Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1627

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
23-002849-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling en belaging met gevangenisstraf en bijzondere voorwaarden

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 16 juni 2026 het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en in hoger beroep een nieuwe uitspraak gedaan. De verdachte werd vrijgesproken van poging tot doodslag en poging tot zwaar lichamelijk letsel, maar schuldig bevonden aan mishandeling en belaging van het slachtoffer over een periode van ruim anderhalf jaar.

De feiten betreffen onder meer het met een auto aanrijden van het slachtoffer, het stelselmatig lastigvallen door bellen, berichten sturen, volgen met een AirTag, en het plaatsen van pakketten bij het slachtoffer thuis. Het hof achtte de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar en vond het bewijs voldoende voor mishandeling en belaging.

De verdachte heeft persoonlijkheidsproblematiek en een geschiedenis van strafbare feiten, waaronder misbruik van seksueel beeldmateriaal van hetzelfde slachtoffer. Na behandeling en rapportages van gedragsdeskundigen en reclassering acht het hof de tbs-maatregel niet langer noodzakelijk.

De straf is vastgesteld op 22 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals behandeling, alcoholonthouding en contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast zijn enkele in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard. De schadevergoeding aan het slachtoffer is vastgesteld op €17.248,43, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, voor mishandeling en belaging.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002849-23
datum uitspraak: 16 juni 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-029427-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1970,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.

primairhij op of omstreeks 18 januari 2022 te Weesp, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met enige snelheid) is ingereden op voornoemde [slachtoffer] (terwijl voornoemde [slachtoffer] zich te voet verplaatste), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 18 januari 2022 te Weesp, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met enige snelheid) is ingereden op voornoemde [slachtoffer] (terwijl voornoemde [slachtoffer] zich te voet verplaatste), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 18 januari 2022 te Weesp, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (met enige snelheid) op voornoemde [slachtoffer] te rijden (terwijl voornoemde [slachtoffer] zich te voet verplaatste);
2.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2020 tot en met
3 februari 2022 te Weesp en/of Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] door
 eenmaal of meermalen voor de woning van voornoemde [slachtoffer] te staan en/of
 eenmaal of meermalen (met de auto) langs de woning van voornoemde [slachtoffer] te rijden en/of
 veelvuldig berichten naar voornoemde [slachtoffer] te sturen (via WhatsApp) en/of
 veelvuldig te bellen naar voornoemde [slachtoffer] en/of
 eenmaal of meermalen naaktfoto’s van voornoemde [slachtoffer] (via WhatsApp) naar voornoemde [slachtoffer] te sturen en/of
 foto’s van de Instagramaccount van voornoemde [slachtoffer] te kopiëren en op zijn, verdachtes, eigen Instagramaccount te plaatsen en/of
 eenmaal of meermalen met de auto achter voornoemde [slachtoffer] aan te rijden en/of
 de werkgever en/of werkrelaties van voornoemde [slachtoffer] te benaderen en/of
 een of meerdere Instagramaccount(s) aan te maken teneinde voornoemde [slachtoffer] te kunnen volgen en/of een gesprek met haar aan te gaan en/of
 een Airtag op/aan de auto van voornoemde [slachtoffer] te bevestigen/plaatsen teneinde voornoemde [slachtoffer] te kunnen volgen en/of (vervolgens) (via WhatsApp) berichten te sturen, onder andere met de tekst: ‘‘Er is altijd een weg in digiland [..]?’’ en/of
 veelvuldig e-mails naar voornoemde [slachtoffer] te sturen, onder andere met de tekst: ‘‘Achterom kijken, ik weet waar je bent?’’ en/of (in de Engelse taal) ‘‘Always look behind’’ en/of
 een hoeveelheid schilderijen van voornoemde [slachtoffer] op de openbare weg te plaatsen nabij de woning van voornoemde [slachtoffer] en/of
 eenmaal of meermalen pakketten en/of goederen en/of etenswaren op het adres van voornoemde [slachtoffer] te laten bezorgen en/of
 eenmaal of meermalen de banden van de scooter van voornoemde [slachtoffer] lek te steken en/of
 eenmaal of meermalen de banden van de auto van voornoemde [slachtoffer] lek te steken en/of de auto van voornoemde [slachtoffer] te vernielen en/of
 eenmaal of meermalen verzekeringen op naam van voornoemde [slachtoffer] af te sluiten en/of
 eenmaal of meermalen offertes op naam van voornoemde [slachtoffer] op te vragen en/of
 voornoemde [slachtoffer] aan te melden voor diverse nieuwsbrieven en/of reclamefolders en/of
 vanuit een provider e-mails te sturen van de naam van voornoemde [slachtoffer] en/of
 e-mails aan te maken op naam van voornoemde [slachtoffer] en/of sterk gelijkend op het e-mailadres van voornoemde [slachtoffer] ,
met het oogmerk voornoemde [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
3.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 maart 2022 tot en met 26 april 2022 te Weesp en/of Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] door
 veelvuldig te bellen naar voornoemde [slachtoffer] en/of
 één of meerdere Instagram account(s) aan te maken (onder andere: ‘ [insta naam 1] ’ en/of ‘ [insta naam 2] ’ en/of ‘ [insta naam 3] ’) en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] te volgen (op haar Instagram account) en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] via Instagram een vriendschapsverzoek te sturen en/of
 een digitale (geheel zwarte) (Greetz) kaart (zonder opdruk/tekst) te sturen/zenden aan voornoemde [slachtoffer] en/of
 voornoemde [slachtoffer] via/namens [bedrijf 1] (bank) een bericht en/of vriendschapsverzoek te sturen en/of
 e-mails aan te maken op naam van voornoemde [slachtoffer] en/of sterk gelijkend op het e-mailadres van voornoemde [slachtoffer] ,
met het oogmerk voornoemde [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Zij heeft primair aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is, omdat al het bewijs uit één bron afkomstig is en de aangeefster op essentiële onderdelen wisselend heeft verklaard. Zij heeft subsidiair aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op de dood, het zwaar lichamelijk letsel of het enig letsel.
Het hof overweegt als volgt.
Voldoende bewijs
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring weliswaar is vereist dat de bewezenverklaring in voldoende mate steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, maar niet dat elk onderdeel van de tenlastelegging steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Het hof stelt vast dat de aangeefster tijdens het doen van aangifte bij de politie en, onder ede, bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard over wat haar is overkomen, niet alleen over hoe de verdachte op haar zou zijn afgereden, maar ook over hoe zij met haar lichaam tegen de auto terecht zou zijn gekomen. De huisarts en de vriendin van de aangeefster hebben geconstateerd dat de aangeefster letsel had aan haar – in lijn met de verklaring van de aangeefster – (linker)arm/schouder. Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verklaring van de aangeefster voldoende ondersteuning vindt in ander bewijsmateriaal.
Betrouwbaarheid
Het hof acht de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar. Deze zijn gedetailleerd en consistent. Verder heeft de aangeefster haar dochter en een vriendin zeer kort na het incident verteld over de aanrijding. Zij hebben allebei de hevige emoties bij de aangeefster over het gebeurde waargenomen. De aangeefster heeft zich bovendien, eveneens kort na het incident, genoodzaakt gevoeld om bij de meldkamer van de politie melding te doen van het incident.
Opzet
Het hof stelt voorts dat voor een bewezenverklaring van elk van de onder 1 tenlastegelegde varianten is vereist dat kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood, zwaar lichamelijk letsel of enig letsel, dan wel dat sprake was van een aanmerkelijke kans op één van die gevolgen en de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.
Het hof stelt vast dat de aangeefster op 18 januari 2022 haar woning verliet en zag dat de verdachte zich in zijn auto in haar straat bevond. Toen zij de andere kant van de smalle straat op liep, hoorde zij dat de verdachte gas gaf en op haar afreed. Vervolgens voelde zij dat de rechterspiegel van de auto de linkerkant van haar lichaam raakte, waardoor zij haar evenwicht verloor en tegen de auto viel. Zij heeft als gevolg daarvan letsel aan haar elleboog en schouder opgelopen.
Het hof is met de advocaat-generaal en de raadvrouw van oordeel dat de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt met betrekking tot de overige onder 1 tenlastegelegde varianten dat niet kan worden vastgesteld met welke snelheid de verdachte reed, maar slechts dat de verdachte met enige snelheid dicht langs de aangeefster is gereden en haar met de rechterspiegel van zijn auto heeft geraakt. Het is naar het oordeel van het hof geen algemene ervaringsregel dat personen zwaar lichamelijk letsel oplopen ten gevolge van een aanrijding die op deze manier heeft plaatsgevonden. Daarom kan niet worden aangenomen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, nog daargelaten de vraag of de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard, zodat de verdachte van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Het hof is van oordeel dat het in een smalle straat met een auto dicht langs een voetganger rijden als waarvan in deze zaak sprake is wél de aanmerkelijke kans op enig letsel oplevert, dat dit van algemene bekendheid is en dat de verdachte daarom kan worden geacht dit risico te hebben gekend. Door toch zo te handelen heeft de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard.
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling van de aangeefster.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van de gedachtestreepjes 6, 8, 9 en 14 tot en met 20.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de gedachtestreepjes 6, 8, 9 en 14 tot en met 20 en van een gedeelte van de tenlastegelegde pleegperiode, namelijk van 1 oktober 2020 tot 14 juli 2021. Zij heeft met betrekking tot de periode aangevoerd dat daarin nog geen sprake was van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (Sr), omdat het contact in die periode wederkerig was.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt – voor zover hier relevant – voorop dat van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht sprake is als een verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Stelselmatig betekent met een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie (
Kamerstukken II1997/98, 25768, p. 17). Van belang zijn daarnaast de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1557, NJ 2025/302). Niet is vereist dat de belaging ononderbroken of gedurende de gehele periode plaatsvindt en evenmin dat iedere gedraging op zichzelf wederrechtelijk is. Het komt aan op het totaalbeeld dat uit de verschillende gedragingen naar voren komt.
Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat de verdachte de aangeefster in de tenlastegelegde periode op verschillende momenten heeft lastiggevallen, onder meer door naar (de omgeving van) haar woning te gaan, door haar veelvuldig te bellen en berichten te sturen, achter haar aan te rijden, haar met een AirTag te volgen en (ongevraagd) pakketten bij haar te laten bezorgen. Deze incidenten vonden gedurende een langere periode met een bepaalde regelmaat en intensiteit plaats.
Het hof is van oordeel dat de handelingen van de verdachte ieder op zichzelf en zeker in combinatie met elkaar een zeer bedreigend karakter hadden. Deze opsomming aan uiteenlopende handelingen leveren één geheel op waaruit blijkt dat de verdachte – in het bijzonder gelet op hiervoor vooropgestelde uitgangspunten – gedurende de gehele periode, dus van 1 oktober 2020 tot en met 3 februari 2022, wederrechtelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. De omstandigheid dat de verdachte en de aangeefster in de beginperiode ook anderszins contact hebben gehad, met name over de omgang met de dochter van de verdachte en eventueel herstel van de beëindigde relatie, maakt dit oordeel niet anders.
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 3 februari 2022 schuldig heeft gemaakt aan belaging van de aangeefster. Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de onder 6, 8, 9 en 14 tot en met 20 tenlastegelegde gedachtestreepjes niet kunnen worden bewezen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

meer subsidiair
hij op 18 januari 2022 te Weesp, [slachtoffer] heeft mishandeld door met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met enige snelheid op voornoemde [slachtoffer] in te rijden terwijl voornoemde [slachtoffer] zich te voet verplaatste;
2.
hij in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 3 februari 2022 te Weesp en Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] door
 voor de woning van voornoemde [slachtoffer] te staan en
 met de auto langs de woning van voornoemde [slachtoffer] te rijden en
 veelvuldig berichten naar voornoemde [slachtoffer] te sturen via WhatsApp en
 veelvuldig te bellen naar voornoemde [slachtoffer] en
 naaktfoto’s van voornoemde [slachtoffer] (via WhatsApp) naar voornoemde [slachtoffer] te sturen en
 met de auto achter voornoemde [slachtoffer] aan te rijden en
 een Airtag op/aan de auto van voornoemde [slachtoffer] te bevestigen/plaatsen teneinde voornoemde [slachtoffer] te kunnen volgen en/of (vervolgens) (via WhatsApp) berichten te sturen, onder andere met de tekst: ‘‘Er is altijd een weg in digiland [..]?’’ en
 veelvuldig e-mails naar voornoemde [slachtoffer] te sturen, onder andere met de tekst: in de Engelse taal ‘‘Always look behind’’ en
 schilderijen van voornoemde [slachtoffer] op de openbare weg te plaatsen nabij de woning van voornoemde [slachtoffer] en
 meermalen pakketten en/of goederen en/of etenswaren op het adres van voornoemde [slachtoffer] te laten bezorgen,
met het oogmerk voornoemde [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
3.
hij de periode van 2 maart 2022 tot en met 26 april 2022 te Weesp en Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] door
 veelvuldig te bellen naar voornoemde [slachtoffer] en
 Instagram accounts aan te maken (onder andere: ‘ [insta naam 1] ’ en/of ‘ [insta naam 2] ’ en/of ‘ [insta naam 3] ’) en vervolgens voornoemde [slachtoffer] te volgen (op haar Instagram account) en vervolgens voornoemde [slachtoffer] via Instagram een vriendschapsverzoek te sturen en
 een digitale geheel zwarte (Greetz) kaart (zonder opdruk/tekst) te sturen/zenden aan voornoemde [slachtoffer] en
 voornoemde [slachtoffer] via [bedrijf 1] een bericht en/of vriendschapsverzoek te sturen,
met het oogmerk voornoemde [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Hetgeen onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat deze feiten strafbaar zijn.
Het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het onder 2 en 3 bewezenverklaarde levert op:
telkens
belaging.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot:
 een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;
 de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs-maatregel) met voorwaarden, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard;
 de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (GVM-maatregel) als bedoeld in artikel 38z Sr.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot:
 een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;
 een tbs-maatregel met voorwaarden;
 een GVM-maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr.
De raadsvrouw heeft verzocht aan de verdachte geen tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en de belaging van zijn ex-vrouw, het slachtoffer. Hij heeft haar gedurende een langere periode op verschillende manieren stelselmatig lastiggevallen. Zo heeft hij haar veelvuldig gebeld en berichten gestuurd, soms met nare en onheilspellende boodschappen, en heeft hij ongevraagd pakketten en goederen bij haar laten bezorgen. Ook heeft hij een AirTag op haar auto geplaatst om haar te kunnen volgen, reed hij met zijn auto achter haar aan en verscheen hij meermalen bij of in de buurt van haar woning. Het slachtoffer voelde zich eind 2021 zo onveilig dat zij samen haar dochter is verhuisd. De verdachte heeft haar op 18 januari 2022 weer gevonden en is toen een stap verder gegaan door haar met zijn auto aan te rijden. Nadat hij voor die feiten in voorlopige hechtenis was gesteld en zijn voorlopige hechtenis werd geschorst, heeft hij zich opnieuw schuldig gemaakt aan belaging van het slachtoffer en nog twee keer het contactverbod overtreden. De verdachte heeft, gelet op de duur, de frequentie en de aard van zijn handelen, langdurig op grove en indringende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en daarmee ook op dat van de destijds minderjarige dochter van het slachtoffer, die bij haar woonde en op die manier alles heeft meegekregen. De invloed van het handelen van de verdachte op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer en haar dochter was en is nog steeds – zo blijkt uit haar slachtofferverklaring in hoger beroep – aanzienlijk.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte na de bewezenverklaarde feiten in deze zaak nog twee keer onherroepelijk is veroordeeld, zodat het bepaalde in artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Daarbij verdient opmerking dat de verdachte in één van die andere zaken is veroordeeld voor het maken van misbruik van seksueel beeldmateriaal van hetzelfde slachtoffer, als in deze zaak (artikel 139h Sr).
Het hof heeft voorts kennisgenomen van een groot aantal rapportages die over de persoon van de verdachte zijn opgemaakt.
De gedragsdeskundigen [persoon 1] , psychiater, en [persoon 2] ,
GZ-psycholoog, hebben in de Pro Justitia rapportage van het [bedrijf 2] (PBC) van
30 augustus 2023 geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van persoonlijkheidsproblematiek met borderline- en narcistische persoonlijkheidskenmerken, een aanpassingsstoornis met gemengde stoornis van emoties en gedrag, een (ernstige) stoornis in het gebruik van alcohol en een stoornis in het gebruik van cocaïne en cannabis. Zij hebben het risico op herhaling van stalkingsgedrag als gemiddeld tot hoog ingeschat. In de rapportage hebben zij geadviseerd de verdachte het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen en aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Het advies is ter terechtzitting in eerste aanleg door hen bevestigd.
De reclassering heeft zich in het rapport van 3 oktober 2023 bij het advies van de gedragsdeskundigen aangesloten en heeft verder geadviseerd de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en ook om een GVM-maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Het advies is ter terechtzitting in eerste aanleg door een reclasseringswerker bevestigd.
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot onder meer een tbs-maatregel met voorwaarden en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte een GVM-maatregel opgelegd. De verdachte is sindsdien verplicht zich te houden aan de voorwaarden die aan die maatregel zijn verbonden. In dat kader heeft de verdachte aansluitend aan zijn detentie een klinische behandeling ondergaan en vervolgens een ambulante behandeling.
Noodzaak van een maatregel
Het hof moet de vraag beantwoorden of de maatregel van tbs met voorwaarden nu, bijna drie jaar later, (nog steeds) noodzakelijk is.
De hiervoor genoemde gedragsdeskundigen, [persoon 1] en [persoon 2] , hebben op 22 juli 2025 een aanvullende rapportage uitgebracht. Zij concluderen in deze rapportage dat de aanpassingsstoornis niet meer aanwezig is en zijn terughoudend met het adviseren van klinische behandeling, omdat de verdachte al negen maanden in een kliniek heeft verbleven en nu redelijk gemotiveerd lijkt te zijn voor ambulante behandeling. Het advies met betrekking tot de tbs-maatregel is, evenals het advies ten aanzien van de toerekenbaarheid, wel hetzelfde gebleven, onder meer omdat de kernproblematiek onveranderd is gebleven en het recidiverisico nog niet voldoende is afgewend.
In het kader van een eventuele verlenging van de door de rechtbank opgelegde maatregel is vervolgens op 9 augustus 2025 door [persoon 3] , forensisch psycholoog, een Pro Justitia rapportage uitgebracht. Het risico op herhaling tegenover het huidige slachtoffer onder de huidige omstandigheden wordt door de gedragsdeskundige laag tot matig ingeschat en bij een ander slachtoffer laag: hoewel de verdachte zich met name rationeel bewust is van zijn kwetsbaarheid en het hoger beroep tot psychische decompensatie kan leiden, weet de verdachte door zijn behandeling hoe hij kan reageren en weet hij tevens zijn weg naar de hulpverlening te vinden. De gedragsdeskundige adviseert de maatregel met één jaar te verlengen. Als de verdachte stabiel blijft functioneren, kan na dat jaar worden gedacht aan beëindiging.
De reclassering heeft in het rapport van 22 augustus 2025 eveneens geadviseerd de tbs-maatregel met één jaar te verlengen. De maatregel heeft zich volgens de reclassering over het algemeen gekenmerkt door een positieve opbouw naar een pro-sociaal leven, maar er zijn wel onvolkomenheden geweest, onder meer positieve urinecontrole en overtreding van de voorwaarden. De verdachte heeft wel laten zien te hebben geleerd van zijn behandeling en kan in het komende jaar verdergaan met het bestendigen daarvan. De reclassering adviseert verder de voorwaarden met betrekking tot de klinische behandeling en het innemen van medicatie te laten vervallen en de voorwaarde met betrekking tot alcohol- en drugsgebruik te wijzigen.
De rechtbank Amsterdam heeft de tbs-maatregel op 4 november 2025 met één jaar verlengd en heeft in lijn met het advies van de reclassering de voorwaarden gewijzigd. Deze beslissing is op 23 april 2026 door de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd.
De reclasseringswerker die betrokken is bij het toezicht op- en de begeleiding van de verdachte, mevrouw [persoon 4] , heeft in opdracht van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 maart 2026 opnieuw een advies uitgebracht over verlenging van de tbs-maatregel. Zij schrijft in dat rapport dat de beschermende factoren het afgelopen jaar zijn toegenomen en overweegt verder:
In november 2025 was de reclassering van mening dat betrokkene de copingmechanismen zich nog meer eigen moest maken. De ambulante behandeling bij Family Supporters Amsterdam heeft bij betrokkene het inzicht in zichzelf en zijn handelen, ten opzichte van vorig jaar, verder vergroot en gemaakt dat hij gezonde copingmechanismen heeft ontwikkeld die hij zich eigen gemaakt heeft, wat maakt dat de risico's aanvaardbaar verlaagd zijn. Dit maakt dat de tbs-maatregel niet meer noodzakelijk is. Ook een GVM traject wordt niet als noodzakelijk gezien.De reclassering adviseert dan ook de tbs-maatregel niet te verlengen.
Dit advies is ter terechtzitting in hoger beroep door mevrouw [persoon 4] bevestigd.
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een brief van 26 mei 2025 van dr. [persoon 5] , regiebehandelaar/klinisch psycholoog bij Family Supporters Amsterdam, overgelegd. Uit deze brief blijkt dat de verdachte sinds 3 december 2024 bij [persoon 5] in behandeling is en dat sindsdien 96 behandelsessies hebben plaatsgevonden. [persoon 5] schrijft dat de verdachte volledig aan de hem opgelegde inspanningsverplichting heeft voldaan en intrinsiek gemotiveerd naar de behandelgesprekken komt. Daarnaast uit de verdachte zich in de gesprekken transparant over wat hem beweegt en waar hij tegenaan loopt. Uit een risicotaxatie in april 2026 komt (opnieuw) een laag recidiverisico naar voren. Er is in feite dan ook niet direct sprake meer van een behandelnoodzaak. [persoon 5] wijst verder op het risico op
overbehandeling en vraagt zich af wat de meerwaarde van het continueren van de tbs-maatregel nog is. De behandeling zou volgens [persoon 5] eventueel in het kader van een bijzondere voorwaarde kunnen worden gecontinueerd. [persoon 5] schrijft tot slot dat de verdachte heeft aangegeven dat hij in een vrijwillig kader graag het contact met hem zou willen voortzetten. De verdachte heeft dat ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd en heeft verklaard dat hij veel van de gesprekken met [persoon 5] heeft geleerd.
Het hof overweegt dat de verdachte de afgelopen maanden een aantal belangrijke stappen in de goede richting heeft gemaakt. Zo is zijn inzicht in zichzelf en zijn handelen verder vergroot en heeft hij gezonde copingmechanismen ontwikkeld die hij zich inmiddels ook eigen heeft gemaakt. Het risico op herhaling is daardoor (aanvaardbaar) laag. De behandelsessies bij [persoon 5] hebben daartoe, ook volgens de verdachte, belangrijk bijgedragen. De verdachte is intrinsiek gemotiveerd naar die afspraken gegaan, hij heeft zich tijdens de sessies opengesteld en hij is van plan de gesprekken in een vrijwillig kader te continueren.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat de tbs-maatregel met voorwaarden, anders dan ten tijde van het vonnis van de rechtbank, niet langer noodzakelijk is.
Toerekenbaarheid
Het hof neemt het advies van de deskundigen ten aanzien van de toerekenbaarheid over en zal de verdachte de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate toerekenen.
Straf
Het hof heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, het bepaalde in artikel 63 Sr Pro en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten en de duur van de belaging, is het hof van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend is. Een deel van de gevangenisstraf, te weten 6 maanden, zal het hof in voorwaardelijke vorm opleggen en aan dat voorwaardelijke deel zal het hof een aantal bijzondere voorwaarden verbinden. Enerzijds om de verdachte te motiveren voor- en te ondersteunen bij de positieve weg die hij is ingeslagen. Anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, in het bijzonder ten aanzien van het slachtoffer in deze zaak. Voor het opleggen van een GVM-maatregel ziet het hof, gelet op het advies van de reclassering, geen aanleiding meer.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, in beginsel passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in hoger beroep is overschreden. De verdachte heeft op 27 oktober 2023 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 16 juni 2026 – dus ruim 31 maanden na aanvang van de redelijke termijn – arrest wijst. Het hof zal het onvoorwaardelijke deel van de in beginsel passend geachte gevangenisstraf (24 maanden) daarom met 2 maanden verminderen.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
De hierna te noemen voorwerpen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn onder de verdachte in beslag genomen:
1) 1 STK Harddisk (zwart, Seagate) (goednummer: [nummer 1] );
2) 1 STK Harddisk (zwart, Seagate) (goednummer: [nummer 2] );
3) 1 STK Computer (Apple) (goednummer: [nummer 3] );
4) 1 STK Harddisk (oranje, Lacie) (goednummer: [nummer 4] );
5) 1 STK Harddisk (zwart, Toshiba) (goednummer: [nummer 5] );
6) 1 STK Telefoontoestel (zwart, Apple) (goednummer: [nummer 6] );
7) 1 STK Computer (Apple) (goednummer: [nummer 7] );
8) 1 STK Computer (Apple) (goednummer: [nummer 8] );
9) 1 STK Computer (grijs, Apple) (goednummer: [nummer 9] );
10) 1 STK Computer (grijs, Apple) (goednummer: [nummer 10] );
11) 1 STK Telefoontoestel (zwart, Apple) (goednummer: [nummer 11] );
12) 1 STK Niet te definiëren goederen (GPS-tracker) (goednummer: [nummer 12] );
13) 1 STK Telefoontoestel (zwart, Apple XR) (goednummer: [nummer 13] );
14) 1 STK Telefoontoestel (geel, Apple) (goednummer: [nummer 14] );
15) 1 STK Telefoontoestel (wit, Apple) (goednummer: [nummer 15] );
16) 1 STK Niet te definiëren goederen (Apple AirTag) (goednummer: [nummer 16] ).
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de onder 4, 10, 11, 12 en 16 genoemde voorwerpen verbeurd worden verklaard en dat de overige voorwerpen aan de verdachte worden teruggegeven.
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat voornoemde voorwerpen aan de verdachte toebehoren.
Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier voorts vast dat de verdachte:
 met de onder 10 genoemde laptop heeft ingelogd op accounts op naam van het slachtoffer;
 met de onder 11 en 15 genoemde telefoons (veelvuldig) heeft gebeld naar het slachtoffer;
 met de onder 16 genoemde AirTag het slachtoffer heeft gevolgd door dit voorwerp op haar auto te plaatsen.
Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het onder 2 en 3 bewezenverklaarde is begaan met behulp van de onder 11, 15 en 16 genoemde voorwerpen, terwijl het onder 10 genoemde voorwerp bestemd was tot het begaan van belaging, zodat deze voorwerpen verbeurd zullen worden verklaard.
De onder 1 tot en met 9 en 12 tot en met 14 genoemde voorwerpen zijn niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer en/of verbeurdverklaring, zodat het hof ten aanzien van die voorwerpen de teruggave aan de verdachte zal gelasten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 24.025,25, bestaande uit € 10.525,26 aan materiële schade en
€ 13.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 17.887,43, bestaande uit € 7.887,43 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering conform het vonnis waarvan beroep wordt toegewezen.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de materiële schade primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij grotendeels niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, en subsidiair verzocht een aantal schadeposten te matigen. Zij heeft ten aanzien van de immateriële schade verzocht deze te matigen tot een bedrag van maximaal € 2.000,00.
Materiële schade
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.748,43, bestaande uit:
 € 1.318,50 € 1.318,50 aan kosten voor therapie en coaching;
 € 1.318,50 € 2.366,00 aan verhuiskosten;
 € 1.318,50 € 63,93 aan kosten voor een dashcam en cameradeurbel.
Met betrekking tot de kosten voor therapie en coaching overweegt het hof dat de gehele onder 2 tenlastegelegde periode bewezen is verklaard, zodat deze post in zijn geheel als rechtstreekse schade kan worden aangemerkt. Voorts overweegt het hof dat verhuiskosten volgens vaste rechtspraak bij belagingsfeiten niet in een te ver verwijderd verband worden geacht, zodat ook deze post, voor zover dat betreft de hoogte van het factuurbedrag, kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot een bedrag van
€ 3.748,43 zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de overige verhuiskosten – een bedrag van € 4.139,00 – en de kosten voor herstel van de auto en de scooter – een bedrag van € 2.637,83 – is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de overige verhuiskosten onvoldoende zijn onderbouwd en de verdachte wordt vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde vernielingen aan de auto en de scooter. De benadeelde partij kan in zoverre daarom niet in de vordering worden ontvangen en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreekse immateriële schade heeft geleden, bestaande uit lichamelijk letsel respectievelijk uit aantasting in de persoon op ‘andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
De benadeelde partij is vanaf oktober 2020 tot en met april 2022 door de verdachte op vele manieren belaagd en lastiggevallen. Zij heeft verklaard dat zij hierdoor in een voortdurende staat van alertheid verkeerde en dat haar dagen begonnen met vragen als: kan ik naar buiten, word ik gezien en moet ik rekening houden met situaties waar ik geen controle over heb? Dit gevoel van angst en onveiligheid heeft er eind 2021 toe geleid dat de benadeelde partij samen met haar dochter is verhuisd naar een, zo dacht zij, veilige woonomgeving. Dat bleek van korte duur. De verdachte had haar nieuwe woonadres op 18 januari 2022 weer gevonden. Dit keer ging hij een stap verder door haar ook fysiek geweld aan te doen. De benadeelde partij heeft hieraan, zo blijkt uit het politiedossier en haar vordering, niet alleen lichamelijk letsel overgehouden, maar ook de klachten bij haar verergerd die de continue stress met zich brachten. Zo had zij onder meer last van paniekaanvallen en concentratie- en slaapproblemen. In maart 2022 is zij dan ook doorverwezen naar een psycholoog. Uit stukken van de psycholoog blijkt dat bij de benadeelde partij PTSS is geconstateerd, waarvoor zij onder behandeling is geweest. De schriftelijke slachtofferverklaring in hoger beroep bevestigt dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte nog steeds veel impact heeft op haar gevoel van veiligheid, op haar dagelijks functioneren en op de keuzes die zij maakt.
Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, rekening houdend met de voornoemde omstandigheden en gelet op de bedragen die in de Rotterdamse schaal worden genoemd, naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 13.500,00.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot een bedrag van
€ 13.500,00 zal worden toegewezen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal het toegewezen bedrag van € 17.248,43, bestaande uit € 3.748,43 aan materiële schade en
€ 13.500,00 aan immateriële schade vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade en verder de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 63, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
22 (tweeëntwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als
bijzondere voorwaardedat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering.
Stelt als
bijzondere voorwaardedat de verdachte meewerkt aan een ambulant behandeltraject, bij voorkeur continuering van de behandeling door dr. [persoon 5] , regiebehandelaar/klinisch psycholoog. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Stelt als
bijzondere voorwaardedat de verdachte zich op het gebied van alcoholgebruik dient te houden aan de aanwijzingen en richtlijnen van de reclassering, ook als dit inhoudt volledige abstinentie. De controle op de naleving van deze voorwaarde zal ondersteund worden door middel van urineonderzoek en/of blaastesten of anderszins. De verdacht dient daaraan zijn volledige medewerking te verlenen.
Stelt als
bijzondere voorwaardedat de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt met aangever [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1973.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
 meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
 meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
10) 1 STK Computer (grijs, Apple) (goednummer: [nummer 10] );
11) 1 STK Telefoontoestel (zwart, Apple) (goednummer: [nummer 11] );
15) 1 STK Telefoontoestel (wit, Apple) (goednummer: [nummer 15] );
16) 1 STK Niet te definiëren goederen (Apple AirTag) (goednummer: [nummer 16] ).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1) 1 STK Harddisk (zwart, Seagate) (goednummer: [nummer 1] );
2) 1 STK Harddisk (zwart, Seagate) (goednummer: [nummer 2] );
3) 1 STK Computer (Apple) (goednummer: [nummer 3] );
4) 1 STK Harddisk (oranje, Lacie) (goednummer: [nummer 4] );
5) 1 STK Harddisk (zwart, Toshiba) (goednummer: [nummer 5] );
6) 1 STK Telefoontoestel (zwart, Apple) (goednummer: [nummer 6] );
7) 1 STK Computer (Apple) (goednummer: [nummer 7] );
8) 1 STK Computer (Apple) (goednummer: [nummer 8] );
9) 1 STK Computer (grijs, Apple) (goednummer: [nummer 9] );
12) 1 STK Niet te definiëren goederen (GPS-tracker) (goednummer: [nummer 12] );
13) 1 STK Telefoontoestel (zwart, Apple XR) (goednummer: [nummer 13] );
14) 1 STK Telefoontoestel (geel, Apple) (goednummer: [nummer 14] ).
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.248,43 (zeventienduizend tweehonderdachtenveertig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 3.748,43 (drieduizend zevenhonderdachtenveertig euro en drieënveertig cent) materiële schade en € 13.500,00 (dertienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.248,43 (zeventienduizend tweehonderdachtenveertig euro en drieënveertig cent) bestaande uit
€ 3.748,43 (drieduizend zevenhonderdachtenveertig euro en drieënveertig cent) materiële schade en
€ 13.500,00 (dertienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 111 (honderdelf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
1 oktober 2020.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. E.J. Hofstee en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van
mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
16 juni 2026.
Mr. A.W.T. Klappe, mr. B. de Wilde en mr. L. van Dijk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]
.