Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
14 oktober 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor belaging van zijn ex-partner door stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Het hof stelde vast dat verdachte vanaf 26 maart 2021 wist dat zijn ex-partner geen contact met hem wenste, maar desondanks meerdere malen contact zocht via WhatsApp-berichten, brieven, telefoontjes en sociale media.
De ex-partner verklaarde dat zij zich door het gedrag van verdachte angstig en onveilig voelde, met een grote impact op haar leven en psychisch welbevinden. Het hof oordeelde dat het handelen van verdachte in de periode van 26 maart tot 19 april 2021 als stelselmatige en wederrechtelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer moest worden aangemerkt, zoals bedoeld in art. 285b lid 1 Sr.
De verdediging voerde aan dat de handelingen niet wederrechtelijk waren omdat verdachte als ex-partner recht had op uitleg over het verbreken van de relatie. Dit verweer werd door het hof verworpen. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden, maar ziet geen aanleiding tot een ander rechtsgevolg gezien de lichte opgelegde straf.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor belaging wegens stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van zestig uur.