Het hof constateert dat de co-ouderschapsregeling al geruime tijd geldt en [minderjarige] deze regeling graag wil behouden. Anderzijds lijkt de vader deze ruime regeling ook te gebruiken om contact te zoeken met [minderjarige] in de week dat zij bij de moeder verblijft en om ongewenste invloed uit te oefenen op het leven van [minderjarige] en de moeder, ondanks de beschikkingen van de rechtbank waarin is bepaald dat dit niet mag. Nu de moeder dit voorstelt, zal het hof de procedure voor wat betreft de omgangsregeling aanhouden om te bezien of de vader in staat is de huidige omgangsregeling na te leven met inbegrip van de gedragsbeperkingen die daaruit voor hem voortvloeien. Het hof zal een voorlopige omgangsregeling bepalen, gelijk aan de regeling die nu geldt, met daarbij regels over het contact. Deze zijn grotendeels gelijk aan wat de rechtbank heeft bepaald. Daarnaast zal het hof deze regels aanvullen met een aantal door de moeder ter zitting in hoger beroep verzochte bepalingen. Omdat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het facetime-moment met [minderjarige] geen problemen meer oplevert tussen partijen, zal deze regeling niet meer worden vastgesteld.
Dit betekent dat de omgangsregeling voorlopig als volgt zal luiden: [minderjarige] verblijft afwisselend van woensdag uit school tot woensdag naar school bij de vader en dan weer bij de moeder waarbij voorts het volgende geldt:
I het is de ouder waar [minderjarige] niet verblijft, niet toegestaan [minderjarige] te bellen, te sms-en of te appen, tenzij met voorafgaande toestemming van de andere ouder;
II er wordt niet geluncht met [minderjarige] door de op dat moment niet verzorgende ouder;
III het is de vader verboden om [minderjarige] op te halen van school in de periode dat [minderjarige] door de moeder wordt verzorgd;
IV in de periode dat [minderjarige] door de vader verzorgd wordt, heeft de moeder geen contact met [minderjarige] en in de periode dat [minderjarige] door de moeder verzorgd wordt, heeft de vader geen contact met [minderjarige] . Dit betekent dat de vader met zijn activiteiten als hockeycoach, voetbalcoach, klassenouder en begeleider van de schooltuintjes moet stoppen in de week dat [minderjarige] bij de moeder is. Dat geldt ook voor het lidmaatschap van de medezeggenschapsraad als de vader daarvoor in de week van de moeder overdag op school moet zijn. Het hof zal hierbij bepalen dat de vader uiterlijk 1 augustus 2026 in zoverre moet stoppen met deze activiteiten;
V er worden aan [minderjarige] en anderen geen voorstellen, beloften of toezeggingen gedaan die gevolgen hebben voor de situatie bij de andere ouder, zonder voorafgaande instemming daarmee van die andere ouder;
VI er dient met respect te worden gesproken over de andere ouder;
VII opvang kan plaatsvinden door grootouders als [minderjarige] bij de moeder is.
Het hof acht het verder in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat partijen zich alleen bezig houden met de eigen thuissituatie en dat zij [minderjarige] niet belasten met hoe de afscheid nemende ouder zich voelt of, bij het niet zien, het missen van [minderjarige] .