Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1655

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.359.909
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 BWArt. 6:162 BWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing rookverbod wegens onvoldoende spoedeisend belang en onrechtmatige hinder niet aannemelijk

Partijen zijn buren waarvan appellanten klagen over rookoverlast door geïntimeerden in hun tuin. Appellanten vorderen een rookverbod wegens onrechtmatige hinder en gezondheidsschade. De voorzieningenrechter wees de vordering af wegens gebrek aan spoedeisend belang en stelde dat appellanten misbruik van procesrecht maakten.

In hoger beroep bevestigt het hof het ontbreken van spoedeisend belang, mede vanwege het geringe aantal rookmomenten en onvoldoende bewijs van onrechtmatige hinder. Ook is het causale verband met gezondheidsschade niet aannemelijk gemaakt. Het hof oordeelt echter dat appellanten geen misbruik van procesrecht hebben gemaakt en vermindert daarom de proceskostenveroordeling.

Het hof vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de proceskosten betreft en veroordeelt appellanten tot een lager bedrag. De rest van het vonnis wordt bekrachtigd. Appellanten worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het gevorderde rookverbod wordt afgewezen.

Uitkomst: Het gevorderde rookverbod wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onvoldoende aannemelijkheid van onrechtmatige hinder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.359.909/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/364207 / KG ZA 25-214
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

2.
[appellant 2] ,
beiden wonend in [plaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. T.C. Baltes te Hoorn,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

2.
[geïntimeerde 2] ,
beiden wonend in [plaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. R.J. van de Leur te Haarlem.
Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerden] genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen zijn buren. [appellanten] vinden dat het roken van [geïntimeerden] in hun eigen tuin hen onrechtmatige hinder toebrengt en hun gezondheid schaadt. Zij vorderen daarom een rookverbod. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [appellanten] geen spoedeisend belang hebben bij hun vordering en dat zij misbruik maken van procesrecht door een procedure tegen [geïntimeerden] te beginnen. Het hof oordeelt met de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang is en wijst het gevorderde rookverbod daarom ook in hoger beroep af. Anders dan de voorzieningenrechter oordeelt het hof dat [appellanten] geen misbruik hebben gemaakt van procesrecht en begroot de proceskosten in eerste aanleg op een lager bedrag.

2.Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 22 september 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 25 augustus 2025 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, (hierna: de voorzieningenrechter), in kort geding onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis). In de dagvaarding zijn ook de grieven opgenomen. Bij de dagvaarding hebben [appellanten] hun oorspronkelijke eis gewijzigd. Op de eerst dienende dag hebben [appellanten] op de rol overeenkomstig die dagvaarding geconcludeerd en producties in het geding gebracht.
[geïntimeerden] hebben vervolgens een memorie van antwoord, met producties, ingediend.
Op 12 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en nadere producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1
[geïntimeerden] wonen aan [straat] [nummer 1] in [plaats] . [appellanten] wonen aan [straat] [nummer 2] in [plaats] , een hoekhuis. Partijen zijn buren en hun achtertuinen grenzen aan elkaar.
3.2
[appellanten] hebben vanaf 2017 meermaals mondeling en vanaf 2020 ook schriftelijk bij [geïntimeerden] geklaagd over stank- en tabaksrookoverlast die zij ervaren door het
(e-)sigarettengebruik van [geïntimeerden]
3.3
In juli 2023 heeft de advocaat van [appellanten] telefonisch en per brief aan [geïntimeerden] verzocht om de stank- en tabaksrookoverlast definitief te beëindigen. Bij brief van 9 augustus 2024 heeft de advocaat van [appellanten] [geïntimeerden] nogmaals verzocht om de overlast te staken en gestaakt te houden.
3.4
Bij e-mail van 20 augustus 2024 hebben [geïntimeerden] zich op het standpunt gesteld dat zij niet onrechtmatig hebben gehandeld en meegedeeld dat zij geen gevolg geven aan de sommaties.

4.Procedure bij de voorzieningenrechter

4.1
Samengevat hebben [appellanten] bij de voorzieningenrechter gevorderd [geïntimeerden] te verbieden om tabak en elektronische sigaretten te roken in hun tuin en in hun woning als de ramen en/of deuren niet gesloten zijn, alsmede in een straal van honderd meter vanaf de woning van [appellanten] , op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.2
[appellanten] hebben, kort gezegd, aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat het roken van [geïntimeerden] hen onrechtmatige hinder toebrengt en hun gezondheid schaadt.
4.3
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelde, samengevat, dat [appellanten] geen spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen, omdat zij al sinds 2017 bij [geïntimeerden] hebben geklaagd over rookoverlast, maar tot 2025 hebben gewacht met het nemen van rechtsmaatregelen. Daarnaast hebben [appellanten] misbruik gemaakt van procesrecht omdat spoedeisend belang overduidelijk ontbrak, de keuze om [geïntimeerden] in rechte te betrekken volstrekt willekeurig was en niet kan worden vastgesteld dat [geïntimeerden] de veroorzakers zijn van de door [appellanten] gestelde overlast. Om die reden heeft de voorzieningenrechter een hoger bedrag aan proceskosten toegewezen.

5.Het hoger beroep

5.1
[appellanten] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis. Na wijziging van eis in hoger beroep vorderen zij, samengevat, [geïntimeerden] te verbieden om tabak en elektronische sigaretten te roken binnen een straal van 8,5 meter vanaf de gevel van [appellanten] , op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief nakosten en met rente.
5.2
[geïntimeerden] hebben - samengevat - geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de reële kosten van het geding in hoger beroep.

6.Beoordeling

6.1
[appellanten] komen met twee grieven op tegen het bestreden vonnis en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
Spoedeisend belang
6.2
Grief 1richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellanten] geen spoedeisend belang hebben bij de door hen ingestelde vordering in kort geding. Deze grief faalt, om de hierna te noemen redenen.
6.3
De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen. Daarbij speelt de aard van de gevraagde voorziening een grote rol. De door [appellanten] gevraagde voorziening, een rookverbod voor [geïntimeerden] in hun eigen tuin, zal naar zijn aard diep ingrijpen in de privésfeer en vrijheid van [geïntimeerden] Dat betekent dat terughoudendheid op zijn plaats is bij het beantwoorden van de vraag of een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Met het oog daarop zal het hof eerst onderzoeken of het voldoende aannemelijk is dat de vordering van [appellanten] in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Wanneer dat niet het geval is, zal niet snel spoedeisendheid kunnen worden aangenomen.
Geen onrechtmatige hinder
6.4
[appellanten] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] door in hun tuin te roken aan hen onrechtmatige hinder toebrengen als bedoeld in artikel 5:37 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Naar het voorlopig oordeel van het hof hebben [appellanten] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zich onrechtmatige hinder voordoet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
6.5
Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is als bedoeld in artikelen 5:37 en 6:162 BW, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Buren zullen enige vorm van hinder van elkaar moeten dulden. Bij de vaststelling van de (mate van) hinder gaat het om objectieve gegevens en niet om wat in de (subjectieve) beleving van de ander als hinder kan worden ervaren.
6.6
Volgens [geïntimeerden] wordt er in hun tuin nog slechts incidenteel gerookt omdat Walter in december 2024 volledig is met roken gestopt en Weeda slechts af en toe rookt. [appellanten] hebben dit weliswaar weersproken, maar dat is niet te rijmen met de door henzelf overgelegde metingen (met een in hun eigen tuin geplaatste fijnstofmeter) en logboeken. Daaruit is af te leiden dat [appellanten] van januari 2025 tot en met april 2026, een periode van zestien maanden, in de tuin van [geïntimeerden] op 48 dagen een rookmoment hebben waargenomen. Dat komt neer op gemiddeld 3 dagen per maand. Dat is een dermate gering aantal dat, ook als [appellanten] zouden worden gevolgd in hun stelling dat zij hiervan hinder ondervinden, deze hinder naar objectieve maatstaven wat betreft de aard, de ernst en de duur zeer beperkt van omvang is.
6.7
Daar komt bij dat [geïntimeerden] de juistheid van de door [appellanten] overgelegde logboeken en metingen gemotiveerd hebben betwist. Zij hebben onder meer betoogd dat de fijnstofmeter van [appellanten] geen onderscheid kan maken tussen (de schadelijke stoffen in) sigarettenrook en andere vormen en veroorzakers van fijnstof. Ook hebben [geïntimeerden] , mede onderbouwd met eigen metingen, aangevoerd dat de fijnstofmeter verschillende keren rook heeft gemeten op momenten dat zij niet hebben gerookt. Tenslotte hebben zij erop gewezen dat de fijnstofmeter van [appellanten] soms langdurig achtereen een waarde van “0” aangeeft, wat onmogelijk is omdat er altijd fijnstof in de lucht aanwezig is, ook wanneer er niet wordt gerookt. [appellanten] hebben geen van deze punten (voldoende) weersproken. Dat levert voorshands op zijn minst een sterke aanwijzing op dat de metingen van [appellanten] onvoldoende nauwkeurig zijn om daarmee, met de voor hun vordering noodzakelijke betrouwbaarheid, rookmomenten te kunnen vaststellen.
6.8
Het hof is ten slotte van oordeel dat [appellanten] het gestelde causale verband tussen het roken en de gestelde gezondheidsschade niet aannemelijk hebben gemaakt. De door [appellanten] overgelegde medische informatie is daarvoor te algemeen van aard. Daaruit volgt op geen enkele manier dat de klachten van [appellanten] door het roken van [geïntimeerden] zijn veroorzaakt of verergerd. Daarbij speelt mee dat niet in geschil is dat deze klachten tal van andere oorzaken kunnen hebben en dat, zoals hierboven is overwogen, [geïntimeerden] slechts zeer incidenteel in de tuin roken.
6.9
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat de vordering van [appellanten] in een door hen te starten bodemprocedure niet een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.
Stilzitten
6.1
In aanvulling op het voorgaande acht het hof ook het tijdsverloop van belang. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [appellanten] te lang hebben gewacht met het nemen van rechtsmaatregelen om nog spoedeisend belang aan te kunnen nemen. Volgens [appellanten] hebben zij niet stilgezeten, maar de verstreken tijd gebruikt om een dossier op te bouwen en om tot een minnelijke oplossing te komen. Het hof volgt [appellanten] hierin niet. Dat oordeel berust op het volgende.
6.11
Vast staat dat [appellanten] al vanaf 2017 [geïntimeerden] hebben aangesproken op het roken, waarbij zij op enig moment ook melding hebben gemaakt van hun gezondheidsklachten. Uit het dossier blijkt verder dat [appellanten] al vanaf 2018 een logboek met rookmomenten bijhielden en in ieder geval al vanaf januari 2023 dagelijks fijnstofmetingen verrichten.
6.12
Uit het voorgaande volgt dat alle feiten en omstandigheden die [appellanten] aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd zich al jaren voor het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg voordeden. [appellanten] hebben [geïntimeerden] desondanks pas in augustus 2025 in rechte betrokken. [appellanten] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij daar op dat ogenblik (nog) een voldoende spoedeisend belang bij hadden.
Conclusie
6.13
Net als de voorzieningenrechter oordeelt het hof dat [appellanten] geen spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevorderde voorlopige voorziening; dat dit ten tijde van de uitspraak van het hof wel het geval zou zijn, is niet gebleken. Dat betekent dat de in hoger beroep gewijzigde vordering van [appellanten] wordt afgewezen.
Geen misbruik van procesrecht
6.14
Grief 2richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellanten] misbruik hebben gemaakt van procesrecht en tegen de op grond van dat oordeel opgelegde hogere proceskostenveroordeling. Deze grief slaagt. Dat oordeel berust op het volgende.
6.15
Misbruik van procesrecht is aanwezig als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als de eisende partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro. Het ligt op de weg van degene die zich op misbruik van procesrecht beroept om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan dat misbruik kan worden vastgesteld.
6.16
[geïntimeerden] hebben gesteld dat [appellanten] misbruik maken van procesrecht omdat zij het kort geding zijn begonnen zonder onderbouwing van het spoedeisend belang, zonder bewijs van onrechtmatigheid en zonder dat het door hen verlangde verbod te handhaven zou zijn. Dit betoog slaagt niet. De feitelijke grondslag van de vordering van [appellanten] bevat wel degelijk stellingen met betrekking tot het spoedeisend belang en met betrekking tot de door [appellanten] als overlastgevend ervaren gedragingen van [geïntimeerden] Ook valt op voorhand niet in te zien waarom het door [appellanten] gevorderde rookverbod, indien toegewezen, niet te handhaven zou zijn. Uit wat [geïntimeerden] naar voren hebben gebracht volgt zodoende hooguit dat de vordering van [appellanten] moet worden afgewezen, maar niet dat [appellanten] misbruik maken van procesrecht door deze vordering in te stellen.
6.17
Anders dan de voorzieningenrechter oordeelt het hof dat de keuze van [appellanten] om [geïntimeerden] in rechte te betrekken niet op voorhand willekeurig is. De tuin van het hoekhuis van [appellanten] grenst immers alleen rechtstreeks aan die van [geïntimeerden] en niet aan andere tuinen. Wat er in de tuin van [geïntimeerden] gebeurt heeft daardoor een grotere invloed op [appellanten] dan wat elders in de wijk gebeurt. Dat niet aannemelijk is dat het rookgedrag van [geïntimeerden] kan worden aangemerkt als overlast in de zin van artikel 5:37 BW Pro, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, maakt niet dat de keuze om [geïntimeerden] te dagvaarden volstrekt willekeurig was, zoals de voorzieningenrechter heeft geoordeeld. Voor het oordeel van de voorzieningenrechter dat het [appellanten] kennelijk niet om het roken van [geïntimeerden] te doen is bevat het dossier evenmin aanwijzingen.
6.18
Het voorgaande betekent dat niet is voldaan aan de genoemde hoge drempel voor het aannemen van misbruik van procesrecht. Feiten of omstandigheden op grond waarvan in hoger beroep anders zou moeten worden geoordeeld zijn niet gesteld, noch gebleken.
6.19
Omdat [appellanten] geen misbruik van procesrecht hebben gemaakt, is er geen plaats voor de in (5.2 van) het bestreden vonnis uitgesproken kostenveroordeling, voor zover die is begroot met gebruikmaking van een hoger liquidatietarief voor
salaris advocaat(€ 3.322,00). Dat is immers gebeurd als sanctie voor het door de voorzieningenrechter aangenomen misbruik van procesrecht. Het hof zal het bestreden vonnis daarom vernietigen voor zover het dat liquidatietarief betreft en het salaris begroten met inachtneming van het reguliere liquidatietarief dat daarvoor ten tijde van het bestreden vonnis gold, te weten € 1.107,00. Voor het overige blijft de kostenbegroting gelijk, als gevolg waarvan de proceskosten in totaal bedragen: € 331,00 aan griffierecht, € 1.107,00 aan salaris advocaat en € 178,00 aan nakosten = € 1.616,00.
Slotsom en kosten
6.2
Het hoger beroep heeft gedeeltelijk succes. Het bestreden vonnis zal gedeeltelijk worden vernietigd, zoals hieronder te vermelden. [appellanten] zullen worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, omdat zij wat betreft de kern van het geschil, te weten de gestelde rookoverlast, ook in hoger beroep in het ongelijk zijn gesteld.

7.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover de voorzieningenrechter [appellanten] daarbij heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 3.831,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [appellanten] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
en doet in zoverre opnieuw recht:
- veroordeelt [appellanten] in de proceskosten tot een bedrag van € 1.616,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [appellanten] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 362,00 aan verschotten en € 3.225,00 (tarief II, 2,5 punten) voor salaris;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J.W. Pulles, I. de Greef en M.J.R. Brons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.