ECLI:NL:GHAMS:2026:1646

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
200.337.181/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 6:102 BWArt. 3:317 BWArt. 6:131 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling schadevergoeding voor levering met hormonen vervuild suikerwater in varkensvoer

In deze civiele schadestaatprocedure staat de vaststelling van de schade centraal die Rined Co-Products B.V. heeft geleden door de levering van met het hormoon MPA vervuild suikerwater, verwerkt in varkensvoer. Het Gerechtshof Amsterdam bevestigt de eerdere aansprakelijkheidsvaststelling tegen Wyeth Medica Ireland en Cara Environmental Technology Limited, die hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 50% van de schade. De procedure betreft de begroting van deze schade.

Het hof behandelt diverse schadeposten, waaronder interne kosten van directie en medewerkers, kosten van externe adviseurs, crediteringen aan varkenshouders, teruggenomen en vervangen voer, huur van opslagsilo's, en compensaties aan varkenshouders. Het hof wijst een deel van de gevorderde schade toe, waaronder de helft van de managementkosten, kosten van Boels Zanders Advocaten, aanvullende crediteringen, teruggenomen voer en compensaties aan varkenshouders. Andere posten, zoals kosten voor het toegankelijk maken van administratie en winstderving, worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf het moment dat de schade is geleden, in afwijking van de rechtbank die rente vanaf 7 december 2012 toekende. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het de hoogte van de schadevergoeding en de rentevaststelling betreft en doet in die zin opnieuw recht. De proceskosten worden deels gecompenseerd tussen Rined en Wyeth, terwijl Cara wordt veroordeeld in beperkte proceskosten.

De uitspraak bevestigt dat Wyeth en Cara onzorgvuldig hebben gehandeld door het leveren van met hormonen vervuild suikerwater zonder de vereiste zorgvuldigheid en vergunningen, en dat Rined mede eigen schuld draagt. De schadeverdeling is 50-50. Het hof weegt zorgvuldig de bewijsstukken, processtukken en eerdere arresten, waaronder het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2020, en past de schadebegroting aan op basis van concrete onderbouwing en bewijs.

Uitkomst: Het hof wijzigt de schadevergoeding en rentevaststelling en bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van Wyeth en Cara voor 50% van de schade van Rined.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.337.181/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/334969 / HA ZA 22-761
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
in de zaak van
LOOOP CO-PRODUCTS B.V.(voorheen genaamd:
RINED FOURAGES B.V.),
gevestigd te Venlo,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. van Tuijl te Rotterdam,
tegen

1.AHP MANUFACTURING B.V.

handelend onder de naam
WYETH MEDICA IRELAND,
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.T. Verheij te Rotterdam,

2.CARA ENVIRONMENTAL TECHNOLOGY LIMITED,

gevestigd te Tullamore, Ierland,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna Rined, Wyeth en Cara genoemd.

1.De zaak in het kort

Schadestaatprocedure. In 2002 is gebleken dat het hormoon MPA was verwerkt in varkensvoer dat Rined aan varkenshouders heeft geleverd. Dit hormoon zat in een afvalstroom suikerwater uit het productieproces van Wyeth en deze afvalstroom suikerwater is onder andere via afvalmakelaar Cara bij Rined terechtgekomen. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 27 november 2018 uitgesproken dat Wyeth en Cara onrechtmatig hebben gehandeld jegens Rined en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 50% van de schade die Rined heeft geleden als gevolg van het feit dat aan haar (oorspronkelijk van Wyeth afkomstig) met hormonen vervuild suikerwater is geleverd, nader op te maken bij staat.
Deze procedure gaat over het vaststellen van de schade van Rined.

2.Het geding in hoger beroep

Rined is bij dagvaardingsexploten van 31 oktober 2023 en 2 november 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 2 augustus 2023 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Rined als eiseres en Wyeth en Cara als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
­ memorie van grieven, met producties;
­ memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met een productie;
­ memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.
Op 29 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak laten toelichten, Rined door mr. Van Tuijl voornoemd en mrs. M.D. Meerkerk-van den Boogaard en L. Kirch, advocaten te Rotterdam, en Wyeth door mr. Verheij voornoemd, allen aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Rined heeft nog producties in het geding gebracht.
Vervolgens is de zaak aangehouden ten behoeve van minnelijk overleg tussen partijen.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
Rined hield zich in de jaren voor 2002 bezig met de handel in enkelvoudige diervoeders, bestaande uit bijproducten van de levensmiddelenindustrie.
3.2.
Wyeth had in Ierland een faciliteit voor de productie van farmaceutische producten. Zij produceerde onder meer anticonceptiepillen, waarbij het synthetisch hormoon ‘medroxy progesteron acetaat’ (hierna: MPA) werd gebruikt. Dit resulteerde in twee afvalstromen die bestonden uit een wateroplossing met suiker en kleurstof (suikerwater). De ene afvalstroom kwalificeerde Wyeth als
non-hazardousen de andere als
hazardous. De kwalificatie
hazardoushield verband met de vervuiling van het suikerwater met hormonen, waaronder met name MPA.
3.3.
Wyeth beschikte als afvalproducent over een vergunning ingevolge de Ierse milieuwetgeving. Op grond van deze vergunning was Wyeth verplicht haar suikerwaterafval te verwerken in overeenstemming met de nationale en internationale regelgeving voor afvalstoffen.
3.4.
Cara was een zogenoemde afvalmakelaar. Zij heeft vanaf 1997 voor Wyeth het verwijderen van de
non-hazardousafvalstroom suikerwater verzorgd. In 1999 heeft Cara Wyeth in contact gebracht met het in België gevestigde afvalverwerkingsbedrijf Bioland Liquid Sugars B.V. (hierna: Bioland). In oktober van dat jaar heeft Wyeth een bezoek aan Bioland gebracht en daarbij aan Bioland gevraagd of zij over een vergunning beschikte. Bioland heeft die vraag bevestigend beantwoord en toegezegd de vergunning aan Wyeth toe te zenden, maar dat is nooit gebeurd. Wyeth heeft daarna via Cara suikerwater ter verwerking laten afvoeren naar Bioland.
3.5.
Vanaf september 2000 heeft Cara voor Wyeth ook suikerwater met MPA naar Bioland verzonden. Bioland was ervan op de hoogte dat de tweede stroom suikerwater MPA bevatte. Bioland beschikte niet over een vergunning voor het verwerken van farmaceutisch afval. Wyeth heeft van geen van de transporten kennisgeving gedaan als bedoeld in de Europese Verordening betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap.
3.6.
In april 2002 heeft Bioland de Van Genugtengroep, een Nederlandse varkenshouder en veevoerbedrijf, benaderd om het suikerwater af te nemen. De Van Genugtengroep heeft Zeeland Voeders B.V. (hierna: Zeeland Voeders), een andere Nederlandse varkenshouder en veevoerbedrijf, ervan op de hoogte gesteld dat Bioland suikerwater aanbood. Zeeland Voeders heeft diverse partijen suikerwater (met MPA) afgenomen van Bioland en een deel daarvan doorverkocht aan Rined. Het suikerwater is op 15 april 2002 gelost in een opslagsilo van Rined in De Rips (Noord-Brabant) en daar vermengd met tarwezetmeel dat afkomstig was van de fabriek van het bedrijf [bedrijf 10] in Sas van Gent. Kort daarop heeft Rined bij Zeeland Voeders geklaagd over roze verkleuring van het tarwezetmeel als gevolg van het rood/roze suikerwater. Zeeland Voeders heeft een deel van het met het rood/roze suikerwater vermengde tarwezetmeel teruggenomen. Een deel van het met suikerwater vermengde tarwezetmeel heeft Rined vanaf april 2002 als varkensvoer verkocht en geleverd aan (Nederlandse) varkenshouders. Op de facturen aan de afnemers stond steeds vermeld ‘Tarwezetmeel Sas van Gent’.
3.7.
Ingevolge de Verordening registratie ondernemingen diervoedersector 1990 diende destijds elk bedrijf dat activiteiten ontplooide op het gebied van productie en verwerking van en handel in diervoeder zich te registreren bij het toenmalige Productschap Diervoeder (PDV). Het PDV werkte met de GMP-regeling diervoedersector. GMP staat voor
Good Manufacturing Practices. Op grond van de Verordening PDV erkenningsregeling GMP diervoedersector 2000 konden bedrijven zich aanmelden bij het PDV voor diverse GMP-erkenningen en een HACCP-erkenning, tezamen GMP+. Onderdeel van de erkenningsregeling was de toepasselijkheid van de GMP-code diervoedersector waarin voorwaarden met betrekking tot basiskwaliteit waren gespecificeerd. Het was onder de GMP-regeling niet toegestaan suikerwater, een afvalstof uit de farmaceutische industrie, te verwerken in veevoer.
3.8.
Zeeland Voeders en Rined beschikten allebei over een GMP-erkenning. Bioland beschikte niet over een GMP-erkenning. Zeeland Voeders heeft het suikerwater (met MPA) van Bioland afgenomen buiten het GMP-erkenningssysteem om en zonder het verplichte onderzoek naar de herkomst ervan.
3.9.
In mei 2002 bleken varkens van drie in Nederland gevestigde varkenshouderijen te kampen met vruchtbaarheidsproblemen. Na onderzoek bleek het vlees van de varkens MPA te bevatten. Vastgesteld is dat de varkens mede waren gevoerd met voer dat was bereid met glucosesiroop die was afgenomen van een onderneming van de Van Genugtengroep. Vervolgens kwam aan het licht dat er bij meer varkenshouderijen varkens waren gevoerd met van Bioland, de Van Genugtengroep of Zeeland Voeders afkomstig suikerwater met MPA.
Op 26 juni 2002 heeft de Algemene Inspectie Dienst (AID) een monster genomen van het tarwezetmeel in de opslagsilo van Rined in De Rips. Dit monster testte positief op MPA. Rined is op 2 juli 2002 daarvan op de hoogte gesteld.
3.10.
Van overheidswege is vanaf juni 2002 onderzoek gedaan naar de verspreiding van MPA onder varkenshouderijen en naar de herkomst daarvan. Vele varkenshouderijen zijn toen voor enige tijd onder toezicht geplaatst, hetgeen betekende dat geen varkens van die bedrijven mochten worden verhandeld of geslacht voor consumptie, tenzij bij individuele tests was gebleken dat de dieren geen MPA bevatten. Ook zijn verschillende besmette varkenshouderijen gesloten of geruimd.
3.11.
Rined heeft haar facturen voor leveringen van met MPA besmet varkensvoer gecrediteerd. Verder heeft zij silo’s moeten huren om met MPA besmet, teruggenomen voer op te slaan. Daarnaast is zij door een groot aantal varkenshouders aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van het leveren van met MPA besmet varkensvoer.
3.12.
Bij arrest van 27 november 2018 heeft het gerechtshof Amsterdam op vordering van Rined voor recht verklaard dat Wyeth en Cara onrechtmatig hebben gehandeld jegens Rined en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 50% van de schade die Rined heeft geleden als gevolg van het feit dat aan haar (oorspronkelijk van Wyeth afkomstig) met hormonen vervuild suikerwater is geleverd, nader op te maken bij staat. Het hof overwoog daartoe onder meer:
‘3.5.1. Uit hetgeen hierna onder 3.7.1 en volgende met betrekking tot een eventuele doorbreking van het causaal verband en eigen schuld van Rined wordt overwogen, volgt dat tevens alsnog moet worden ingegaan op de vraag of Wyeth en Cara onrechtmatig hebben gehandeld jegens (onder meer) Rined door het met hormonen vervuilde afvalwater naar België te (doen) overbrengen ter verwerking door Bioland.
3.5.2.
Het hof beantwoordt deze vraag wat beide genoemde partijen betreft in bevestigende zin. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.5.3.
Niet in geschil is dat het hier ging om suikerwater afkomstig van de productie van anticonceptiepillen (meer specifiek de coating daarvan met een gekleurde suikerlaag), dat het suikerwater als zijnde afkomstig van de farmaceutische industrie in de categorie gevaarlijke afvalstoffen viel (vgl. in dit verband bijvoorbeeld artikel 3 sub a Besluit Pro aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen met bijbehorende bijlage onder 34 en Beschikkingen Europese Commissie waarnaar Rined in voetnoot 12 van haar pleitnota in hoger beroep verwijst) en dat het overbrengen en verwijderen daarvan - naar Wyeth als producent en houder van een IPC-vergunning en ook Cara als professioneel afvalmakelaar zonder meer bekend moet zijn geweest - in het belang van het milieu en gezondheid van de mens aan restricties en toezicht onderworpen was. (…)
3.5.4.
Vast staat voorts dat het suikerwater (in mindere of meerdere mate) de hormonen MPA, Oestradiol en Trimegeston bevatte en dat niet alleen Wyeth dit wist maar dat ook Cara van de vervuiling met in ieder geval MPA op de hoogte was. Wyeth en Cara moeten zich ervan bewust zijn geweest dat verwijdering van het suikerwater, zeker indien het bestemd was voor hergebruik, gepaard zou kunnen gaan met (gezondheids)risico’s voor mens en dier en daarmee naast gezondheidsschade vermogensschade zou kunnen veroorzaken. (…)
3.5.6. (…)
Gelet op de aan het hergebruik van uit de farmaceutische industrie afkomstig afvalmateriaal kenbaar verbonden risico’s, mocht immers zowel van Wyeth als van Cara worden verlangd, en bracht de door deze jegens potentiële bij dit hergebruik betrokken partijen in acht te nemen zorgvuldigheid mee, dat zij ervoor zorgdroegen dat die verwijdering niet tersluiks/heimelijk plaatsvond en in zoverre de op die verwijdering van overheidswege toepasselijke voorschriften en meldingsplichten werden nageleefd. Voorts mocht van hen worden verwacht dat zij zich ervan vergewisten dat het bedrijf dat de afvalstromen zou gaan verwerken daartoe ook daadwerkelijk in staat was en beschikte over de vereiste deskundigheid en voorzieningen om de afvalstroom een veilige nuttige bestemming te geven. Daarbij geldt dat in geval van een gebrekkige naleving van de hiervoor bedoelde voorschriften en meldingsplichten voor een adequate doorlichting van het bedrijf dat voor de verwerking zou gaan zorgdragen des te meer reden bestond, nu als gevolg van die gebrekkige naleving de in de toepasselijke regelgeving voorziene waarborgen in feite buiten werking werden gesteld, althans werden omzeild, en daarmee het risico dat de verwijdering niet op deugdelijke wijze zou plaatsvinden en als gevolg daarvan schade zou ontstaan werd verhoogd.
3.5.7.
Het feitenmateriaal dwingt tot de conclusie dat Wyeth en Cara niet aan deze (mede) op grond van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen op hen rustende verplichtingen hebben voldaan. (…)
3.5.9.
Wat de keuze voor Bioland als (afval)verwerker betreft geldt het volgende.
Reeds in de hier voorgaande overwegingen ligt besloten dat gelet op de toepasselijke regelgeving en de in acht te nemen ongeschreven zorgvuldigheidsnormen van Wyeth als producent en van Cara als professionele afvalmakelaar die zich met name richtte op afvalverwijdering ten behoeve van de farmaceutische industrie (…) mocht worden verwacht dat, alvorens tot overbrenging van het met hormonen vervuilde suikerwater naar Bioland werd overgegaan, zij zich er terdege van vergewisten dat dit bedrijf over de voor de verwerking daarvan vereiste (milieu)vergunning beschikte en redelijkerwijs in staat moest worden geacht het met hormonen vervuilde suikerwater een (legale) nuttige bestemming te geven (dan wel bij gebreke daarvan het afvalproduct onschadelijk te maken en definitief te verwijderen). (…)
3.5.10.
De conclusie op grond van het onder 3.5.9 overwogene is dat Wyeth en Cara voor de verwerking van het suikerwater met het oog op hergebruik een bedrijf hebben uitgekozen zonder dat er zij zich er op toereikende wijze van hadden vergewist dat deze tot een veilige verwerking in staat zou zijn. (…)
Van Wyeth en Cara had dan ook verwacht mogen worden dat zij nader onderzoek zouden doen teneinde zich te vergewissen van bij Bioland daadwerkelijk bestaande mogelijkheden om hormonen uit het suikerwater te verwijderen, zeker toen vanaf medio 2000, volgens Wyeth als gevolg van een verandering in het productieproces, een aanvang werd gemaakt met verzending van stromen suikerwater die hoge(re) concentraties hormonen bevatten. (…)
Door hun handelwijze hebben Wyeth en Cara potentiële hergebruikers van het suikerwater zeker in de periode vanaf medio 2000, maar naar het zich laat aanzien ook voordien, aan grotere risico’s blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was. Mede gelet op hetgeen in de desbetreffende MSDS bij “hazard identification” is vermeld was de kans dat als gevolg van de door hen gekozen wijze om zich van de afvalstroom te ontdoen schade zou ontstaan, niet alleen aanwezig maar zodanig groot dat Wyeth en Cara naar maatstaven van zorgvuldigheid daartoe niet op de reeds besproken wijze hadden mogen overgaan.
3.5.11. (…)
Het hof wijst er in dit verband op dat ook uit de systematiek van de desbetreffende regelgeving volgt dat de verantwoordelijkheid van de juiste verwijdering van een afvalstroom in de eerste plaats op de producent daarvan rust. (…)
3.6.1.
Wyeth en Cara hebben zich op het standpunt gesteld dat voor zover hun onrechtmatig handelen kan worden verweten de schade die inzet is van het onderhavige geding niet als een aan hen toerekenbaar gevolg daarvan kan worden aangemerkt nu de causale keten is doorbroken door onrechtmatig handelen van Bioland en Zeeland Voeders die beide diverse (wettelijke) voorschriften hebben overtreden en door onzorgvuldig handelen (in overwegende mate) de litigieuze schade hebben veroorzaakt. Zo had Bioland het suikerwater waarvan zij wist dat het uit de farmaceutische industrie afkomstig was en (in ieder geval sporen van) hormonen bevatte, niet zonder de vereiste vergunning ter verwerking in ontvangst mogen nemen en had zij (althans haar curator) dit niet in onverwerkte staat mogen verkopen aan Zeeland Voeders. Aan deze laatste valt (onder meer) te verwijten dat zij het suikerwater met het oog op verwerking in varkensvoer van Bioland heeft afgenomen buiten het GMP-erkenningssysteem om, dat zij in strijd met geldende diervoeder- en afvalstoffenregelgeving heeft gehandeld, en dat zij, zonder het krachtens de GMP-regelgeving vereiste onderzoek naar de herkomst daarvan te doen, het suikerwater als varkensvoer heeft aangeboden en omtrent de herkomst onjuiste mededelingen heeft gedaan aan Rined. Wyeth en Cara wijzen er voorts op dat zowel (verantwoordelijken van) Bioland als Zeeland Voeders strafrechtelijk zijn vervolgd en veroordeeld voor hun rol in deze kwestie.
3.6.2. (…)
Voor Wyeth en Cara was reeds op grond van het feit dat Bioland niet over de vereiste vergunning beschikte zonder meer kenbaar dat er een reëel risico bestond dat Bioland niet in staat zou zijn het met hormonen vervuilde afvalwater te verwerken en dat bijgevolg Bioland zich op enigerlei moment daarvan op illegale wijze zou ontdoen. (…)
Niet gesteld kan worden dat het niet in acht nemen van regelgeving, zoals door hen aan Bioland en Zeeland Voeders verweten, niet in de lijn der verwachting heeft gelegen: dat met afvalproducten niet altijd op zorgvuldige wijze werd omgesprongen, moet voor Wyeth en Cara voorzienbaar zijn geweest en van hen mocht in redelijkheid worden verlangd dat zij daarmee rekening hielden bij het bepalen van de wijze waarop de verwijdering van het afval zou plaatsvinden. Dit geldt evenzeer voor de mogelijkheid dat het aan de verwijdering c.q. het hergebruik van het suikerwater verbonden gevaar door de betrokken Belgische en Nederlandse autoriteiten niet juist zou worden ingeschat en dat deze niet of juist op overtrokken wijze zouden reageren.
De conclusie is dat een en ander er niet toe leidt dat het vereiste verband tussen de handelwijze van Wyeth en Cara en de schade die inzet is van het onderhavige geding is verbroken noch dat deze schade niet in zodanig verband staat met de handelwijze van Wyeth en Cara dat deze hen als het gevolg daarvan (in ieder geval gedeeltelijk) kan worden toegerekend. (…)
3.7.4.
Dit neemt niet weg dat voldoende vast is komen te staan dat Rined, mede gelet op de toepasselijke regelgeving (…), laakbaar heeft gehandeld doordat zij het suikerwater in haar silo heeft laten lossen en bij het daar opgeslagen tarwezetmeel heeft laten voegen zonder dat zij de zekerheid had dat het van [bedrijf 10] afkomstig was en zonder een ingangscontrole uit te voeren. Voorts moet reeds ter gelegenheid van de levering van het product aan de eerste afnemer diezelfde dag voor haar zonder meer duidelijk zijn geweest dat zij - zonder dat zij de daarvoor benodigde vergunning had - producten van verscheidene herkomst had gemengd en dat zij niet over de vereiste specificaties van het aan het tarwezetmeel toegevoegde suikerwater beschikte. Van haar mocht worden verwacht dat zij alvorens zij tot (verdere) levering aan afnemers van het product overging, de herkomst van het (roze) suikerwater en samenstelling daarvan alsnog op deugdelijke wijze verifieerde. Door een en ander na te laten, haar afnemers omtrent de kleur verkeerd voor te lichten, en het mengsel als tarwezetmeel te verkopen en te factureren zonder daarbij (steeds) te vermelden dat het glucosestroop van onbekende herkomst bevatte heeft zij krachtens voornoemde regelgeving toepasselijke voorschriften overtreden en voorts in strijd gehandeld met verplichtingen die als GMP-erkende instelling op haar rustten. (…)
3.8.
Het hof komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat voor zover Rined schade heeft geleden als gevolg van het feit dat het door haar afgenomen suikerwater met hormonen vervuild was, deze schade voor 50% voor haar rekening moet blijven en Wyeth en Cara voor de overige 50% (op de voet van artikel 6:102 BW Pro, aan de jegens deze gemaakte verwijten liggen grotendeels dezelfde feiten ten grondslag) hoofdelijk aansprakelijk zijn. Hierbij speelt een rol enerzijds dat indien Wyeth en Cara bij de verwijdering van de desbetreffende afvalstroom de vereiste zorgvuldigheid hadden betracht het met hormonen vervuilde suikerwater niet beschikbaar zou zijn gekomen voor hergebruik in veevoeder en anderzijds dat de door Rined geleden schade voor een belangrijk deel had kunnen worden voorkomen indien zij, nadat zij door een van haar afnemers op de roze kleur van het met suikerwater vermengde tarwezetmeel was gewezen, het onderzoek naar de herkomst en samenstelling van het product had gedaan waartoe zij krachtens de toepasselijke regelgeving was gehouden en bij gebreke daarvan niet tot (verdere) uitlevering daarvan zou zijn overgegaan. Naar het oordeel van het hof hebben Rined enerzijds en Wyeth en Cara anderzijds in gelijke mate het gevaar voor het ontstaan van de schade zoals die is ingetreden in het leven geroepen en hebben zij aldus in gelijke mate aan het ontstaan van de schade bijgedragen. Dat Rined niet tot verder onderzoek is overgegaan en gehoor heeft gegeven aan verzoeken van klanten om leveranties van het (in strijd met de toepasselijke regelgeving) met suikerwater vermengde tarwezetmeel heeft zeker aan het ontstaan van de schade bijgedragen, doch haar gedrag is in de gegeven omstandigheden niet zodanig ernstig verwijtbaar (dat zij bedacht had moeten zijn op de vervuiling van het product met hormonen en de schadelijke gevolgen daarvan is niet gebleken) dat dit met toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW Pro tot een verder verval dan 50% van de (hoofdelijke) vergoedingsplicht van Wyeth en Cara leidt, welke laatsten zich van de onderhavige afvalstroom hebben ontdaan zonder de vereiste zorgvuldigheid te betrachten en aan wiens onzorgvuldig gedrag de aanwezigheid van hormonen in het als diervoeder verhandelde product gegeven de omstandigheden voor een aanzienlijk deel te wijten is. Naar het oordeel van het hof eist de billijkheid evenmin op grond van andere omstandigheden een correctie op de voornoemde 50-50 causaliteitsafweging.’
3.13.
Wyeth heeft tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. Rined heeft (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Bij arrest van 16 oktober 2020 heeft de Hoge Raad zowel het principale als het incidentele beroep verworpen. De Hoge Raad heeft in het principaal cassatieberoep voor zover van belang het volgende overwogen:
‘3.1.1 Onderdeel 6 van het middel klaagt in de kern genomen dat het hof de verhouding tussen de hoofdzaak en de schadestaatprocedure heeft miskend door in de rov. 3.6.2 en 3.8 definitieve oordelen te geven over (i) de toerekenbaarheid van alle schade waarvan Rined vergoeding vordert, en (ii) de mate waarin de schade wegens eigen schuld voor rekening van Rined blijft enerzijds en door Wyeth en Cara dient te worden vergoed anderzijds.
3.1.2
Deze klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en kan dus niet tot cassatie leiden.
De rov. 3.6.2 en 3.8 moeten aldus worden begrepen dat het hof slechts heeft geoordeeld dat indien komt vast te staan dat Rined schade heeft geleden als gevolg van het feit dat het door haar afgenomen suikerwater met hormonen was vervuild, Wyeth en Cara hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 50% van die schade. Het hof heeft zich niet uitgelaten over de vraag naar het bestaan en de omvang van de door Rined geleden schade en evenmin over de vraag welke concrete schadeposten van Rined aan Wyeth en Cara zijn toe te rekenen. Deze vragen kunnen in de schadestaatprocedure aan de orde komen. Komt in de schadestaatprocedure vast te staan dat een schadepost van Rined aan Wyeth of Cara is toe te rekenen, dan geldt op grond van de door het hof in de hoofdzaak vastgestelde verdeling dat Wyeth en Cara gehouden zijn om 50% daarvan aan Rined te vergoeden.’
3.14.
Het arrest van het gerechtshof Amsterdam in de hoofdprocedure is inmiddels in kracht van gewijsde gegaan en heeft daarmee tussen partijen gezag van gewijsde verkregen.
3.15.
In opdracht van Rined heeft Straefin Consultancy B.V. (hierna: Straefin) op 8 september 2022 een rapport uitgebracht over de schade die Rined heeft geleden als gevolg van – wat Straefin noemt – ‘de MPA-affaire’ (hierna: Straefin I).
Bij akte – na de conclusie van antwoord van Wyeth – heeft Rined nog een aanvullend rapport van Straefin van 10 mei 2023 overgelegd (hierna: Straefin II).

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat heeft Rined bij de rechtbank gevorderd, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de schade die Rined heeft geleden als gevolg van het feit dat aan haar met hormonen vervuild suikerwater is geleverd, vaststelt op € 9.163.572,- plus PM en Wyeth en Cara hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 4.581.786,- aan Rined, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment dat het met hormonen vervuilde suikerwater bij Rined is binnengekomen tot de dag van de algehele voldoening. Rined vordert daarnaast dat Wyeth en Cara hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van de procedure waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
4.2.
De rechtbank heeft Wyeth en Cara hoofdelijk veroordeeld om € 53.394,45 aan Rined te betalen en voorts Cara veroordeeld om € 2.289.694,86 aan Rined te betalen, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2012. Cara is veroordeeld in de proceskosten van € 12.766,-. De rechtbank heeft de proceskosten tussen Rined en Wyeth gecompenseerd.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
Rined vordert in hoger beroep, zakelijk weergegeven, dat het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover zij daarbij in het ongelijk is gesteld. Daarnaast vordert Rined het toewijzen van een schadevergoeding van in totaal 50% van € 880.966,75 (‘plus PM’), vermeerderd met 50% van € 3.746.675,- aan gederfde winst, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de schade is geleden tot en met de dag van betaling en met veroordeling van Wyeth en Cara in de kosten van beide instanties en de nakosten, met wettelijke rente.
5.2.
Wyeth heeft in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep gevorderd, zakelijk weergegeven, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover Wyeth daarbij in het ongelijk is gesteld en de vorderingen van Rined alsnog volledig zal afwijzen, met veroordeling van Rined in de kosten van beide instanties en de nakosten, met wettelijke rente.
5.3.
Wyeth heeft benadrukt dat haar grieven alleen worden aangevoerd voor het geval het hof het bestreden vonnis niet bekrachtigt. De voorwaarde waaronder het incidenteel hoger beroep is ingesteld, is volgens Wyeth niet vervuld, indien en voor zover het hof dat vonnis bekrachtigt. Wyeth heeft deze voorwaarde nader toegelicht. Volgens Wyeth heeft Rined in principaal hoger beroep alleen grieven gericht tegen het gedeeltelijk afwijzen van schadeposten. Wyeth wil met het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep voorkomen, zakelijk weergegeven, dat grieven van Rined slagen, doordat Wyeth oordelen van de rechtbank over die schadeposten niet heeft bestreden. Het hof maakt hieruit op dat de voorwaarde waaronder Wyeth haar incidentele grieven heeft ingesteld, niet is vervuld voor zover het hof over een bepaalde schadepost geen andere beslissing geeft dan de rechtbank heeft gedaan en een grief van Rined in zoverre dus geen doel treft.

6.Beoordeling

Toerekening
6.1.
Het hof ziet aanleiding om eerst in te gaan op grief 1 van Wyeth in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. Deze grief komt kort gezegd erop neer dat Wyeth niet per definitie voor vijftig procent hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die Rined heeft geleden als gevolg van het feit dat aan haar (oorspronkelijk van Wyeth afkomstig) met hormonen vervuild suikerwater is geleverd. Volgens Wyeth geldt deze aansprakelijkheid alleen als de schade vaststaat en aan Wyeth kan worden toegerekend. Wyeth verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2020 onder 3.1.2 (zie hiervoor onder 3.13). Dit verweer komt ook terug op verschillende andere onderdelen in de processtukken van Wyeth.
6.2.
Het spreekt vanzelf dat Wyeth alleen hoofdelijk aansprakelijk is voor de genoemde schade van Rined als het hof het bestaan en de omvang daarvan heeft vastgesteld.
Even vanzelf spreekt dat het moet gaan om schade die in zodanig verband staat met het feit dat aan Rined (oorspronkelijk van Wyeth afkomstig) met hormonen vervuild suikerwater is geleverd, dat zij Wyeth, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dit feit kan worden toegerekend. Wat betreft de toerekening aan Wyeth zijn gedragingen van Rined en Cara in beginsel niet (meer) van betekenis, anders dan Wyeth bepleit. Het hof heeft in zijn arrest van 27 november 2018 de gedragingen van Wyeth, Cara en Rined beoordeeld en verdisconteerd in het oordeel over de hoofdelijke aansprakelijkheid van Wyeth en Cara enerzijds en de eigen schuld van Rined anderzijds. De gedragingen van Bioland en Zeeland Voeders waren daarbij geen beletsel voor het aannemen van de hoofdelijke aansprakelijkheid van Wyeth en Cara. Wyeth heeft onvoldoende aangevoerd, laat staan onderbouwd,dat het handelen of nalaten van Bioland en Zeeland Voeders desondanks aan toerekening van schade aan Wyeth in de weg kan staan. In zoverre treft dit verweer, en daarmee grief 1 van Wyeth in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, dus geen doel.
6.3.
Voor zover Wyeth ten aanzien van schadeposten van Rined andere concrete feiten en omstandigheden naar voren brengt die volgens haar aan het toerekenen in de weg staan, zal het hof die bespreken bij het behandelen van de betreffende schadeposten.
Waarheidsplicht
6.4.
Het hof bespreekt vooraf ook het verweer van Wyeth dat Rined geen aanspraak kan maken op vergoeding van een of meer schadeposten, omdat Rined haar waarheidsplicht, bedoeld in art. 21 Rv Pro, zou hebben geschonden. Wyeth heeft dit verweer toegelicht in haar processtukken en zij heeft in haar voorwaardelijke grief 8 samengevat op welke punten Rined volgens haar de waarheidsplicht heeft geschonden.
6.5.
Het hof ziet onvoldoende reden om gevolgtrekkingen te verbinden aan hetgeen Wyeth kwalificeert als het schenden van de waarheidsplicht. Het hof neemt daarbij onder meer in aanmerking dat Rined een veelheid aan gegevens van vele jaren geleden heeft moeten verzamelen om haar schade te kunnen begroten en dat niet is gebleken dat zij met het presenteren van de schade bewust Wyeth en de rechter heeft willen misleiden. Bovendien is het hof van oordeel dat aan het verweer van Wyeth toch vooral ten grondslag ligt dat zij de betreffende schadeposten betwist. De stellingen van Rined met betrekking tot haar schade en het betwisten daarvan door Wyeth zijn onderdeel van het reguliere debat in deze schadestaatprocedure. De stellingen van Rined gaan de grenzen van dit debat, ook wat betreft de waarheids- en volledigheidsplicht, niet te buiten. De grief treft dus geen doel.
Kosten directie en loonkosten werknemers
6.6.
Rined rekent tot haar schade de tijd die haar directie en werknemers bezig zijn geweest om de gevolgen van de MPA-crisis te beheersen. Voor de directie komt Rined uit op een bedrag van € 161.018,87 aan managementkosten en voor de werknemers op € 20.058,97 aan loonkosten (memorie van grieven nr. 3.2). Rined vordert in hoger beroep op dit onderdeel 50% van in totaal € 187.077,81 (memorie van grieven nr. 3.24). Grief 1 en grief 9 in principaal hoger beroep hebben hierop betrekking.
6.7.
Het hof stelt voorop dat het hier gaat om zogenoemde interne kosten en dat ook deze kosten, voor zover zij redelijk zijn, voor vergoeding in aanmerking komen als kosten om schade te voorkomen of te beperken en/of om schade en aansprakelijkheid vast te stellen.
Dat de kosten zien op reguliere werktijd van medewerkers van de benadeelde, maakt dit niet anders (HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:874, rov. 3.2.1).
6.8.
Uit de stellingen van Rined valt op te maken dat het gaat om reguliere werktijd van directie en medewerkers. Het valt niet in te zien dat kosten van reguliere werktijd van medewerkers wél en die van directie niet als vermogensschade kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van het hof maakt het ook geen verschil of het werk dat in de reguliere werktijd is gedaan, moet worden aangemerkt als het verrichten van (kern)taken van directie of medewerkers. Het gaat er in dit geval om of het werk in zodanig verband staat met het feit dat aan Rined (oorspronkelijk van Wyeth afkomstig) met hormonen vervuild suikerwater is geleverd, dat de kosten daarvan aan Wyeth, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dit feit kunnen worden toegerekend. Het verweer van Wyeth dat de directie geen andere werkzaamheden in de reguliere werktijd had kunnen uitvoeren, passeert het hof als onvoldoende onderbouwd. Er is ook geen overlap met winstderving. Het gaat hier om gemaakte kosten.
6.9.
Het werk van de directie bestond volgens Rined in de eerste plaats uit het afwikkelen van claims van 26 betrokken varkenshouders en het terugwinnen van hun vertrouwen, waar gemiddeld 25 uur per varkenshouder aan is besteed. Deze uren betreffen twee bezoeken van elk vier uur per jaar aan de varkenshouder en telefonisch overleg (Straefin I, p. 3).
Het hof acht, mede gelet op de overgelegde correspondentie met (vertegenwoordigers van) de varkenshouders en de relatie die de directieleden met de varkenshouders hadden, voldoende aangetoond dat er regelmatig overleg met de varkenshouders is geweest. Er is echter geen nadere specificatie. Het hof zal de schade daarom schatten en in dat verband dus de tijd schatten die als een gevolg van het leveren van het vervuilde suikerwater aan Wyeth is toe te rekenen. Het hof schat de tijd die de directieleden samen hebben besteed aan het bezoeken van de varkenshouders, op gemiddeld tien uur per varkenshouder en de tijd die is besteed aan telefonisch overleg op gemiddeld twee uur per varkenshouder, in totaal twaalf uur per varkenshouder. In totaal gaat het dan om 312 uren (39 werkdagen).
6.10.
Het werk van de directie bestond volgens Rined verder uit overleg met medewerkers, AID en adviseurs, mede in verband met rechtszaken, en het verzamelen van informatie (Straefin I, p. 3). Wat Rined daarvan presenteert (Straefin I, bijlage 1), komt erop neer dat achteraf een (globale) schatting in dagen is gemaakt van de bestede tijd. Deze schatting is beperkt controleerbaar. Er is weinig meer beschikbaar dan specificaties van dienstverleners waarop bepaalde contactmomenten zijn vermeld. Het hof zal daarom ook deze schade naar redelijkheid moeten schatten. Het hof heeft er oog voor dat zeker in aanvang veel tijd aan de gevolgen van de MPA-affaire moet zijn besteed, ook naast de besprekingen met de varkenshouders. Ook in de jaren daarna zal er nog regelmatig tijd nodig zijn geweest.
Het hof schat deze tijd voor de eerste twee jaren (2002 en 2003) op vijf procent van de werktijd van de twee directieleden (een halve dagdeel per week), dat is voor ieder 10,6 werkdagen (van de 212 werkdagen) per jaar. In totaal is dit 42,4 dagen (10,6 werkdagen x 2 jaren x 2 directieleden). Voor de jaren daarna gaat het hof uit van gemiddeld drie werkdagen per jaar voor ieder van de directieleden. De vordering van Rined betreft op dit onderdeel de periode 2004 tot en met 2022, dus 114 werkdagen (19 jaren x 6 werkdagen).
6.11.
Voor het berekenen van de kosten van de werkdagen is Rined uitgegaan van 212 werkdagen per jaar tegen de in de betreffende jaren geldende managementfee. Volgens opgave van Rined (Straefin I, bijlage 1) was de managementfee in de jaren 2003 tot en met 2007
€ 84.000 per jaar, in 2008 € 150.000 per jaar, in 2009 € 126.000 per jaar en daarna € 200.000 per jaar. Wyeth bestrijdt een en ander en wijst er onder meer op dat Rined in 2012 in de dagvaarding in de hoofdprocedure andere bedragen heeft vermeld.
6.12.
Het hof stelt voorop dat het niet in strijd is met de goede procesorde of met enige andere regel dat Rined in deze schadestaatprocedure andere bedragen vordert dan zij in de hoofdprocedure heeft opgegeven. De schadestaatprocedure is bij uitstek aangewezen om de schade nader te begroten. Er is in dit geval geen reden om aan te nemen dat Rined daarbij is gebonden aan hetgeen zij in de hoofdprocedure heeft vermeld. Wel mag van Rined worden verlangd dat zij haar vordering voor zover mogelijk onderbouwt en waar nodig de verschillen tussen de schadebegroting in de hoofdprocedure en schadestaatprocedure toelicht.
6.13.
In het rapport Straefin II is vermeld dat voor de tarieven van de directie is uitgegaan van de daadwerkelijk verschuldigde, jaarlijkse managementfee (p. 5). Kennelijk is hier geen sprake van een schatting. Er is echter niet vermeld in welke documenten deze managementfee is vastgelegd. In de memorie van grieven verwijst Rined naar crediteurenkaarten van de directieleden, maar dit verschaft onvoldoende uitleg. Waarom in 2012 niet met de daadwerkelijk verschuldigde managementfee is gerekend, is evenmin uitgelegd. Het hof staat het niet vrij om gegevens uit overgelegde documenten te halen, waar partijen niet op hebben gewezen, zoals jaarrekeningen. Het hof laat dan nog in het midden dat de bedragen die voor ‘managementvergoedingen’ in de overgelegde jaarrekeningen zijn vermeld, niet overeenkomen met de opgave in het rapport Straefin I, bijlage 1. Het hof gaat om deze redenen uit van de in 2012 opgegeven fee van € 37 per uur, waarnaar Wyeth verwijst.
6.14.
Uitgaande van werkdagen van 8 uren, komt het hof op een bedrag aan de kosten van de directie van € 46.294,40 (156,4 werkdagen x 8 uren x € 37). De helft van dit bedrag is toewijsbaar, dus € 23.147,20. Op dit onderdeel slagen dus de grieven 1 en 9 van Rined in principaal hoger beroep.
6.15.
Wat betreft de kosten van (andere) medewerkers is eveneens sprake van een schatting. Uit het rapport Straefin I, bijlage 1, volgt dat het gaat om werkzaamheden die vergelijkbaar zijn met die van de directie. Rined gaat uit van in totaal 756 uren en rekent met gemiddelde loonkosten van € 45.000 per jaar per medewerker, voor 212 werkdagen. De gemiddelde loonkosten zijn berekend door een afslag toe te passen op de gemiddelde loonkosten in 2012, volgens gegevens van het CBS.
6.16.
Het hof is van oordeel dat er te weinig concrete aanknopingspunten zijn om de tijd van de medewerkers bij benadering vast te stellen. Het blijft vaag wie wat wanneer heeft gedaan, in hoeveel tijd. Wel is het hof met de rechtbank van oordeel dat aangenomen moet worden dat medewerkers tijd hebben moeten besteden aan de gevolgen van de MPA-affaire.
Waarom moet worden uitgegaan van gemiddelde loonkosten volgens gegevens van het CBS en niet van de kosten die zijn genoemd in de hoofdprocedure (waarnaar Wyeth verwijst), is niet duidelijk geworden. Er is dus in hoger beroep geen (voldoende concrete) informatie verstrekt waarop het hof het oordeel kan baseren dat de kosten hoger zijn dan de rechtbank heeft aangenomen. Grief 1 van Rined in principaal hoger beroep kan op dit onderdeel dan ook niet slagen.
6.17.
De verweren die Wyeth heeft aangevoerd bij grief 2 in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, heeft het hof hiervoor al besproken bij de onderwerpen ‘toerekening’ (6.1-6.3) en ‘waarheidsplicht’ (6.4-6.5).
Externe adviseurs
6.18.
Grief 2 van Rined in principaal hoger beroep heeft betrekking op de kosten van externe adviseurs.
6.19.
Het gaat in de eerste plaats om de kosten van Schouten Agrarisch Adviesbureau.
Deze kosten waren volgens Rined € 3.253,43 exclusief btw. De werkzaamheden betreffen volgens Rined advies en overleg inzake de MPA-crisis, mede omdat Rined als gevolg van de MPA-affaire haar GMP-erkenning kwijtraakte. Om een en ander te staven verwijst Rined naar een grootboekrekening en een betaling van € 3.328,43 aan het adviesbureau.
6.20.
Wat het advies en overleg anders betrof dan de kwestie van de GMP-erkenning, heeft Rined niet duidelijk gemaakt. Hierop strandt reeds deze vordering. De omstandigheid dat Rined de GMP-erkenning kwijtraakte, is naar het oordeel van het hof niet toe te rekenen aan Wyeth als een gevolg van de levering van met hormonen vervuild suikerwater. Het is het gevolg van het feit dat Rined niet voldeed aan de eisen die in het kader van de GMP-erkenning golden. De levering van met hormonen vervuild suikerwater heeft dit in wezen slechts aan het licht gebracht. Het hof honoreert dus het verweer dat Wyeth op dit punt heeft gevoerd.
In zoverre treft grief 2 van Rined in principaal hoger beroep geen doel.
6.21.
De kosten van Langendonck Advies heeft de rechtbank vastgesteld op € 4.000,-.
Volgens Rined zijn de kosten € 13.500,-. Het betreft volgens Rined kosten van administratieve assistentie in het kader van de MPA-affaire. Rined heeft toegelicht dat haar administrateur tijdens de MPA-affaire is vertrokken, waarna twee andere medewerkers zijn werk hebben moeten overnemen, zonder dat zij de daarvoor benodigde kwalificaties hadden.
Verder verwijst Rined naar een e-mail van Langendonck Advies van 13 juli 2021, naar crediteurenkaarten en een factuur (onderdeel van de bijlagen bij het rapport Straefin I).
6.22.
Rined heeft onvoldoende concreet gemaakt dat het vertrek van haar administrateur en de wijze waarop zij dit vertrek opving, aan Wyeth moeten worden toegerekend als een gevolg van de levering van met hormonen vervuild suikerwater. De crediteurenkaart op naam van Langendonck Advies zegt verder niets over de aard van de verrichte werkzaamheden.
De factuur van 3 november 2002 laat zien dat er is gedeclareerd voor dagelijkse en reguliere werkzaamheden, de bijstand aan de medewerkers van Rined na het vertrek van de administrateur en administratieve assistentie ‘na de MPA-affaire’. Uit de e-mail van Langendonck Advies van 13 juli 2021 kan worden opgemaakt dat de MPA-affaire (enige) extra werkzaamheden meebracht waarbij Langendonck Advies was betrokken (‘vele besprekingen’ en ‘begeleiden van de administratie van de aanpak van de steeds wisselende en voor iedereen onbekende problematiek’). Hoeveel tijd met deze extra werkzaamheden was gemoeid, valt uit de overgelegde stukken niet op te maken. Er is in elk geval te weinig naar voren gebracht om een hoger bedrag aan de kosten van Langendonck Advies toe te rekenen aan Wyeth dan de rechtbank heeft gedaan. Ook op dit onderdeel slaagt grief 2 van Rined in principaal hoger beroep niet.
6.23.
Bij deze stand van zaken behoeft het betoog van Wyeth dat ‘helemaal geen sprake was van meerwerk door de MPA-affaire’ (memorie nr. 48 en grief 3 in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep) geen bespreking. Overigens is dit betoog naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd in het licht van met name de e-mail van Langendonck Advies van 13 juli 2021.
6.24.
Wat betreft de kosten van Boels Zanders Advocaten gaat het om een bedrag van
€ 10.097,35. Het betreft rechtsbijstand in de periode 2002 tot en met 2006, waarvoor
€ 15.991,61 exclusief btw is gedeclareerd. Daarvan heeft volgens Rined € 10.097,35 betrekking op de MPA-affaire (zie ook Straefin I, p. 4). Deze kosten zijn volgens Rined niet vergoed door haar rechtsbijstandsverzekeraar. Rined verwijst in dit verband naar de crediteurenkaarten van Boels Zanders Advocaten (bijlagen bij Straefin I) en overgelegde urenspecificaties (memorie van grieven, prod. 12).
6.25.
Uit de stellingen van Rined zou kunnen worden opgemaakt dat het gaat om rechtsbijstand in twee dossiers: Rined/MPA en Rined/ [naam 4] (memorie van grieven nr. 3.42). Uit de urenspecificaties is op te maken dat het dossier Rined/ [naam 4] in 2008 is geopend en dat in 2010 een procedure is gevoerd. In welk opzicht dit dossier verband houdt met de gevolgen van het leveren van met hormonen vervuild suikerwater, heeft Rined niet of onvoldoende toegelicht. Het hof kan daarom op basis van wat Rined heeft aangevoerd, niet concluderen dat de kosten van dit dossier aan Wyeth kunnen worden toegerekend.
6.26.
Blijft over het dossier Rined/MPA. Rined heeft met de urenspecificaties van Boels Zander Advocaten voldoende aangetoond dat deze werkzaamheden niet voor rekening van de rechtsbijstandsverzekeraar waren. Op deze specificaties staat immers in dit dossier niet ‘DAS Rechtsbijstand Amsterdam’ als debiteur vermeld. Wyeth heeft hiertegen onvoldoende ingebracht om te oordelen dat de kosten van deze werkzaamheden desondanks wél zijn gedragen door de rechtsbijstandsverzekeraar. Het dossier loopt van juli 2002 tot in 2011.
Het betreft kennelijk een adviesdossier, wat past bij het adviseren en in minnelijk overleg afwikkelen van claims van varkenshouders. De totale kosten in dit dossier bedragen € 13.851,- exclusief btw. Wat betreft de periode 2002 tot en met 2006 (zie boven) bedragen de kosten
€ 10.771,50 exclusief kantoorkosten en btw ((2002: € 1.692,-; 2003: € 3.751,-;
2004: € 3.039,-; 2005: € 516,50; 2006: € 1.773,-). Het hof acht dergelijke kosten redelijk, gelet op de aard, omvang en ernst van de MPA-affaire en de tijdsduur van vier jaar.
Het hof acht geen nadere specificatie van de verrichte werkzaamheden nodig. Gelet op de specificatie en het tijdvak is er geen reden om aan te nemen dat de werkzaamheden (mede) zijn aan te merken als werkzaamheden waarvoor art. 290 e.v. Rv in een vergoeding voorzien. Het hof neemt daarom het door Rined opgegeven bedrag van € 10.097,35 in aanmerking als kosten van werkzaamheden van Boels Zander Advocaten die als een gevolg van het leveren van met hormonen vervuild suikerwater aan Wyeth moeten worden toegerekend.
6.27.
Aan het feit dat betalingen in het dossier zijn vermeld op de crediteurenkaarten van Boels Zanders Advocaten in de administratie of via het softwareprogramma van BELA Group B.V., hecht het hof geen bijzondere betekenis. Wyeth heeft niet (voldoende) weersproken dat Rined de opdrachtgeefster was in dit dossier en dat Rined de kosten daarvan was verschuldigd. Rined heeft bovendien voldoende toegelicht dat de administratieve verwerking plaatsvond in het systeem waarvan BELA Group B.V. de licentie had, dat Rined en BELA Group B.V. behoorden tot dezelfde groep, en dat de codering op de crediteurenkaarten (in dit geval TT26_02) verwees naar het jaartal en Rined (als de vennootschap op welke de kosten betrekking hadden). Wyeth heeft geen (voldoende) concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een aanwijzing vormen dat dit onjuist is en ook het hof heeft geen reden om de toelichting voor onjuist te houden. Grief 2 van Rined in principaal hoger beroep slaagt dus wat betreft de kosten van Boels Zander Advocaten tot een bedrag van € 10.097,35.
De helft daarvan (€ 5.048,68) moet Wyeth vergoeden.
6.28.
Wat betreft de kosten van Tilman Rosens van der Corput Advocaten gaat het om een bedrag van € 1.473,93 exclusief btw. Rined heeft niet concreet gemaakt waarvoor dit advocatenkantoor is ingeschakeld, en waarvoor dit nodig was, naast de rechtsbijstand door Boels Zander Advocaten. De stelling dat de directieleden van Rined daarbij betrokken waren en daarover kunnen verklaren, is te vaag en biedt ook geen aanknopingspunten voor bewijslevering. Het heeft op de weg van Rined gelegen om op dit punt voldoende te stellen. Nu dit niet is gedaan, laat het hof deze post verder buiten beschouwing.
6.29.
De laatste post die in het kader van deze grief van Rined aan de orde komt, zijn de kosten van Alfa Accountants. Het gaat om een bedrag van € 1.083,75. Rined stelt dat de kosten onder meer betrekking hebben op het adviseren en begeleiden bij het oprichten van een nieuwe BV en het voeren van correspondentie, in de periode van week 40 tot en met week 44 van 2002. Het oprichten van een nieuwe vennootschap werd voorzien om een doorstart te maken voor het geval Rined vanwege de claims (ten gevolge van de MPA-affaire, begrijpt het hof) failliet zou worden verklaard. De vennootschap is uiteindelijk niet opgericht.
6.30.
Het hof stelt voorop dat als de directieleden van Rined of een moedervennootschap (BELA Group B.V.) overwogen door middel van het oprichten van een andere vennootschap een doorstart te maken in het geval Rined zou failleren, daarmee niet (voldoende) is toegelicht dat de kosten hiervan moeten worden aangemerkt als schade van Rined. Het hof hoeft niet te bespreken of Rined een machtiging heeft om vergoeding van de kosten te vorderen namens de directie en/of een andere vennootschap. Ook als dit zo is, komen de kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Er zijn namelijk te weinig concrete feiten of omstandigheden gesteld om het oordeel te rechtvaardigen dat in de betreffende periode in 2002 het oprichten van een nieuwe vennootschap serieus werd overwogen, om de reden dat Rined op korte termijn dreigde te failleren vanwege claims die verband hielden met de MPA-affaire. De kosten staan daardoor in een te ver verwijderd verband met het leveren van met hormonen vervuild suikerwater om aan Wyeth toe te rekenen. Bovendien is onvoldoende naar voren gebracht om het oordeel te rechtvaardigen dat er een grondslag is die Wyeth verplicht dergelijke kosten van de directieleden of een moedervennootschap te vergoeden. In deze procedure staat immers slechts vast dat Wyeth onrechtmatig jegens Rined heeft gehandeld, niet jegens de directieleden of een moedervennootschap. Op dit onderdeel slaagt grief 2 van Rined in principaal hoger beroep dus niet.
6.31.
De verweren die Wyeth heeft aangevoerd bij grief 3 in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, heeft het hof hiervoor al besproken bij het onderwerp ‘toerekening’ en ‘waarheidsplicht’.
Crediteringen, retour genomen besmet voer en uit coulance geleverd voer
6.32.
Grief 3 van Rined in principaal hoger beroep betreft in de eerste plaats crediteringen die Rined stelt te hebben gedaan aan varkenshouders voor geleverd voer dat achteraf vervuild bleek en dat al aan de varkens was gevoerd. Een overzicht van deze varkenshouders met bijbehorende specificaties en crediteringen is opgenomen in bijlage 3 van het rapport Straefin I. Rined heeft in hoger beroep de 65 creditfacturen overgelegd die horen bij dat overzicht (memorie van grieven, prod. 13) voor een bedrag van in totaal € 63.506,07.
De rechtbank heeft de kosten van crediteren in aanmerking genomen tot een bedrag van
€ 19.331,52 (rov. 5.34).
6.33.
Het hof stelt voorop dat het voor de hand ligt dat Rined varkenshouders heeft moeten crediteren voor geleverd voer waarin MPA was verwerkt. Het leveren van dergelijk voer was, zoals kennelijk ook Wyeth onderkent, wanprestatie jegens de varkenshouders. Het is niet aan te merken als ‘opzettelijke’ wanprestatie, zoals Wyeth hieraan toevoegt. Er is immers geen reden om aan te nemen dat Rined de opzet had om voer te leveren dat met hormonen was vervuild. Voor het verweer dat Rined wel die opzet had, omdat zij ook geen ‘schoon’ suikerwater aan het voer had mogen toevoegen, valt in de stukken onvoldoende steun te vinden. Uit de brieven van of namens de varkenshouders waarop Wyeth wijst, valt geen verdergaande conclusie te trekken dan dat voer met toevoeging van glucosesiroop waarin hormonen aanwezig waren, niet aan de overeenkomsten beantwoordde.
6.34.
Anders dan Wyeth stelt, heeft het crediteren geleid tot schade voor Rined. Rined heeft immers de verkoopprijs van het geleverde voer niet ontvangen, maar wel de kosten daarvan gehad en de winst daarover gederfd. Dat de crediteringen een gevolg zijn van wanprestatie door Rined jegens de varkenshouders, betekent niet dat deze geen schade van Rined zijn als gevolg van het leveren van met hormonen vervuild suikerwater. De wanprestatie vloeit immers voort uit het leveren van dat met hormonen vervuilde suikerwater. Het verweer van Wyeth op deze punten slaagt dus niet.
6.35.
Het hof stelt verder vast dat Wyeth geen concrete feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die een voldoende aanwijzing bevatten dat de creditfacturen niet zijn afgegeven en het crediteren niet heeft plaatsgevonden. De verklaringen van varkenshouders die Rined in hoger beroep heeft overgelegd akte ten behoeve van de mondelinge behandeling, prod. 59), vermelden bovendien het crediteren. Volgens Wyeth staat echter niet vast dat het geleverde voer, waarvan de prijs is gecrediteerd, daadwerkelijk met MPA was vervuild, met name omdat niet blijkt dat het voer uit de opslag in De Rips kwam. Concreet wijst Wyeth in dit verband in haar memorie op de overgelegde creditfacturen voor voer dat aan [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en Hevo vof is geleverd. In het rapport Straefin II (nr. 129) is onder meer vermeld dat als op de creditfacturen ‘Vracht uit opslag Rips’ staat, de vracht daarvandaan komt en dat de gehaltes per partij kunnen verschillen.
6.36.
Ook op een deel van de creditfacturen voor [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en Hevo vof is vermeld dat het gaat om ‘Vracht uit opslag Rips’. Voor een deel is dit echter niet het geval. Het gaat dan om de creditfacturen waarop als product niet ‘tarwezetmeel Sas van Gent’ is vermeld, maar ‘tarwegistconcentraat’. De specificaties van dit tarwegistconcentraat (gehaltes aan ruw eitwit en fosfor) zijn ook aanmerkelijk anders dan bij het tarwezetmeel dat volgens de creditfacturen uit de opslag in De Rips afkomstig was (conclusie van antwoord, nr. 129). Dit wekt het vermoeden dat het bij deze creditfacturen gaat om een ander product dan het tarwezetmeel uit de opslag in De Rips. Rined heeft nagelaten, ook in hoger beroep, om concreet te maken dat het desondanks wel gaat om voer uit die opslag, dat ook dit tarwegistconcentraat met hormonen was vervuild of dat de gefactureerde prijs om andere reden moest worden gecrediteerd. Het hof laat de betreffende creditfacturen daarom buiten beschouwing. Het gaat om de factuurnummers:
  • 22071141 (HEVO vof) voor € 1.427,73
  • 22071142 ( [naam 4] ) voor € 946,71
  • 22071143 ( [naam 4] ) voor € 315,57
  • 22071144 ( [naam 3] ) voor € 1.089,97
  • 22071145 ( [naam 2] ) voor € 1.110,19
  • 22071146 ( [naam 1] BV) voor € 911,87
Alle bedragen zijn exclusief btw en incassokortingen. Het totaalbedrag van deze facturen is
€ 5.802,04.
6.37.
Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Wyeth haar verweer op dit punt verder uitgebouwd. Volgens Wyeth blijkt uit de als productie 13 in hoger beroep overgelegde creditfacturen dat er crediteringen zijn geweest voor voer dat aan afnemers is geleverd na het verzegelen van de opslag in De Rips. Wyeth wijst in dit verband onder meer op rov. 3.7.2 van het arrest van 27 november 2018 in de hoofdprocedure en stelt dat het hof daar heeft vastgesteld dat leveringen na 26 juni 2002 niet vanuit de silo in De Rips zijn gedaan.
Verder wijst Wyeth erop dat Rined in de hoofdprocedure aanvoerde dat het niet ging om voer uit deze silo, maar om voer dat, kort gezegd, terecht was gekomen in silo’s waarin nog vervuild voer zat (‘eerder (door levering uit De Rips) gecontamineerde boerensilo’s’).
6.38.
Het hof gaat aan dit verweer voorbij. In de eerste plaats acht het hof het in strijd met de goede procesorde om voor het eerst bij de mondelinge behandeling in hoger beroep een dergelijk nieuw en gedetailleerd verweer naar voren te brengen waaraan een overzicht ten grondslag ligt dat al in het rapport Straefin I is opgenomen en waarvan bij memorie van grieven de betreffende facturen zijn overgelegd. Wyeth heeft dit in haar memorie van antwoord kunnen bespreken. Door dit voor het eerst bij de mondelinge behandeling in hoger beroep te doen, heeft Rined niet de mogelijkheid gehad om zich op dit verweer voor te bereiden en daar adequaat op te reageren. Daarnaast is het verweer onvoldoende onderbouwd. Het hof heeft in rov. 3.7.2 van het arrest van 27 november 2018 aangenomen dat na 26
juli2002 geen leveringen meer uit de silo zijn verricht, en niet na 26 juni 2002. Ook is niet voldoende toegelicht waarom het niet waar kan zijn dat leveringen van voer moesten worden gecrediteerd, omdat in silo’s van varkenshouders schoon voer vermengd was geraakt met vervuild voer. Hiermee hebben ook de berekeningen van Wyeth over de hoeveelheid voer dat uit de opslag in De Rips is geleverd en dat is teruggenomen, hun betekenis verloren.
6.39.
Wyeth heeft verder nog aangevoerd dat onduidelijk is of Rined haar toeleverancier Zeeland Voeders heeft betaald voor het afvalsuikerwater. Het afvalsuikerwater is vermengd met het tarwezetmeel. Wyeth heeft niets aangedragen om te veronderstellen dat de kosten van het afvalsuikerwater een substantieel deel betroffen van de kostprijs – en daarmee de verkoopprijs – van het geleverde tarwezetmeel. Maar ook als Zeeland Voeders niet is betaald voor het afvalsuikerwater, is de schade dezelfde. Het bedrag dat de varkenshouders aan Rined moesten betalen – en dat is gecrediteerd – was immers niet afhankelijk van het betalingen van Rined aan Zeeland Voeders. Wyeth heeft dus te weinig gesteld om haar verweer op dit punt afdoende te onderbouwen.
6.40.
Wyeth heeft niet of onvoldoende toegelicht in welk opzicht het van belang is of er een terugnameplicht was op grond van de EVOA (Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen). Het gaat er in deze procedure om of Rined het voer heeft teruggenomen als gevolg van het feit dat aan haar suikerafvalwater is geleverd dat met hormonen was vervuild.
6.41.
De conclusie is dat vanwege het crediteren een bedrag van € 57.704,03 tot de schade van Rined moet worden gerekend. De helft daarvan (€ 28.852,02) komt voor rekening van Wyeth.
De rechtbank heeft al € 9.665,76 ten laste van Wyeth gebracht, zodat € 19.186,26 resteert.
In zoverre slaagt grief 3 van Rined in principaal hoger beroep.
Retourgenomen vervuild voer
6.42.
Rined heeft aangevoerd dat er ook voer is teruggenomen dat aan varkenshouders was geleverd, maar nog niet was gebruikt. Rined stelt daarover in hoofdzaak nog het volgende.
Het teruggenomen voer is vernietigd. Na het terugnemen en het schoonmaken van silo’s van de varkenshouders en van opleggers heeft Rined nieuw voer aan de varkenshouders geleverd. Het leveren van het nieuwe voer is doorbelast aan [bedrijf 1] Fourage B.V., omdat deze gelieerde vennootschap nog een GMP-certificering had. De kosten van transport, schoonmaak en nieuw voer heeft Rined begroot op € 36.835,75. Het terugnemen van het voer is volgens Rined geen onderdeel geweest van de hiervoor behandelde crediteringen (voor geleverd en wél gebruikt voer). De kosten van transport en schoonmaak zijn geschat. Voor het terugnemen van het voer verwijst Rined naar vrachtbrieven voor 21 transporten. Alle kosten zijn vermeld op een overzicht dat als ‘Bijlage ad 3/productie 12b’ is gevoegd bij het rapport Straefin I.
6.43.
Wyeth werpt tegen dat niet duidelijk is wie het teruggenomen voer had geleverd en of dit uit de opslag in De Rips kwam. Dit verweer gaat op voor het bedrijf [bedrijf 5] . Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is immers komen vast te staan dat Rined geen voer aan [bedrijf 5] had geleverd en dat de kosten van € 1.823,21 voor vervangend voer voor [bedrijf 5] niet tot de aan Wyeth toe te rekenen schade mogen worden gerekend. Voor het overige heeft Wyeth verzuimd een mogelijke verklaring te geven waarom Rined voer zou terugnemen dat door een ander was geleverd en dat niet met hormonen was vervuild. Het is op zichzelf aannemelijk dat er vervuild voer was geleverd, dat nog niet was gebruikt. Dat Rined voer van varkenshouders heeft teruggenomen en vervangen, wordt bovendien bevestigd door overgelegde verklaringen van diverse varkenshouders (prod. 59 in hoger beroep). Het hof passeert daarom dit verweer van Wyeth verder als te vaag.
6.44.
Rined heeft een uitvoerige en gedetailleerde specificatie per varkenshouder in het geding gebracht met (bijna) alle daarbij behorende vrachtbrieven (prod. 56 in hoger beroep).
Volgens Wyeth blijkt uit de vrachtbrieven dat de transporten en het schoonmaken zijn uitgevoerd door [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] en blijkt nergens uit dat de kosten zijn voldaan of gedragen door Rined. Het hof merkt hierover het volgende op. Uit hetgeen is overwogen in 6.43 volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat Rined vervuild voer heeft teruggenomen dat zij had geleverd. Dat het feitelijke transport en de schoonmaak door andere (transport)bedrijven zijn uitgevoerd, maakt dit niet anders.
Rined maakt melding van transportfacturen en verwijst daarvoor naar prod. 60 in hoger beroep. Hoewel die facturen ontbreken, ligt het voor de hand dat de transporteurs de kosten bij Rined in rekening hebben gebracht. Het hof ziet geen aanleiding om bewijzen van betaling te verlangen. Er is immers onvoldoende naar voren gebracht om eraan te twijfelen dat de kosten voor rekening van Rined zijn gekomen. In de genoemde verklaringen van de varkenshouders is, zoals hiervoor overwogen, ook vermeld dat Rined het voer heeft vervangen. Dit ligt voor de hand. Als dit anders zou zijn geweest, zou de prijs van het teruggenomen voer immers zijn gecrediteerd, maar daarvan is niet gebleken. Het hof acht het niet van belang dat Rined voor het vervangen van het voer [bedrijf 4] heeft ingeschakeld. Er is geen reden om aan te nemen dat [bedrijf 4] de kosten daarvan voor haar eigen rekening heeft genomen. Wat betreft de hoogte van deze schade geldt dat niet alleen de kostprijs van het schone voer tot de schade behoort, maar ook de winst die is gederfd. Rined heeft immers dit schone voer niet met een winstmarge kunnen verkopen. Wat betreft de opmerking van Wyeth over het betalen van Zeeland Voeders verwijst het hof naar overweging 6.39 hierboven.
6.45.
Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Wyeth ook nog aangevoerd dat Rined de prijs voor al het voer uit de opslag in De Rips, volgens Wyeth 1.694.680 kilo, heeft gecrediteerd (omdat dit al was verbruikt) en toch stelt nog 740.710 kilo voer te hebben teruggenomen en vervangen (omdat het nog niet was verbruikt). Als voorbeeld heeft Wyeth gewezen op afnemer [naam 5] .
6.46.
Wat de ontijdigheid van het aanvoeren van dit verweer en de berekening van Wyeth van het totaal aantal kilo’s voer uit de opslag in De Rips betreft, verwijst het hof naar hetgeen is overwogen in 6.38. Alleen wat betreft afnemer [naam 5] is het verweer van Wyeth op dit punt zo beperkt en concreet dat moet worden aangenomen dat Rined daarop bij de mondelinge behandeling adequaat heeft kunnen reageren, net zoals zij heeft gedaan ten aanzien van [bedrijf 5] . Volgens de opgaaf van Rined (Straefin I, bijlage 3/prod. 12b) is op 3 juli 2001 31.420 kilo voer van teruggenomen van [naam 5] . Er is volgens het overzicht van Rined (rapport Straefin I, bijlage 3/prod. 12a) en de overgelegde creditfacturen (prod. 13 in hoger beroep) voor eenzelfde hoeveelheid voer gecrediteerd (29.560 kg en 1.860 kg). Zonder toelichting die ontbreekt, is niet verklaarbaar dat de prijs van deze hoeveelheid voer is gecrediteerd, omdat dit was verbruikt, terwijl exact dezelfde hoeveelheid voer is teruggenomen en vervangen.
Het hof gaat daarom ervan uit dat dit een vergissing betreft en laat de gestelde schade voor het terugnemen en vervangen van het voer (€ 1.002,30) buiten beschouwing.
6.47.
De conclusie is dat de schade van Rined voor teruggenomen en vervangen voer moet worden gesteld op € 34.010,24 (€ 36.835,75 – € 1.823,21 [bedrijf 5] – € 1.002,30 [naam 5] ), waarvan de helft (€ 17.005,12) voor rekening van Wyeth komt. Op dit onderdeel slaagt grief 3 van Rined in principaal hoger beroep.
Uit coulance geleverd (gratis) voer
6.48.
Rined stelt hierover in hoger beroep dat het in de dagen na het uitbreken van de MPA-crisis noodzakelijk was om uit coulance voer aan de varkenshouders te leveren, omdat de varkens moesten worden gevoerd en de varkenshouders niet op korte termijn een andere leverancier konden vinden. Volgens Rined gaat het om een bedrag van € 12.802,00.
6.49.
Op zichzelf is het aannemelijk dat Rined aan varkenshouders voer moest blijven leveren om hun varkens te voeren, maar Rined heeft niet (voldoende) uitgelegd waarom zij voor het leveren van dit (schone) voer geen verkoopprijs aan de varkenshouders in rekening kon brengen. Ook indien de varkenshouders wel andere leveranciers hadden kunnen vinden, zouden zij immers de prijs voor het voer hebben moeten betalen. Ook hetgeen Rined verder nog over dit gratis voer naar voren heeft gebracht, rechtvaardigt niet de conclusie dat het gaat om schade die in voldoende verband staat met het leveren van met hormonen vervuild suikerwater. In zoverre treft grief 3 van Rined in principaal hoger beroep geen doel.
Grief 4 voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
6.50.
Hetgeen Wyeth heeft aangevoerd bij grief 4 in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, heeft het hof besproken in het kader van grief 3 van Rined in principaal hoger beroep en bij het onderwerp ‘toerekening’ (6.1-6.3).
Huur opslagsilo’s
6.51.
Met grief 4 in principaal hoger beroep voert Rined aan dat de kosten van het huren van silo’s om vervuild voer op te slaan, hoger zijn geweest dan het bedrag van € 63.937,77 waarvan de rechtbank is uitgegaan. De rechtbank heeft aangeknoopt bij de kosten die Rined in de hoofdprocedure heeft opgegeven en geoordeeld dat Rined onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij in de schadestaatprocedure een hoger bedrag vordert. Volgens Rined waren de kosten € 77.406,67. Rined heeft de betreffende facturen en andere documentatie overgelegd als prod. 14 in hoger beroep.
6.52.
Rined stelt dat in de hoofdprocedure acht factuurbedragen (facturen 1 tot en met 8 in haar overzicht, memorie van grieven nr. 3.88) onterecht zijn verminderd met btw, omdat bij de verhuur van deze silo’s geen btw is berekend. Dit gaat volgens het overzicht van Rined om in totaal € 4.066,51. Gelet op de overgelegde facturen is dit juist en in zoverre weerspreekt Wyeth dit niet. Dat Rined in de hoofdprocedure heeft vermeld dat de bedragen exclusief btw zijn, maakt dit niet anders. Nu de verhuurders Rined geen btw in rekening hebben gebracht, is er geen of onvoldoende reden om aan te nemen dat Rined desondanks btw aan de verhuurders heeft betaald. Wyeth heeft geen of onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan het hof moet aannemen dat dit wel het geval is geweest. Of de verhuurders wel of niet in overeenstemming met fiscale regels hebben gehandeld, is in dit opzicht niet van betekenis.
6.53.
Daarnaast stelt Rined dat ook de huur van twee silo’s op haar eigen bedrijfsterrein moet worden meegenomen en dat die huur niet is gevorderd in de hoofdprocedure. Het gaat om Silo V6 (nummers 16 en 17 in het overzicht: ‘Op de Beeck’) en Silo Kallo (nummer 19 in het overzicht). Uit het rapport Straefin I (p. 6) blijkt dat voor Silo V6 bovendien nog € 2.400 is berekend voor de jaren 2004 en 2005 (nummer 18 in het overzicht). In totaal betreft het een bedrag van € 33.333,28 (van het totale bedrag van € 77.406,67).
6.54.
Het gaat, zo begrijpt het hof uit onder meer het rapport Straefin I, om silo’s die zich bevonden op het eigen bedrijfsterrein dat Rined huurde. Het hof kan uit de toelichting van Rined niet voldoende opmaken dat Rined voor deze silo’s kosten heeft gemaakt die zij niet zou hebben gehad zonder de opslag van vervuild voer. De omstandigheid dat Rined de silo’s op haar bedrijfsterrein tijdelijk niet voor andere opslag kon gebruiken, leidt niet zonder meer tot extra kosten. Wyeth heeft daarop gewezen in de onderdelen 90-94 van haar memorie in hoger beroep. Rined heeft geen of onvoldoende nadere uitleg hierover verschaft. Dit brengt mee dat zij de gestelde huurkosten op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het hof die buiten beschouwing laat.
6.55.
Rined heeft verder erop gewezen dat zij in eerste aanleg haar eis op dit onderdeel heeft vermeerderd met de kosten van de huur van een silo bij De Vinkenpeel over de perioden juli tot en met december 2004 (nummer 14 in haar overzicht: € 2.268,90) en januari tot en met juni 2005 (nummer 15 in haar overzicht: € 2.722,68). Rined verwijst naar een crediteurenkaart, die is overgelegd als productie 15 in hoger beroep. De kostenpost is besproken in Straefin II, onderdeel 169. Op dit punt voert Wyeth in principaal hoger beroep geen specifiek verweer.
6.56.
Wyeth voert in principaal hoger beroep wel in het algemeen aan dat niet blijkt dat Rined de kosten heeft gedragen. Voor zover echter vaststaat dat de kosten voor rekening komen van Rined, is sprake van schade van Rined. Wyeth heeft niets aangevoerd dat tot het oordeel moet leiden dat de aan Rined gefactureerde kosten voor rekening van een ander komen.
6.57.
Uit het voorgaande volgt dat grief 4 niet kan leiden tot het toewijzen van een hoger bedrag dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft immers aangenomen dat de kosten € 63.937,77 waren, terwijl in de kosten die Rined heeft genoemd (€ 77.406,67) een bedrag van € 33.333,28 is begrepen dat niet tot de schade van Rined kan worden gerekend (zie 6.53-6.54).
6.58.
Bij deze stand van zaken hoeft het hof de grief 5 van Wyeth in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep niet te bespreken (zie hierboven onder 5.2-5.3).
6.59.
Hetzelfde geldt voor grief 6 van Wyeth in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. Deze voorwaardelijke grief betreft de kosten van het afvoeren van vervuild voer dat in de silo’s was opgeslagen. De beslissing van de rechtbank op dit punt heeft Rined niet onderworpen aan het oordeel van het hof. Het hof geeft hierover dus geen andere beslissing dan de rechtbank heeft gedaan.
Compensatie varkenshouders
6.60.
Rined stelt dat zij in de periode 2004-2007 met 21 varkenshouders schikkingen heeft getroffen voor compensatie van schade die de varkenshouders hebben geleden als gevolg van het leveren van vervuild voer. Grief 5 in principaal hoger beroep gaat hierover. In de meeste gevallen betreft de schikking volgens Rined het leveren van ‘gratis’ voer tot een bepaald bedrag en in een enkel geval het betalen van een bedrag.
Als productie 16 in hoger beroep heeft Rined een detailoverzicht van de afgehandelde claims overgelegd.
Een overzicht van het volgens Rined geleverde ‘gratis’ voer is overgelegd als productie 17 in hoger beroep.
De producties 18 tot en met 38 en productie 46 in hoger beroep betreffen bewijsstukken per varkenshouder.
De producties 57 en 58 in hoger beroep betreffen nadere documentatie ten aanzien van twee van deze varkenshouders (AMRA B.V. en Maatschap Segeren-van Dongen).
Productie 59 in hoger beroep bevat verklaringen van varkenshouders over de compensatie.
6.61.
Naast de compensatie voor deze 21 varkenshouders heeft Rined gesteld dat er compensatie is gegeven aan nog een andere varkenshouder (Landbouwbedrijf van Ooy B.V.). De producties 42 en 43 in hoger beroep hebben hierop betrekking.
Verder stelt Rined dat zij schade heeft geleden doordat twee varkenshouders vanwege faillissementen facturen van Rined onbetaald hebben gelaten (Oostburg Varkens B.V. en [naam 6] ). Dit betreft de producties 40, 41, 44 en 45 in hoger beroep.
6.62.
Wyeth heeft verwezen naar het verweer in paragraaf 5.5 van haar conclusie van antwoord in eerste aanleg. Daarnaast heeft Wyeth kanttekeningen gemaakt bij de stellingen en documentatie met betrekking tot de individuele varkenshouders.
6.63.
Het hof bespreekt eerst de algemene verweren van Wyeth. Vervolgens behandelt het hof de vraag welke documentatie voldoende is om aan te nemen dat sprake is van compensatie voor schade als gevolg van het leveren van met hormonen vervuild voer. Ten slotte gaat het hof per varkenshouder na of en in hoeverre sprake is van compensatie. Voor zover nodig komen daarbij nog niet behandelde, specifieke aspecten aan de orde.
6.64.
In de eerste plaats merkt het hof op dat Rined voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het leveren van ‘gratis’ voer in het kader van een schikking, moet worden onderscheiden van het crediteren voor geleverd en verbruikt voer en het leveren van vervangend voer voor teruggenomen voer dat (mogelijk) was vervuild.
6.65.
Wyeth heeft aangevoerd dat de Nederlandse overheid door tussenkomst van het Productschap Vee en Vlees (PVV) de schade van de varkenshouders volledig heeft gecompenseerd. Rined stelt daar tegenover dat deze compensatie onder de betreffende opkoopregeling alleen de kostprijs of marktwaarde van de varkens betrof en niet de overige schade, zoals het derven van winst, de kosten van huur of opslag en het reinigen van stallen en hokken, de kosten van het weer opstarten van het bedrijf en extra voer-, energie- en mestkosten en kosten van rechtsbijstand.
6.66.
De vergoeding die het PVV heeft verstrekt, was gebaseerd op de Tijdelijke noodmaatregel overname varkens wegens MPA-verontreiniging (hierna: de Tijdelijke noodmaatregel). Deze regeling voorzag in het opkopen en volledig compenseren van de marktprijs van de varkens (biggen) van geblokkeerde boerderijen. Wyeth heeft niet of onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat ook overige schade is vergoed.
De regeling betrof ook nadrukkelijk niet het vergoeden van dergelijke schade, zoals inkomensverlies (zie onder meer de goedkeuring van de Europese Commissie van 25 februari 2009, (2009/C70/05) en de brief van de Europese Commissie van 25 februari 2009, C(2009) 1087 definitief, onder 15).
6.67.
Tussen partijen staat vast dat de volgende zeven varkenshouders compensatie onder de Tijdelijke noodmaatregel hebben ontvangen: De Hoge Moer, [bedrijf 6] , [bedrijf 7] , [naam 7] , [naam 8] , [bedrijf 8] en [bedrijf 9] . Voor zover Wyeth heeft willen aanvoeren dat ook andere varkenshouders met wie Rined een schikking heeft getroffen, een dergelijke compensatie hebben ontvangen, is dit niet of onvoldoende concreet gemaakt.
6.68.
In het kader van de verstrekte compensatie hebben de betreffende varkenshouders een vordering tot schadevergoeding overgedragen aan het PVV. De akten van cessie met betrekking tot de genoemde varkenshouders heeft Rined in hoger beroep overgelegd als productie 39. De tekst van deze akten (onder 1) verwijst naar de opkoop van de varkens en naar de Algemene voorwaarden van de Tijdelijke noodmaatregel (onder 2), waarin de verplichting voor de varkenshouder is genoemd om ‘rechten op de mogelijk te verkrijgen financiële vergoeding met betrekking tot directe schade’ aan het PVV over te dragen.
Verder is (onder 3) vermeld dat het PVV ‘de door hem in het kader van de opkoop gemaakte kosten in verband hiermee op Wyeth en Cara (wenst) te verhalen’. Volgens de akten zijn het PVV en de varkenshouder het volgende overeengekomen:
‘De Varkenshouder draagt hierbij over en cedeert aan het Productschap zijn vordering op Wyeth en Cara tot vergoeding van de varkens, die in de loop van het jaar 2002 als gevolg van het aantreffen van de stof MPA op zijn bedrijf moesten worden vernietigd, en wel tot het bedrag van (…), zijnde de prijs die hij in het kader van de “Tijdelijke noodmaatregel overname varkens wegens MPA verontreiniging PVV 2002” voor die varkens van het Productschap heeft ontvangen.’
Uit de tekst van de akten maakt het hof op dat alleen een vordering op Wyeth en Cara is overgedragen en dat het alleen gaat om de vordering tot ‘vergoeding van de varkens’ tot het bedrag van de voor de varkens betaalde prijs. Voor het verweer dat ook een vordering tot vergoeding van andere schade is overgedragen en/of ook een vordering op Rined, heeft Wyeth geen of onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen. Het hof passeert daarom dit verweer.
6.69.
Wat betreft de overige schade geldt in het algemeen het volgende. De mogelijkheid dat de gecompenseerde varkenshouders ook (enige) andere schade leden dan het verlies van de waarde van de varkens en dat ook niet gecompenseerde varkenshouders schade leden, is op zichzelf aannemelijk, gelet op de aard en gevolgen van de MPA-affaire. Het treffen van een minnelijke regeling was een adequaat middel om de claims van de varkenshouders met betrekking tot dergelijke schade tot een einde te brengen. Van Rined kon niet in redelijkheid worden gevergd het tot een procedure met de varkenshouders te laten aankomen waar een schikking mogelijk bleek, mede gelet op de kosten, onzekerheid en tijd die zijn verbonden aan het voeren van procedures en de redelijk te achten doelstelling van Rined om de varkenshouders te behouden als klant. Om deze redenen stond ook een mogelijk beroep op een exoneratieclausule in de algemene voorwaarden van Rined niet aan het treffen van schikkingen in de weg. Voor het treffen van een schikking behoefde bovendien de omvang van de schade van de varkenshouders niet precies vast te staan en van Rined kan niet worden verlangd dat zij aantoont wat deze schade was. Wyeth heeft geen of onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat Rined in het kader van de schikkingen bereid was om méér te betalen dan nodig of voor iets anders te betalen dan voor schade als gevolg van de MPA-affaire. Voor zover Wyeth opmerkingen heeft gemaakt bij schadebegrotingen van varkenshouders, behoeven die daarom niet te worden besproken, daargelaten dat de schikkingsbedragen lager zijn dan de begrotingen. In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel dat waar Rined voor dergelijke schade een schikking heeft getroffen, de kosten van de schikking behoren tot de schade die Rined heeft geleden als gevolg van het leveren van met hormonen vervuild suikerwater. Deze schade kan aan Wyeth worden toegerekend.
6.70.
Het hof acht voldoende aangetoond dat een schikking voor dergelijke schade is getroffen, indien uit de overgelegde documentatie blijkt dat Rined door de varkenshouder aansprakelijk is gesteld en/of een overeenkomst met betrekking tot de schade met de varkenshouder heeft gesloten. Het hof voegt daaraan toe dat Wyeth geen goede gronden heeft aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid van de overgelegde documentatie of de betrouwbaarheid van de overgelegde verklaringen van varkenshouders.
6.71.
In sommige gevallen is volgens overzichten van Rined méér ‘gratis’ voer geleverd dan in het kader van de schikkingen was overeengekomen. Rined heeft te weinig aangevoerd om aan te nemen dat zij tot het meerdere was gehouden. Het meerdere kan daarom niet tot de schade van Rined worden gerekend. Overigens heeft Rined bij de mondelinge behandeling in hoger beroep afstand van haar vordering wat betreft dat meerdere gedaan door haar vordering op dit onderdeel met € 7.157,80 te verminderen.
6.72.
In een aantal gevallen is een schikking getroffen inhoudende het leveren van ‘gratis’ voer tot een bedrag inclusief btw. Het hof maakt uit overgelegde facturen op dat Rined destijds 6% aan btw in rekening bracht bij het leveren van voer. Tot de schade rekent het hof in dat geval de waarde van het voer exclusief btw (dat is de waarde inclusief btw / 1,06).
6.73.
Het hof verwerpt het verweer van Wyeth dat alleen de kostprijs (exclusief btw) van het voer dat als compensatie is geleverd, tot de schade van Rined behoort en niet de winstmarge. De varkenshouders hebben immers in het kader van de compensatie de volledige prijs van het voer niet hoeven betalen, dus ook niet de winstmarge die Rined anders wel voor het voer zou hebben ontvangen.
6.74.
Het hof zal nu de schikkingen met de individuele varkenshouders bespreken, voor zover dit nog nodig is.
[naam 18] B.V. (prod. 18)
6.75.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstellingen (voor € 6.400,- exclusief btw en ‘indirecte schades’),
- ondertekende overeenkomst,
- overzicht van compensatie door het leveren van voer voor een waarde van € 4.713,39 exclusief btw.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 4.713,39 bedraagt.
Mts [naam 10] (prod. 19)
6.76.
De volgende documentatie is overgelegd:
- ondertekende overeenkomst (voor het leveren van ‘gratis’ voer tot een waarde van € 10.000,- inclusief btw),
- overzicht van compensatie door het leveren van voer voor een waarde van € 11.016,19 exclusief btw.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 9.433,96 bedraagt (€ 10.000,- verminderd met btw).
Dofam Beheer B.V. (prod. 20 en 59-A)
6.77.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling,
- ondertekende overeenkomst (voor het leveren van zeven vrachten ‘gratis’ aardappelstoomschillen),
- overzicht van compensatie door zeven leveringen stoomschillen voor een waarde van
€ 4.554,59 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de leveringen worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 4.554,59 bedraagt.
De Hoge Moer B.V. (prod. 21 en 59-B)
6.78.
De volgende documentatie is overgelegd:
- brieven waaruit de aansprakelijkstelling blijkt,
- ondertekende overeenkomst (voor betaling van € 15.000,- inclusief btw en het leveren van één vracht ‘gratis’ Kraftmix),
- een creditfactuur voor € 15.000 inclusief btw (€ 12.605,04 exclusief btw),
- een overzicht van compensatie door een levering Kraftmix met een waarde van
€ 4.722,36 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de levering worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 17.327,40 bedraagt.
[naam 11] VOF (prod. 22 en 59-C)
6.79.
De volgende documentatie is overgelegd:
- ondertekende overeenkomst (voor het leveren van ‘gratis’ voer tot een waarde van € 11.000,- inclusief btw),
- een creditfactuur (‘Afwerking schade MPA volgens afspraak’) voor € 4.150,94 exclusief btw,
- een overzicht van compensatie door het leveren van voer met een waarde van
€ 6.600,14 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst, de betaling en de leveringen worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 10.377,36 bedraagt (€ 11.000,- verminderd met btw).
Griend B.V. / Hoge Dijk B.V. (prod. 20 en 23)
6.80.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling (prod. 20),
- correspondentie tussen advocaten over schade, aansprakelijkheid en een minnelijke regeling, bestaande uit het crediteren van openstaande rekeningen en het leveren van voer tot een bepaalde waarde,
- ondertekende, handgeschreven overeenkomst (voor het crediteren tot een bedrag van
€ 48.000,- en leveren van ‘gratis’ voer in drie tijdvakken voor een waarde van € 27.000,-, in totaal € 75.000,-),
- creditfacturen voor € 18.250,44 en € 26.791,86 exclusief btw (‘betreft afwikkeling openstaande facturen i.v.m. MPA’), tezamen € 45.042,30 exclusief btw,
- een overzicht van compensatie door het leveren van voer met een waarde van
€ 7.922,47 en € 19.653,28 exclusief btw, tezamen € 27.575,75 exclusief btw.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 72.618,05 bedraagt (€ 45.042,30 en € 27.575,75).
HEVO vof (de heer [naam 21] ) (prod. 24 en 59-D)
6.81.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling,
- ondertekende overeenkomst (voor het leveren van ‘gratis’ voer tot een waarde van € 15.000,- inclusief btw),
- een overzicht van compensatie door het leveren van voer met een waarde van
€ 15.828,29 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de leveringen worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 14.150,94 bedraagt (€ 15.000,- verminderd met btw).
Hopman Agrarisch Bedrijven B.V. (prod. 25 en 59-E)
6.82.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling,
- ondertekende overeenkomst (voor het crediteren van € 3.462,43 inclusief btw),
- een creditfactuur (‘Creditnota ivm afwerking MPA volgens afspraak’) voor € 3.462,43 inclusief btw (€ 3.266,44 exclusief btw),
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de betaling worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 3.266,44 bedraagt.
Beheer- en Beleggingsmaatschappij AMRA B.V. (prod. 26, 57 en 59-F)
6.83.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling (prod. 57),
- ondertekende overeenkomst (voor het crediteren van € 22.041,11 inclusief btw),
- een creditfactuur (‘Credit ivm afwerking MPA volgens afspraak’) voor € 22.041,11 inclusief btw (€ 20.793,50 exclusief btw),
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de betaling worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 20.793,50 bedraagt.
[bedrijf 6] B.V. / Varkensmesterij B.V. (prod. 27 en 59-G)
6.84.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling,
- ondertekende overeenkomst (voor het betalen van € 40.000,- inclusief btw),
- een creditfactuur (‘Afwerking schade volgens afspraak’) voor € 40.000,01 inclusief btw
(€ 33.613,45 exclusief btw),
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de betaling worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 33.613,45 bedraagt.
Mts. [bedrijf 7] (prod. 20, 28 en 59-H)
6.85.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling (prod. 20),
- ondertekende overeenkomst (voor het leveren van ‘gratis’ voer tot een waarde van € 25.000,- inclusief btw),
- een overzicht van compensatie door het leveren van voer met een waarde van
€ 26.357,58 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de leveringen worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 23.584,91 bedraagt (€ 25.000,- verminderd met btw).
[naam 7] (prod. 20, 29 en 59-I)
6.86.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling (prod. 20),
- ondertekende overeenkomst (voor het leveren van ‘gratis’ voer tot een waarde van € 9.500,- inclusief btw),
- een overzicht van compensatie door het leveren van voer met een waarde van
€ 9.275,33 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de leveringen worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 8.962,26 bedraagt (€ 9.500,- verminderd met btw).
Mts Peters-Korsten (prod. 20, 30 en 59-J)
6.87.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling (prod. 20),
- ondertekende overeenkomst (voor het leveren van vijf vrachten ‘gratis’ voer),
- een overzicht van compensatie door het leveren van stoomschillen met een waarde van
€ 2.724,73 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de leveringen worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 2.724,73 bedraagt.
[naam 8] (prod. 31 en 59-K)
6.88.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling,
- ondertekende overeenkomst (voor het leveren van ‘gratis’ voer tot een waarde van
€ 7.500 inclusief btw),
- een overzicht van compensatie door het leveren van voer met een waarde van
€ 7.172,90 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de leveringen worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 7.075,45 bedraagt (€ 7.500,- verminderd met btw).
[naam 12] / [naam 13] (prod. 32 en 58)
6.89.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling (mede door gemachtigde),
- opgave schade (door gemachtigde) van in totaal € 22.423,66 onder verwijzing naar een (niet-overgelegd) schaderapport,
- een beroep op verrekening (door gemachtigde) ‘vanwege compensatie’,
- twee creditfacturen (‘Zoals met u besproken ontvangt u hierbij de Creditnota / Inzake MPA afwerking’) voor elk € 4.245,28 exclusief btw.
Er is geen overeenkomst waaruit blijkt dat tussen Rined en de varkenshouder overeenstemming is bereikt. Die overeenstemming blijkt wel uit de creditfacturen en de daarop vermelde tekst, in het licht van de correspondentie van de gemachtigde van de varkenshouder die daaraan voorafging. Het enkele verweer van Wyeth dat de overeenstemming nergens uit blijkt, is onder deze omstandigheden naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd.
Het hof acht dus voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 8.490,56.
[bedrijf 8] (prod. 33, 46 en 59-L)
6.90.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling,
- correspondentie met betrekking tot overeenstemming over het betalen van € 16.800,- voor de aankoop van 48 varkens ten behoeve van [bedrijf 8] bij wijze van (gedeeltelijke) vergoeding,
- factuur voor de aankoop van de varkens voor € 16.800,- inclusief btw (€ 15.849,06 exclusief btw) met bewijs van betaling daarvan door Rined,
- ondertekende overeenkomst (voor het vergoeden van € 33.600,-),
- een creditfactuur (‘volgens afspraak’) voor € 33.574,58 inclusief btw (€ 31.994,08 exclusief incassokorting en btw),
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenstemming over de aankoop van de varkens, de betaling daarvan, de overeenkomst voor vergoeding van € 33.600,- en de ontvangst van het bedrag worden bevestigd.
In de verklaring varkenshouder is ook bevestigd dat de betaling van het bedrag voor de aankoop van de varkens geen lening aan de varkenshouder was. Dat dit aanvankelijk in de jaarrekening van Rined wel op die wijze is vermeld, is niet doorslaggevend. Bovendien is deze vermelding later gecorrigeerd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 47.843,14 bedraagt (€ 15.849,06 en € 33.574,58 verminderd met incassokorting en btw).
Maatschap [naam 9] (prod. 34 en 59-M)
6.91.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling,
- ondertekende overeenkomst,
- een overzicht van compensatie door het leveren van voer met een waarde van
€ 8.857,15 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de leveringen worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 8.857,15 bedraagt.
[bedrijf 9] (prod. 20, 35 en 59-N)
6.92.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling (prod. 20),
- ondertekende overeenkomst (voor het leveren van ‘gratis’ voer tot een waarde van
€ 12.500 inclusief btw),
- een overzicht van compensatie door het leveren van voer met een waarde van
€ 11.895,64 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de leveringen worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 11.792,45 bedraagt (€ 12.500,- verminderd met btw).
Vossen Roggel B.V. (prod. 20, 36 en 59-O)
6.93.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling (prod. 20),
- ondertekende overeenkomst (voor het betalen van € 27.000,- inclusief btw),
- een creditfactuur (‘Credit volgens afspraak MPA’) voor € 26.999,99 inclusief btw
(€ 22.689,07 exclusief btw),
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de betaling worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 22.689,07 bedraagt (€ 27.000,- verminderd met btw).
Maatschap Verhees (Verhees VOF) (prod. 20, 37 en 59-P)
6.94.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling (prod. 20),
- ondertekende overeenkomst (voor het leveren van ‘gratis’ voer tot een waarde van
€ 6.000,- inclusief btw),
- een overzicht van compensatie door het leveren van voer met een waarde van
€ 5.685,99 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de leveringen worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 5.660,38 bedraagt (€ 6.000,- verminderd met btw).
[naam 14] (prod. 20, 38 en 59-Q)
6.95.
De volgende documentatie is overgelegd:
- aansprakelijkstelling (prod. 20),
- ondertekende overeenkomst (voor het leveren van ‘gratis’ voer tot een waarde van
€ 17.500,- inclusief btw),
- een overzicht van compensatie door het leveren van voer met een waarde van
€ 14.927,33 exclusief btw,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de leveringen worden bevestigd.
Het hof acht hiermee voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 14.927,33 bedraagt.
Oostburg Varkens B.V. (prod. 40 en 41)
6.96.
De volgende documentatie is overgelegd:
- debiteurenkaart met betrekking tot Oostburg Varkens B.V.,
- faillissementsverslag nr. 31 van 24 januari 2024 van de curator in het faillissement van Oostburg Varkens B.V.
Rined stelt niet dat Oostburg Varkens B.V. compensatie heeft ontvangen voor schade ten gevolge van de MPA-affaire. Onder verwijzing naar het genoemde faillissementsverslag stelt Rined dat Oostburg Varkens B.V. failliet is gegaan als gevolg van MPA-affaire.
Volgens Rined zijn door het faillissement de facturen van Rined met betrekking tot leveringen niet betaald en moeten deze worden afgeboekt. Het af te boeken bedrag van € 20.367,51 ziet Rined als schade die is veroorzaakt door het leveren van met hormonen vervuild suikerwater.
6.97.
Uit het faillissementsverslag blijkt dat Oostburg Varkens B.V. op 7 mei 2003 failliet is verklaard. In 1.5 van het faillissementsverslag is voor de oorzaken van het faillissement verwezen naar het eerste faillissementsverslag. Vervolgens is kennelijk alleen vermeld wat de bestuurder en beleidsbepaler van Oostburg Varkens B.V. als oorzaken van het faillissement hebben genoemd. Het verslag vermeldt de weinig positieve ontwikkelingen van met name het prijsniveau van varkens, de gevolgen van de MPA-crisis met het ruimen van stallen en het verzegelen van stallencomplexen wegens overtreding van de voorwaarden van (bouw- en milieu)vergunningen, waardoor het bedrijf niet meer kon worden opgestart. Rined heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die duidelijk maken welke waarde aan deze mededelingen moet worden toegekend. Van een eigen onderzoek door de curator blijkt niets. Bovendien zijn de gevolgen van de MPA-crisis maar een van de genoemde oorzaken, terwijl bovendien het overtreden van vergunningsvoorwaarden is genoemd als oorzaak van het niet meer kunnen opstarten van de bedrijfsvoering. Onder deze omstandigheden is te weinig gesteld voor het oordeel dat het faillissement van Oostburg Varkens B.V. en daarmee het afboeken van de facturen van Rined een gevolg is van het feit dat Rined met hormonen vervuild suikerwater afkomstig van Wyeth (en Cara) geleverd heeft gekregen. Het af te boeken bedrag kan daarom niet als schade van Rined aan Wyeth worden toegerekend.
Landbouwbedrijf van Ooy B.V. (prod. 42, 43 en 59-R)
6.98.
De volgende documentatie is overgelegd:
- een brief van 29 oktober 2003 van een gemachtigde waarin is vermeld dat Rined met onder meer deze varkenshouder een schikking heeft bereikt en dat de gemachtigde zich om die reden terugtrekt,
- een brief van 15 december 2010 van Rined aan de varkenshouder, die door de varkenshouder voor akkoord is ondertekend, waarin is verwezen naar het aansprakelijk stellen van Rined voor schade in verband met de MPA-affaire en waarin is vermeld dat Rined volgens afspraak de varkenshouder over het jaar 2011 een korting zal geven op (de prijs van) het te leveren voer tot een bedrag van € 21.750,-,
- een debiteurenkaart waarop de factuurbedragen zijn vermeld voor leveringen van voer in 2011 aan de varkenshouder,
- een verklaring van de varkenshouder waarin de overeenkomst en de ontvangen kortingen worden bevestigd.
6.99.
Rined heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep nader toegelicht dat de gemachtigde van de varkenshouder zich in 2003 heeft teruggetrokken, omdat zij ten onrechte meende dat een schikking was getroffen. Die schikking is pas in 2010 bereikt. Gelet op de brief van Rined van 15 december 2010 en de overgelegde verklaring van de varkenshouder, gaat het hof ervan uit dat de schikking in 2010 is getroffen. Wyeth heeft geen of onvoldoende feiten of omstandigheden aangedragen die reden geven daaraan te twijfelen. Er is verder onvoldoende gesteld om te oordelen dat de varkenshouder zijn recht op schadevergoeding in 2010 niet meer geldend kon maken, mede in aanmerking genomen dat een verjaring ook op andere wijze kan worden gestuit dan door aanmaning of mededeling, als bedoeld in art. 3:317 BW Pro, en de mogelijkheden voor verrekening (art. 6:131 BW Pro)..
Het hof acht daarom voldoende aangetoond dat de schade van Rined met betrekking tot deze varkenshouder € 21.750,- bedraagt.
[naam 6] (prod. 44 en 45)
6.100. De volgende documentatie is overgelegd:
- een debiteurenkaart met betrekking tot deze varkenshouder met een totaalbedrag van
€ 47.404,92,
- een verklaring van 30 juli 2024 van de voormalige curator in het faillissement van de varkenshouder dat het faillissement is gesloten op 2 oktober 2007 en dat geen betaling meer zal volgen.
6.101. Volgens Rined is deze varkenshouder failliet verklaard als gevolg van de MPA-affaire. Dit wordt echter niet (voldoende) concreet gemaakt. Het hof gaat daarom aan deze stelling voorbij. Het bedrag van de niet-betaalde facturen kan daarom niet als schade aan Wyeth worden toegerekend.
Slotsom
6.102. De slotsom is dat de schade van Rined met betrekking tot schikkingen die met varkenshouders zijn getroffen vanwege het met hormonen vervuilde voer in totaal
€ 375.206,51 bedraagt. De helft daarvan (€ 187.603,26) komt voor rekening van Wyeth.
In zoverre slaagt grief 5 in principaal hoger beroep.
Overige schadeposten
6.103. Grief 7 van Rined in principaal hoger beroep betreft ‘overige’ schadeposten. Het gaat om de kosten van het toegankelijk maken van oude administratie, de kosten van de heer [naam 15] en de kosten van Straefin. De rechtbank heeft vordering van Rined met betrekking tot deze schadeposten afgewezen.
Het hof behandelt de schadeposten hierna.
Kosten toegankelijk maken administratie
6.104. In hoger beroep heeft Rined een factuur van 9 augustus 2021 van TransportMaster.com B.V. overgelegd voor het bedrag van € 4.630,65 exclusief btw met betrekking tot ‘Diensten 2021 Looop B.V.’ (prod. 49). Rined stelt dat het kosten betreft voor het toegankelijk maken van oude administraties en dat zij deze kosten heeft moeten maken om de schade in kaart te brengen.
6.105. Het is gelet op het tijdsverloop op zichzelf aannemelijk dat voor het vaststellen van de schade administratie in oude systemen toegankelijk moest worden gemaakt. In het verweer van Wyeth valt ook niet te lezen dat zij dit (voldoende) tegenspreekt. De kosten voor het toegankelijk maken zijn evenmin (voldoende) betwist. Wyeth voert echter aan dat Rined deze kosten niet heeft voldaan of gedragen.
6.106. De kosten zijn gefactureerd aan Looop B.V. (en niet aan Rined). Op de factuur is vermeld: ‘Diensten Looop B.V.’. Bij factuur van 23 augustus 2021 heeft Looop B.V. de kosten doorbelast aan MJP [naam 16] Beheer B.V. Op een soortgelijk verweer van Wyeth ten aanzien van de kosten van de heer [naam 15] heeft Rined bij de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat P. Slits, indirect bestuurder van Rined, heeft afgesproken dat de vennootschappen van [bedrijf 1] en [naam 16] de kosten van advocaten en experts zullen vorderen in deze procedure. Daarbij is verwezen naar productie 62 in hoger beroep.
Deze productie betreft een verklaring van Slits die luidt als volgt:
‘In het kader van de overname van Rined Fourages B.V. (nu Looop Co-Products B.V. genaamd) hebben wij met Peter [bedrijf 1] en [naam 16] onder meer afgesproken dat zij ten behoeve en op naam van Looop Co-Products B.V. de procedure tegen Wyeth en Cara voeren en aansturen. Afgesproken is daarbij dat zij met hun eigen vennootschappen de kosten van de procedure en van advocaten en experts etc. voor ons zullen betalen en wij vergoeding van deze kosten zullen vorderen in de procedure. Daarbij is ook afgesproken dat de opbrengsten uit deze procedure (de bedragen waartoe Wyeth en/of Cara worden veroordeeld) onderling zullen worden verdeeld aan de hand van een afgesproken verdeelsleutel.’
Uit deze verklaring kan worden opgemaakt dat de kosten niet voor rekening van Rined komen, maar – volgens afspraak – voor rekening van vennootschappen van [bedrijf 1] en [naam 16] . Rined stelt kennelijk dat zij de kosten namens deze vennootschappen vordert en daarbij ook zelf een belang heeft op grond van de afspraak over het verdelen van de opbrengsten van de procedure. Wyeth heeft dit betwist.
6.107. De onderhavige procedure is een schadestaatprocedure, waarin de schade wordt vastgesteld die Rined heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Wyeth en Cara jegens Rined zoals het hof heeft aangenomen in het arrest van 27 november 2018 in de hoofdprocedure. Gelet op de afspraak die Rined over de kosten stelt te hebben gemaakt met [bedrijf 1] en [naam 16] , komen de kosten niet ten laste van Rined en is dus geen sprake van schade van Rined. Voor zover in deze procedure plaats is om te beslissen over een vordering van Rined die geen betrekking heeft op haar schade, is te weinig gesteld of gebleken om aan te nemen dat er een grondslag is die Wyeth verplicht kosten te vergoeden die (vennootschappen van) [bedrijf 1] en [naam 16] hebben gedragen op grond van een afspraak met Rined.
Rined kan daarom geen vergoeding verkrijgen van de kosten voor het toegankelijk maken van administratie.
Kosten heer [naam 15]
6.108. Voor de kosten die de heer [naam 15] aan Looop B.V. en [bedrijf 1] Holding B.V. in rekening heeft gebracht (prod. 50 en 63 in hoger beroep), geldt hetzelfde als het hof heeft overwogen ten aanzien van de kosten van het toegankelijk maken van de administratie.
Kosten Straefin
6.109. Ook de kosten van Straefin (prod. 64 in hoger beroep) vallen kennelijk onder de afspraak die Rined met [bedrijf 1] en [naam 16] heeft gemaakt. Deze kosten zijn volgens de facturen in rekening gebracht aan [bedrijf 1] Holding B.V., Bemo B.V. en [naam 16] Beheer B.V. Voor deze kosten geldt hetzelfde als het hof heeft overwogen ten aanzien van de kosten van het toegankelijk maken van de administratie.
Slotsom
6.110. Grief 7 van Rined in principaal hoger beroep treft geen doel.
Winstderving
6.111. Grief 6 van Rined in principaal hoger beroep gaat over winst die Rined stelt te hebben gederfd ten gevolge van de MPA-affaire. De rechtbank heeft de vordering van Rined op dit onderdeel afgewezen, omdat de berekening naar het oordeel van de rechtbank niet goed was te volgen en onvoldoende was onderbouwd.
6.112. Het hof stelt voorop dat het derven van winst logischerwijs een oorzaak moet vinden in lagere afzet, lagere verkoopprijzen of hogere kosten dan zonder MPA-affaire het geval zou zijn geweest. Daarbij moet het gaan om gederfde winst en kosten die niet al zijn begrepen in de schadeposten die het hof hiervoor heeft behandeld, zoals schade door het crediteren, het vervangen van voer en het leveren van voer bij wijze van compensatie.
6.113. Het is aan Rined om voldoende concreet te maken dat winst is gederfd als gevolg van de MPA-affaire, voor zover deze niet al is begrepen in andere schadeposten. Het volstaat niet om alleen te wijzen op minder omzet of winst, of lagere groei van omzet of winst in een bepaalde periode (2002-2006) in vergelijking met eerdere of latere perioden. Als niet voldoende concreet is gemaakt dat winst is gederfd, is er ook geen plaats om een deskundige te vragen de gederfde winst te begroten. Dit geldt te meer, omdat bij de berekening van de gederfde winst in het rapport Straefin I (paragraaf 6) – die Rined heeft overgenomen – bij voorbaat kritische kanttekeningen zijn te maken.
6.114. In de eerste plaats blijkt uit de overzichten van Straefin/Rined dat de winst (het netto resultaat voor belasting) in de referentieperiode 1997-2001 sterk wisselde. Wat daaraan ten grondslag lag, is niet toegelicht.
Evenmin is verklaard waardoor de winst in het jaar 2001 (€ 560.000; +582,9%) sterk afweek van de winst in de eerdere jaren en met name het voorafgaande jaar 2000 (€ 82.000), terwijl de omzet slechts met 27% was gestegen.
Ook een verklaring van de sterke afwijking van de winst in het jaar 2006 (€ 52.000) en de winst in 2007 (€ 571.282; +998,6%) bij een omzetgroei van 30% ontbreekt. Het valt zonder toelichting – die niet is gegeven – moeilijk aan te nemen dat in 2006 de gevolgen van de MPA-affaire het resultaat nog in sterke mate beïnvloedden en in 2007 niet meer.
Daarnaast is het effect op het resultaat van gemaakte kosten ten gevolge van de MPA-affaire die in de andere schadeposten zijn begrepen, niet in aanmerking genomen.
6.115. Het hof merkt hierbij op dat Wyeth zich in eerste aanleg kritisch heeft uitgelaten, mede aan de hand van overgelegde jaarrekeningen van Rined, over meerdere aspecten van de wijze waarop Rined de winst heeft laten berekenen. Deze kritiek betreft ook aspecten die het hof hier nog niet heeft genoemd (conclusie van antwoord, nrs. 186-196). Deze kritiek is met de reactie daarop van Rined en het rapport Straefin II in elk geval niet volledig en/of afdoende weerlegd. Voor het kunnen afleiden van gederfde winst over de periode 2002-2006 door uit te gaan van een gelijkmatige groei van de onderneming van Rined en een cumulatieve winstgroei te extrapoleren, op basis van de cijfers in de periode 1997-2001, is dan ook onvoldoende onderbouwing gegeven.
6.116. Het hof zal daarom hierna eerst nagaan wat Rined – buiten de al behandelde, andere schadeposten – heeft aangewezen als oorzaken van het derven van winst als gevolg van de MPA-affaire.
6.117. Rined heeft als oorzaak van het derven van winst gewezen op het verbreken van de samenwerking met haar twee belangrijkste leveranciers, te weten [naam 22] (voorheen [bedrijf 10] ) uit Sas van Gent en Nedalco uit Bergen op Zoom. Rined stelt dat zij afhankelijk was van haar leveranciers voor het verkrijgen van tarwezetmeel en dat [naam 22] en Nedalco de samenwerking verbraken als gevolg van de rol van Rined in de MPA-affaire.
6.118. Rined heeft hiervoor in hoger beroep de volgende (nadere) toelichting gegeven, zakelijk weergegeven. Tarwezetmeel is alleen beschikbaar als bijproduct, namelijk als reststroom van de productie van glucose. De omvang van de reststroom bepaalt dus het aanbod van het tarwezetmeel, ongeacht de vraag naar tarwezetmeel. Het aanbod is daarmee beperkt en de producenten van glucose maken voor de afzet van de reststroom afspraken met vaste afnemers. Rined was een vaste afnemer van [bedrijf 10] en Nedalco. [bedrijf 10] is in 2002 overgenomen door [naam 22] . [naam 22] verbrak de samenwerking met Rined, omdat zij niets met de MPA-affaire te maken wilde hebben. Rined werd daarom eind 2002 niet meer uitgenodigd voor een tender van [naam 22] voor de afname van de reststroom ‘natte bijproducten’.
Volgens Rined bracht de beperkte markt (kennelijk: het beperkte aanbod) voor tarwezetmeel mee dat zij geen vervangende leverancier kon vinden om haar te voorzien van dergelijke, grote hoeveelheden tarwezetmeel. Rined nam ook tarwezetmeel af van leveranciers in Duitsland en Frankrijk, maar de capaciteit van deze leveranciers was beperkt.
Over de stelling met betrekking tot het verbreken van de samenwerking met Nedalco heeft Rined geen (enkele) nadere toelichting of uitleg gegeven. Ook in de rapporten van Straefin is die toelichting of uitleg niet te vinden.
6.119. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft Rined wat betreft het derven van winst alleen de schade door het verlies van leverancier [naam 22] besproken (spreekaantekeningen nr. 3.2 e.v.). Rined heeft dit verlies aangeduid als één aspect van de schadepost winstderving (nr. 3.2) en als onderdeel van de meer omvattende post winstderving (nr. 3.9). Voor de berekening verwijst Rined weer naar de wijze waarop de winstderving is berekend in het rapport Straefin I (kennelijk paragraaf 6). Wat andere aspecten of onderdelen van de schadepost winstderving zijn, heeft Rined bij de mondelinge behandeling niet toegelicht.
6.120. Het hof kan uit hetgeen Rined heeft aangevoerd, niet anders concluderen dan dat aan de post winstderving alleen ten grondslag is gelegd dat Rined minder tarwezetmeel heeft kunnen inkopen en dus kunnen verkopen door het verlies van de leveranciers [naam 22] en Nedalco als gevolg van de MPA-affaire. Dit is wat in eerste aanleg is beschreven onder de noemer ‘imagoverlies’. Rined verwijst daarnaar uitdrukkelijk in de memorie van grieven (nr. 3.126). Het betoog in het rapport Straefin II dat winstderving niet moet worden verward met imagoschade (nr. 184 e.v.) werpt hierop geen ander licht, te meer nu ook in dat rapport niet concreet is gemaakt welke andere oorzaak tot het derven van winst heeft geleid. Bovendien is ook in het rapport Straefin II het derven van winst gerelateerd aan beperktere omzetgroei in de periode 2002-2006 door ‘een tekort aan toelevering’ (nr. 185). Daarover is in dat rapport verder vermeld:
‘Door toedoen van Wyeth is Rined in de MPA-affaire geraakt. Hierdoor is het vertrouwen van de klanten op de proef gesteld. Belangrijk nog is echter het afhaken van [bedrijf 10] (thans [naam 22] ) en Nedalco als leveranciers. Indien je geen grondstoffen krijgt kun je deze immers ook niet aan je klanten verkopen en is een inventarisatie van afnemers die niet meer (zouden) willen kopen weinig zinvol!’
Het is dus volgens de stellingen van Rined niet zo dat Rined winst heeft gederfd doordat (potentiële) klanten afhaakten, maar doordat de leveranciers [naam 22] en Nedalco afhaakten.
In het verlengde hiervan is de gestelde winstderving dus een gevolg van lagere afzet door het afhaken van [naam 22] en Nedalco.
6.121. Het hof stelt verder vast dat Rined haar stelling over het verbreken van de samenwerking met Nedalco en de gevolgen niet of in elk geval onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd. Wyeth heeft daarop ook gewezen in haar memorie in hoger beroep (nrs. 194-196). Het minste wat Rined had behoren te doen, was het stellen van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat Nedalco de samenwerking met Rined heeft verbroken vanwege de MPA-affaire. Nu Rined dit heeft nagelaten, komt zij op dit punt niet toe aan bewijslevering (zoals aangeboden in de memorie van grieven, nr. 3.132).
6.122. In het rapport Straefin I is in paragraaf 7 over het imagoverlies verwezen naar de winstberekening in paragraaf 6 (‘Indien er geen imagoschade was opgelopen zou de winstontwikkeling in de periode 2002-2006 waarschijnlijk vergelijkbaar zijn geweest met de periode 2007-2011’). In de memorie van grieven verwijst Rined naar deze berekening.
Bij de mondelinge behadeling in hoger beroep heeft Rined de berekening van de gederfde winst wat betreft het verlies van [naam 22] gebaseerd op de brutomarge in het jaar 2002
(€ 399.850,43).
6.123. Gelet op het voorgaande acht het hof niet of onvoldoende toegelicht dat door andere oorzaken winst kan zijn gederfd dan door het verlies van leverancier [naam 22] , voor zover niet begrepen in de al behandelde schadeposten.
6.124. In eerste aanleg heeft Rined naast vergoeding van gederfde winst ook vergoeding gevorderd van ‘imagoschade’. De rechtbank heeft deze vergoeding niet toewijsbaar geoordeeld. De rechtbank was van oordeel dat de verhouding tussen winstderving en imagoschade niet duidelijk was en dat de imagoschade onvoldoende was onderbouwd.
Rined heeft daartegen geen grief gericht. Hieruit heeft Wyeth, in het licht van de hiervoor besproken stellingen van Rined, naar het oordeel van het hof niet redelijkerwijs kunnen en mogen begrijpen dat Rined haar stellingen heeft laten varen die in het kader van de imagoschade zijn aangevoerd, maar ook betrekking hebben op het derven van winst.
Evenmin heeft Wyeth redelijkerwijs kunnen en mogen aannemen dat Rined haar vordering heeft beperkt tot € 1.000.000,- wat betreft de schade door het beëindigen van de samenwerking met haar grote leveranciers. Voor zover Wyeth een ander standpunt heeft ingenomen (met name in nrs. 175-181 van haar memorie), verwerpt het hof dit standpunt.
6.125. Het staat op zichzelf niet ter discussie dat de samenwerking tussen Rined en [naam 22] eind 2002 is geëindigd. Wyeth heeft echter tegengesproken dat dit einde het gevolg is van de MPA-affaire. Wyeth voert daartoe onder meer aan dat het niet zeker was of Rined de tenders voor 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 zou hebben gewonnen, als zij tot deelname was uitgenodigd. Bovendien werd [bedrijf 10] in 2002 overgenomen door [naam 22] die zelf glucose produceerde in Bergen op Zoom en haar tarwezetmeel uitsluitend verkocht aan afnemer Bonda, aldus Wyeth. De betrokken salesmanager kreeg ook de leiding over de fabriek van [bedrijf 10] in Sas van Gent en stond erop dat Bonda werd uitgenodigd voor de tender van [bedrijf 10] voor 2003. Wyeth verwijst naar productie 47 van Rined in hoger beroep. Het is volgens Wyeth onwaarschijnlijk dat de salesmanager de voorkeur zou hebben gegeven aan Rined boven Bonda.
6.126. Daarnaast voert Wyeth nog het volgende aan. Het blijkt niet dat er vraag was naar meer tarwezetmeel dan Rined aan haar klanten kon leveren. Rined kon voldoende tarwezetmeel elders inkopen: in Duitsland en Frankrijk, blijkens productie 47 van Rined in hoger beroep ook bij de handelaren [naam 17] (Porkerfoods), [naam 18] en [naam 19] (Zeeland Voeders) en blijkens productie 96 van Rined in hoger beroep in de hoofdprocedure ook bij [naam 20] en [naam 21] . Uit productie 97 van Rined in hoger beroep in de hoofdprocedure blijkt dat Rined destijds aangaf dat tarwezetmeel ‘volop leverbaar’ was en dat de capaciteit van Duitse en Franse leveranciers dus niet beperkt was. Bovendien blijkt volgens Wyeth uit productie 14 van Rined in hoger beroep dat Rined geen recht had op een bepaalde minimumhoeveelheid tarwezetmeel van [bedrijf 10] ( [naam 22] ): het tarwezetmeel kon schaarser worden en bij beschikbaarheid ging het in acht tot negen op de tien keer naar een ander, afhankelijk van de hoeveelheid ‘afhaalnummers’ die Rined kreeg toegewezen. In het rapport Straefin I is vermeld dat er geen ‘schriftelijke vaste afspraak over de duur van de relatie of de opzegtermijn’ was.
6.127. Anders dan Wyeth aanvoert, vallen oordelen van de rechtbank over, kort gezegd, een gebrek aan toelichting of onderbouwing, niet buiten het gebied dat door de grief van Rined is ontsloten (memorie in hoger beroep, nrs. 197-200). Uit het enkele feit dat Rined niet uitdrukkelijk bepaalde overwegingen van de rechtbank heeft genoemd waartegen haar grief is gericht, heeft Wyeth redelijkerwijs niet kunnen en mogen opmaken dat Rined die overwegingen buiten het hoger beroep heeft willen houden. Het gaat erom hoe de grief over de winstderving moet worden begrepen, in het licht van al hetgeen Rined over het derven van winst heeft aangevoerd. Uit hetgeen Rined in hoger beroep heeft aangevoerd, valt niet op te maken dat zij zich heeft neergelegd bij oordelen van de rechtbank dat zij haar stellingen onvoldoende heeft toegelicht of onderbouwd.
6.128. Wat betreft het verlies van [naam 22] als leverancier merkt het hof het volgende op. Rined heeft een verklaring overgelegd van [naam 23] , voormalig sales manager bijproducten van [bedrijf 10] , later [naam 22] , in Sas van Gent (prod. 47 in hoger beroep). [naam 23] heeft gedetailleerd verklaard over de bijproducten van [bedrijf 10] en de relatie tussen Rined en [bedrijf 10] , vanaf het begin in 1993 tot en met het einde in 2002. Volgens de verklaring van [naam 23] heeft zijn leidinggevende de instructie gegeven alle banden met Rined te verbreken, nadat ook bij Rined MPA was aangetroffen. De verklaring luidt op dit punt als volgt:
‘Ik kan me zijn instructie nog levendig herinneren. De essentie daarvan was dat [naam 22] met de MPA affaire helemaal niets te maken wilde hebben, en dat daarom, ongeacht de goede en lange relatie, iedere connectie met Rined moest worden verbroken. Dat is ook gebeurd. Ik weet namelijk nog, dat wij eind 2002 een tender hebben gehouden voor het afnemen van de ‘natte stroom’ producten, waarbij diverse grote spelers (zoals [naam 21] Utd en Bonda) werden uitgenodigd, maar juist niet Rined. Ik ben ook bij die tender betrokken geweest, en ik herinner mij dat daarvoor in 2003 de presentaties hebben plaatsgevonden. Mijn concrete herinnering is, dat Rined vanwege de MPA affaire niet was uitgenodigd voor de tender en dat Rined aan onze tenders niet meer mocht meedoen.’
6.129. Wyeth heeft tegenover deze gedetailleerde verklaring geen feiten of omstandigheden ingebracht die maken dat het niet waar is wat [naam 23] heeft verklaard. Integendeel, ook Wyeth maakt voor haar verweer gebruik van de verklaring van [naam 23] . Het hof neemt daarom aan dat [naam 22] de relatie met Rined inderdaad heeft beëindigd vanwege de betrokkenheid van Rined bij de MPA-affaire.
6.130. De vraag is echter of Rined daardoor schade heeft geleden. Het gaat er dan om of het verlies van [naam 22] als leverancier tot gevolg heeft gehad dat Rined minder tarwezetmeel heeft kunnen inkopen en afzetten aan (potentiële) afnemers.
6.131. Het verweer van Wyeth dat niet zeker is of Rined de tenders van [naam 22] zou hebben ‘gewonnen’, en niet Bonda, is speculatie. Uit de verklaring van [naam 23] blijkt dat Rined en [bedrijf 10] een ‘goede en lange relatie’ hadden (vanaf 1993), dat een bedrijf als [bedrijf 10] (en dus [naam 22] ) afhankelijk was van zijn afnemers om het af te helpen van de reststromen en dat voor de tenders van [naam 22] ook andere ‘grote spelers’ naast Bonda werden uitgenodigd.
Bovendien blijkt niet dat [naam 22] voor de verkoop van de reststromen van de fabriek in Sas van Gent zich wilde beperken tot slechts één afnemer (zoals Bonda). [bedrijf 10] had, zoals volgt uit de verklaring van [naam 23] , meerdere afnemers met wie jaarlijks raamcontracten werden gesloten. In het licht hiervan is de speculatie dat Rined ook zonder de betrokkenheid bij de MPA-affaire vanaf 2003 geen tarwezetmeel meer van [naam 22] zou hebben kunnen inkopen, onvoldoende gemotiveerd. Het hof gaat daarom hieraan voorbij.
6.132. Volgens de verklaring van [naam 23] werd gewerkt met raamcontracten. Begin 2002 werden wekelijks 50 tot 60 vrachten van 35 ton Cerena (tarwezetmeel) aan Rined geleverd. Uit de verklaring van [naam 23] blijkt niet dat de hoeveelheid die Rined kon afnemen, veel fluctueerde, wel dat de prijzen fluctueerden aan de hand van de ontwikkelingen op de grondstoffenmarkt. Andere feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de hoeveelheid die Rined bij [naam 22] ( [bedrijf 10] ) kon inkopen, in belangrijke mate onzeker was en/of fluctueerde, zijn niet of onvoldoende naar voren gebracht. De omstandigheid dat Rined geen recht had op het afnemen van een bepaalde (minimum)hoeveelheid, zoals Wyeth stelt, rechtvaardigt dus niet de conclusie dat Rined vanaf 2003 niet zou hebben kunnen rekenen op het afnemen van hoeveelheden tarwezetmeel die gangbaar waren in de periode tot en met 2002, indien de samenwerking met [naam 22] niet was verbroken.
6.133. Essentieel in het betoog van Rined over het derven van winst is echter de stelling dat zij voor de grote hoeveelheden tarwezetmeel die zij bij [naam 22] inkocht, geen vervangende leverancier kon vinden. Uit de wijze waarop zij haar schade begroot en toelicht, ook bij de mondelinge behandeling in hoger beroep, volgt dat Rined stelt dat dit probleem zich (ten minste) vijf jaar lang heeft voorgedaan. Rined rekent immers met het derven van winst over een periode van vijf jaar. Wyeth heeft gewezen op leveranciers in Duitsland en Frankrijk, met een beroep op de verklaring van [naam 23] naar leveranciers [naam 17] (Porkerfoods), [naam 18] en [naam 19] (Zeeland Voeders) en Bonda. Daarnaast heeft Wyeth gewezen op producties van Rined in de hoofdprocedure (prod. 96 en 97, overgelegd bij akte ten behoeve van het pleidooi op 3 november 2015). Het hof begint bij deze laatste producties.
6.134. Uit de documenten die Rined destijds als productie 96 in de hoofdprocedure heeft overgelegd, blijkt dat [naam 20] en Fourage-Weihandel [naam 21] B.V. in 2001 en begin 2002 tarwezetmeel aanboden. Dit is een aanwijzing dat Rined bij deze bedrijven tarwezetmeel kon afnemen, maar het zegt op zichzelf niets over de hoeveelheden die deze bedrijven vanaf 2003 konden leveren. Productie 97 in de hoofdprocedure betreft een prijslijst van Rined. Op deze prijslijst is voor de meeste soorten tarwezetmeel aangegeven dat deze ‘volop beschikbaar’ zijn door het vermelden van drie sterren (***).
De prijslijst geldt echter vanaf 15 juli 2002. Aan dit document valt dus niet de conclusie te ontlenen, zoals Wyeth doet, dat Rined ook in de periode vanaf 2003 volop tarwezetmeel kon leveren. Wel valt uit de prijslijst op te maken dat Rined ook tarwezetmeel van Duitse en Franse leveranciers afnam en verkocht, en dat ook dit tarwezetmeel in 2002 ‘volop leverbaar’ was.
6.135. Rined heeft deze producties en het daarop gebaseerde verweer van Wyeth volledig onbesproken gelaten. Rined is evenmin ingegaan op de suggestie van Wyeth dat zij tarwezetmeel kon inkopen bij [naam 17] (Porkerfoods), [naam 18] en [naam 19] (Zeeland Voeders) en Bonda. Rined heeft ook geen nadere uitleg gegeven over de leveringscapaciteit van haar Duitse en Franse leveranciers. De stelling in de memorie van grieven (nr. 3.130) dat deze leveranciers niet de capaciteit hadden om Rined te voorzien van de grote hoeveelheden tarwezetmeel die Rined nodig had, is zonder nadere toelichting of onderbouwing gebleven. Daarmee is ook onduidelijk gebleven of en in hoeverre deze leveranciers wel een deel van de benodigde hoeveelheden konden leveren. Rined heeft verder geen uiteenzetting gegeven van wat zij concreet heeft gedaan om het verlies van [naam 22] als leverancier op te vangen en hoe zich dit heeft ontwikkeld vanaf 2003. Het is, in elk geval zonder nadere toelichting, onaannemelijk dat vijf jaar lang het gestelde leveringsprobleem in volle omvang heeft bestaan en vervolgens in het zesde jaar volledig is verdwenen. Het is het hof bovendien opgevallen dat er geen enkel document is overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat Rined in de periode vanaf 2003 opdrachten tot levering van tarwezetmeel van klanten niet heeft kunnen honoreren of waaruit blijkt dat Rined in die periode minder tarwezetmeel dan voorheen heeft aangeboden. Zo zijn er bijvoorbeeld geen prijslijsten van Rined met informatie over beschikbaarheid van tarwezetmeel (zoals eerdergenoemde productie 97) voor die periode in het geding gebracht. Productie 60 van Rined in hoger beroep bevat alleen stukken die betrekking hebben op de handel in tarwezetmeel van [bedrijf 10] in 2002.
6.136. Het komt erop neer dat Rined alleen maar wijst op de hoeveelheden tarwezetmeel die zij van [bedrijf 10] ( [naam 22] ) afnam en zonder adequate toelichting of onderbouwing daaraan de conclusie verbindt dat zij door wegvallen van [naam 22] deze hoeveelheden in de periode van 2003 tot en met 2007 niet meer aan klanten heeft kunnen leveren. Daarmee heeft Rined naar het oordeel van het hof in het licht van het uitvoerige verweer van Wyeth en de overgelegde producties onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het wegvallen van [naam 22] als leverancier van tarwezetmeel tot gevolg heeft gehad dat Rined vanaf 2003 minder tarwezetmeel heeft kunnen verkopen dan het geval zou zijn geweest als zij tarwezetmeel bij [naam 22] had kunnen blijven inkopen.
6.137. Uit het voorgaande volgt dat hetgeen Rined in deze procedure naar voren heeft gebracht niet het oordeel rechtvaardigt dat zij winst heeft gederfd doordat aan haar (oorspronkelijk van Wyeth afkomstig) met hormonen vervuild suikerwater is geleverd, anders dan de gederfde winst die al is begrepen in schadeposten waarvan het hof het bestaan heeft aanvaard. Bij deze stand van zaken is er geen aanleiding om een deskundige te vragen de gederfde winst te begroten.
6.138. De conclusie is dat grief 6 van Rined in principaal hoger beroep niet slaagt.
Tussenconclusie
6.139. Naast het bedrag dat de rechtbank aan schadevergoeding heeft toegewezen, heeft het hof de volgende bedragen toewijsbaar geacht:
  • € 23.147,20 (6.14, grieven 1 en 9: kosten directie)
  • € 5.048,68 (6.26, grief 2: kosten Boels Zander Advocaten)
  • € 19.186,26 (6.41, grief 3: aanvullende kosten crediteren)
  • € 17.005,12 (6.47, grief 3: teruggenomen en vervangen voer)
  • € 187.603,26 (6.102, grief 5: compensatie varkenshouders)
Het totaal is € 251.990,52.
Wettelijke rente
6.140. De rechtbank heeft de wettelijke rente toegewezen vanaf 7 december 2012, dat is de dag waarop de inleidende dagvaarding in de hoofdzaak is uitgebracht. Rined stelt in grief 8 in principaal hoger beroep dat de wettelijke rente voor elke schadepost behoort te worden toegewezen vanaf de dag waarop de betreffende schade is geleden.
Wyeth verwijst voor haar verweer naar de conclusie van antwoord in eerste aanleg (paragraaf 5.10 en de hoofdstukken 6 en 7).
6.141. In de stellingen van Wyeth valt geen verweer te lezen tegen het toewijzen van wettelijke rente vanaf de dag dat de schade is geleden, voor zover het schade betreft die Wyeth moet vergoeden.
6.142. De dagen waarop de schade is geleden, heeft Rined vermeld bij de verschillende grieven. Ook op dit punt heeft Wyeth geen (voldoende gemotiveerd) verweer gevoerd.
6.143. Voor de in 6.139 genoemde bedragen betekent dit het volgende voor het bepalen van de dag waarop de schade is geleden en vanaf welke de wettelijke rente is verschuldigd.
- € 23.147,20: steeds vanaf 31 december van het jaar waarop de kosten van de directie betrekking hebben (memorie van grieven, nr. 3.25).
- € 5.048,68: steeds vanaf 31 december van het jaar waarop de kosten van Boels Zanders Advocaten betrekking hebben (memorie van grieven, nr. 3.56).
- € 19.186,26: steeds vanaf 31 december van het jaar waarin het crediteren heeft plaatsgevonden (memorie van grieven, nr. 3.85).
- € 17.005,12: steeds vanaf 31 december van het jaar waarin het voer is teruggenomen en vervangen (memorie van grieven, nr. 3.85).
- € 187.603,26: steeds vanaf de dag waarop de compensatie is betaald door middel van creditering of in geld, of – bij compensatie door het leveren van ’gratis’ voer – op de dag waarop de vaststellingsovereenkomst is gesloten (memorie van grieven, nr. 3.121).
6.144. De grief van Rined is in het algemeen gericht tegen de ingangsdatum van 7 december 2012 die de rechtbank heeft aangehouden. Er moet daarom worden aangenomen dat de grief ook betrekking heeft op de wettelijke rente over de vergoeding voor schadeposten die de rechtbank heeft toegewezen. Voor de wettelijke rente over die schadeposten betekent dit het volgende.
- € 1.806,- ( kosten medewerkers): steeds vanaf 31 december van het jaar waarop de kosten van de medewerkers betrekking hebben (memorie van grieven, nr. 3.25). De rechtbank heeft niet vastgesteld op welke jaren de schade betrekking heeft, maar aangeknoopt bij de kosten die Rined in de hoofdprocedure in 2012 heeft opgegeven (rov. 5.11 van het bestreden vonnis). Het gaat dus om kosten die vóór 2012 zijn gemaakt. Het hof wijst de wettelijke rente daarom toe vanaf 31 december 2011.
- € 2.000,- ( kosten Langendonck Advies): de kosten zijn gemaakt in 2002. Het hof wijst de wettelijke rente daarom toe vanaf 31 december 2002 (memorie van grieven, nr. 3.56).
- € 9.665,76 ( kosten crediteren): steeds vanaf 31 december van het jaar waarin het crediteren heeft plaatsgevonden (memorie van grieven, nr. 3.85).
- € 31.968,89 ( huur opslagsilo’s): de data van de facturen waarmee de huur in rekening is gebracht (memorie van grieven, nr. 3.92).
- € 7.953,80 ( kosten afvoer vervuild voer): hierover is geen nadere opgaaf gedaan. Het hof wijst de wettelijke rente toe vanaf de dag waarop de kosten zijn gemaakt.
6.145. In de toelichting op grief 8 in principaal hoger beroep heeft Rined vermeld dat zij 50% van de wettelijke rente vordert. Dit is niet toegelicht en komt niet terug in de eis. Het hof neemt aan dat Rined heeft willen stellen dat zij de wettelijke rente vordert over 50% van de schade. Er is immers geen grond om te oordelen dat Rined slechts aanspraak heeft op 50% van de wettelijke rente over de schadevergoeding die haar toekomt en die de helft bedraagt van de werkelijke schade.
Cara
6.146. In eerste aanleg is Cara niet verschenen. De rechtbank heeft de vorderingen van Rined jegens Cara toegewezen, voor zover die niet tijdens het geding waren vermeerderd en de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkwamen.
De posten die de rechtbank ongegrond of onrechtmatig voorkwamen, zijn vermeld in rov. 5.78 van het vonnis.
De posten waarvoor de rechtbank de gevorderde vergoeding heeft toegewezen, zijn vermeld in rov. 5.79 van het vonnis (in totaal € 2.343.089,31).
Een deel van deze vergoeding (€ 53.394,45) moet ook Wyeth betalen. In 6.1 van het dictum van het vonnis zijn Wyeth en Cara daarom hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dit deel.
Na aftrek van dit deel resteert het bedrag waartoe alleen Cara in 6.2 tot betaling is veroordeeld (€ 2.289.694,86).
6.147. Rined heeft Cara in het hoger beroep betrokken, maar geen grieven geformuleerd die betrekking hebben op de beslissing van de rechtbank over de vorderingen van Rined jegens Cara, behalve wat betreft de kosten van de directie (rov. 5.78, grieven 1 en 9 in principaal hoger beroep) en de ingangsdatum van de wettelijke rente.
6.148. Uit hetgeen het hof heeft overwogen ten aanzien van de kosten van de directie, volgt dat Cara ook behoort te worden veroordeeld tot betaling van € 23.147,20, met wettelijke rente.
6.149. Voor de ingangsdatum van de wettelijke rente geldt hetgeen het hof heeft overwogen in 6.143 en 6.144. Op de daar vermelde wijze kan de ingangsdatum worden vastgesteld voor de vergoeding van de volgende schadeposten die zijn genoemd in rov. 5.79 van het vonnis:
- loonkosten werknemers, crisisbegeleiding extern, rechtsbijstand, kosten afvoer besmet voer, toegankelijk maken administratie, inzet voormalig controller: 31 december van het jaar waarop de kosten betrekking hebben;
- crediteringen, retour voer, coulance voer: 31 december van het jaar waarin het crediteren heeft plaatsgevonden, het voer is teruggenomen en voer uit coulance is geleverd;
- huur opslagsilo’s: de data van de facturen waarmee de huur in rekening is gebracht;
- compensatie varkenshouders: de dag waarop de compensatie is betaald door middel van creditering of in geld, of – bij compensatie door het leveren van ’gratis’ voer – op de dag waarop de vaststellingsovereenkomst is gesloten.
6.150. Wat betreft de post winstderving is de ingangsdatum 31 december 2007 (memorie van grieven, nr. 3.134).
Bewijsaanbod
6.151. Partijen hebben bewijs aangeboden. Er zijn echter geen concrete feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die tot een andere uitkomst van het hoger beroep kunnen leiden. Het hof gaat daarom voorbij aan het bewijsaanbod van partijen.
Slotsom
6.152. De slotsom is dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd voor zover het gaat om de hoogte van het in 6.1 van het vonnis genoemde bedrag dat Wyeth en Cara aan Rined moeten betalen en om de in 6.1 en 6.2 vermelde ingangsdatum van de wettelijke rente.
6.153. De wijziging van het in 6.1 van het vonnis genoemde bedrag brengt mee dat ook het in 6.2 van het vonnis genoemde bedrag moet worden aangepast. In dat bedrag is immers een deel van de vergoeding verwerkt die de rechtbank ten aanzien van Wyeth heeft afgewezen, maar die het hof nu toewijst.
Ten aanzien van Wyeth wijst het hof nu € 251.990,52 meer toe (zie 6.139 van dit arrest).
Dit bedrag is begrepen in het in 6.2 van het vonnis vermelde bedrag, behalve wat betreft de kosten van de directie (€ 23.147,20)
Een bedrag van € 228.843,32 (€ 251.990,52 – € 23.147,20) wordt als het ware overgeheveld van 6.2 naar 6.1.
Het alleen door Cara te betalen bedrag als bedoeld in 6.2 van het vonnis, wordt dus
€ 2.060.851,54 (€ 2.289.694,86 – € 228.843,32).
6.154. Voor het overige moet dat vonnis worden bekrachtigd.
Proceskosten
6.155. Het hof compenseert tussen Rined en Wyeth de proceskosten in hoger beroep, omdat deze partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld.
6.156. Cara is in het ongelijk gesteld wat betreft de beslissingen over de kosten van de directie en de ingangsdatum van de wettelijke rente. Het hof zal Cara daarom veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van Rined. Het hof beperkt de proceskostenveroordeling tot de kosten van het exploot om Cara te dagvaarden in hoger beroep. Het mede betrekken van Cara in hoger beroep heeft immers niet geleid tot een hoger griffierecht voor Rined. Verder zijn in hoger beroep geen werkzaamheden in relatie tot Cara verricht die een afzonderlijke vergoeding voor het salaris van de advocaat rechtvaardigen.
Het hof stelt de proceskosten tot heden daarom vast op € 106,73.

7.Beslissing

Het hof:
in principaal hoger beroep:
7.1.
vernietigt het bestreden vonnis wat betreft de in 6.1 en 6.2 van dat vonnis toegewezen bedragen en de in 6.1 en 6.2 vermelde ingangsdatum van de wettelijke rente;
en doet in zoverre opnieuw recht:
7.2.
stelt het bedrag dat Wyeth en Cara aan Rined moeten betalen, zoals bedoeld in 6.1 van het vonnis, vast op € 305.384,97;
7.3.
stelt de ingangsdatum van de wettelijke rente over het in 7.2 genoemde bedrag vast, zoals in dit arrest is vermeld in 6.143 en 6.144;
7.4.
stelt het bedrag dat Cara aan Rined moet betalen, zoals bedoeld in 6.2 van het vonnis, vast op € 2.060.851,54;
7.5.
stelt de ingangsdatum van de wettelijke rente over het in 7.4 genoemde bedrag vast, zoals in dit arrest is vermeld in 6.149 en 6.150;
7.6.
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep:
7.7.
verwerpt het beroep, voor zover de voorwaarde waaronder het beroep is ingesteld, is vervuld en verstaat dat het beroep voor het overige buiten behandeling blijft;
in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep:
7.8.
bepaalt dat Rined en Wyeth hun eigen proceskosten dragen;
7.9.
veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, Cara in de proceskosten, tot heden aan de zijde van Rined begroot op € 106,73;
7.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, W.J.J. Los en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.