ECLI:NL:GHAMS:2026:1635
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep na schikking over ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 4 juni 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2021. Zowel de verdachte als het openbaar ministerie hadden hoger beroep ingesteld. Tijdens de procedure is een schikking gesloten op grond van artikel 511c Sv, waarbij de verdachte een bedrag van €1.300.000,- heeft betaald als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De schikking hield in dat beide partijen het ingestelde hoger beroep zouden intrekken. De verdachte bevestigde ter terechtzitting dat hij afstand neemt van zijn criminele verleden en een nieuwe start wil maken zonder hernieuwde detentie. De advocaat-generaal vorderde dat zowel de verdachte als het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zouden worden verklaard in het hoger beroep, conform de gemaakte afspraken.
Het hof heeft geen rechtens te respecteren belang kunnen ontdekken dat een verder onderzoek in de zaak zou rechtvaardigen. Daarom verklaart het hof de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, waarmee de zaak definitief is afgedaan.
Uitkomst: Verdachte en officier van justitie worden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep na betaling van ontnemingsbedrag en schikking.