Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
Op 11 juni 2020 hebben wij, [naam 2] en ik de bevestiging getekend dat Ajax alle betalingen onder de opdrachtovereenkomst heeft voldaan en wij Ajax volledige kwijting verlenen.
4.Procedure bij de rechtbank
De tekst van de verklaring in de brief van 11 juni 2020 is volgens de rechtbank volstrekt duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. [appellant] verleent Ajax volledige en finale kwijting voor de gehele opdrachtovereenkomst, waarmee de scoutingsovereenkomst wordt bedoeld. Dat daarmee slechts de betalingen tot dat moment werden bedoeld, zoals door [appellant] is bepleit, valt daaruit niet af te leiden. Tussen partijen is niet in geschil dat Ajax tot dat moment aan de betalingsverplichtingen had voldaan. Ook is niet in geschil dat de scoutingsovereenkomst zou eindigen per 1 september 2020, omdat die voor bepaalde tijd was overeengekomen en niet werd verlengd. Gelet hierop ligt het zelfs voor de hand dat de kwijting juist is bedoeld om ook de verplichtingen onder artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst te beëindigen, omdat dat nog de enige verplichtingen waren. Dat [appellant] dit naderhand ook zo heeft begrepen, blijkt volgens de rechtbank uit een e-mail van [naam 1] van 29 september 2020 aan Ajax heeft gestuurd. Als [appellant] zich ten tijde van de ondertekening niet heeft gerealiseerd dat de kwijting zich uitstrekte tot de gehele scoutingsovereenkomst inclusief artikel 5.3 daarvan, dient dat voor risico van [appellant] te blijven, aldus de rechtbank. Bij de beoordeling heeft rechtbank in aanmerking genomen dat een eventuele vordering op grond van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst op het moment van ondertekenen van de kwijtingsverklaring hoogst onzeker was. Ook heeft de rechtbank niet ondenkbaar geacht dat de kwijting niet geheel ‘om niet’ is geweest, zoals Ajax op de zitting heeft gesuggereerd, maar ter verkrijging van een vorm van (veronderstelde) goodwill.
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
Hallo [naam 5] ,
Beste [naam 10] ,
Citadel).
Tevens de bevestiging dat Ajax alle betalingen onder de Opdrachtovereenkomst heeft voldaan en dat jullie Ajax volledige en finale kwijting verlenen.” Daarmee wordt [appellant] gevraagd om te bevestigen dat Ajax alle betalingen onder de scoutingsovereenkomst heeft voldaan en dat volledige en finale kwijting wordt verleend. Uit het voorgaande volgt (zie 6.7 tot en met 6.10) dat kwijting verlenen en een kwitantie afgeven in het licht van artikel 6:48 BW Pro in beginsel alleen betrekking heeft op schulden die zijn voldaan. Op grond van de scoutingsovereenkomst was Ajax gehouden om aan [appellant] jaarlijks betalingen te verrichten, zodat kwijting hiervoor voor de hand ligt bij beëindiging van de scoutingsovereenkomst. De vordering tot betaling in verband met de transfers van [naam 3] en [naam 4] ontstond pas in 2022 en daarover kon [appellant] in juni 2020 niet verklaren of bevestigen dat deze schuld door Ajax was voldaan en daarvoor kwijting verlenen. Daaruit volgt dat niet kan worden aangenomen dat de gegeven kwijting op deze schuld van Ajax betrekking heeft.
voldanebetalingen onder de scoutingsovereenkomst ligt geen afstand door [appellant] besloten van haar eventuele
toekomstigevorderingsrechten onder de scoutingsovereenkomst.
Evenmin is relevant dat ten tijde van het opstellen en ondertekenen van de brief van 11 juni 2020 partijen het erover eens waren dat alle betalingen door Ajax waren voldaan. Dat is immers de gebruikelijke situatie op het moment dat een kwijting wordt verleend. Een kwitantie heeft immers een bewijsrechtelijke functie en is bedoeld om in de toekomst - als misschien wel een onduidelijkheid of geschil ontstaat - te gebruiken om aan te tonen dat een betaling heeft plaatsgevonden. Uit de omstandigheid dat partijen het erover eens waren dat alle betalingen waren voldaan, kan daarom niet - omgekeerd - zoals Ajax betoogt worden afgeleid dat de kwijting dus ook op iets anders, namelijk op een kwijtschelding van toekomstige vorderingen betrekking moet hebben gehad.
Ook de vierde grief is terecht voorgesteld. Ajax heeft gesuggereerd dat [appellant] afstand heeft gedaan van de aanvullende vergoedingen om daarmee een vorm van goodwill te verkrijgen bij Ajax . Het hof heeft deze suggestie van Ajax onder 6.16 al verworpen.
Rekenvoorbeeld n.a.v. artikel 5.3
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof als onvoldoende weersproken zal uitgaan van de door [appellant] verdedigde uitleg van de artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst. Die uitleg houdt in dat zodra het netto resultaat van een transfer bekend is, aan de hand van de staffel in de scoutingsovereenkomst een vergoeding wordt vastgesteld. Op die wijze wordt per keer een vergoeding vastgesteld die niet gelijk is aan een percentage van de transfersom.
€ 8.494,00(tarief VIII, 2 punten)
€ 13.218,00(tarief VIII, 2 punten)