Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1648

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.363.148/01 en 200.363.150/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 lid 1 BWArt. 1:260 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen bevestigd door Gerechtshof Amsterdam

De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] (8 jaar) en [minderjarige 2] (5 jaar). De kinderrechter had de ondertoezichtstelling verlengd tot 8 oktober 2026, maar zowel de vader als de moeder gingen hiertegen in hoger beroep. Zij stelden dat de ondertoezichtstelling niet langer noodzakelijk was of voor een kortere periode moest gelden.

Het hof overwoog dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen, mede door medische en ontwikkelingsproblemen zoals vermoed autisme bij [minderjarige 1] en een dubbele spierziekte bij [minderjarige 2]. De hulpverlening verloopt complex en de ouders slagen er onvoldoende in om structureel afspraken na te komen, waardoor de continuïteit van zorg niet gewaarborgd is.

Hoewel de ouders vooruitgang hebben geboekt en bereid zijn tot samenwerking, acht het hof het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling wordt voortgezet om de gecertificeerde instelling als regievoerder in staat te stellen de hulpverlening te borgen. De verzoeken van de ouders worden afgewezen en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 8 oktober 2026 en wijst de verzoeken van de ouders af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.363.148/01 en 200.363.150/01
zaaknummer rechtbank: C/15/368468 / JU RK 25-1121
beschikking van de meervoudige kamer van 23 juni 2026
in de zaak met zaaknummer 200.363.148/01 van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] , en
- [de moeder] , hierna: de moeder, vertegenwoordigd door mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat te Amsterdam.
in de zaak met zaaknummer 200.363.150/01 van
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] , en
- [de vader] , hierna: de vader, vertegenwoordigd door mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam .
In
beide zakenheeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem ,
hierna: de raad.

1.De zaken in het kort

1.1
De zaken gaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] (8 jaar) en [minderjarige 2] (5 jaar) (hierna: de kinderen). De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 8 oktober 2026. De vader en de moeder zijn het daar beiden niet mee eens en zijn afzonderlijk van elkaar in hoger beroep gekomen van de beschikking. Zij willen beiden dat het verzoek om de ondertoezichtstelling te verlengen (alsnog) wordt afgewezen of dat de ondertoezichtstelling voor een kortere duur wordt verlengd. De GI is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.363.148/01
2.1
De vader is op 30 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter).
2.2
De GI heeft op 6 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
In de zaak met zaaknummer 200.363.150/01
2.3
De moeder is op 30 december 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter).
2.4
De vader heeft op 18 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.5
De GI heeft op 6 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
In beide zaken
2.6
Het hof heeft [minderjarige 1] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.7
De zitting heeft op 20 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- twee vertegenwoordigers van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.
Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd dat de producties die de GI in de zaak met zaaknummer 200.363.148/01 heeft ingediend geacht worden ook te zijn ingediend in de zaak met zaaknummer 200.363.150/01.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2017 te [plaats C] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2020 te [plaats A] .
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk: de kinderen).
3.2
[minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de moeder en [minderjarige 2] staat ingeschreven op het adres van de vader. Er is een zorgregeling, waarbij de kinderen de ene week bij de moeder wonen en de andere week bij de vader.
3.3
Bij beschikking van de kinderrechter van 21 januari 2019 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling vervolgens is verlengd en heeft geduurd tot 16 februari 2020.
3.4
Bij beschikking van de kinderrechter van 8 oktober 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 8 oktober 2025.

4.De omvang van het hoger beroep

In beide zaken
4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 8 oktober 2026.
In de zaak met zaaknummer 200.363.148/01
4.2
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en primair te bepalen dat het verzoek tot (naar het hof begrijpt: verlenging van de) ondertoezichtstelling wordt afgewezen, dan wel subsidiair te bepalen dat de ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden, subsidiair zes maanden, meer subsidiair negen maanden, zal worden verlengd.
4.3
De GI verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
In de zaak met zaaknummer 200.363.150/01
4.4
De moeder verzoekt haar beroep gegrond te verklaren en de ondertoezichtstelling niet, dan wel voor een kortere duur dan de kinderrechter voorstond, te verlengen.
4.5
De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, dan wel haar hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.6
De vader verzoekt het hoger beroep van de moeder gegrond te verklaren.

5.De motivering van de beslissing in beide zaken

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige kan verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van het tweede lid van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft.
In de zaak met zaaknummer 200.363.148/01
De standpunten
5.2
De vader stelt dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. Er zijn zorgen over de kinderen, maar deze zorgen (kunnen) zonder een ondertoezichtstelling worden weggenomen. Het gedrag van [minderjarige 1] , waarbij hij wat meer de grenzen opzoekt, past bij zijn leeftijd en is niet zorgelijk. Met [minderjarige 2] gaat het inmiddels beter. Zo heeft hij geen ondergewicht meer en gaat hij naar dagbesteding bij de [X] . De ondertoezichtstelling hoeft daarom – in ieder geval voor hem – niet voor de duur van een jaar verlengd te worden, omdat de doelen voor hem behaald zijn. De hulp die voor het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is, wordt door de ouders voldoende geaccepteerd. De vader werkt aan alles mee, geeft toestemming voor elke behandeling van de kinderen, komt op geplande afspraken, volgt gebarentaalles en hij staat open voor opvoedondersteuning. Ook heeft de vader toestemming gegeven voor verder autisme-onderzoek bij [minderjarige 1] . De vader gaat ervan uit dat de moeder ook toestemming zal geven als zij meer praktische hulp of begeleiding krijgt. Als zij wordt geholpen bij agendering en het begrijpen van correspondentie is er ook geen zorg meer ten aanzien van haar. Mogelijk is er nu juist te veel hulp voor de moeder waardoor zij door de bomen het bos niet meer ziet. Verder kunnen de ouders goed met elkaar communiceren en biedt de hulp van de Samenwerking Instelling voor Geestelijke Gehandicapten (hierna: SIG) de moeder begeleiding bij het nakomen van afspraken. De vader heeft geen vertrouwen meer in SIG en hij heeft moeite met de ondertoezichtstelling, omdat hij vroeger zelf onder toezicht heeft gestaan en uit huis is geplaatst.
5.3
De GI acht een ondertoezichtstelling van de kinderen voor de duur van twaalf maanden nog steeds noodzakelijk, om zo toe te kunnen zien op het nakomen van afspraken en om actie te kunnen ondernemen wanneer de ouders dit nalaten, zodat is gewaarborgd dat de nodige onderzoeken en zorg voor de kinderen van de grond komen en blijven doorlopen. De school heeft haar zorgen geuit over het gedrag van [minderjarige 1] en vermoed wordt dat hij autisme heeft. Zonder diagnostiek en de juiste aansluiting bij [minderjarige 1] bestaat er een grote kans dat hij na de zomervakantie thuis komt te zitten. Hoewel een intake heeft plaatsgevonden bij de Geestelijke Gezondheidszorg en Maatschappelijke Dienstverlening (hierna: GGMD) is de diagnostiek nog niet gestart, omdat het de moeder niet is gelukt om op de vervolgafspraak te komen. De GI ziet dat het beter gaat met [minderjarige 2] , maar heeft zorgen over zijn start bij de [X] , omdat de ouders hem daar zelf naartoe moeten brengen. De GI verwacht niet dat de ouders nu in staat zijn om zelfstandig de regie te voeren in het complexe veld aan hulpverlening. In de praktijk blijkt dat afspraken niet altijd worden nagekomen, adviezen niet structureel worden opgevolgd en structurele evaluatiemomenten ontbreken of niet tot stand komen. Doordat het de moeder niet lukt om alle nodige afspraken na te komen, wordt [minderjarige 1] nog onvoldoende ondersteund in zijn problematiek en is er onvoldoende zicht op de ontwikkeling en gezondheid van [minderjarige 2] . Dat de moeder zwaar belast is, is voor de GI juist een reden om de ondertoezichtstelling te continueren. Daarnaast heeft de GI onvoldoende zicht op de opvoedcapaciteiten en aansluiting van de vader, omdat hij niet meer open staat voor samenwerking met SIG en de GI. De vader ziet niet in welke hulp er thuis noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen en het is hem onvoldoende gelukt om hulp in te zetten om te werken aan de gestelde doelen in het plan van aanpak. Bovendien is de hulpverlening complex en zijn er meerdere instanties betrokken, wat hoge eisen stelt aan afstemming en continuïteit.
In de zaak met zaaknummer 200.363.150/01
De standpunten
5.4
De moeder is het niet eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen. Zij vindt het onbegrijpelijk dat, ondanks dat erkend wordt dat zij goede stappen heeft gezet in het kunnen aansluiten bij de opvoedbehoeften van de kinderen en zij overvraagd wordt door alle hulpinstanties die betrokken zijn, de bemoeienis van de GI noodzakelijk wordt gevonden. Er is voldoende hulpverlening, waaraan de moeder meewerkt. Zonder GI kan zij meer tijd en energie steken in het vergroten van haar opvoedkundige kwaliteiten voor de specifieke behoeften van de kinderen, wat in hun belang is. Zij wil hiervan profiteren en de kinderen alle aandacht kunnen geven die zij nodig hebben. Overleg met de GI levert extra druk en stress op voor het gezin van de moeder. Zij meent dat de ondertoezichtstelling een averechts effect heeft op haar en op de kinderen en zij vreest dat de ondertoezichtstelling haar band met de kinderen eerder bemoeilijkt dan verbetert door de druk vanuit de GI van nog meer afspraken. De moeder ziet dat de vader zijn best doet en wil de positieve ontwikkelingen in het vrijwillig kader (buiten de GI om) kunnen voortzetten. De doelen van de ondertoezichtstelling kunnen ook bereikt worden zonder ondertoezichtstelling, zoals ook in het nieuwe wetsvoorstel ‘Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming’ voorop staat. De ouders aanvaarden de hulp van instanties om de kinderen zo goed mogelijk te begeleiden en goed om te gaan met hun handicaps. De moeder realiseert zich wat haar leerpunten zijn en zij werkt daaraan. Voor zover zij hulp nodig heeft, weet zij de hulpverleners goed te vinden. Daarnaast heeft zij een online gebarentaalcursus gevolgd en communiceert zij in gebarentaal met [minderjarige 1] .
5.5
De GI meent dat de gronden voor een ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn en dat er nog steeds sprake is van een ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. In aanvulling op het verweer van de GI in het hoger beroep van de vader voert de GI in het hoger beroep van de moeder als verweer nog het volgende aan. De moeder komt afspraken met hulpverlenende instanties niet structureel na, waardoor de continuïteit en effectiviteit van de hulpverlening onder druk komt te staan. Daarnaast verloopt het hulpverleningstraject van [minderjarige 1] nog niet soepel, omdat de school heeft aangegeven dat de kans dat hij na de zomervakantie thuis komt te zitten steeds groter wordt. Het lukt de moeder niet om tot een tweede afspraak te komen met de GGMD om het onderzoekstraject voor [minderjarige 1] voort te zetten. Dat de moeder de afspraken afzegt of niet nakomt, ziet de GI als een signaal dat zij de regie (nog) niet zelfstandig kan dragen. Vrijwillige hulpverlening vereist een stabiele en consistente medewerking van de moeder en die consistentie ontbreekt momenteel. Een verplicht kader is daarom noodzakelijk om de hulpverlening te borgen en te voorkomen dat ingezette trajecten voortijdig stagneren. Hoewel de ouders stappen hebben gezet in de onderlinge communicatie en zij tijdens overdrachtsmomenten met elkaar communiceren, is deze communicatie beperkt tot de praktische overdracht en wordt niet alle (relevante) informatie onderling uitgewisseld. Daarnaast zijn er afspraken uit het ouderschapsplan niet nagekomen, wat heeft geleid tot spanningen tussen de ouders en praktische problemen in de zorg voor de kinderen, waarmee de kinderen belast werden. De ondertoezichtstelling is bedoeld om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen bij de kinderen en niet alleen om de band tussen ouder en kind te versterken. De GI betwist dat de ondertoezichtstelling een averechts effect heeft op de ouder-kindrelatie. De stress van de moeder kan niet doorslaggevend zijn als daar het belang van de kinderen bij veiligheid, voorspelbaarheid en continuïteit van zorg tegenover staat, met name gelet op hun medische en ontwikkelingsproblematiek.
5.6
De vader kan zich vinden in de weergave van de feiten opgenomen in het beroepschrift van de moeder en in de motivering en gronden van het hoger beroep.
In beide zaken
Het advies van de raad
5.7
De raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat [minderjarige 1] eerder al een jaar onder toezicht heeft gestaan. Die ondertoezichtstelling is destijds beëindigd, omdat de ouders aangaven dat zij het zelf konden en het SIG daarin toen ook vertrouwen had. Vervolgens is er terug gemeld bij de raad, omdat het niet goed ging met de hulpverlening voor de kinderen en veel afspraken afgezegd werden. De ondertoezichtstelling was toen nodig voor [minderjarige 1] , omdat niet goed omgegaan werd met het nakomen van afspraken die nodig waren voor hem. Vervolgens zijn dezelfde zorgen in 2024 weer gemeld bij de raad. De raad hoort nu ter zitting en heeft in de verweerschriften van de GI gelezen dat het de ouders structureel niet lukt om de afspraken bij de verschillende hulpverleners na te komen. Die afspraken zijn wel noodzakelijk voor de kinderen, omdat zij een grote zorgbehoefte hebben. Er moet volgens de raad een regiehouder zijn die erop toeziet dat de afspraken doorgaan. Er zijn veel voorbeelden waaruit blijkt dat de ouders de hulpverlening voor de kinderen zelf willen organiseren, maar dat de hulp niet van de grond komt. Dat betekent dat er een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen is als er geen gedwongen kader is. In het vrijwillig kader heeft de raad er onvoldoende vertrouwen in dat de kinderen structureel krijgen wat ze nodig hebben. De ouders en met name de vader vindt de term “gedwongen kader” lastig, maar het moet gezien worden als hulp en ondersteuning. De raad hoort dat de gezinsvoogd als regiehouder druk bezig is om alles wat nodig is voor de kinderen te organiseren.
De beoordeling
5.8
Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken is het volgende gebleken. [minderjarige 1] is in januari 2019 onder toezicht gesteld van de GI, waarbij het doel was om de ouders te ondersteunen bij het nakomen van afspraken rondom [minderjarige 1] en het regelen van een woonplek. De kinderrechter was destijds van oordeel dat de zorgen die er waren, zoals huisvesting, met de hulp die er voor [minderjarige 1] zou komen, konden worden opgelost. De SIG zou starten met ambulante begeleiding. De ouders kregen een kanswoning, waar de voorwaarden voor waren dat zij twee jaar bewindvoering en ambulante hulp zouden krijgen en daaraan zouden meewerken. De ouders wilden graag van de ondertoezichtstelling af en kenden de voorwaarden daarvoor, die inhielden dat zij mee zouden werken met de SIG en de Nederlandse Stichting voor Dove en Slechthorende Kinderen, de bewindvoering en de dagbehandeling van [minderjarige 1] . Afgesproken werd dat de SIG zou terug melden als het niet goed ging. De ondertoezichtstelling is toen medio februari 2020 beëindigd. Vast is komen te staan dat het daarna niet goed ging met de continuïteit van de hulpverlening. Veel afspraken werden afgezegd en dit is gemeld bij de raad. Diezelfde zorgen zijn in 2024 opnieuw gemeld bij de raad, waarna [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in oktober 2024 onder toezicht zijn gesteld van de GI.
5.9
Het hof is gebleken dat zowel ten tijde van de bestreden beschikking als ook nu nog sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. Uit het dossier blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een grote zorgbehoefte hebben. [minderjarige 1] is voor 95% doof geboren en zijn school heeft aangegeven te vermoeden dat hij autisme heeft. Hij heeft veel structuur nodig en speelt graag alleen. Bij [minderjarige 2] is sprake van een dubbele spierziekte (Kyphoscoliotische Ehlers-Danlos syndroom), waardoor hij volledig afhankelijk is van de mensen om hem heen. Daarnaast heeft hij een ontwikkelingsachterstand en slechts één functionerende nier. In november 2024 heeft [minderjarige 2] twee weken in het ziekenhuis gelegen vanwege ondergewicht. Hij heeft toen sondevoeding gekregen en de diëtist heeft destijds een plan gemaakt voor de ouders om hem te laten aansterken.
5.1
Hoewel de moeder ten tijde van de bestreden beschikking haar best deed en op de goede weg was om te kunnen voorzien in de opvoedbehoeften van de kinderen, lukte het haar nog onvoldoende om structureel alle verschillende afspraken van de kinderen bij de verschillende hulpverleners na te komen. De moeder werd overvraagd door de verschillende hulpverleningsinstanties die betrokken waren. [minderjarige 1] vertoonde uitdagend gedrag tijdens de les en de school achtte het van belang te onderzoeken of hij autisme heeft. De moeder gaf echter geen toestemming voor een dergelijk onderzoek. Voor [minderjarige 2] was er destijds nog geen dagbesteding gevonden en werd van belang geacht dat de GI regie zou voeren op het vinden van een passende dagopvang voor [minderjarige 2] . Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de kinderrechter destijds terecht de ondertoezichtstelling heeft verlengd.
5.11
Namens de vader is ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat er enorme progressie is gemaakt sinds de ondertoezichtstelling is uitgesproken, omdat [minderjarige 2] inmiddels naar de [X] gaat, hij op gewicht is, de SIG betrokken is bij [minderjarige 1] en hij gestart is met Psychomotorische Therapie. De GI heeft daarover verklaard dat de [X] heeft aangegeven dat de samenwerking met de ouders moeizaam verloopt, dat [minderjarige 2] vaak moe is en geen goede conditie heeft. Op dit moment wordt onderzocht wat hij nodig heeft. Verder is gebleken dat de diëtist die betrokken was bij [minderjarige 2] geen contact kreeg met de ouders, terwijl [minderjarige 2] speciale voeding (nutridrink) nodig had en dat de ouders hem toch andere voeding hebben gegeven. De vader heeft ter zitting verklaard dat het gewicht van [minderjarige 2] verbeterd is, de GI wijst er daarbij op dat de dokter onlangs nog niet helemaal tevreden was met het gewicht van [minderjarige 2] . Hoewel het beter lijkt te gaan met [minderjarige 2] sinds hij naar de dagbesteding bij de [X] gaat, is het gelet op het voorgaande naar het oordeel van het hof nog onzeker of deze positieve ontwikkeling zich voortzet en of deze voldoende bestendig is.
5.12
Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat het op sommige dagen minder goed gaat met [minderjarige 1] en dat hij daardoor nu een dag (per week) minder naar school gaat, zodat hij minder prikkels krijgt. Ook is ter zitting gebleken dat de GI halverwege mei 2026 een gesprek met de vader en de school van [minderjarige 1] heeft gehad en dat de school toen heeft aangegeven dat zij [minderjarige 1] na de zomervakantie 2026 zeer waarschijnlijk geen onderwijs meer kan geven, omdat zij hem niet meer aankan. Met de GI acht het hof dit een zorgelijke ontwikkeling, nu deze school gelet op zijn doofheid het best bij hem past en er weinig andere scholen zijn die op dezelfde manier bij hem kunnen aansluiten. Daarnaast heeft de GI verklaard dat er scholen zijn die gespecialiseerd zijn in autisme, maar dat [minderjarige 1] daar niet terecht kan, omdat hij doof is. Hoewel de vader bij het hiervoor genoemde gesprek aanwezig was, leek hij pas ter zitting in hoger beroep te begrijpen dat [minderjarige 1] na de zomervakantie zeer waarschijnlijk niet meer naar zijn huidige school kan.
5.13
Het hof ziet dat de ouders hun best doen en bereid zijn stappen te zetten. Zo hebben de ouders gebarentaallessen gevolgd en gaat de moeder met [minderjarige 1] naar een dovencentrum in [plaats B] , waar zij les krijgt. Anders dan de ouders is het hof echter van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders lijken onvoldoende inzicht te hebben in de wijze waarop de hulpverlening voor de ernstige problematiek van de kinderen kan worden georganiseerd. Gebleken is dat de ouders niet altijd aanwezig zijn bij (medische) afspraken die noodzakelijk zijn voor de kinderen en dat het onderzoek naar autisme bij [minderjarige 1] nog niet is gestart, omdat de communicatie met de ouders niet goed verloopt. Daar komt nog bij dat er vanwege de verschillende en complexe problemen bij de kinderen verschillende gespecialiseerde hulpverleners betrokken moeten zijn bij de kinderen. Hoewel het hof begrijpt dat de ouders moeite hebben met het gedwongen kader vanwege (negatieve) ervaringen in het verleden, acht het hof het op dit moment noodzakelijk dat er hulpverlening is in het kader van een ondertoezichtstelling, zodat de GI als regievoerder door begeleiding en ondersteuning de nodige hulpverlening kan borgen. Ter zitting is gebleken dat de huidige gezinsvoogd met name inzet op regie en begeleiding en dat zij die regie niet kan voeren zonder het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling. Het hof zal de duur van de ondertoezichtstelling (tot 8 oktober 2026) niet verkorten aangezien die duur nog noodzakelijk wordt geacht om te werken aan de gestelde doelen. Het hof zal de verzoeken van de ouders dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
in beide zaken
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. F. Kleefmann en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.