Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
de hoofdzaak) van
1.LUDWIG VASTGOED B.V.,
[appellant],
1.[X] B.V.,
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Rijksvastgoedbedrijf),
de vrijwaringszaak) van
1.De zaken in het kort
2.Het geding in hoger beroep
in de hoofdzaak
Mrs. M.M.N.C. Schellekens en D.A. Boor, advocaten te Amsterdam, hebben de hoofdzaak namens Ludwig Vastgoed c.s. toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Mr. Zwijnenberg voornoemd heeft de hoofd- en vrijwaringszaak toegelicht namens [X] . Mr. Van Baasbank voornoemd heeft de hoofd- en vrijwaringszaak toegelicht namens de Staat aan de hand van spreekaantekeningen die zij heeft overgelegd.
3.Feiten in de hoofd- en vrijwaringszaak
grief I), waarmee bij de feitenvaststelling hieronder rekening zal worden gehouden. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn voor het overige in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat, en waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten, komen de feiten neer op het volgende.
Omvang van de schadevergoeding
1.
Aansprakelijkheidsduur en vervaltermijnen
per bron
per bron
€ 5.510.526,00. In de koopovereenkomst zijn, voor zover van belang, de volgende bepalingen opgenomen:
Asbest
13 november 2017 van de hand gewezen.
22 januari 2018 (versie 1.4) is ten aanzien van de betreffende bronnen het volgende opgenomen:
26 oktober 2018 hebben Ludwig Vastgoed c.s. de Staat herhaald gesommeerd alsnog te voldoen aan hun vorderingen. Ludwig Vastgoed c.s. verwijzen daarbij naar het rapport van bureau Springweg versie 1.0 van 2 oktober 2017 en versie 1.4 van 22 januari 2018. De Staat heeft bij brief van 15 december 2017 en e-mail van 21 februari 2019 Ludwig Vastgoed c.s. meegedeeld dat hij de vorderingen integraal afwijst.
1 december 2017 en 6 maart 2018.
“in verband met de op handen zijnde verbouwingen, de veilige continuering van het gebruik en ter informatie bij eventuele calamiteiten”. Een ander ontvangen rapport is genaamd “Documentatiebeoordeling inzake de aanwezigheid van asbest “pand” [A-straat] te [plaats 2] ” van 27 maart 2012 van [naam 1] B.V.
4.Procedure bij de rechtbank
in de hoofdzaak
zowel ten aanzien van [X] als de Staat:
5.Vordering in hoger beroep
in de hoofdzaak
6.Beoordeling
in de hoofdzaak
grief Vdat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan [X] niet kan worden verweten dat zij in haar rapport de visueel waarneembare asbestbronnen (leidingisolatie en restanten asbest) niet heeft vermeld. Springweg heeft deze bronnen (19 en 20) in haar rapport (versie 1.0) wél genoemd. Volgens Ludwig Vastgoed c.s. zijn de rapporten van [X] en van Springweg (versie 1.0) vergelijkbaar, omdat beide rapporten een Type A onderzoek betreffen. Dit type onderzoek is gericht op het inventariseren van asbestbronnen die direct of na licht destructief onderzoek waarneembaar zijn. Dit betekent dat [X] niet naar behoren heeft gepresteerd en dat zij jegens Ludwig Vastgoed c.s., die op grond van artikel 10 van Pro de koopovereenkomst in de rechten van de Staat zijn getreden, toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst. [X] is op deze grond aansprakelijk voor de door haar veroorzaakte schade alsmede op grond van onrechtmatige daad, aldus nog steeds Ludwig Vastgoed c.s.
“Tijdens de update van de asbestinventarisatie is het pand in gebruik en is destructief onderzoek niet toegestaan, waardoor beperkingen voor het veldwerk aanwezig zijn.”(zie onder 3.5). [X] heeft in lijn daarmee het pand enkel visueel geïnspecteerd en heeft geen (licht of gericht) destructief onderzoek uitgevoerd. Dit heeft zij ook vermeld in haar rapport (zie onder 3.10). Blijkens het rapport van Springweg (versie 1.0) heeft wel
‘gericht destructief onderzoek’plaatsgevonden. Dit betekent volgens het rapport concreet
“dat er bijvoorbeeld niet overal wanden, vloeren, plafonds, aftimmeringen en overige constructiedelen zijn gesloopt”(zie onder 3.18). Omdat [X] dergelijk destructief onderzoek niet heeft uitgevoerd en Springweg wel, zijn de rapporten van [X] en Springweg niet vergelijkbaar. Deze grief faalt dan ook.
grief Ionder 25-40) dat de rapporten van Springweg (versie 1.0) en [X] specifiek met betrekking tot de asbestbronnen 19 (leidingisolatie) en 20 (restanten asbest) wél vergelijkbaar zijn, omdat Springweg op de zolder voorafgaand aan haar onderzoek, net als [X] , geen (licht) destructief onderzoek heeft verricht; deze bronnen zaten in het zicht. Omdat Springweg deze asbestbronnen wel heeft geconstateerd en [X] niet, heeft [X] het onderzoek niet deugdelijk uitgevoerd. Ludwig Vastgoed c.s. hebben in dit verband bij memorie van grieven verklaringen overgelegd van de heren [naam 2] (uitvoerder van het onderzoek van Springweg) van 24 april 2023 en [naam 3] (van MvM Asbestinventarisatie) van
24 februari 2023.
grief Ionder 41-47). Ondanks de expliciete verwijzing naar het rapport van [naam 1] en de aanwijzingen voor de aanwezigheid van asbesthoudende toepassingen en beperkingen, heeft [X] verzuimd de inhoud van dat rapport op adequate wijze in haar rapport te verwerken. [X] heeft namelijk nagelaten de in het rapport van [naam 1] opgenomen (tientallen) beperkingen en uitsluitingen in haar eigen rapport te verwerken. Meer in het bijzonder heeft [X] nagelaten om de beperking onder de vloer van de begane grond (de kruipruimte) in haar rapport op te nemen, aldus nog steeds Ludwig Vastgoed c.s.
grief VIkomen Ludwig Vastgoed c.s. op tegen het oordeel van de rechtbank dat [X] zich op haar algemene voorwaarden kan beroepen, waarin de schadevergoedingsplicht van [X] is beperkt tot het bedrag dat zij aan de Staat in rekening heeft gebracht voor haar werkzaamheden (€ 1.590,00 exclusief btw). Ludwig Vastgoed c.s. betogen dat dit oordeel onjuist is omdat algemene voorwaarden geen derdenwerking hebben. Subsidiair stellen Ludwig Vastgoed c.s. dat [X] onrechtmatig heeft gehandeld, als gevolg waarvan de algemene voorwaarden evenmin derdenwerking hebben. Voor zover de algemene voorwaarden wel toepasselijk zijn, stellen Ludwig Vastgoed c.s. dat een beroep op het exoneratiebeding door [X] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ludwig Vastgoed c.s. dragen hiervoor tien omstandigheden aan (mvg onder 187 onder (i) tot en met (x)).
– zoals zij zelf ook aanvoeren – op grond van artikel 10 van Pro de koopovereenkomst met de Staat in de rechten van de Staat getreden (cessie) en gronden hun vordering tegen [X] primair hierop. Overgang van een vordering laat de verweermiddelen van de schuldenaar echter onverlet (artikel 6:145 BW Pro). Dit betekent dat [X] alle verweermiddelen tegen de schuldvordering zelf die zij vóór de overgang tegen de oorspronkelijke schuldeiser (de Staat) had kunnen aanvoeren, aan de nieuwe schuldeiser (Ludwig Vastgoed c.s.) kan tegenwerpen. De subsidiaire grondslag – die dezelfde onderbouwing kent – strandt hier ook op.
grief VIIbetogen Ludwig Vastgoed c.s. dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [X] niet aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad. Volgens Ludwig Vastgoed c.s. heeft [X] de aanwezigheid van asbest in het pand niet gerapporteerd, terwijl zij wist of behoorde te weten dat er wel asbest in het pand aanwezig was. Voorts heeft [X] ten aanzien van de kruipruimte geen relevant voorbehoud gemaakt, terwijl daar achteraf wel asbest is geconstateerd. Aldus heeft [X] gehandeld in strijd met een wettelijke plicht althans met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, namelijk met de eisen die op basis van de Richtlijn SC 540 aan een volledig Type A asbestinventarisatie onderzoek worden gesteld. Bovendien heeft [X] jegens Ludwig Vastgoed c.s. onrechtmatig gehandeld door bij haar werkzaamheden geen rekening te houden met de belangen van Ludwig Vastgoed c.s., terwijl zij wist dat een verkoop aan de orde was. [X] had zich de belangen van derden moeten aantrekken en heeft dat niet gedaan, aldus nog steeds Ludwig Vastgoed c.s.
grief I(onder 58 – 73) primair dat de koopovereenkomst gedeeltelijk moet worden vernietigd omdat de koopovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van bedrog (vermeerdering eis). Ludwig Vastgoed c.s. stellen dat de Staat hen onjuist heeft geïnformeerd omdat de Staat diverse rapportages heeft achtergehouden, waaronder het rapport van SGS Ecocare (1998) en de documentatiebeoordeling van [naam 1] (maart 2012). In het rapport van SGS Ecocare zijn dezelfde asbesthoudende bronnen en voorbehouden opgenomen als aangetroffen door Springweg, namelijk de asbestverontreiniging op de leidingen op de zolder en in de kruipruimte. Uit de documentatiebeoordeling van [naam 1] blijkt van asbestrestanten op zolder (sinds 2003) met advies deze te saneren, wat niet is gebeurd. De Staat heeft volgens Ludwig Vastgoed c.s. door middel van het rapport van [X] – aan wie de Staat voorafgaand aan haar onderzoek genoemde rapporten niet heeft verstrekt – een rooskleuriger beeld geschetst van de situatie. Ludwig Vastgoed c.s. bestempelen het verstrekken van een onjuist rapport en het zwijgen over de eerdere asbestrapporten waar spreken plicht was als kwalijk. Zij concluderen dat de Staat opzettelijk onjuiste mededelingen heeft gedaan en garanties heeft verstrekt, teneinde het pand onder gunstige voorwaarden te verkopen, waardoor aan de vereisten van artikel 3:44 lid 3 BW Pro wordt voldaan.
– met de rechtbank – gerechtvaardigd en begrijpelijk dat de Staat aan [X] ten behoeve van haar onderzoeksactiviteiten het meest recente asbestonderzoeksrapport ter beschikking heeft gesteld (het rapport [naam 1] van juni 2012), te meer daar er in de loop van de jaren verschillende asbestsaneringen in het pand hebben plaatsgevonden waardoor oudere rapporten achterhaald waren. Hetzelfde geldt voor het toevoegen van alleen het rapport van [X] aan het biedboek, omdat dit rapport speciaal voor de verkoop was opgesteld en de meest actuele weergave van de asbestsituatie in het pand beoogde te geven.
grief IIbetogen Ludwig Vastgoed c.s. dat een beroep van de Staat op de exoneratiebedingen (artikel 15 van Pro de koopovereenkomst en artikel 3 van Pro de leveringsakte) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ludwig Vastgoed c.s. beroepen zich ter onderbouwing hiervan op diverse omstandigheden, die het hof hieronder zal bespreken. Het hof herhaalt dat de rechter bij de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid de nodige terughoudendheid zal moeten betrachten (zie onder 6.10).
grief I(onder 51-55 en 57) – slaagt niet. Het hof heeft hiervoor immers al geoordeeld dat het begrijpelijk is dat de Staat alleen het rapport van [X] aan het biedboek heeft toegevoegd, omdat dit rapport speciaal voor de verkoop was opgesteld en de meest actuele weergave van de asbestsituatie in het pand beoogde te geven; dat de Staat niet ook oudere rapporten aan het biedboek heeft toegevoegd is gerechtvaardigd (zie onder 6.17). Ludwig Vastgoed c.s. hebben bovendien niet toegelicht op grond van welke feiten en omstandigheden zij tot de thans bepleite (vérstrekkende) uitleg van artikel 5 van Pro de leveringsakte (en artikel 18 van Pro de koopovereenkomst) komen; het hof verwijst in dit verband naar grief III (uitleg) hierna. Dat Ludwig Vastgoed c.s. geen enkel onderzoek hebben gedaan – ondanks het voorbehoud in het rapport van [X] en ondanks diverse voorbehouden van de Staat – komt voor risico van Ludwig Vastgoed c.s. Aldus kan niet worden gezegd dat de Staat zijn garantie/mededelingsplicht heeft geschonden (zie ook hierna bij grief IV (mededelingsplicht)).
grief IIIdat de rechtbank de exoneratiebedingen onjuist heeft uitgelegd. Volgens Ludwig Vastgoed c.s. geldt allereerst dat de bepalingen uit het biedboek die de rechtbank voor de uitleg van de exoneratiebedingen heeft gebruikt, naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om dezelfde redenen als uiteengezet bij grief II. Voor zover de bepalingen uit het biedboek niet buiten toepassing worden verklaard, stellen Ludwig Vastgoed c.s. zich op het standpunt dat de rechtbank de exoneratiebedingen te ruim heeft uitgelegd. Ludwig Vastgoed c.s. stellen dat een beperkte uitleg gerechtvaardigd is, namelijk (i) dat uitsluitend een vordering wegens toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad is uitgesloten (artikelen 15.4 en 15.5 van de koopovereenkomst) én (ii) dat de exoneratie is beperkt tot de inhoud (
scope) van het door [X] opgestelde asbestrapport. De uitleg onder (i) betekent volgens Ludwig Vastgoed c.s. dat zij het recht hebben om op grond van artikel 6:230 lid 2 BW Pro te verlangen dat de gevolgen van de koopovereenkomst worden gewijzigd ter opheffing van het nadeel dat wordt geleden wegens dwaling; daarbij is van belang dat wijziging van de overeenkomst een verlangen is en geen rechtsvordering. De uitleg onder (ii) betekent dat er alleen een exoneratie geldt voor die ruimtes die in het rapport van [X] zijn opgenomen en niet voor ruimtes die in het rapport over het hoofd zijn gezien, zoals de kruipruimte. Voor die ruimtes blijft de Staat aansprakelijk. De zinsnede ‘zowel bekende als onbekende asbest’ slaat op de wel genoemde maar niet geïnspecteerde ruimtes (beperkingen) en op eventueel aanwezige asbest in de geïnspecteerde ruimtes dat mogelijk over het hoofd is gezien. Ook heeft de rechtbank bij de uitleg een te groot gewicht toegekend aan het feit dat in de koopovereenkomst geen specifieke bestemmingsclausule is opgenomen, omdat de Staat bekend was met het voornemen van Ludwig Vastgoed c.s. om het pand te gaan herontwikkelen tot woningen, aldus nog steeds Ludwig Vastgoed c.s.
alle – zowel bekende als onbekende – asbest(houdende materialen)in, op en/of aan het pand overneemt (artikel 15.4 van de koopovereenkomst en artikel 3 van Pro de leveringsakte). Een beperking van het risico van de koper tot de in het rapport van [X] genoemde ruimtes is hierin
nietopgenomen. Ludwig Vastgoed c.s. hebben niet uitgelegd op grond van welke concrete feiten en omstandigheden zij er tóch gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de exoneraties alleen gelden voor die ruimtes die in het rapport van [X] zijn opgenomen en niet voor ruimtes die in het rapport over het hoofd zijn gezien, zoals de kruipruimte. Tot slot merkt het hof nog op dat de rechtbank geen ‘te groot’ gewicht heeft toegekend aan het feit dat partijen geen specifieke bestemmingsclausule (maar: ‘herontwikkeling’) zijn overeengekomen in de koopovereenkomst. Dit is slechts één van de omstandigheden die een rol spelen bij de uitleg van de overeenkomst tussen partijen. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat grief III geen doel treft.
grief IVdat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld (i) dat de Staat aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan en (ii) dat de onderzoeksplicht van Ludwig Vastgoed c.s. zwaarder weegt dan een eventuele schending van de mededelingsplicht vanwege bijzondere omstandigheden. De rechtbank heeft daarom ten onrechte het beroep van Ludwig Vastgoed c.s. op dwaling en non-conformiteit afgewezen, aldus Ludwig Vastgoed c.s.
grief I, onder 53). Ludwig Vastgoed c.s. leiden dit af uit artikel 15 van Pro de koopovereenkomst. Volgens Ludwig Vastgoed c.s. betekent dit dat zij in het geheel geen (nader) onderzoek hoefden te verrichten. Het hof verwerpt deze uitleg van Ludwig Vastgoed c.s., reeds omdat zij niet hebben toegelicht op grond van welke feiten en omstandigheden zij er gerechtvaardigd op hebben mogen vertrouwen dat deze uitleg de juiste was. Dit had gelet op meergenoemde exoneraties in zowel de leveringsakte als de koopovereenkomst, als gelet op het voorbehoud in het rapport van [X] , maar ook gelet op de verstrekte kostenraming (met daarin een stelpost voor de kruipruimtes), de bouwtekeningen (met daarop zichtbaar de kruipruimtes), de verwijzingen in het rapport van [X] naar het rapport [naam 1] en de bepalingen in de VID (zie onder 3.13) wel op hun weg gelegen.
volledigte vrijwaren voor de aanspraken van Ludwig Vastgoed c.s. op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro) dan wel op grond van de hoofdelijke aansprakelijkheid. Als in de hoofdzaak geoordeeld zou worden dat Ludwig Vastgoed c.s. vanwege de aanwezigheid van asbestbronnen een te hoge prijs hebben betaald voor het pand, heeft de Staat teveel voor het pand ontvangen. Zou [X] tegen die achtergrond enig deel van de door Ludwig Vastgoed c.s. gestelde schade moeten dragen, dan zou de Staat ongerechtvaardigd worden verrijkt, aldus [X] .