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, worden toegewezen, met inachtneming van de eisvermeerdering zoals opgenomen in Grief XVIII. Die eisvermeerdering, die door de rechtbank is geweigerd, houdt in dat Lynx (ook) wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die [appellant] in 2022 heeft geleden door de liquidatie van zijn BCEL-aandelen en het voortijdig sluiten van de short-opties. Verder vordert [appellant] restitutie van alles dat hij aan Lynx ter voldoening aan het vonnis heeft betaald, met rente, en dat DeGiro en Lynx hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van beide instanties, met rente.
5.2.
Volgens DeGiro en Lynx moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

6.Beoordeling

Niet-uitoefening opties
6.1
Tegen de beslissing van de rechtbank (rov. 4.11-4.13) dat [appellant] door de betaling van DeGiro van € 5.022,61, met rente, voldoende is gecompenseerd voor zijn schade ten gevolge van de niet-uitoefening van twee opties, en dat zijn vordering tot vergoeding van gederfd rendement en eigen kosten niet toewijsbaar is, heeft [appellant] geen (voldoende kenbare) grief aangevoerd. Deze beslissing van de rechtbank valt daarmee buiten de grenzen van dit hoger beroep.
Overboeking effectenportefeuille
6.2.
Door zijn zevende grief voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of DeGiro en Lynx zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verbintenis om de effectenportefeuille van [appellant] binnen een redelijke termijn nadat hij zijn wens daartoe kenbaar had gemaakt, over te boeken van DeGiro naar Lynx. Door zijn achtste tot en met twaalfde grief voert [appellant] aan (kort gezegd) dat de rechtbank zijn vorderingen niet heeft kunnen afdoen met de overweging dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de tekortkoming van DeGiro en/of Lynx schade heeft geleden, omdat voor de (mede) gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure volstaat dat [appellant] de mogelijkheid aannemelijk maakt dat hij schade heeft geleden.
Het hof oordeelt hierover als volgt.
6.3.
Het is in deze zaak een gegeven dat de contractuele relatie tussen [appellant] en DeGiro begin november 2020 op initiatief van DeGiro is geëindigd. Het feit dat de overeenkomst met DeGiro is beëindigd en de overboeking daardoor noodzakelijk is geworden, staat als zodanig niet ter discussie. Op 4 november 2020 heeft DeGiro [appellant] de suggestie gedaan om zijn portefeuille over te boeken naar een andere bank of broker. Op 5 november 2020 heeft [appellant] daartoe opdracht gegeven. De opdracht is pas (volledig) uitgevoerd op 17 maart 2021, dus ruim vier maanden later. In de – door DeGiro zelf ingeroepen – conclusie van Plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense voor HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4440, staat (onder 27) dat Klachtencommissie DSI (thans: Kifid) aanvaardbaar vindt dat met de overboeking van een effectenportefeuille ongeveer twee weken zijn gemoeid. Ter zitting voor het hof heeft DeGiro hierover aangevoerd dat de conclusie uit 2013 dateert en dat inmiddels langere termijnen gebruikelijk zijn en door het Kifid acceptabel worden geacht. Daarbij heeft DeGiro een indicatieve termijn van vier tot zes weken voor een standaardsituatie genoemd. In reactie hierop heeft [appellant] onweersproken gesteld dat DeGiro op haar website een termijn van drie weken als indicatie noemt.
Uiteindelijk is de vraag op welke termijn een beleggingsonderneming bij beëindiging van de relatie moet zorgdragen voor de overboeking, niet in algemene zin te beantwoorden maar afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
6.4.
Uit de vaststaande feiten blijkt dat [appellant] ten dele zelf verantwoordelijk is voor het feit dat de overboeking van zijn portefeuille ter waarde van circa € 300.000 ruim vier maanden in beslag heeft genomen. Hij heeft geweigerd de (relatief geringe) overboekingskosten van in totaal € 700 te betalen waarop DeGiro aanspraak maakte, hoewel ook Lynx hem al op 5 november 2020 voor zulke kosten had gewaarschuwd (vgl. 3.5). Vervolgens heeft hij over die kosten een klachtprocedure bij DeGiro doorlopen en heeft hij niet gereageerd op een verzoek van DeGiro wat er moest gebeuren met een optie die dreigde te expireren. Daarop is die optie geëxpireerd en veranderde de samenstelling van zijn effectenportefeuille, wat – door [appellant] niet betwist – noodzaakte tot nadere correspondentie tussen DeGiro en Lynx. Het valt DeGiro niet aan te rekenen dat zij in verband met deze omstandigheden geen gevolg respectievelijk vervolg gaf aan de opdracht van [appellant] .
6.5.
Tegenover de vertragende omstandigheden die voor risico en rekening komen van [appellant] , staat dat ook opdrachtnemer DeGiro een rol heeft gespeeld in de lange tijd die de overboeking heeft gevergd. Zij heeft na ontvangst van de overboekingsopdracht op 5 november 2020 [appellant] pas op 18 november 2020 op de kosten gewezen, terwijl zij dat al in haar bericht aan [appellant] van 4 november 2020 althans onmiddellijk na de overboekingsopdracht van 5 november 2020 had kunnen doen. Ook zit er een lange periode tussen het expireren van de optie op 18 december 2020 en de vraag van DeGiro aan Lynx op 11 januari 2021 of deze omstandigheid voor haar aanvaarding van de effectenportefeuille van [appellant] van belang was. Ook daarna is DeGiro kennelijk passief gebleven tot 16 februari 2021 (vgl. 3.12), waarna Lynx groen licht gaf voor de overboeking. Vervolgens heeft het nog eens één maand geduurd voordat de overboeking daadwerkelijk werd voltooid. De redenen die DeGiro daarvoor ter zitting van het hof heeft gegeven – drukte in haar organisatie door veel nieuwe klanten en het aan de coronatijd inherente verzuim in haar organisatie – komen niet voor risico en rekening van [appellant] . Ook voor zover de vertraging feitelijk is veroorzaakt doordat Lynx niet of met vertraging op verzoeken van [appellant] reageerde, komt dat in de relatie tot [appellant] voor risico en rekening van DeGiro. Ook als “low cost broker” had DeGiro rekening te houden met het gerechtvaardigde belang van [appellant] bij een voortvarende overboeking van zijn portefeuille en daarin een actieve houding aan te nemen.
6.6.
Het een en ander overziende, is het hof van oordeel dat DeGiro het er na de mededeling van [appellant] op 7 december 2020 dat hij de overboekingskosten zou betalen en na het expireren van de optie op 18 december 2020, toe had kunnen en moeten leiden dat de effectenportefeuille van [appellant] uiterlijk op 15 januari 2021 via IB was overgeboekt naar Lynx. Door die overboeking pas op 17 maart 2021 te voltooien, is zij in zoverre tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis om de effectenportefeuille van [appellant] binnen een redelijke termijn over te boeken naar Lynx. Voor de schade die [appellant] heeft geleden doordat de overboeking niet al op 15 januari 2021 maar pas op 17 maart 2021 was voltooid, is DeGiro in beginsel aansprakelijk.
6.7.
Het verweer van De Giro dat de vertraging in de overboeking deels aan [appellant] zelf is te wijten en dat hij in zoverre eigen schuld aan zijn schade heeft, is hiermee eveneens geredresseerd. Voor zover het beroep op eigen schuld betrekking heeft op de beslissing van [appellant] om niet zijn gehele portefeuille bij DeGiro te liquideren, wordt het verworpen omdat [appellant] een aannemelijke verklaring voor die beslissing heeft gegeven (zie hiervoor, onder 3.8), die door DeGiro niet is weerlegd.
Hoedanigheid [appellant] en exoneratiebeding DeGiro
6.8.
DeGiro heeft zich ter zake van haar aansprakelijkheid ook verweerd door een beroep op het exoneratiebeding in artikel 13.2 van de Cliëntovereenkomst, waarin de aansprakelijkheid van DeGiro is beperkt tot de schade die door haar handelen of nalaten is ontstaan en het directe en voorzienbare gevolg is van haar opzet of grove schuld.
6.9.
In het verband van het beroep van DeGiro op dit exoneratiebeding – dat geen kernbeding is – is naar het oordeel van het hof de hoedanigheid van belang waarin [appellant] de overeenkomst met DeGiro is aangegaan. Als [appellant] de overeenkomst in een beroepsmatige hoedanigheid is aangegaan, houdt het beroep van DeGiro op het exoneratiebeding stand, nu het niet ziet op de kern van haar prestatie en – zie ook haar (onbestreden) verklaring voor de vertraging (rov. 6.5) – van haar opzet of grove schuld ter zake van het ontstaan van de schade niet is gebleken. Maar als [appellant] de overeenkomst is aangegaan in de hoedanigheid van een consument, is niet uit te sluiten dat hij terecht stelt dat het exoneratiebeding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG en hem daarom niet bindt. Vooralsnog kan er niet van worden uitgegaan dat [appellant] in evenwichtige onderhandelingen zou hebben aanvaard dat DeGiro eenzijdig haar aansprakelijkheid uitsloot voor schade die [appellant] zou lijden doordat DeGiro niet voortvarend uitvoering zou geven aan een overboekingsopdracht waartoe [appellant] genoodzaakt zou zijn door een opzegging van de overeenkomst door DeGiro. Het beding verstoort dan, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk, ten nadele van [appellant] .
6.10.
[appellant] heeft gesteld dat hij de overeenkomst in een niet-professionele beleggershoedanigheid – want als consument – is aangegaan. DeGiro heeft in haar conclusie van antwoord echter gewezen op (i) een brief van [appellant] waarin hij spreekt over schade van “achterliggende partijen”, (ii) haar afwijzende antwoord op die brief waarin zij zich beroept op art. 3.6 van de Cliëntovereenkomst houdende een garantie van [appellant] dat hij de overeenkomst in eigen naam en niet als vertegenwoordiger van een ander is aangegaan en waarop [appellant] niet heeft gereageerd, en (iii) het LinkedIn-profiel van [appellant] waarin hij schrijft dat hij sinds 2014 een persoonlijk investeringsfonds beheert. Daarbij komt dat [appellant] ter zitting in eerste aanleg heeft gesteld dat hij niet alleen met (geleend) geld ván maar ook vóór zijn vader belegde.
Het hof acht het debat over de hoedanigheid waarin [appellant] op 1 mei 2014 de overeenkomst met DeGiro heeft gesloten, onvoldoende uitgekristalliseerd. Het hof zal [appellant] en DeGiro – [appellant] eerst – gelegenheid bieden om bij akte hun desbetreffende stellingen nader te onderbouwen. Als [appellant] handhaaft en aantoont dat hij de overeenkomst in de hoedanigheid van consument heeft gesloten, is zijn schadevergoedingsvordering op grond van het hierna onder 6.12 e.v. overwogene mogelijk toewijsbaar. Als blijkt dat [appellant] de overeenkomst in een professionele hoedanigheid is aangegaan, stuit zijn vordering af op het exoneratiebeding van DeGiro.
Aansprakelijkheid Lynx
6.11.
Naar het oordeel van het hof is Lynx niet medeaansprakelijk voor de schade ten gevolge van de vertraging in de overboeking. Weliswaar heeft Lynx in haar e-mail van 5 november 2020 aan [appellant] geschreven dat ze erop zal toezien dat het overboekingsproces zo probleemloos mogelijk zal verlopen, maar ze heeft terecht aangevoerd dat zij niet de opdrachtnemer van [appellant] is wat betreft deze overboeking. Daaruit volgt dat [appellant] niet aan Lynx kan tegenwerpen dat de vertraging feitelijk aan haar is te wijten. In het midden kan daarom blijven in hoeverre de vertraging waarvoor DeGiro aansprakelijk is, in de relatie tussen Lynx en DeGiro voor rekening van de ene of de andere partij komt.
[appellant] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen dragen dat Lynx toerekenbaar onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld.
Begroting van de schade
6.12.
[appellant] heeft de mogelijkheid dat hij door de tekortkoming van DeGiro schade heeft geleden, voldoende aannemelijk gemaakt. In eerste aanleg is in dit kader slechts beoordeeld of (aannemelijk is geworden dat) [appellant] zijn portefeuille geheel of gedeeltelijk had willen verkopen en of [appellant] zo’n verkoopbedoeling aan DeGiro en/of Lynx kenbaar had gemaakt. Bij zijn grieven IX tot en met XVII heeft [appellant] echter aangevoerd dat hij zijn portefeuille bij DeGiro weliswaar gedeeltelijk heeft geliquideerd en bij Lynx weer heeft geactiveerd, maar dat hij deze mogelijkheid niet had voor zover het ging om het andere deel van zijn portefeuille, in het bijzonder zijn aandelen in SnowWorld, die in die zin illiquide waren dat ze na verkoop niet of slechts met groot verlies teruggekocht hadden kunnen worden. [appellant] had dan ook goede reden om zijn portefeuille bij DeGiro niet verder te liquideren. Dat neemt echter niet weg dat ze bij Lynx wel hun functie van onderpand konden vervullen. Maar doordat dit deel van zijn portefeuille bij DeGiro bleef hangen, werd hij beperkt in zijn mogelijkheid om te handelen met gebruikmaking van het onderpand van dat deel, wat tot gederfd rendement heeft geleid.
Deze stellingen van [appellant] zijn door DeGiro niet (voldoende gemotiveerd) bestreden. Ze maken voldoende aannemelijk dat [appellant] mogelijk schade heeft geleden. Die mogelijke schade wordt niet opgeheven doordat [appellant] DeGiro niet kenbaar zou hebben gemaakt dat zijn wens tot overboeking in dat teken stond. Het gaat hier immers om een inherent karakter van een effectenportefeuille, waarbij nog komt dat DeGiro op 4 november 2020 zelf [appellant] heeft geadviseerd zijn portefeuille over te boeken.
6.13.
Ter begroting van de schade die [appellant] heeft geleden doordat hij in de periode 15 januari-17 maart 2021 het deel van zijn effectenportefeuille dat niet naar Lynx was overgeboekt, niet heeft kunnen inzetten als onderpand en ten behoeve van margin lending, is het hof voornemens een deskundige op te dragen om de volgende vragen te beantwoorden:
(i) Welk rendement had [appellant] , in het licht van de wijze waarop hij voor het einde van de overeenkomst met DeGiro zijn effectenportefeuille ten behoeve van onderpand en margin lending inzette, redelijkerwijs kunnen behalen in de periode 15 februari–17 maart 2021?
(ii) Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang kunnen zijn?
In zijn oordeel dat aannemelijk is dat [appellant] ten gevolge van de tekortkoming van DeGiro mogelijk schade heeft geleden, ziet het hof aanleiding om in afwijking van artikel 195 Rv Pro (oud) [appellant] en DeGiro ieder voor de helft te belasten met het voorschot van het deskundigenonderzoek.
6.14.
In hun in rov. 6.10 bedoelde akte dienen [appellant] en DeGiro zich ook uit te laten over de formulering van de vragen aan en de persoon van de deskundige. Het hof geeft [appellant] en DeGiro in overweging om daarover vooraf in overleg te treden en te bezien of zij een eensluidend voorstel kunnen doen.
Eisvermeerdering
6.15.
Bij zijn achttiende grief heeft [appellant] zijn eis tegen Lynx vermeerderd, met dezelfde eis als die hij in eerste aanleg bij gelegenheid van de mondelinge behandeling had willen indienen, maar die de rechtbank toen niet heeft toegelaten. Lynx heeft op zichzelf terecht aangevoerd dat tegen een dergelijke beslissing geen rechtsmiddel openstaat (art. 130 lid 2 Rv Pro), maar de ratio van dat verbod is juist dat na het instellen van een rechtsmiddel de eis opnieuw kan worden vermeerderd (HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2914).Dat heeft [appellant] blijkens het opschrift van zijn memorie van grieven en zijn achttiende grief gedaan (ook al heeft hij deze eis niet nader toegelicht maar hiervoor (grotendeels) verwezen naar de overgelegde akte).
6.16.
De vermeerderde eis strekt tot veroordeling van Lynx tot vergoeding van schade van US$ 7.270,48. [appellant] stelt dat Lynx op 4 maart 2022 - nadat Lynx zijn marginverplichting ‘onrealistisch’ had verhoogd vanwege een forse waardestijging van zijn aandelen - zonder
margin callof waarschuwing, onaangekondigd en zelfstandig [appellant] ’ aandelen in BCEL heeft verkocht en aldus, zo begrijpt het hof dit betoog, in strijd met de tussen partijen geldende overeenkomst heeft gehandeld. Bovendien zag [appellant] zich genoodzaakt om openstaande short-opties voortijdig en met verlies te sluiten om aan de – in zijn visie te hoge – marginverplichting te voldoen. Daardoor stelt [appellant] rendement te hebben gederfd ter hoogte van US$ 7.270,48.
Lynx heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen die vordering, die het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en daarom bij het eindarrest zal worden toegewezen. Uit de stellingen van [appellant] volgt dat na deze verkopen correcte nakoming door Lynx van haar contractuele verplichtingen blijvend onmogelijk was, zodat zij meteen schadeplichtig werd en de wettelijke rente overeenkomstig de daartoe strekkende vordering toewijsbaar is vanaf 6 maart 2022.
Het verdere verloop van de procedure
6.17.
Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol en elke verdere beslissing aanhouden.

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
verwijst de zaak naar de rol van 7 juli 2026 voor een akte van [appellant] , als bedoeld in rov. 6.10 en 6.14;
7.2.
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. mr. M.A.M. Vaessen, mr. C. Bakker en mr. A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.