Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1613

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.342.648/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezamenlijk gezag en voorlopige omgangsregeling in belang minderjarige

In deze civiele familierechtelijke zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 juni 2026 uitspraak gedaan over het hoger beroep inzake het gezamenlijk gezag over een minderjarige. De rechtbank had het gezamenlijk gezag beëindigd en de moeder het eenhoofdig gezag toegekend. Het hof bekrachtigt deze beslissing, gelet op het langdurige grensoverschrijdende gedrag van de vader en de negatieve impact daarvan op de moeder en het kind.

De vader voerde aan dat het gezamenlijk gezag in het belang van het kind is en dat hij geen misbruik maakt van het gezag, maar het hof oordeelt dat de communicatieproblemen en het niet naleven van afspraken door de vader het gezamenlijk gezag onuitvoerbaar maken. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde eveneens het gezamenlijk gezag te beëindigen.

Ten aanzien van de omgangsregeling handhaaft het hof de huidige co-ouderschapsregeling, waarbij het kind wekelijks afwisselend bij beide ouders verblijft, maar legt het aanvullende gedragsregels op aan de vader, waaronder het stoppen met bepaalde activiteiten in de week dat het kind bij de moeder is. Tevens wordt een dwangsom opgelegd om naleving te waarborgen. De procedure wordt aangehouden tot 1 november 2026 om de naleving te monitoren.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het eenhoofdig gezag van de moeder en stelt een voorlopige omgangsregeling met dwangsom voor de vader vast.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.342.648/01
zaaknummer rechtbank: C/13/673357 / FA RK 19-6149 (HH/WvL)
beschikking van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende op een bij het gerechtshof bekend adres,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: geen (voorheen mr. C.H.C. Houben te Leiden),
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. I. Vledder te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Het hof handhaaft wat het heeft overwogen en beslist in zijn beschikking van 11 februari 2025. Het hof heeft bij die beschikking de raad verzocht een onderzoek te verrichten aan de hand van de volgende vragen:
1. Bestaat bij de uitoefening van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige]
klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen
afzienbare tijd voldoende verbetering in komt? Of is beëindiging van het gezamenlijk
gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk?
2. Welke zorgregeling is in het belang van [minderjarige] en hoe dient daaraan vorm te worden
gegeven?
3. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn
gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn voor de door het hof te
nemen beslissingen?
1.2
Het rapport van de raad van 20 november 2025 is op 25 november 2025 bij het hof ingediend.
1.3
Het hof heeft hierna de volgende stukken ontvangen:
- een brief van de raad van 24 december 2025;
- een bericht van de zijde van de moeder van 13 maart 2026 met bijlagen.
1.4
De zitting is voortgezet op 23 maart 2026. Hierbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door G. Koppen.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.
1.5
Na de zitting heeft het hof nog een brief van de raad, gedateerd 20 mei 2026, ontvangen.

2.De verdere beoordeling

2.1
Het hof dient te beoordelen of het gezamenlijk gezag van de ouders moet worden beëindigd, zoals de rechtbank op het verzoek van de moeder heeft gedaan. Ook dient het hof te beoordelen of de door de rechtbank vastgestelde definitieve omgangsregeling, inclusief dwangsom aan de vader, in het belang van [minderjarige] wenselijk is, dan wel of die zorgregeling in omvang moet worden teruggebracht zoals de moeder verzoekt. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
Brief moeder van 8 maart 2024 (grief 1)
2.2
De eerste grief van de vader is gericht tegen de brief van de moeder van 8 maart 2024. De moeder heeft een aantal dagen voor de zitting bij de rechtbank een brief ingediend waarin zij situaties schetst waarin de vader de zorgregeling zou hebben overtreden. De vader stelt zich op het standpunt dat deze brief ten onrechte is meegewogen in de beslissing van de rechtbank en dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om op de inhoud van de brief te reageren. Zijn perspectief is, volgens de vader, onvoldoende meegenomen in de besluitvorming van de rechtbank. De moeder betwist dit en geeft aan dat de vader zelf heeft aangegeven dat hij zich niet aan de regeling houdt.
2.3
Het hof overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, en de bestreden beschikking, blijkt dat de vader ter zitting heeft kunnen reageren op de brief van 8 maart 2024 van de moeder. Voor zover de vader meent dat hij daartoe toen onvoldoende gelegenheid heeft gehad, heeft hij dat in hoger beroep alsnog kunnen doen. De eerste grief van de vader faalt dan ook omdat hij daar geen belang meer bij heeft.
Gezag
Standpunten
2.4
De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de moeder het eenhoofdig gezag toekomt. De rechtbank heeft overwogen dat de vader niet in staat is zich gedurende langere tijd aan afspraken te houden. Dit komt met name omdat hij vaker contact heeft met [minderjarige] dan is afgesproken in de zorg-/omgangsregeling.
De vader is zeer betrokken in het leven van [minderjarige] en haar activiteiten. Het is geen onwil dat hij zich niet aan de afspraken houdt. Hij is actief als coach bij het schoolvoetbal, is klassenouder en coach van het hockeyteam van [minderjarige] . Er is geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen haar beide ouders. Het is nog niet voorgekomen dat bepaalde beslissingen die vallen onder het ouderlijk gezag consistent niet gemaakt kunnen worden. De vader maakt ook geen misbruik van zijn gezag over [minderjarige] . Een slechte communicatie vormt bovendien geen grond voor het toekennen van eenhoofdig gezag. Het toekennen van het eenhoofdig gezag aan de moeder is daarom onterecht en disproportioneel. De vader wordt buitenspel gezet in het leven van [minderjarige] als de moeder alleen met het gezag over haar is belast. Dat is niet in het belang van [minderjarige] . De vader kan het oordeel van de rechtbank dat het eenhoofdig gezag van de moeder in het belang van [minderjarige] is, dan ook niet volgen. De problemen dan wel miscommunicatie tussen de ouders zien met name op de zorg-/omgangsregeling en niet op het gezag. Als de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] wordt belast dan lost dit het probleem niet op. Daar komt bij dat de moeder, wanneer zij met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] is belast, zou kunnen verhuizen met [minderjarige] zonder toestemming te moeten vragen aan de vader. Gezamenlijk gezag is dan ook van cruciaal belang om ervoor te zorgen dat [minderjarige] van beide ouders evenveel steun en begeleiding ontvangt. De raad heeft notabene in het raadsonderzoek aangegeven dat gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank heeft met het beëindigen van het gezamenlijk gezag in combinatie met het opleggen van een dwangsom een maatregel opgelegd die niet in verhouding staat tot de problemen die zich tussen de ouders voordoen.
2.5
De moeder is van mening dat de rechtbank haar terecht met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft belast. Voortzetting van het gezamenlijk gezag is niet langer in het belang van [minderjarige] . De vader heeft alle gelegenheid gekregen om zijn gedrag te veranderen maar heeft die kans niet aangegrepen. De vader doet nu voorkomen alsof de rechtbank het gezamenlijk gezag heeft beëindigd in de hoop dat de communicatie tussen de ouders zou verbeteren. De vader gaat daarmee echter voorbij aan dat het beëindigen van het gezamenlijk gezag het sluitstuk is van een procedure die vier jaar bij de rechtbank Amsterdam (en daarvoor bij de rechtbank Noord-Holland) heeft gespeeld, waarbij de vader meermaals is voorgehouden dat hij zich aan de zorg-/omgangsregeling dient te houden. Sinds het opleggen van de dwangsom heeft de vader [minderjarige] niet meer op de dagen van de moeder opgehaald. Kennelijk werkt de prikkel van een dwangsom om de regeling na te komen.
Totstandkoming van het advies van de raad
2.6
De raad heeft op 20 november 2025 gerapporteerd. De vader heeft bezwaar gemaakt tegen de wijze van totstandkoming van het rapport, meer in het bijzonder het gebruik van de brief van de Blijf Groep van 4 december 2024. Tijdens de eerste zitting in hoger beroep, op 6 december 2024, heeft het hof geoordeeld dat dit stuk buiten het dossier wordt gelaten omdat het niet door de advocaat van moeder, maar rechtstreeks door de Blijf Groep aan het hof was gestuurd, zonder een kopie aan partijen te sturen en het bovendien te laat was ingediend. Dat betekent dat de brief van de Blijf Groep niet tot de processtukken behoorde en de raad niet ervan mocht uitgaan dat de inhoud van de brief bij de vader bekend was. Uit het advies van de raad blijkt dat de raad dit in de loop van het onderzoek heeft onderkend. Vervolgens heeft de raad de vader in de gelegenheid gesteld alsnog te reageren op deze brief van de Blijf Groep. De vader heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt en de raad heeft zijn reactie in zijn rapport betrokken. De brief is voorafgaand aan de tweede zitting in hoger beroep alsnog tijdig in het geding gebracht door de advocaat van de moeder, waardoor deze alsnog tot de processtukken is gaan behoren. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader op de brief gereageerd.
Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het rapport niet op een zodanig gebrekkige wijze tot stand is gekomen dat het buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Het verweer van de vader wordt verworpen.
Advies van de raad
2.7
De raad adviseert de beslissing van de rechtbank, om het gezamenlijk gezag van de vader te beëindigen en de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten, in stand te laten. Hoewel de vader zegt in het belang van [minderjarige] te handelen, overschrijdt hij met zijn houding en gedrag de grenzen van de moeder. De moeder werkt tot op zekere hoogte mee om [minderjarige] zo min mogelijk te belasten. Tussen de ouders is aldus sprake van een ongezonde dynamiek. Gezamenlijk gezag, waarbij gezamenlijk beslissingen moeten worden genomen, is daardoor niet uitvoerbaar en niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is gebaat bij rust en duidelijkheid. De moeder is in staat beslissingen te nemen over [minderjarige] en eenhoofdig gezag geeft haar meer mogelijkheden om te handelen, bijvoorbeeld als het gaat om in te zetten hulpverlening of de schoolkeuze.
2.8
De vader heeft in zijn reactie op het raadsrapport aangegeven dat er geen enkel concreet feit in het raadsrapport staat waaruit zou blijken dat het gerechtvaardigd is het gezamenlijk gezag te beëindigen. De raad zegt eigenlijk dat de zorg-/omgangsregeling gelijk moet blijven maar dat bij belangrijke beslissingen de vader voor spek en bonen meedoet. Nergens in het raadsrapport staan concrete argumenten of gebeurtenissen waaruit zou blijken dat wat de vader heeft gedaan schadelijk is voor [minderjarige] . De ouders kunnen samen tot beslissingen komen. In alle gesprekken die de raad heeft gevoerd komt naar voren dat [minderjarige] zich normaal ontwikkelt. Het enige concrete punt is dat de schooldirecteur heeft aangegeven dat [minderjarige] zich wel eens teruggetrokken gedraagt, maar het is niet zeker dat dat komt door het gedrag van de vader.
De vader betwist dat sprake is van intieme terreur, zoals de Blijf Groep heeft geschreven, waarbij hij erop wijst dat de Blijf Groep hem hierover niet heeft gesproken. De Blijf Groep heeft vervolgens Veilig Thuis ingeschakeld, die tot de conclusie kwam dat er geen sprake is van een veiligheidsrisico. De brief van Veilig Thuis is echter niet meegenomen in het rapport van de raad. [minderjarige] ontwikkelt zich normaal, is een normaal kind en reageert op een normale manier op deze spanning. Het argument dat je niet kan garanderen dat het in de toekomst zo blijft maakt niet dat het gerechtvaardigd is de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten, aldus de vader.
2.9
De moeder heeft aangegeven dat zij een klacht heeft ingediend bij de raad. Zij is teleurgesteld in de werkwijze van de raad, zowel voor wat betreft de inhoud van het raadsrapport, het optreden van de zittingsvertegenwoordiger als de wijze waarop de raad haar klacht heeft behandeld. Het is teleurstellend dat de raad niet dieper ingaat op alle informatie die de moeder door de jaren heen heeft ingediend, waarvan de vader een groot deel niet betwist. In het uiteindelijke advies gaat onvoldoende aandacht uit naar het jarenlange grensoverschrijdende gedrag van de vader. Ook vindt de moeder het vreemd dat de raad adviseert dat zij begeleid en ondersteund moet worden. Daarentegen worden geen duidelijke eisen aan de vader gesteld, maar overweegt de raad slechts dat hij de regeling zal moeten ‘verdragen’. Door het gedrag van de vader is het echter onmogelijk om op een gelijkwaardige manier invulling te geven aan het ouderschap. Dit is door de moeder ook al aangegeven tijdens de zitting op 6 december 2024 maar hij heeft zijn gedrag daarna niet verbeterd. De vader blijft stelselmatig inbreken in de zorgtijd van de moeder door zich (zonder overleg) op te geven voor allerlei activiteiten. Zijn gedrag heeft invloed op de band die [minderjarige] met haar moeder heeft. [minderjarige] moest bijvoorbeeld net doen alsof zij de vrijdag voor de voorjaarsvakantie naar school ging terwijl de vader om de hoek stond om direct op vakantie te gaan met [minderjarige] .
Het is zorgelijk dat de vader [minderjarige] met een geheim opzadelt, dat [minderjarige] haar moeder moet voorliegen en dat de vader ook aan [minderjarige] het signaal geeft dat het niet erg is om (leerplicht)regels te overtreden. Het gezamenlijk gezag van de vader is sinds de bestreden beschikking (van 10 april 2024) beëindigd maar hij gedraagt zich nog altijd als een ouder met gezag. De vader accepteert de door de rechtbank opgelegde grenzen in het contact met [minderjarige] niet. De raad verwacht ook niet dat hij dit gaat accepteren en de moeder maakt zich hierover zorgen, net als de raad. Bij de moeder bestaat de vrees dat de vader – los van wat de uitkomst van de procedure zal zijn – doorgaat met het maken van inbreuk op de zorgtijd van de moeder, contact blijft zoeken met [minderjarige] terwijl zij bij de moeder is en haar door middel van haar telefoon trackt. De beslissing van de rechtbank omtrent het gezag moet dan ook in stand blijven.
Beoordeling door het hof
2.1
Sinds de ouders in 2016 uit elkaar zijn gegaan, hebben zij diverse procedures gevoerd.
De eerste procedures betroffen de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de school, daarna hebben de ouders ook geprocedeerd over het gezamenlijk gezag in combinatie met de zorgregeling. In al deze procedures heeft de moeder steeds aangegeven dat de vader haar grenzen stelselmatig overschrijdt. Zo staat in de beschikking van 23 januari 2020 vermeld dat de vader zich niet aan de zorgregeling houdt die de rechtbank op 1 mei 2019 had bepaald. De omgang zag er toen feitelijk uit zoals de vader die bepaalde. De moeder heeft dat tegen haar zin geaccepteerd om [minderjarige] niet te beschadigen. Als de moeder opa en oma om hulp voor de opvang van [minderjarige] vroeg, vroeg de vader vervolgens aan [minderjarige] of zij het niet leuker zou vinden dat papa haar zou ophalen met als gevolg dat de moeder opa en oma weer moest afzeggen. In de beschikking van 28 april 2021 is opgenomen dat de moeder heeft gewezen op het feit dat de vader steeds weer contact zoekt met [minderjarige] in de weken dat [minderjarige] bij de moeder verblijft. In die periode viel de vader haar ook lastig met telefoontjes als hij het ergens niet mee eens was. In de beschikking van 4 mei 2022 staat dat de vader zich volgens de moeder consequent niet aan de afspraken houdt en bijvoorbeeld door de week met [minderjarige] gaat lunchen, hoewel in een eerdere beschikking was bepaald dat dit niet mocht. In deze beschikking heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij tevens (onder andere) is bepaald dat er niet wordt geluncht met [minderjarige] door de op dat moment niet verzorgende ouder en dat in de periode dat [minderjarige] door de vader verzorgd wordt, de moeder geen contact heeft met [minderjarige] (behoudens een face-time moment) en andersom, alsmede dat opvang kan plaatsvinden door grootouders als [minderjarige] bij de moeder is. Uit de beschikking van 21 april 2023 blijkt dat de moeder ook toen heeft aangegeven het gedrag van de vader als dwingend, grensoverschrijdend en ondermijnend te ervaren. Zo houdt hij zich niet aan de afspraken en zoekt hij contact met [minderjarige] als [minderjarige] bij de moeder verblijft, gaat hij eten met [minderjarige] in de tijd van de moeder en beslist hij volgens de moeder eenzijdig over [minderjarige] , zonder overleg met haar. Blijkens deze beschikking heeft de raad toen geadviseerd de zaak negen maanden aan te houden, waarbij in die maanden moest blijken of de vader in staat was los te laten en de door de moeder gestelde grenzen kon accepteren. Volgens de raad is het niet accepteren van grenzen in de privésfeer geen goed voorbeeld voor [minderjarige] . Van de vader wordt verwacht dat hij accepteert dat [minderjarige] ook een leven heeft bij de moeder en dat dit deel niet toegankelijk is voor hem, aldus de raad. Van hem wordt verwacht dat hij aan [minderjarige] laat zien dat hij de grenzen van de moeder accepteert en daar niet overheen gaat.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat de vader in de periode na de beschikking van 21 april 2023 tot aan de bestreden beschikking niet in staat was zich gedurende langere tijd aan afspraken te houden en aan al dan niet opgelegde regels.
2.11
Hoewel in de beschikking van 4 mei 2022 en in de bestreden beschikking (uitvoerbaar bij voorraad) regels zijn opgenomen over het contact tussen [minderjarige] en de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment niet verblijft, heeft dit niet geleid tot ander gedrag van de vader.
Nog steeds zoekt hij contact met [minderjarige] in de weken dat zij bij de moeder verblijft. De vader accepteert de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet en houdt zich niet aan de afbakening van het contact. Zo is de vader ook hockeycoach van [minderjarige] in de week dat zij bij de moeder verblijft en verschijnt hij bij allerlei schoolactiviteiten van [minderjarige] in de week dat zij bij de moeder verblijft. De vader zegt daarover dat hij een organische vorm van ouderschap wil, maar miskent daarmee dat dit neerkomt op het overschrijden van grenzen in het contact. Anders dan de vader aangeeft, heeft deze ondermijning van de zorgregeling ook invloed op de gezagsuitoefening van de moeder. Doordat de vader zich niet aan afspraken houdt, kan de moeder haar gezag niet (adequaat) uitoefenen.
Daarbij komt dat hij [minderjarige] in een moeilijke positie brengt. Zo heeft [minderjarige] de start van de skivakantie in het voorjaar 2026, op initiatief van de vader, geheim moeten houden voor de moeder en mocht zij niet zeggen dat ze al op de vrijdag vóór de vakantie zouden vertrekken. Op Koningsdag 2025 zette hij de moeder voor het blok door eerst [minderjarige] voor te stellen een extra nacht bij hem te blijven, voordat hij de moeder vroeg of dit akkoord is. Het is voorstelbaar dat de moeder vervolgens dan maar toegeeft aan de wensen van de vader omdat [minderjarige] anders de dupe is. Dit is precies het soort dwingende gedrag waarbij de vader een grens van de moeder ten aanzien van de zorgregeling overschrijdt en daar minst genomen (kennelijk) niet zelf op reflecteert en bedenkt dat dit soort gedragingen schadelijk voor [minderjarige] en de moeder kunnen zijn.
Het hof constateert dat de vader geen blijk geeft van inzicht in wat zijn gedrag voor problemen veroorzaakt. Integendeel, de vader heeft ter zitting van 23 maart 2026 aangegeven dat hij overtuigd is dat zijn manier van opvoeden heel goed is voor [minderjarige] .
Het hof is dan ook van oordeel dat de beslissing van de rechtbank waarbij het gezamenlijk gezag van de ouders is beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] is belast, moet worden bekrachtigd. Gelet op het voorgaande is het beëindigen van het gezamenlijk gezag van de ouders en het opdragen van eenhoofdig gezag aan de moeder noodzakelijk in het belang van [minderjarige] .
Wat betreft een gevreesde verhuizing van [minderjarige] , zoals de vader heeft gesteld, is het hof van oordeel dat nergens uit blijkt dat de moeder van plan is te verhuizen met [minderjarige] .
2.12
De conclusie is dan ook dat de rechtbank het gezamenlijk gezag van de vader terecht heeft beëindigd. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Omgangsregeling
Standpunten
2.13
De moeder heeft zich in het incidenteel hoger beroep op het standpunt gesteld dat de huidige omgangsregeling, waarbij de zorg gelijkelijk is verdeeld, in combinatie met het systematisch inbreuk maken op de tijd van de moeder, ertoe leidt dat de vader te veel ruimte heeft om een loyaliteitsconflict bij [minderjarige] te creëren. De ouders moeten zich respectvol gedragen en over en weer en elkaars mening serieus nemen. De vader meent te weten hoe hij op een goede manier invulling geeft aan het ouderschap en de moeder mag daarbij dan aansluiten. Dit is schadelijk voor [minderjarige] . De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek van de moeder om de omgangsregeling aan te passen, afgewezen. De huidige regeling dient te worden beperkt en aan de nakoming daarvan dient een dwangsom te worden verbonden, aldus de moeder.
2.14
De vader is van mening dat de rechtbank terecht een omgangsregeling heeft vastgesteld waarbij [minderjarige] de helft van de tijd bij de vader is en de helft van de tijd bij de moeder. Dit komt overeen met de behoefte van [minderjarige] . De vader en [minderjarige] hebben een goede band en het beperken van het contact is daarom niet wenselijk.
Het advies van de raad
2.15
Ten aanzien van de omgangsregeling heeft de raad geadviseerd die regeling niet te wijzigen en de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen. Tussen de ouders geldt al jarenlang een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige] een week bij iedere ouder verblijft, met de wisseling op woensdag. Co-ouderschap en eenhoofdig gezag is niet direct een logische combinatie, en zelfs vrij ingewikkeld, maar het is in het belang van [minderjarige] dat nu geen wijziging in de zorgregeling plaatsvindt. [minderjarige] wil graag dat de huidige regeling in stand blijft. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat beide ouders zich houden aan de regeling, zowel in de basis als in alle opgelegde details. Als de omgangsregeling, zoals die is vastgesteld door de rechtbank, wordt bekrachtigd, heeft dit consequenties voor de door de vader op zich genomen taken, zoals onder meer – naar het hof begrijpt – het zijn van hockeycoach. Hier is in 2025 niet naar gehandeld. Het is niet realistisch dat de vader deze taken meteen kan aanpassen. Er zal dan ook een overgangsperiode moeten komen van een aantal maanden om zaken goed te regelen. Dit in combinatie met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] maakt de situatie overzichtelijker en geeft de moeder meer mogelijkheden om haar grenzen aan te geven.
2.16
Ter zitting in hoger beroep op 23 maart 2026 is door de moeder naar voren gebracht dat de procedure voor een aantal maanden zou moeten worden aangehouden om te zien of de vader zijn gedrag alsnog weet te veranderen. Als hij laat zien dat hij zich aan de omgangsregeling, zoals die nu geldt, kan houden, is de noodzaak om de omgangsregeling te beperken wat haar betreft minder aanwezig.
De vader heeft ter zitting in hoger beroep toegezegd dat hij zich zal houden aan de eerdere beperkingen, als het hof dat beslist.
Beoordeling door het hof
2.17
Het hof constateert dat de co-ouderschapsregeling al geruime tijd geldt en [minderjarige] deze regeling graag wil behouden. Anderzijds lijkt de vader deze ruime regeling ook te gebruiken om contact te zoeken met [minderjarige] in de week dat zij bij de moeder verblijft en om ongewenste invloed uit te oefenen op het leven van [minderjarige] en de moeder, ondanks de beschikkingen van de rechtbank waarin is bepaald dat dit niet mag. Nu de moeder dit voorstelt, zal het hof de procedure voor wat betreft de omgangsregeling aanhouden om te bezien of de vader in staat is de huidige omgangsregeling na te leven met inbegrip van de gedragsbeperkingen die daaruit voor hem voortvloeien. Het hof zal een voorlopige omgangsregeling bepalen, gelijk aan de regeling die nu geldt, met daarbij regels over het contact. Deze zijn grotendeels gelijk aan wat de rechtbank heeft bepaald. Daarnaast zal het hof deze regels aanvullen met een aantal door de moeder ter zitting in hoger beroep verzochte bepalingen. Omdat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het facetime-moment met [minderjarige] geen problemen meer oplevert tussen partijen, zal deze regeling niet meer worden vastgesteld.
Dit betekent dat de omgangsregeling voorlopig als volgt zal luiden: [minderjarige] verblijft afwisselend van woensdag uit school tot woensdag naar school bij de vader en dan weer bij de moeder waarbij voorts het volgende geldt:
I het is de ouder waar [minderjarige] niet verblijft, niet toegestaan [minderjarige] te bellen, te sms-en of te appen, tenzij met voorafgaande toestemming van de andere ouder;
II er wordt niet geluncht met [minderjarige] door de op dat moment niet verzorgende ouder;
III het is de vader verboden om [minderjarige] op te halen van school in de periode dat [minderjarige] door de moeder wordt verzorgd;
IV in de periode dat [minderjarige] door de vader verzorgd wordt, heeft de moeder geen contact met [minderjarige] en in de periode dat [minderjarige] door de moeder verzorgd wordt, heeft de vader geen contact met [minderjarige] . Dit betekent dat de vader met zijn activiteiten als hockeycoach, voetbalcoach, klassenouder en begeleider van de schooltuintjes moet stoppen in de week dat [minderjarige] bij de moeder is. Dat geldt ook voor het lidmaatschap van de medezeggenschapsraad als de vader daarvoor in de week van de moeder overdag op school moet zijn. Het hof zal hierbij bepalen dat de vader uiterlijk 1 augustus 2026 in zoverre moet stoppen met deze activiteiten;
V er worden aan [minderjarige] en anderen geen voorstellen, beloften of toezeggingen gedaan die gevolgen hebben voor de situatie bij de andere ouder, zonder voorafgaande instemming daarmee van die andere ouder;
VI er dient met respect te worden gesproken over de andere ouder;
VII opvang kan plaatsvinden door grootouders als [minderjarige] bij de moeder is.
Het hof acht het verder in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat partijen zich alleen bezig houden met de eigen thuissituatie en dat zij [minderjarige] niet belasten met hoe de afscheid nemende ouder zich voelt of, bij het niet zien, het missen van [minderjarige] .
2.18
Het hof zal de bovenstaande regeling als voorlopige omgangsregeling vastleggen en de procedure verder pro forma tot 1 november 2026 aanhouden, zodat kan worden bekeken of de vader ook na de zomervakantie zich zal houden aan de regeling. Wel zal het hof aan de vader een dwangsom opleggen als hierna vermeld om de nakoming van de regeling te verzekeren.
2.19
Ten aanzien van de vakantie- en feestdagenregeling is door de moeder ter zitting in hoger beroep opgemerkt dat Hemelvaart dubbel in het dictum van de bestreden beschikking staat. Volgens de moeder dient de vakantie- en feestdagenregeling zo te zijn dat [minderjarige] op Hemelvaart in de even jaren bij de vader is en de oneven jaren bij de moeder. Het hof heeft geconstateerd dat de rechtbank in het dictum van de bestreden beschikking inderdaad een dubbele bepaling heeft opgenomen ten aanzien van Hemelvaart. Zo heeft de rechtbank bepaald dat in de oneven jaren Hemelvaart bij de vader is en in de even jaren bij de moeder maar vervolgens bij het derde gedachtestreepje bepaald dat Hemelvaart in de even jaren bij de vader is en de oneven jaren bij de moeder. Omdat dit punt ter zitting nauwelijks is besproken, zal het hof een voorlopige andere feestdagenregeling vastleggen. Partijen zullen zich nog mogen uitlaten over de vraag of de hieronder weergegeven feestdagenregeling de juiste is:
- in de even jaren verblijft [minderjarige] op kerstavond en eerste kerstdag bij de moeder en de tweede kerstdag bij de vader en in de oneven jaren andersom;
- in de oneven jaren verblijft [minderjarige] bij de vader op goede vrijdag tot en met eerste Paasdag, Pinksteren en Sinterklaas, en in de even jaren op deze dagen bij de moeder;
- in de even jaren verblijft [minderjarige] op Oudejaarsdag en Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Koningsdag en Hemelvaart bij de vader, en in de oneven jaren bij de moeder.
Voor zover in het bovenstaande daarvan niet wordt afgeweken blijft de door de rechtbank in de bestreden beschikking bepaalde regeling in stand.
2.2
Partijen dienen het hof vóór 1 november 2026 schriftelijk (desgewenst per beveiligde e-mail) te informeren over de stand van zaken en de gewenste voortgang van de procedure. Daarbij kunnen zij zich desgewenst ook uitlaten over de (hiervoor onder 1.5 vermelde) brief van de raad van 20 mei 2026, over de afhandeling van de door de moeder ingediende klacht en de voorlopige vakantie- en feestdagenregeling, zoals onder 2.19 opgenomen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] is beëindigd en aan de moeder het eenhoofdig gezag is opgedragen;
bepaalt, in afwijking van de bestreden beschikking in zoverre, als voorlopige omgangsregeling:
[minderjarige] verblijft afwisselend van woensdag uit school tot woensdag naar school bij de vader en dan weer bij de moeder waarbij voorts het volgende geldt:
I het is de ouder waar [minderjarige] niet verblijft niet toegestaan [minderjarige] te bellen, te sms-en of te appen, tenzij met voorafgaande toestemming van de andere ouder;
II er wordt niet geluncht met [minderjarige] door de op dat moment niet verzorgende ouder;
III het is de vader verboden om [minderjarige] op te halen van school in de periode dat [minderjarige] door de moeder wordt verzorgd;
IV in de periode dat [minderjarige] door de vader verzorgd wordt, heeft de moeder geen contact met [minderjarige] en in de periode dat [minderjarige] door de moeder verzorgd wordt, heeft de vader geen contact met [minderjarige] . Dit betekent dat de vader in zoverre met zijn activiteiten als hockeycoach, voetbalcoach, klassenouder en begeleider van de schooltuintjes moet stoppen in de week dat [minderjarige] bij de moeder is met ingang van 1 augustus 2026, alsmede met zijn werkzaamheden als lid van de medezeggenschapsraad als hij daarvoor in de week van de moeder overdag op school moet zijn;
V er worden aan [minderjarige] en anderen geen voorstellen, beloften of toezeggingen gedaan die gevolgen hebben voor de situatie bij de andere ouder, zonder voorafgaande instemming daarmee van die andere ouder;
VI er dient met respect te worden gesproken over de andere ouder;
VII opvang kan plaatsvinden door grootouders als [minderjarige] bij de moeder is.
legt aan de vader op, in afwijking van de bestreden beschikking, een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat hij de bovengenoemde voorwaarden I tot en met VI overtreedt, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
bepaalt, in afwijking van de bestreden beschikking in zoverre, als voorlopige regeling voor de hierna genoemde feestdagen:
- [minderjarige] verblijft in de even jaren kerstavond en eerste kerstdag bij de moeder en de tweede kerstdag bij de vader en in de oneven jaren andersom;
- [minderjarige] verblijft in de oneven jaren bij de vader op goede vrijdag tot en met eerste Paasdag, Pinksteren en Sinterklaas, en in de even jaren op deze dagen bij de moeder;
- [minderjarige] verblijft in de even jaren op Oudejaarsdag en Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Koningsdag en Hemelvaart bij de vader, en in de oneven jaren bij de moeder;
houdt de zaak, in afwachting van het verloop van de voorlopige omgangsregeling,
pro formaaan tot
zondag 1 november 2026, en bepaalt dat partijen zich vóór 1 november 2026 schriftelijk dienen uit te laten zoals hiervoor onder 2.20 overwogen, onder toezending van een kopie van die uitlating aan de andere partij;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.C. Schenkeveld en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.