Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1612

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.346.817/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:690 BWArt. 7:610 BWArt. 8 WaadiArt. 7a lid 1 WaadiArt. 7a lid 2 Waadi
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt uitzendovereenkomst tussen Temper en werkers via platform

In deze zaak stelden vakbonden FNV en CNV dat werkers via het online platform van Temper in werkelijkheid uitzendkrachten zijn en geen zelfstandigen. Zij vorderden onder meer vaststelling van een uitzendovereenkomst, cao-nakoming en schadevergoeding. De rechtbank wees de meeste vorderingen af en verklaarde enkele niet-ontvankelijk.

In hoger beroep oordeelde het hof dat er wel sprake is van een uitzendovereenkomst tussen Temper en de werkers, gebaseerd op een gedetailleerde analyse van de contractuele en feitelijke omstandigheden, waaronder de rol van Temper bij het tot stand komen van de overeenkomsten, de wijze van beloning, en het toezicht door opdrachtgevers. Het hof wees enkele vorderingen toe, zoals de vaststelling van de uitzendovereenkomst en de schending van artikel 9 Waadi Pro door Temper in de periode 2016-2019.

Andere vorderingen, zoals de aansprakelijkheid van opdrachtgevers en bepaalde cao-schadevorderingen, werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat de opdrachtgevers niet partij waren. Ook werden enkele vorderingen niet-ontvankelijk verklaard, onder meer omdat bestuursrechtelijke handhaving aan de orde is. De proceskosten werden gecompenseerd en het arrest vernietigde de bestreden vonnissen.

Uitkomst: Het hof stelt vast dat tussen Temper en werkers een uitzendovereenkomst bestaat en wijst enkele vorderingen toe, terwijl andere worden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.346.817/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/692040/HA ZA 20-1079
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026
inzake

1.vereniging met volledige rechtsbevoegdheid FEDERATIE NEDERLANDSE

VAKBEWEGING,
2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
CNV,
beide gevestigd te Utrecht,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.H.D. Vergouwen te Amsterdam,
tegen

1.TEMPER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.M. van Slooten te Amsterdam,

2.[geïntimeerde 1] ,

wonend te [plaats 1] ,
3.
[geïntimeerde 2],
wonend te [plaats 2] ,
4.
[geïntimeerde 3],
wonend te [plaats 3] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.F. Berkhout te Amsterdam.
Partijen worden hierna FNV, CNV, Temper, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] genoemd. FNV en CNV samen worden aangeduid als ‘de bonden’. [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tezamen worden [geïntimeerden] genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze zaak stellen de bonden de werkwijze van Temper aan de orde. Ze doen dat door middel van het instellen van cao-nakomingsvorderingen, een cao-schadevordering en vorderingen op grond van de WAMCA. Temper is een online platform voor werk, waar werkers en opdrachtgevers overeenkomsten kunnen sluiten over uit te voeren werkzaamheden. Volgens de bonden is sprake van schijnzelfstandigheid en zijn de werkers in werkelijkheid geen zelfstandigen maar uitzendkrachten van Temper. De bonden vorderen dat wordt vastgesteld dat de werkers die via het online platform van Temper overeenkomsten aangaan met opdrachtgevers aldus een uitzendovereenkomst met Temper sluiten.
De rechtbank heeft de bonden niet-ontvankelijk verklaard in een aantal vorderingen. De resterende vorderingen zijn afgewezen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een uitzendovereenkomst.
In hoger beroep komt het hof tot een ander oordeel. Het hof concludeert dat er wel sprake is van een uitzendovereenkomst tussen Temper en de werkers en wijst een aantal vorderingen toe.

2.Het geding in hoger beroep

De bonden zijn bij dagvaarding van 4 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 11 oktober 2023 en 10 juli 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen de bonden als eiseressen en Temper als gedaagde, met [geïntimeerden] als aan de zijde van Temper gevoegde partijen (hierna: de bestreden vonnissen).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties,
- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van Temper, met producties,
- memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] , met producties,
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 2 april 2026 aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen laten toelichten, de bonden door mr. Vergouwen voornoemd en mr. D.P. op den Velde, advocaat te Amsterdam, Temper door mr. Van Slooten voornoemd, mr. M. Jovović, advocaat te Amsterdam en [geïntimeerden] door mr. Berkhout voornoemd en mr. D. van Duijn, advocaat te Amsterdam.
Ten slotte is arrest gevraagd.
De bonden hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog hun (in hoger beroep gewijzigde) vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.
Temper heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 13 juli 2022, 21 december 2022, 11 oktober 2023 en 10 juli 2024 voor zover de bonden in hun vorderingen zijn ontvangen, en, opnieuw rechtdoende, niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van alle vorderingen van de bonden, een en ander met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.
[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 13 juli 2022,
21 december 2022, 11 oktober 2023 en 10 juli 2024 voor zover de bonden ontvankelijk zijn verklaard in hun vorderingen en, opnieuw rechtdoende, de bonden in al hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel, voor zover de rechtbank op grond van 1018f lid 1 Rv de WAMCA-procedure slechts heeft beëindigd voor wat betreft de groepsactie, opnieuw rechtdoende, te oordelen dat de WAMCA op basis van artikel 1018f lid 1 Rv definitief volledig ten einde komt, dan wel, de vorderingen van de bonden af te wijzen, een en ander met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.
Alle partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn. Hierbij heeft het hof grief 1 van de bonden in aanmerking genomen.
3.1.
FNV en CNV zijn vakbonden. Zij hebben onder meer de cao voor uitzendkrachten afgesloten.
3.2.
Temper exploiteert sinds 1 januari 2016 het online platform Temper (hierna: het platform). Het platform is een digitale plaats waar vraag naar en aanbod van werk samenkomen. Op het platform kunnen werkers en opdrachtgevers overeenkomsten sluiten over uit te voeren werkzaamheden.
3.3.
[geïntimeerden] zijn drie individuele werkers die werkzaamheden hebben verricht via het platform.
3.4.
De werking van het platform is als volgt. Een werker maakt een account aan op het platform. Daartoe sluit hij een Gebruikersovereenkomst opdrachtnemers (hierna: Gebruikersovereenkomst van de werker) met Temper. Een werker dient een legitimatiebewijs te uploaden. Dit bewijs wordt door Temper geverifieerd. De werker vult in zijn profiel zijn persoonlijke gegevens en zijn ervaring in. Een werker kan zijn profiel bewerken. In artikel 1.3 Gebruikersovereenkomst van de werker van 11 maart 2019, die door beide partijen is overgelegd, is bepaald dat Temper maatregelen neemt om de juistheid, geldigheid en volledigheid van informatie te waarborgen en gerechtigd is een profiel aan te passen.
De Gebruikersovereenkomst van de werker van 11 maart 2019 luidt, voor zover van belang:
“(…)
1.1.
Faciliteiten
Temper faciliteert:
• een digitaal platform waar Klussen geplaatst kunnen worden;
• een digitaal platform waar Opdrachtnemers Opdrachten kunnen verwerven;
• modelovereenkomsten (waaronder een tussen een Opdrachtnemer en een opdrachtgever te sluiten overeenkomst van opdracht);
• automatische facturatie namens Opdrachtnemers; en
• factoring en uitbetalingen door een onafhankelijke financieringsmaatschappij.
(…)
1.4.
Zelfstandigheid
1.4.1.
Gebruiker erkent dat hij/zij uitsluitend gebruik maakt van Temper om een eigen onderneming te drijven en om aan de daarvoor benodigde zelfstandigheidscriteria voor ondernemers te kunnen voldoen.
(…)
2. Facturering
Opdrachtnemer verlangt van Temper een overzicht van de namens Opdrachtnemer verstuurde Opdrachtgever facturen. Temper publiceert factuuroverzichten op het Profiel van Gebruiker.
3. Factoring
3.1.
Overdracht Opdrachtvorderingen
Gebruiker besteedt het debiteurenrisico uit en verkoopt al zijn bestaande en toekomstige Opdrachtvorderingen aan de factoringmaatschappij Finqle B.V. (…) overeenkomstig de tussen hem/haar en Finqle gelijktijdig met deze Gebruikersovereenkomst gesloten verkoopovereenkomst ("Verkoopovereenkomst").
3.2.
Tijdstip overdracht Opdrachtvordering
De Verkoopovereenkomst voorziet erin dat Opdrachtvorderingen door Gebruiker aan Finqle worden overgedragen zodra Gebruiker en Opdrachtgever via het digitale platform van Temper overeenstemming hebben bereikt of geacht worden te hebben bereikt over het aantal uren dat Gebruiker aan de Opdracht heeft besteed ("Opdrachturen"). Gebruiker erkent dat:
• Opdrachtgever een termijn heeft van zeven dagen na invoering door Gebruiker van de Opdrachturen de Opdrachturen te valideren; en
• Opdrachtgever en Gebruiker overeenstemming hebben bereikt of geacht worden te hebben bereikt over het aantal uren dat Gebruiker aan de Opdracht heeft besteed zodra (a) de Opdrachturen door Opdrachtgever zijn gevalideerd of (b), indien vroeger, de in paragraaf (i)bedoelde termijn van zeven dagen is verstreken.
(…)
6. De opdracht
6.1.
Afwijkingen
Als service bij haar platform stelt Temper een model overeenkomst van opdracht voor Opdrachten ter beschikking aan de Gebruiker en Opdrachtgevers, die is gebaseerd op een door de Belastingdienst goedgekeurde modelovereenkomst (…) Gebruik van de model overeenkomst van opdracht is naar eigen inzicht van Gebruiker. Hoewel Gebruiker en Opdrachtgevers vrij zijn zelf andere afspraken te maken, adviseert Temper Gebruiker niet af te wijken van artikelen 1 tot en met 5 van de model overeenkomst van opdracht. Temper is niet aansprakelijk voor gevolgen van het gebruik van de model overeenkomst van opdracht. (…)”
3.5.
Met uitzondering van de eerste klus – de zogenoemde
trial– dienen werkers om zich voor een klus te kunnen aanmelden te beschikken over een btw-nummer. Als een werker een btw-nummer aan zijn account toevoegt, verifieert Temper automatisch de juistheid van deze gegevens. Pas daarna kan het account van de werker worden gebruikt.
3.6.
In sommige gevallen vereist Temper dat de werker zich inschrijft in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. In dat geval wordt, totdat de werker over die inschrijving beschikt, het profiel van de werker geblokkeerd.
3.7.
Ook een opdrachtgever die het platform wil gebruiken, maakt een account daarop aan. Hij sluit daartoe een Gebruikersovereenkomst opdrachtgevers (hierna: Gebruikersovereen-komst van de opdrachtgever) met Temper. Een opdrachtgever biedt via zijn account klussen aan. Daarbij selecteert de opdrachtgever een datum, de start- en eindtijd en of deze flexibel zijn, de functie, de vereiste vaardigheden en eventuele kledingvoorschriften. Ook kan de opdrachtgever in de aanvullende
briefingnadere gegevens opnemen (bijvoorbeeld een omschrijving van de klus en andere praktische informatie).
Daarna vult de opdrachtgever een uurtarief in. Op het platform vermeldt Temper minimumtarieven per
job category(zie 3.8). Een opdrachtgever kan niet onder dit minimumtarief een klus aanbieden. Het platform laat automatisch zien wat vergelijkbare opdrachtgevers voor vergelijkbare klussen in de regio aanbieden, maar daar hoeft een opdrachtgever zich niet aan te houden.
De opdrachtgever selecteert ook een annuleringstermijn, dat wil zeggen een bepaalde termijn voor aanvang van de opdracht waarbinnen annuleren door de werker niet meer mogelijk is. De opdrachtgever heeft daarbij de keuze tussen ‘extra streng’ (168 uur), ‘streng’ (72 uur), ‘standaard’ (48 uur) of ‘flexibel’ (24 uur).
3.8.
De op het platform aangeboden
job categorieszijn: Barista, Bartending, Bediening, Bezorging, Bezorging – Horeca, Catering, Corona Hulp, Garderobe, Gebruikersonderzoek, Heftruck, Hosting – Hospitality, Hosting – Retail, Housekeeping, Hulpkok, Klantenservice, Magazijnmedewerker, Orderpicker, Productpromotie, Roomservice, Schoonmaak, Sitecrew – Hospitality, Sitecrew – Retail, Straatverkoper, Training, Verhuizer, Verkoper, Vrijwilligers-werk en Zelfstandig werkend kok.
3.9.
Een werker kan zich voor een klus aanmelden als de daarvoor vereiste vaardigheden in zijn profiel staan. De werker heeft de mogelijkheid om in reactie op het aangeboden uurtarief een onderhandelvoorstel te doen door een hoger uurtarief te vragen.
3.10.
Wanneer werkers zich voor een klus hebben aangemeld, krijgt de opdrachtgever een overzicht te zien van de aanmeldingen. De opdrachtgever kiest wie van de aangemelde werkers hij de klus laat uitvoeren. Voor de opdrachtgever en werker geldt een annuleringstermijn.
3.11.
Temper stelt op haar website een modelovereenkomst van opdracht, die is gebaseerd op een door de Belastingdienst goedgekeurde modelovereenkomst (hierna: de Opdracht-overeenkomst) ter beschikking. In de Opdrachtovereenkomst is onder meer een zogenoemde vervangingsclausule opgenomen, die bepaalt dat het werkers vrijstaat zich door een andere werker te laten vervangen.
3.12.
Voordat de annuleringstermijn begint, kan de werker de klus zonder opgave van redenen annuleren. Indien de werker binnen de annuleringstermijn annuleert, dient hij zelf een geschikte vervanger te regelen, ook als hij annuleert vanwege ziekte.
Indien de opdrachtgever binnen de annuleringstermijn de klus annuleert, dan mag de werker binnen zeven dagen na de annulering 50% van de geplande inkomsten claimen.
3.13.
Betalingen door de opdrachtgevers voor de klussen verlopen normaliter via factoringmaatschappij Finqle. De betaling gaat als volgt. Na de klus geeft de werker op het platform binnen zeven dagen de gewerkte uren door aan de opdrachtgever via de zogenoemde check-out. Bij de check-out heeft de werker in beginsel de mogelijkheid om te kiezen voor twee opties, namelijk:
wachten op betaling door de opdrachtgever. Bij deze optie krijgt de werker, zodra de opdrachtgever aan Finqle heeft betaald, binnen één werkdag betaald door Finqle;
directe betaling met afkoop van het debiteurenrisico. Finqle neemt dan het debiteurenrisico voor haar rekening in ruil voor 2,9% van het uit te betalen bedrag. Finqle betaalt daarbij aan de werker binnen drie werkdagen na goedkeuring van de check-out door de opdrachtgever.
Optie ii is niet altijd beschikbaar. De achtergrond daarvan is dat de opdrachtgever bij Finqle een krediet heeft. Indien de opdrachtgever een hoger bedrag heeft aan openstaande facturen dan dit krediet, biedt Finqle optie ii niet meer aan totdat de kredietstatus van de opdrachtgever is hersteld.
3.14.
De opdrachtgever kan de check-out van de werker accepteren of een tegenvoorstel doen. Als de opdrachtgever akkoord gaat met de check-out, genereert het platform automatisch een factuur van de werker aan de opdrachtgever op basis van de door de werker en opdrachtgever opgegeven prijs en uren. Tot april 2019 bracht Temper € 1,- per gewerkt uur in rekening bij de werkers als gebruikskosten voor het gebruik van het platform. Het platform stuurt de facturen iedere dinsdag en vrijdag automatisch aan de opdrachtgevers. De betalingen verlopen via Finqle, die daarvoor ook verzamelnota’s maakt zodat opdrachtgevers het aan werkers en Temper verschuldigde totaalbedrag in een keer kunnen betalen aan Finqle.
In enkele gevallen maken partijen gebruik van de mogelijkheid buiten Finqle om facturen te betalen.
3.15.
Een gegenereerde factuur komt automatisch in het financiële overzicht in het account van de werker te staan. In dit overzicht kan de werker zien wat zijn totale inkomsten zijn en wordt ook vermeld welk bedrag aan btw de werker aan de Belastingdienst moet betalen.
3.16.
De werkers hebben de mogelijkheid om op het platform een klus ter vervanging aan te melden. De oorspronkelijke werker heeft daarbij inzicht in alle relevante gegevens van de andere werkers die zich voor de klus aanmelden. Als de oorspronkelijke werker een keuze maakt voor een andere werker, sluit de oorspronkelijke werker een vervangingsovereenkomst met de nieuwe werker op basis van een model-vervangingsovereenkomst, die Temper op haar website ter beschikking stelt (hierna: de Vervangingsovereenkomst). De oorspronkelijke werker blijft verantwoordelijk voor de klus ten opzichte van de opdrachtgever. Werkers kunnen zich ook buiten het platform om door iemand laten vervangen.
3.17.
Via het platform kan een werker maximaal 660 uur per jaar bij dezelfde opdrachtgever werken. Zodra het maximum in een jaar is bereikt, kan de werker dat jaar niet meer via het platform reageren op klussen van de desbetreffende opdrachtgever.

4.Eerste aanleg

4.1.
Voor zover nog van belang in hoger beroep hielden de vorderingen in eerste aanleg het volgende in:
“Primair:
I. te verklaren voor recht dat sprake is van een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW Pro tussen Temper en alle werkers die werkzaamheden verrichten of hebben verricht via Temper;
II. te verklaren voor recht dat Temper in strijd handelt met artikel 8 Waadi Pro en/of de (AVV) CAO voor Uitzendkrachten door aan alle werkers die door Temper tewerk zijn gesteld niet hetzelfde loon en andere arbeidsvoorwaarden te betalen als de arbeidsvoorwaarden die gelden voor werknemers in gelijkwaardige functies;
III. te verklaren voor recht dat de opdrachtgevers van Temper (hoofdelijk) aansprakelijk zijn op grond van artikel 7:616a BW voor nabetaling van het achterstallige salaris van alle werkers die via Temper werkzaamheden bij hen verrichten of hebben verricht;
IV. te verklaren voor recht dat Temper in strijd handelt met het verbod arbeidskrachten ter beschikking te stellen zonder registratie in het handelsregister op grond van artikel 7a lid 1 Waadi;
V. te verklaren voor recht dat de opdrachtgevers van Temper in strijd handelen met het bepaalde in artikel 7a lid 2 Waadi;
VI. te verklaren voor recht dat Temper in de periode 1 januari 2016 tot 1 april 2019, jegens de werkers die in voornoemde periode werkzaamheden hebben verricht via Temper,
artikel 9 Waadi Pro heeft geschonden door een financiële tegenprestatie van € 1,- per gewerkt uur te vragen van de werkers voor haar terbeschikkingstellingsactiviteiten;
VII. Temper te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de FNV te voldoen een bedrag ter hoogte van € 100.000,- (…) alsmede aan de CNV te voldoen een bedrag ter hoogte van € 100.000,- (…), zulks beide ten titel van schadevergoeding ex artikel 15 en Pro 16 Wet CAO jo. artikel 3 Wet Pro AVV, althans een zodanig bedrag als uw Rechtbank in goede justitie vermeent te behoren en te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
Subsidiair:
I. te verklaren voor recht dat sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW Pro tussen de opdrachtgevers en de werkers die via Temper werkzaamheden verrichten of hebben verricht bij de opdrachtgevers van Temper;
II. te verklaren voor recht dat Temper op grond van onrechtmatige daad mede gehouden is tot nabetaling van het achterstallige loon aan de werkers die werkzaamheden verrichten of hebben verricht via Temper;
III. te verklaren voor recht dat Temper in de periode 1 januari 2016 tot 1 april 2019, jegens de werkers die in voornoemde periode werkzaamheden hebben verricht via Temper, artikel 3 Waadi Pro heeft geschonden door een financiële tegenprestatie te vragen van € 1,- per uur van de werkers voor haar bemiddelingsactiviteiten.”
4.2.
De rechtbank heeft de bonden niet-ontvankelijk verklaard in hun primaire vorderingen II, III en VI en de subsidiaire vorderingen I, II en III. De overige vorderingen zijn afgewezen.

5.Beoordeling

5.1.
De grieven van partijen richten zich tegen de onder 4.2 genoemde beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De bonden hebben in hoger beroep hun meer subsidiaire vorderingen laten varen en hun subsidiaire vorderingen als volgt uitgebreid:
III. te verklaren voor recht dat Temper tussen alle werkers die werkzaamheden verrichten of hebben verricht via Temper enerzijds, en de opdrachtgevers anderzijds, bemiddelt met het oogmerk om tussen de Temperwerkers en de klant een arbeidsovereenkomst tot stand te brengen zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 sub b Waadi Pro.
De oorspronkelijke subsidiaire vordering onder III is in hoger beroep vernummerd tot IV.
5.2.
De bonden bestrijden de werkwijze van Temper die inhoudt dat via het platform overeenkomsten worden gesloten die worden aangeduid als overeenkomsten van opdracht tussen de Temper-werkers en de opdrachtgevers. Volgens de bonden is sprake van schijnzelfstandigheid en hebben Temper en de Temper-werkers in werkelijkheid dwingendrechtelijke uitzendovereenkomsten zoals bedoeld in art. 7:690 BW Pro gesloten, althans hebben de Temper-werkers arbeidsovereenkomsten in de zin van art. 7:610 BW Pro met de opdrachtgevers gesloten, althans is sprake van arbeidsbemiddeling door Temper zoals bedoeld in art. 1 lid 1 sub b Wet Pro allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi).
5.3.
De bonden hebben toegelicht dat zij collectieve vorderingen op grond van de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie (WAMCA; hierna: WAMCA-vorderingen) hebben ingesteld, waaraan zij ook art. 3 lid 2 Wet Pro op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet AVV; hierna: de cao-nakomingsvorderingen) ten grondslag hebben gelegd. Daarnaast hebben zij een schadevordering gestoeld op art. 15 en Pro 16 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wet CAO) en art. 3 lid 4 Wet Pro AVV (hierna ook: de cao-schadevordering).
De bonden hebben hun primaire vorderingen onder I en II – naar het hof begrijpt: de primaire vordering onder II voor zover betrekking hebbend op strijdigheid met de (AVV) cao voor Uitzendkrachten – ingesteld als WAMCA-vorderingen en cao-nakomingsvorderingen. De primaire vorderingen onder II (voor het overige) en III tot en met VI en de subsidiaire vorderingen zijn ingesteld als WAMCA-vorderingen. De primaire vordering onder VII is enkel gegrond op art. 15 en Pro 16 Wet CAO en art. 3 lid 4 Wet Pro AVV.
5.4.
Ook voor invoering van de WAMCA hebben de bonden procedures gevoerd waarin zij zowel collectieve vorderingen op grond van art. 3:305a (oud) BW als cao-nakomingsvorderingen en cao-schadevorderingen hebben ingesteld. Er zijn geen aanknopingspunten dat bij invoering van de WAMCA op dit punt een breuk is beoogd met het daarvoor geldende collectieveactieregime. De tekst, het systeem en de wetsgeschiedenis van de WAMCA verzetten zich niet tegen de door de bonden in deze procedure gekozen inrichting van hun vorderingen. De goede procesorde verzet zich evenmin tegen het in één procedure toepassen van het WAMCA-procesrecht voor collectieve vorderingen en het reguliere procesrecht dat geldt voor de cao-nakomingsvorderingen en de cao-schadevorderingen. Integendeel, het in één procedure instellen van deze vorderingen is efficiënt en doelmatig.
De door de rechtbank aangebrachte temporele beperking van de vorderingen
5.5.
In haar eindvonnis heeft de rechtbank de beoordeling ten gronde beperkt tot de situatie ten tijde van het wijzen van dat vonnis omdat de bonden niet zouden hebben gespecificeerd welk moment of welke periode in het verleden zij met hun vordering op het oog hebben.
Grief 5 van de bonden richt zich hiertegen. De bonden betogen dat hun vorderingen zien op de gehele periode waarin Temper actief is (geweest), vanaf het begin ‘tot en met de dag van vandaag’.
Deze grief is terecht voorgesteld. De bonden hebben voldoende toegelicht dat hun vorderingen deze hele periode bestrijken en hebben ook, voor zover relevant voor beoordeling van de vorderingen, voldoende duidelijk gemaakt hoe het platform vanaf begin 2016 tot heden functioneert.
De cao-nakomingsvorderingen en de cao-schadevordering
5.6.
Op grond van art. 3 lid 2 Wet Pro AVV kunnen werkgevers- en werknemersverenigingen met leden die partij zijn bij een arbeidsovereenkomst waarop de algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen van toepassing zijn, de nietigheid inroepen van bedingen in een overeenkomst die een werkgever en een werknemer ten onrechte niet beschouwen als een arbeidsovereenkomst en kunnen zij nakoming vorderen van de algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen die op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn. Een dergelijke cao-nakomingvordering wordt niet ingesteld ‘namens iedere werknemer’. Voor de toewijsbaarheid daarvan is niet nodig dat wordt onderzocht welke aantallen individuele werknemers tegen de gedragslijn van de werkgever bezwaar hadden. In het kader van een vordering op de voet van art. 3 lid 2 Wet Pro AVV kan een rechter gehouden zijn te beoordelen of tussen een werkgever/opdrachtgever en werkenden gesloten overeenkomsten kunnen worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomsten waarop algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen van toepassing zijn. Aan een mogelijk kwalificatieoordeel van de rechter in een procedure op de voet van art. 3 lid 2 Wet Pro AVV komt – anders dan aan een uitspraak in een collectieve actie, die in beginsel bindend is voor alle personen die behoren tot de nauw omschreven groep personen wier belangen in de collectieve vordering worden behartigd (art. 1018f Rv en art. 1018k Rv) – geen gezag van gewijsde toe in een latere procedure tussen de werkende en de werkgever/opdrachtgever, omdat de werkende geen partij was in eerstbedoelde procedure (art. 236 lid 1 Rv Pro). Zie HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319 (Uber), rov. 3.7.2.-3.7.3.
5.7.
De primaire vordering onder I, waarin de kwalificatie van de overeenkomst van de Temper-werkers met Temper aan de orde wordt gesteld, is (ook) een cao-nakomingsvordering. Datzelfde geldt voor de primaire vordering onder II, voor zover deze betrekking heeft op de (AVV) cao voor uitzendkrachten.
Anders dan Temper en [geïntimeerden] betogen, lopen de individuele omstandigheden van de Temper-werkers niet teveel uiteen om in een procedure op de voet van art. 3 lid 2 Wet Pro AVV een algemeen oordeel te kunnen geven over de kwalificatie van hun overeenkomst met Temper. Bij die kwalificatievraag draait het om de werkwijze van Temper op het platform. Op dat punt zijn de individuele omstandigheden van de Temper-werkers voldoende gelijk. Partijen nemen voorts terecht tot uitgangspunt dat de bonden de cao-schadevordering (primaire vordering onder VI) uit eigen hoofde kunnen instellen.
5.8.
In hun primaire vordering onder II noemen FNV c.s. de (AVV) cao voor uitzendkrachten. Voor zover het hen ook te doen is om nakoming van andere cao’s, hebben zij onvoldoende (tijdig) geconcretiseerd om welke cao’s het gaat.
5.9.
Voor de cao-nakomingsvorderingen en de cao-schadevordering gelden geen nadere ontvankelijkheidseisen.
Ontvankelijkheid WAMCA-vorderingen
5.10.
De WAMCA-vorderingen zijn de primaire vorderingen onder I tot en met VI en de subsidiaire vorderingen. De ontvankelijkheid wordt beheerst door de bepalingen uit de WAMCA. Toetsing van de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW vindt ex nunc plaats.
Toepassing van art. 3:305a lid 6 BW?
5.11.
De bonden stellen met de WAMCA-vorderingen op te komen voor alle werkers die sinds de oprichting van Temper via het platform werkzaamheden hebben verricht en voor het meer algemene overstijgende ideële belang van een rechtvaardige arbeidsmarkt, waarop rechten van werkenden in het algemeen worden beschermd en waarop geen sprake is van oneerlijke concurrentie. De bonden beogen zowel een groepsactie als een algemeenbelangactie te voeren. Zij stellen dat het ‘lichte’ ontvankelijkheidsregime van art. 3:305a lid 6 BW moet worden toegepast omdat hun vorderingen mede een ideëel doel dienen. Ook geeft de aard van de vorderingen volgens de bonden daartoe aanleiding.
5.12.
De rechtbank heeft aangenomen dat de collectieve vorderingen van de bonden strekken tot bescherming van het belang van de Temper-werkers en heeft deze vorderingen mede aangemerkt als ideële vorderingen. De ontvankelijkheid is beoordeeld aan de hand van het ‘lichte’ regime van art. 3:305a lid 6 BW. Temper en [geïntimeerden] (allebei grief 1) zijn het hier niet mee eens. Zij betogen dat het reguliere WAMCA-ontvankelijkheidsregime toepasselijk is.
5.13.
Art. 3:305a lid 6 BW bevat een ‘licht’ ontvankelijkheidsregime dat kan worden toegepast wanneer a) de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang of b) de aard van de vordering of van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, daartoe aanleiding geeft. Bij toepassing van deze bepaling kan de rechtsvordering niet strekken tot schadevergoeding in geld. In dit lichte ontvankelijkheidsregime behoeft niet aan de vereisten van lid 2, onderdelen a tot en met e, en lid 5 van art. 3:305a BW te worden voldaan.
5.14.
Dit ‘lichte’ ontvankelijkheidsregime vormt een uitzondering op het reguliere ontvankelijkheidsregime van de WAMCA. Daarin zijn ten opzichte van art. 3:305a (oud) BW nadere eisen gesteld. Deze nadere eisen werden onder meer nodig geacht omdat het WAMCA-regime – anders dan voorheen, toen het inmiddels vervallen art. 3:305a lid 3 (oud) BW bepaalde dat een collectieve actie niet kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld – ruimte biedt voor een collectieve schadevergoedingsactie waarbij een bedrag in geld wordt gevorderd. Zie Kamerstukken II, 2017-2018, 34 608, nr. 6, p. 16.
Art. 3:305a lid 6 BW strekt ertoe voldoende ruimte te laten voor organisaties die voor inwerkingtreding van de WAMCA een belangrijke rol speelden in het handhaven van collectieve belangen in collectieve acties en die per definitie niet zijn gericht op het verkrijgen van schadevergoeding. Het is niet de bedoeling dat de WAMCA het deze organisaties onnodig moeilijk maakt om hun werk voort te zetten. Zie Kamerstukken II 2017-2018, 34 608, nr. 6,
p. 11. Art. 3:305a lid 6 BW is niet bedoeld voor gevallen waarin een verklaring voor recht wordt gevraagd als opmaat naar een collectieve schadevergoedingsactie. Zie Kamerstukken II 2017-2018, 34 608, nr. 6, p. 21.
5.15.
Temper voert aan dat art. 3:305a lid 6 BW niet kan worden toegepast omdat de bonden met de WAMCA-vorderingen voorsorteren op een schadevergoedingsactie.
De bonden stellen daar tegenover dat zij hoofdzakelijk verklaringen voor recht vorderen waarmee de Temper-werkers, bij toewijzing, nakoming kunnen vorderen van de alsdan bestaande contractuele plichten, waaronder betaling van loon.
5.16.
Het hof neemt tot uitgangspunt dat vorderingen die voor invoering van de WAMCA op grond van art. 3:305a (oud) BW konden worden ingesteld – en die dus niet schadevergoeding inhielden (art. 3:305a lid 3 (oud) BW) – geen, van toepassing van art. 3:305a lid 6 BW uitgesloten vorderingen strekkend tot schadevergoeding in geld zijn. Op grond van art. 3:305a (oud) BW konden belangenorganisaties nakoming van contractuele verplichtingen, zoals loonbetaling, vorderen en kon voorts, al dan niet binnen de contractuele sfeer, een vordering uit onverschuldigde betaling de inzet van een collectieve actie zijn. Zie Kamerstukken II 1991-1992, 22 486, nr. 3, p. 24. De gevorderde verklaringen voor recht die een opmaat zijn voor nakoming van contractuele verplichtingen zoals loonbetaling zijn dan ook geen opmaat voor schadevergoeding (primaire vorderingen onder II en III). Dat geldt ook voor de primaire vordering onder VI en subsidiaire vordering onder IV die bij toewijzing ertoe leidt dat de door Temper-werkers betaalde € 1,- per uur onverschuldigd is betaald.
5.17.
Volgens de toelichting van de bonden strekken de primaire vorderingen onder IV en V ertoe dat, als opmaat voor oplegging van een bestuurlijke boete door de Inspectie SZW, wordt vastgesteld dat Temper en de opdrachtgevers art. 7a Waadi (hebben) overtreden. De bonden stellen ter onderbouwing van deze vorderingen namelijk dat het in strijd handelen met de verboden uit art. 7a Waadi kwalificeert als een overtreding die de Inspectie SZW kan beboeten (zie art. 16 en Pro 18 Waadi). Daarmee zijn deze vorderingen geen opmaat voor schade-
vergoeding. Deze vorderingen komen verder aan de orde in rov. 5.34.
5.18.
De subsidiaire vordering onder II ziet op de situatie dat Temper geen werkgever is, maar bemiddelt in de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst tussen de Temper-werkers en de opdrachtgevers en strekt tot vaststelling van aansprakelijkheid van Temper voor het profiteren van de onderbetaling van de werkers (wanprestatie door de opdrachtgevers) uit hoofde van onrechtmatige daad. Daarmee is deze vordering een opmaat voor schadevergoeding waarvoor het lichte regime van art. 3:305a lid 6 BW niet is bedoeld.
In de door de bonden genoemde uitspraken is geoordeeld dat een dergelijke verklaring voor recht geen schadevordering in de zin van art. 3:305a lid 3 (oud) BW is. Dat laat onverlet dat deze vordering onder de WAMCA heeft te gelden als opmaat voor schadevergoeding waarvoor het lichte regime van art. 3:305a lid 6 BW niet is bedoeld.
5.19.
De WAMCA-vorderingen zien op de rechtspositie van de Temper-werkers en gedragingen van Temper jegens hen. Zij strekken tot bescherming van de gebundelde belangen van een bepaalbare groep individuele personen, de Temper-werkers. Dat toewijzing van de WAMCA-vorderingen mogelijk ook het door de bonden genoemde meer algemene overstijgend belang van een rechtvaardige arbeidsmarkt kan dienen, waarop rechten van werkenden in het algemeen worden beschermd en waarop geen sprake is van oneerlijke concurrentie, is geen grond om deze vorderingen mede als ideële vorderingen in de zin van art. 3:305a lid 6 BW aan te merken.
5.20.
Wel ziet het hof in de aard van de vorderingen aanleiding om het lichte ontvankelijkheidsregime van art. 3:305a lid 6 BW toe te passen ten aanzien van de WAMCA-vorderingen, afgezien van de subsidiaire vordering onder II (hierna: de resterende WAMCA-vorderingen). De aard van de vorderingen is erin gelegen dat het gaat om vorderingen van de bonden, die, naar niet ter discussie staat, gevestigde belangenorganisaties zijn die voor inwerkingtreding van de WAMCA een belangrijke rol speelden in het handhaven van de belangen van (groepen van) werkenden door het instellen van collectieve vorderingen die niet strekten tot schadevergoeding in geld. Zoals hiervoor vermeld is het niet de bedoeling van de wetgever dat de WAMCA het dergelijke organisaties onnodig moeilijk maakt om hun werk voort te zetten. Met de resterende WAMCA-vorderingen – die niet strekken tot schadevergoeding in geld en ook geen opmaat voor dergelijke vorderingen vormen – zetten de bonden hun collectieveactiepraktijk van voor inwerkingtreding van de WAMCA voort.
Gelijksoortigheid
5.21.
Temper (grief 3) en [geïntimeerden] (grief 2b) betogen dat niet is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste. Zij wijzen op de vaststaande grote onderlinge verschillen binnen de groep Temper-werkers (zie onder 3.8).
5.22.
Alle WAMCA-vorderingen moeten voldoen aan de in art. 3:305a lid 1 BW gestelde eis van gelijksoortigheid. Deze eis houdt in dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden (HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756 (Stichting Baas in Eigen Huis/Plazacasa), rov. 4.3.2).
5.23.
De door Temper en [geïntimeerden] benadrukte heterogeniteit van de Temper-werkers staat niet in de weg aan bundelbaarheid van de vorderingen. In deze procedure staat namelijk de werkwijze van Temper met betrekking tot het platform centraal. Dat is op de relevante onderdelen voor alle Temper-werkers op hoofdlijnen gelijk (zie onder 3.4 tot en met 3.17).
De WAMCA-vorderingen lenen zich dan ook bij uitstek voor bundeling. Zij steunen in hoofdlijnen op hetzelfde feitencomplex en voor de toewijsbaarheid is steeds per vordering dezelfde juridische grondslag bepalend. De aan Temper verweten gedragingen zijn hetzelfde ten aanzien van de Temper-werkers. Het oordeel daarover staat in beginsel los van de heterogene individuele posities van de Temper-werkers. De Temper-werkers hebben een gelijksoortig belang bij een oordeel over de toewijsbaarheid van de vorderingen.
Waarborgvereiste
5.24.
Het eerste lid van art. 3:305a BW bepaalt dat een belangenorganisatie alleen een collectieve vordering kan instellen als de belangen van de achterban voldoende zijn gewaarborgd. In het tweede lid is uitgewerkt wat het waarborgvereiste behelst: de belangenorganisatie moet (1) voldoende representatief zijn, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen en (2) voldoen aan de onder a. tot en met f. genoemde eisen met betrekking tot transparantie en governance. Deze ontvankelijkheidseisen strekken ertoe om belangenorganisaties die niet op hun taak berekend zijn te weren en te voorkomen dat commerciële belangenorganisaties de belangen van de personen voor wie zij opkomen op de tweede plaats hebben staan (Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 18 en 21).
Ad (1) Representativiteit
5.25.
Temper (grief 2) en [geïntimeerden] (grief 2a) voeren aan dat niet is voldaan aan het vereiste van representativiteit. Zij wijzen op het grote aantal Temper-werkers dat een opt-out verklaring heeft uitgebracht (zie rov. 5.37) en betogen dat er onder de Temper-werkers onvoldoende steun bestaat voor deze collectieve actie.
5.26.
De eis van representativiteit is bedoeld om te voorkomen dat een belangenorganisatie een rechtsvordering kan instellen zonder de vereiste ondersteuning van een achterban. De wet stelt geen getalsmatig criterium. Welke eisen aan de representativiteit dienen te worden gesteld, hangt af van de omstandigheden van het geval. Uiteenlopende omstandigheden kunnen voldoende aannemelijk maken dat een belangenorganisatie opkomt voor de belangen van haar achterban, en daarmee voldoet aan het representativiteitsvereiste. Uit de wetsgeschiedenis van de WAMCA blijkt voorts dat bewust is afgezien van het noemen van een getal, absoluut of relatief. Het aantal aangesloten gedupeerden wordt in de wetsgeschiedenis alleen genoemd als een indicatie voor representativiteit. Zie Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 18-19. Uit de omstandigheid dat niet alleen verenigingen, die vanzelfsprekend leden hebben, maar ook stichtingen die die niet hebben als eiser kunnen optreden in een collectieve actie volgt dat de wetgever het kennelijk niet zonder meer noodzakelijk heeft geacht dat vastgesteld kan worden wie precies de achterban van de eiser vormt. Dat past ook bij de in de WAMCA neergelegde figuur van een opt out collectieve actie. Free riding is toegestaan; het is niet nodig dat aannemelijk wordt gemaakt dat de gehele (nauw omschreven) groep die gebaat kan zijn door de collectieve actie van de bonden deze actie wenst of steunt.
5.27.
Naar het oordeel van het hof is in voldoende mate aan de eis van representativiteit voldaan vanwege de hiervoor al genoemde aard van de vorderingen: het gaat om vorderingen van de bonden, die, naar niet ter discussie staat, gevestigde belangenorganisaties zijn die voor inwerkingtreding van de WAMCA een belangrijke rol speelden in het handhaven van de belangen van (groepen van) werkenden door het instellen van collectieve vorderingen die niet strekten tot schadevergoeding in geld in collectieve acties. Bij de ex nunc uit te voeren ontvankelijkheidstoets, komt daar in hoger beroep bij dat de vereiste steun voor deze collectieve actie verder kan worden afgeleid uit het resultaat van de opt-out/opt-in fase, waarin onder meer 117 opt-in verklaringen zijn afgelegd en, hoewel een groot aantal opt-out verklaringen is afgelegd, de grote meerderheid van de Temper-werkers niet een dergelijke verklaring heeft afgelegd. Dat, blijkens de door Temper en [geïntimeerden] in het geding gebrachte getuigenverklaringen, de voeging aan de zijde van Temper door [geïntimeerden] en het grote aantal opt-outs, tegelijkertijd een aanzienlijk deel van de Temper-werkers zich niet vertegenwoordigd voelt door de bonden en niet achter deze collectieve actie staat, staat niet eraan in de weg dat aan het vereiste van representativiteit is voldaan.
Ad (2) De eisen van art. 3:305a lid 2 sub a tot en met e BW
5.28.
Voor de subsidiaire vordering onder II geldt het reguliere ontvankelijkheidsregime, waarbij ook moet worden voldaan aan de eisen van art. 3:305a lid 2 sub a tot en met e BW. Temper (grief 4) en [geïntimeerden] (grief 2c) betwisten dat dit het geval is.
5.29.
Volgens Temper en [geïntimeerden] voldoen de bonden ten aanzien van de Temper-werkers die zich niet als lid bij hen hebben aangesloten niet aan de in art. 3:305a lid 2 sub b BW gestelde eis van een passend en doeltreffend mechanisme voor deelname aan de besluitvorming.
Het hof overweegt als volgt. Het is aan de bonden om te bepalen hoe zij invulling geven aan dit vereiste. Wanneer de belangenorganisatie een vereniging is, kan de vertegenwoordiging worden geregeld via de ledenvergadering. Zie Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3,
p. 20. Alleen leden van de bonden kunnen via de ledenvergadering deelnemen aan de besluitvorming. De bonden hebben geen voorziening getroffen voor de Temper-werkers die zich niet als lid bij hen hebben aangesloten. De mogelijkheid om lid te worden van de bonden is geen passend en doeltreffend mechanisme in de zin van art. 3:305a lid 2 sub b BW. De bonden voldoen dus niet ten aanzien van alle Temper-werkers aan dit vereiste.
5.30.
Temper en [geïntimeerden] voeren voorts terecht aan dat de websites van de bonden niet alle in art. 3:305a lid 2 sub d BW genoemde informatie bevatten. Niet in geschil is dat de vastgestelde jaarlijkse verantwoording op hoofdlijnen van het toezichthoudend orgaan over het door haar uitgeoefende toezicht op deze procedure en een bestuursverslag waarin verantwoording en uitleg worden gegeven over deze procedure ontbreken op de websites van de bonden. Zij stellen dat het toch niet de bedoeling kan zijn dat er voor iedere collectieve actie een apart toezichthoudend orgaan moet worden ingesteld. De WAMCA schrijft dat niet voor. Wel vergen de governance en transparantieeisen van de WAMCA dat voortdurend toezicht wordt gehouden op de door een belangenorganisatie gevoerde collectieve actie en dat dit moet blijken uit de op de website genoemde verslagen die worden genoemd in art. 3:305a lid 2 sub d BW. De bonden voldoen niet aan dit transparantievereiste.
5.31.
Niet in geschil is dat de websites van de bonden ook geen overzicht geven van de stand van zaken in de lopende procedures en de resultaten daarvan. De bonden menen ten onrechte dat dit verzuim niet zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid. De tekst, het systeem en de wetsgeschiedenis van de WAMCA bieden echter geen ruimte om een belangenorganisatie die niet voldoet aan alle toepasselijke eisen voor ontvankelijkverklaring toch ontvankelijk te verklaren.
Los daarvan geldt dat, voor zover de bonden menen dat deze eis van ondergeschikt belang is, dat ten onrechte is. Deze informatie is van belang voor de Temper-werkers voor wie de bonden in deze procedure opkomen. Zij kunnen op basis van deze vereiste informatie op de hoogte blijven van de voortgang van de procedure. Zie ook Kamerstukken II 2016–2017,
34 608, nr. 3, p. 20.
5.32.
De slotsom is dat de subsidiaire vordering onder II terecht niet-ontvankelijk is verklaard, zij het op een andere grondslag die niet behoeft te worden besproken.
Overige ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW en de eisen van art. 1018c lid 5 Rv
5.33.
Terecht is niet in geschil dat de resterende WAMCA-vorderingen voldoen aan de overige relevante ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW. Mede gelet op de voorgaande beoordeling van het gelijksoortigheidsvereiste en in aanmerking nemend dat, ook na het grote aantal opt-outs, een groot aantal potentieel belanghebbenden resteert, is het voeren van deze collectieve actie efficiënter en effectiever dan het instellen van individuele vorderingen door de belanghebbenden. Er wordt dan ook voldaan aan het vereiste van art. 1018c lid 5 onder b Rv dat de afwikkeling als collectieve actie meerwaarde heeft. Voorts is terecht niet in geschil dat wordt voldaan aan de andere in art. 1018c lid 5 Rv gestelde eisen.
Ontvankelijkheid - taakverdeling
5.34.
Temper betoogt dat de ‘Waadi-vorderingen’ niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat zij niet in deze procedure voor de burgerlijke rechter thuishoren. Uit haar toelichting volgt dat zij hiermee het oog heeft op de primaire vorderingen onder IV en V.
Dit betoog slaagt. Zoals hiervoor is overwogen strekken deze vorderingen ertoe dat, als opmaat voor oplegging van een bestuurlijke boete door de Inspectie SZW, wordt vastgesteld dat Temper en de opdrachtgevers art. 7a Waadi (hebben) overtreden. Schending van art. 7a Waadi wordt bestuursrechtelijk gehandhaafd (zie de art. 16-23 Waadi). De burgerlijke rechter heeft hier geen taak. De bonden zijn dan ook niet-ontvankelijk in hun primaire vorderingen onder IV en V.
Opt-out en toepassing van art. 1018f lid 1 Rv
5.35.
De rechtbank heeft de opt-out/opt-in bepalingen toegepast voor zover de vorderingen van de bonden strekken tot bescherming van de Temper-werkers. Deze bepalingen zijn niet toegepast voor zover de vorderingen strekken tot bescherming van het meer algemene overstijgende ideële belang dat de bonden nastreven.
5.36.
Met hun grief 2 stellen de bonden dat de rechtbank de opt-out regels van art. 1018f Rv ten onrechte heeft toegepast. Wat er ook moge zijn van het standpunt van Temper dat dit een gedekt verweer is, deze grief gaat niet op.
Het door de bonden benadrukte dwingendrechtelijke karakter van het arbeidsrecht noopt niet tot het buiten toepassing laten van de opt-out regels. Deze regels maken het mogelijk dat de Temper-werkers niet tegen hun zin gebonden raken aan een uitspraak in een procedure waarin zij zelf geen partij zijn. Deze processuele regeling van het gezag van gewijsde van de onherroepelijke einduitspraak in een WAMCA-procedure laat het dwingendrechtelijk karakter van het arbeidsrecht onverlet.
Ook overigens was er geen aanleiding om de opt-outbepalingen buiten toepassing te laten.
5.37.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de groep van Temper-werkers waarvoor de opt-out mogelijkheid is opengesteld bestaat uit in totaal 61.292 personen. Na een aanpassing van 75% van 20.398 van de uitgebrachte opt-out verklaringen, is de rechtbank uitgegaan van 15.298 opt-out verklaringen, in totaal afgerond een kleine kwart van dit totaal. Daarnaast zijn 117 opt-in verklaringen afgelegd. De rechtbank achtte het aantal uitgebrachte opt-out verklaringen ‘te groot’. De rechtbank heeft de collectieve actie voor zover ingesteld ter bescherming van het belang van de Temper-werkers (te weten – voor zover nog van belang in hoger beroep – de primaire vorderingen onder II, III en VI en de subsidiaire vordering onder III (in hoger beroep IV)) beëindigd op de voet van art. 1018f lid 1 laatste zin Rv. In het eindvonnis zijn deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.
5.38.1.
Als het aantal personen dat een opt-out verklaring heeft uitgebracht te groot is om voortzetting van de procedure te rechtvaardigen, kan de rechter beslissen dat de collectieve actie niet wordt voortgezet (art. 1018 lid 1 laatste Pro zin Rv). Uitgaande van de door de rechtbank bepaalde aantallen Temper-werkers die tot de nauw omschreven groep horen en de uitgebrachte opt-out verklaringen, is het aantal opt-outs in absolute en relatieve zin groot. Anders dan de rechtbank ziet het hof hierin, in de gegeven omstandigheden, geen aanleiding om de collectieve actie niet voort te zetten.
5.38.2.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de WAMCA een gecoördineerde, efficiënte en effectieve afwikkeling van collectieve vorderingen bewerkstelligt waarbij in één keer wordt geoordeeld over vorderingen over dezelfde gebeurtenis(sen). De WAMCA strekt tot het bereiken van finaliteit; de uitspraak op de collectieve vordering is bindend voor alle individuen uit de nauw omschreven groep, behalve voor degenen die een opt-out verklaring hebben uitgebracht (art. 1018k Rv). Deze finaliteit beoogt te voorkomen dat de aangesproken partij wordt geconfronteerd met een veelheid aan individuele en collectieve procedures. Deze vergaande binding van benadeelden vereist echter dat zij een mogelijkheid hebben om aan te geven niet gebonden te willen worden aan een uitspraak in een procedure waarin zij zelf geen partij zijn. In het systeem van de WAMCA moeten individuele personen die behoren tot de nauw omschreven groep, als de collectieve vorderingen ontvankelijk zijn en de in art. 1018e lid 1 en 2 Rv bedoelde beslissingen zijn genomen, een afweging maken of zij meegaan in de collectieve procedure of dat zij verwachten individueel een beter resultaat te kunnen halen. Zie Kamerstukken II 34 608, nr. 3, p. 9-10, 46-47.
5.38.3.
De veel lagere opt-outpercentages in tot nu toe gevoerde WCAM-procedures en de ‘blow provision’ die vaak wordt opgenomen in collectieve schikkingsovereenkomsten, waarin is bepaald dat de collectieve schikkingsovereenkomst eindigt of kan eindigen bij een bepaald opt-out percentage, volgens [geïntimeerden] vaak 5%, rechtvaardigen niet zonder meer de gevolgtrekking dat het ruimschoots hogere opt-out percentage in deze procedure ‘te groot’ is in de zin van art. 1018f Rv. Los daarvan dwingt art. 1018f lid 1 Rv niet tot beëindiging van de procedure bij een bepaald, ‘te groot’ aantal opt-outs. Deze bepaling verschaft de rechter de bevoegdheid daartoe indien hij het aantal opt-outs te groot acht om voortzetting van de procedure te rechtvaardigen. Nu de ruime meerderheid van de Temper-werkers zich niet via deze weg heeft bevrijd van de bindende werking van de uitspraak is het voeren van deze collectieve actie efficiënter en effectiever dan het instellen van individuele vorderingen door deze meerderheid.
5.39.
Grief 3 van de bonden is dan ook terecht voorgesteld. Het betoog van de bonden dat de rechtbank is uitgegaan van een te laag aantal Temper-werkers in de nauw omschreven groep en over de door de bonden als misleidend gekwalificeerde berichtgeving van Temper in verband met de opt-outmogelijkheid, kan onbesproken blijven.
De toewijsbaarheid van de vorderingen
5.40.
Omdat de bonden niet-ontvankelijk zijn in de primaire vorderingen onder IV en V en de subsidiaire vordering onder II, worden deze niet in de beoordeling ten gronde betrokken.
5.41.
De stellingen van [geïntimeerden] lopen, ook volgens henzelf, parallel aan die van Temper en zijn dus in de kern gelijk aan die van Temper. Het hof zal hierna uitgaan van de stellingen van Temper.
De primaire vordering onder I
5.42.
De bonden vorderen primair onder I een verklaring voor recht dat sprake is van een uitzendovereenkomst in de zin artikel 7:690 BW Pro tussen Temper en alle werkers die werkzaamheden verrichten of hebben verricht via Temper.
5.43.
Artikel 7:690 lid 1 BW Pro luidt:

De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.
De primaire vordering onder I stelt de vraag aan de orde of tussen Temper en de werkers een bijzondere arbeidsovereenkomst, namelijk een uitzendovereenkomst, bestaat. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat bij een uitzendovereenkomst sprake is van een driehoeksverhouding, waarbij de leiding en het toezicht bij de inlener berust.
5.44.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo) het volgende overwogen, voor zover van belang (zonder noten weergegeven):

3.2.3 Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen.
3.2.4
Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.
3.2.5
Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn [nummering aangebracht door het hof] i) de aard en duur van de werkzaamheden, ii) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, iii) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, iv) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, v) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, vi) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, vii) de hoogte van deze beloningen, en viii) de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn ix) of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een opdrachtgever verbindt.
Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.
5.45.
Het hof is van oordeel dat sprake is van een uitzendovereenkomst tussen Temper en een werker. Hierna licht hij dit oordeel toe aan de hand van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien.
5.46.
Het platform heeft tot doel dat een persoon die op zoek is naar een klus om die tegen betaling te verrichten en een aanbieder van een dergelijke klus elkaar vinden. Beiden sluiten daartoe een gebruikersovereenkomst met Temper.
In de Gebruikersovereenkomst van de opdrachtgever is onder meer geregeld dat voor opdrachten die met behulp van het Temper platform zijn ontstaan de opdrachtgever een gebruiksvergoeding van € 4,90 per gewerkt uur aan Temper is verschuldigd.
In de Gebruikersovereenkomst van de werker is onder meer geregeld dat de facturering door Temper geschiedt en dat betaling na verkoop van de vordering door de werker door de factoringmaatschappij Finqle plaatsvindt. De werker betaalt hier 2,9% van het factuurbedrag voor. Het staat tussen partijen vast dat in sommige gevallen ook buiten Finqle om facturen worden betaald. Ter zitting in hoger beroep is verklaard door Temper dat dit bij 2.000 klussen is gebeurd. Dit is een verwaarloosbaar aantal, gelet op de stelling van Temper in haar conclusie van antwoord inzake kwalificatie (noot 1) dat deze procedure ziet op 61.292 werkers, die 1.362.564 klussen hebben verricht.
Voorts stelt Temper de Opdrachtovereenkomst, die gebaseerd is op een door de Belastingdienst goedgekeurde modelovereenkomst, op haar platform ter beschikking. In de Gebruikersovereenkomst van de werker en die van de opdrachtgever adviseert Temper niet af te wijken van de artikelen 1 tot en met 5 van de Opdrachtovereenkomst. Deze artikelen zien blijkens de erboven opgenomen kop op aard en duur, uitvoering, nakoming en vervanging, vergoeding en belastingen en sociale premies. Temper gaat blijkens haar conclusie van antwoord inzake kwalificatie ervan uit dat in de honderdduizenden overeenkomsten van opdracht die zijn gesloten niet schriftelijk of feitelijk is afgeweken van de door haar ter beschikking gestelde Opdrachtovereenkomst.
Verder stelt Temper op haar platform de Vervangingsovereenkomst ter beschikking, die de oorspronkelijke werker kan benutten om zich te laten vervangen door een andere werker. Voorts heeft Temper het platform zo ingericht dat een werker niet meer dan 660 uur in een kalenderjaar voor dezelfde opdrachtgever werkt, zodat een werker in ieder geval aan een minimum van drie opdrachtgevers op jaarbasis kan voldoen, aldus de Gebruikersovereen-komst van de werker en van de opdrachtgever.
5.47.
De hoogte van de vergoeding voor een klus wordt bepaald door de opdrachtgever. Die vult het geboden bedrag per uur in bij de aangeboden klus op het platform. Het platform laat de opdrachtgever zien wat vergelijkbare opdrachtgevers voor vergelijkbare klussen in de desbetreffende regio bieden. Temper heeft het platform zo ingericht dat een aanbod onder het minimumloon niet toegelaten wordt. De werker kan het aangeboden bedrag accepteren of een hoger uurtarief vragen door het gewenste hogere uurtarief in te vullen bij de aangeboden klus op het platform. Temper heeft op haar website vermeld “
Denk goed na voordat je onderhandelt. Het kan de kans verkleinen dat je gekozen wordt.” Over het uurtarief heeft Temper in haar memorie van antwoord en ter zitting in hoger beroep samengevat naar voren gebracht: de opdrachtgevers volgen in 6,3% van de aangeboden klussen het gesuggereerde tarief en bieden dus in 92,7% van de gevallen een hoger tarief aan, 60% van de werkers onderhandelt weleens, wat gemiddeld in 35% van de gevallen succesvol is, deze onderhandelingen leiden gemiddeld tot een verhoging van het aangeboden tarief met € 3,45 per uur en het gemiddelde tarief bedroeg in 2025 € 20,78 per uur.
De hoogte van het aangeboden en in een aantal gevallen uitonderhandelde uurtarief wordt weliswaar niet bepaald door Temper, maar zij speelt met betrekking tot dit punt wel een belangrijke rol door een lager uurtarief dan het − alleen voor arbeidsovereenkomsten geldende − minimumloon niet toe te staan, het gemiddelde tarief van vergelijkbare klussen in de regio te tonen aan de opdrachtgever, onderhandelen door de werker over een hoger uurtarief af te raden op haar website en het mogelijk te maken dat een werker een hoger tarief dan het aangeboden tarief bij de aangeboden klus op haar platform invult.
5.48.
Uit het voorgaande volgt dat Temper nauw betrokken is bij de wijze waarop de contractuele regeling van de driehoeksverhouding tussen Temper, de werker en de opdrachtgever tot stand komt, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en deze wordt uitgekeerd en de hoogte van deze beloningen (Deliveroo-arrest, rov. 3.2.5, punten v, vi en vii). Het hof neemt hierbij in aanmerking dat volgens de bonden en Temper de door Temper doorgevoerde wijzigingen sinds de start van Temper in 2016 mineur en dus in dit verband niet relevant zijn. Anders dan Temper meent, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, gezien deze mate van betrokkenheid van Temper, het platform niet louter worden gekarakteriseerd als een bemiddelingssite, zoals zij onder verwijzing naar eBay, Marktplaats, AirBnb en Vinted stelt.
5.49.
Temper heeft niet voldoende gemotiveerd betwist dat de klussen die de werkers bij de opdrachtgevers vervullen onderdeel zijn van de gebruikelijke werkzaamheden van (de onderneming van) de opdrachtgevers. Dit volgt bovendien ook uit de in productie 10 bij memorie van grieven, houdende een “Overzicht van de top 25 opdrachtgevers van Temper in februari 2025”, genoemde functietypes en de op het platform aangeboden
job categories(3.8).
De opdrachtgever vult de begin- en eindtijd van de klus in op het platform. In de “Aanvullende briefing” op het platform vult de opdrachtgever nadere gegevens over de klus en verantwoordelijkheden voor de werker in.
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat een werker via Temper geen, minder of andere instructies krijgt dan een werknemer in dienst van de opdrachtgever die soortgelijke werkzaamheden verricht, zoals Temper betoogt. Dat er klussen zijn die meer zelfstandigheid van de werker vragen en de instructies van de werkgever dus beperkt(er) zijn, zoals in geval van een klus voor een chef-kok, is in dit verband niet onderscheidend.
5.50.
Ter zitting in hoger beroep is namens Temper voorts verklaard dat gemiddeld een werker drie maanden via het platform bij acht opdrachtgevers werkt en dan 42 klussen verricht. De duur van een klus is volgens Temper gemiddeld 6,75 uur.
5.51.
Hiermee zijn aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht (Deliveroo-arrest, rov. 3.2.5, punten i tot en met iv) besproken.
5.52.
De voorlopige conclusie uit het voorgaande is dat een werker in het kader van de uitoefening van het bedrijf van Temper aan een opdrachtgever ter beschikking wordt gesteld om een op het platform aangeboden klus te verrichten onder toezicht en leiding van de opdrachtgever. Anders dan Temper meent, geldt dat ook voor een eenmalige terbeschikkingstelling met een duur van 6,5 uur. Daarbij berust het formele gezag bij Temper en oefent de opdrachtgever het materiële gezag uit.
[geïntimeerden] hebben geen (voldoende) andere feiten en omstandigheden gesteld om over een en ander in hun zaken anders te oordelen.
Hierna behandelt het hof de omstandigheden van het geval die aanleiding zouden kunnen zijn uiteindelijk anders te concluderen.
5.53.
In dit verband zijn de stellingen van Temper inzake het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren (Deliveroo-arrest, rov. 3.2.5, punt iv) van belang. Dat er mensen zijn die een account hebben op het platform en er geen gebruik van maken, is, anders dan Temper meent, niet relevant. De gestelde uitzendovereenkomst komt namelijk pas tot stand indien een werker daadwerkelijk een eerste klus aanvaardt. Dat aanvaarde klussen worden geannuleerd door de werkers binnen de annuleringstermijn (volgens Temper annuleert ruim 60% van de werkers minimaal 25% van de klussen ), ziet niet op de hier aan de orde zijnde verplichting. De annulering leidt er enkel toe dat de betreffende werker geen betaling ontvangt omdat hij geen arbeid verricht. Dat volgens Temper in het kader van haar beroep op “vervangvrijheid” uit haar cijfers blijkt dat 43% van de werkers, kennelijk nadat de annuleringstermijn is verstreken, zich “weleens” heeft laten vervangen, is van onvoldoende gewicht om aan te nemen dat werkers zich niet gehouden achten om het werk persoonlijk uit te voeren, in aanmerking genomen dat een werker volgens Temper gemiddeld 42 klussen verricht.
Dat volgens Temper 1.000 mensen een account op het platform hebben, zich inschrijven op de “allerbeste” klussen en die klussen vervolgens uitzetten tegen een lager tarief bij vervangers, waardoor het voor die mensen een verdienmodel is, leidt niet tot een ander oordeel. Kennelijk hebben de mensen uit deze groep persoonlijk geen enkele klus verricht via het platform, met als gevolg dat ten aanzien van hen geen uitzendovereenkomst met Temper tot stand is gekomen. De primaire vordering onder I ziet enkel op werkers die werkzaamheden verrichten of hebben verricht.
5.54.
Anders dan Temper betoogt, loopt de werker geen commercieel risico (Deliveroo-arrest, rov. 3.2.5, punt viii). Zoals hiervoor is overwogen, wordt ervan uitgegaan dat de werkers hun vorderingen aan Finqle verkopen. Zij krijgen dan hun vergoeding direct betaald tegen inhouding van 2,9%. Zij lopen aldus geen risico op niet betaling van de gewerkte uren.
Dat volgens Temper “sommige” werkers “grote investeringen hebben gedaan in het kader van de onderneming van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten”, leidt niet tot een ander oordeel. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat een in dit verband relevant aantal werkers dergelijke investeringen heeft gedaan. Hierbij is mede in aanmerking genomen de in het “Overzicht van de top 25 opdrachtgevers van Temper in februari 2025” genoemde functietypes en de op het platform aangeboden
job categories(3.8) die neerkomen op niet of weinig gespecialiseerd werk, waarvoor geen eigen investeringen in bedrijfsmiddelen, zoals een foodtruck, nodig zijn. Bij de eerste vier in voormeld overzicht genoemde opdrachtgevers, met ieder meer dan duizend klussen, zien de functietypes op bezorging, allround supermarkt hulp, schoonmaak-facilitair en
housekeeping. Bij de andere genoemde opdrachtgevers zijn de functietypes gelijk, althans gelijkwaardig. De gemiddelde vergoeding voor deze functietypes ligt bij de eerste vier genoemde opdrachtgevers tussen € 15,11 en € 21,24 per uur en bij de andere opdrachtgevers tussen € 15,00 en € 27,23 per uur. Met deze vergoeding en de door Temper genoemde gemiddelde vergoeding in 2025 van € 20,78 per uur zijn substantiële investeringen door werkers ook niet aannemelijk, mede in aanmerking genomen dat volgens Temper een werker gemiddeld drie maanden via het platform bij acht opdrachtgevers werkt en dan 42 klussen met een gemiddelde duur van 6,75 uur verricht.
Het al dan niet kunnen opbouwen van een klantenkring via Temper door een werker behoeft geen bespreking. Dit ziet namelijk niet op een commercieel risico van de werkers, nu het uitgangspunt is, zoals hiervoor overwogen, dat zij niet investeren.
5.55.
Het laatste punt uit het Deliveroo-arrest is of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen (zie rov. 3.2.5, punt ix). Volgens Temper heeft 91% van de werkers een btw-nummer en 53% een KvK-inschrijving. Dit betekent dat 9% van de werkers die geen btw-nummer heeft en 47% van de werkers die geen KvK-inschrijving heeft, zich niet als ondernemer kunnen gedragen. Voor de andere werkers geldt dat ondernemerschap, dat gericht is op het maken van winst, zich zonder nadere toelichting niet verhoudt met een gemiddeld uurtarief in 2025 van € 20,78, in aanmerking genomen dat een ondernemer daaruit allerlei kosten moet betalen die een werknemer niet heeft, zoals premies voor diverse verzekeringen en (eventueel) pensioenopbouw en btw-afdracht. Het gebruik van fiscale mogelijkheden om minder belasting te hoeven betalen, leidt niet tot een ander oordeel.
5.56.
Hetgeen onder 5.53 tot en met 5.55 is overwogen, leidt niet tot een andere conclusie dan onder 5.52 voorlopig is vastgesteld. De primaire vordering onder I is toewijsbaar, als cao-nakomingsvordering (zonder bindende kracht voor de nauw omschreven groep) en als WAMCA-vordering (met bindende kracht voor de nauw omschreven groep, behalve de opt-outers en met de opt-inners). De tekst van de Gebruikers-overeenkomsten, Opdracht-overeenkomst en Vervangingsovereenkomst, die een uitzendovereenkomst uitsluit, doet, anders dan Temper en [geïntimeerden] menen, hieraan niet af.
Het beroep van Temper op het “heterogeniteitsverweer”, inhoudende dat sprake is van aanzienlijke verscheidenheid op een groot aantal Deliveroo-elementen, die in de praktijk van wezenlijk belang zijn voor de werkers, gaat niet op. Ten aanzien van de elementen waaruit de uitzendovereenkomst ingevolge art. 7:690 BW Pro bestaat en de daarbij in aanmerking te nemen gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest, is de verscheidenheid niet dusdanig, zowel kwalitatief als kwantitatief, dat niet voor alle werkers van Temper sinds 2016 tot heden beoordeeld kan worden of sprake is van een uitzendovereenkomst tussen Temper en de werkers. Ook is geen sprake van een ondeelbare rechtsverhouding tussen Temper, de werkers en de opdrachtgevers. Het beroep van Temper op de exceptio plurium litis consortium gaat dan ook niet op.
Ten aanzien van het beroep van Temper op de “vervangvrijheid” is reeds overwogen dat dit enkele feit onvoldoende is om geen uitzendovereenkomst tussen Temper en de werker aan te nemen, mede in aanmerking genomen dat volgens Temper 43% van de werkers zich “weleens” heeft laten vervangen en dat een werker gemiddeld 42 klussen doet.
Temper en [geïntimeerden] hebben (verder) geen essentiële stellingen betrokken, die tot een andere conclusie in hun zaken leiden.
5.57.
De primaire vordering onder III tot verklaring voor recht dat de opdrachtgevers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor nabetaling van het achterstallig salaris van alle werkers van Temper die werkzaamheden bij hen verrichten of hebben verricht, zal worden afgewezen, aangezien zij niet gedagvaard zijn en dus geen partij zijn in deze procedure. Anders dan de bonden menen, kan deze eis niet worden toegewezen zonder dat “de opdrachtgevers” partij zijn in deze procedure, reeds omdat hierdoor geen debat met hen heeft kunnen plaatsvinden over de door de bonden gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid van hen voor betaling van achterstallig salaris.
5.58.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven 5 en 6a, b en c slagen, dat grief 8 voor zover die ziet op de primaire vordering onder III faalt en dat grief 7 geen behandeling behoeft.
De primaire vordering onder II en VI
5.59.
Grief 8 voor zover die ziet op de primaire vordering onder II faalt ook. De bonden hebben niet feitelijk onderbouwd dat het betaalde loon en overige vergoedingen aan
allewerkers – de bonden achten veel aannemelijker dat het 100.000 werkers zijn dan het door Temper en de rechtbank genoemde aantal van 61.292 − en de overige voor hen geldende arbeidsvoorwaarden niet voldeden aan art. 8 Waadi Pro en/of de (AVV) cao voor uitzendkrachten gedurende de periode van 2016 tot heden. De bonden hebben dus niet voldaan aan hun stelplicht. De afwijzing van deze vordering door de rechtbank wordt dan ook gehandhaafd.
5.60.
Grief 8 voor zover die ziet op de primaire vordering onder VI slaagt.
De bonden stellen dat deze inhouding door Temper vanaf de oprichting van het platform geschiedde en dat die in overleg met FNV Horeca in april 2019 is afgeschaft. Temper en [geïntimeerden] hebben geen inhoudelijk verweer gevoerd. Deze vordering zal daarom alsnog worden toegewezen.
De cao-schadevordering
5.61.
Dan resteert de cao-schadevordering (primaire vordering onder VII), waarop grief 8 ook ziet. De afwijzing van deze vordering door de rechtbank wordt gehandhaafd. In zoverre slaagt grief 8 dus niet.
Ook ten aanzien van deze vordering hebben de bonden niet aan hun stelplicht voldaan, omdat zij hebben nagelaten toe te lichten dat en in welke omvang zij en/of hun leden (materiële en/of immateriële) schade hebben geleden.
Slotsom
5.62.
De slotsom is dat het bestreden vonnis gedeeltelijk zal worden vernietigd en dat de primaire vorderingen onder I en VI alsnog zullen worden toegewezen. Anders dan Temper meent, staat artikel 3:302 BW Pro daaraan niet in de weg. De bonden moeten geacht worden bij de onderhavige rechtsverhouding onmiddellijk betrokken personen te zijn, daar zij bij deze collectieve actie als materiële procespartij optreedt (HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:587, rov. 3.2).
De ontzegging van de overige primaire vorderingen, leidt er niet toe dat wordt toegekomen aan (een van) de subsidiaire vorderingen omdat die geen subsidiaire variant zijn van eerstgenoemde vorderingen.
Aan de bewijsaanbiedingen van de bonden, Temper en [geïntimeerden] wordt voorbijgegaan, nu geen van hen voldoende onderbouwde stellingen te bewijzen heeft aangeboden, die indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden.
De bonden vorderen € 3.357,75 aan buitengerechtelijke incassokosten, welke vordering door de rechtbank is afgewezen. Voor zover grief 8 hierop ziet, slaagt de grief. Nu de vorderingen onder I en VI zijn toegewezen, zullen de niet-betwiste buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW worden toegewezen (vgl. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2077, rov. 7.2.2).
Aangezien partijen over en weer op enkel punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep worden gecompenseerd.
Ter bevordering van de duidelijkheid zullen de bestreden vonnissen geheel worden vernietigd en zal een volledig nieuw dictum worden geformuleerd.

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de bestreden vonnissen,
en opnieuw rechtdoende:
6.2.
verklaart de bonden niet-ontvankelijk in hun primaire vorderingen onder IV en V en hun subsidiaire vordering onder II;
6.3.
verklaart voor recht dat sprake is van een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW Pro tussen Temper en alle werkers die werkzaamheden verrichten of hebben verricht via Temper;
6.4.
verklaart voor recht dat Temper in de periode 1 januari 2016 tot 1 april 2019 jegens de werkers die in voornoemde periode werkzaamheden hebben verricht via Temper, artikel 9 Waadi Pro heeft geschonden door een financiële tegenprestatie van € 1,- per gewerkt uur te vragen van de werkers voor haar terbeschikkingstellingsactiviteiten;
6.5.
veroordeelt Temper tot betaling van € 3.357,75 aan buitengerechtelijke incassokosten aan de bonden, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 oktober 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;
6.6.
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep dragen;
6.7.
verklaart de onder 6.5 bedoelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, I.A. van der Burg en L. Alwin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.