Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
grief 1betoogt [appellant] dat hij niet aansprakelijk is voor een aantal door de rechtbank vastgestelde gebreken. Hij verwijst daarvoor naar een als productie 5 (naar het hof begrijpt 6) bij de memorie van grieven overgelegde lijst met daarop de door de rechtbank genoemde gebreken voorzien van zijn aantekeningen. Volgens [appellant] stelt hij in die aantekeningen onder meer dat die gebreken niet voor zijn rekening komen omdat die werkzaamheden niet onder zijn beheer plaatsvonden en/of hij daar geen opdracht voor had gekregen.
grief 2betoogt [appellant] dat de rechtbank met betrekking tot de punten 9, 9b en 15 ten onrechte heeft geoordeeld dat de door EXPre begrote kosten voor het opnieuw aanbrengen van het werk redelijk zijn. Door op deze wijze buiten de begroting van de deskundige te treden, is volgens [appellant] sprake van ‘cherry picking’.
grief 3betoogt [appellant] dat de houten vloerdelen wel degelijk zijn gebouwd volgens de bouwnormen. Hij verwijst daartoe naar de door hem als producties 1 tot en met 3 bij de memorie van grieven overgelegde informatie van [naam 2] (hierna: [naam 2] ), werkzaam bij De Ingenieursgroep B.V.
grief 4komt [appellant] op tegen, naar het hof begrijpt, het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet wordt gevolgd in zijn stelling dat de deskundige ten onrechte is uitgegaan van een voorgeschreven deklaag van 90 mm. Volgens [appellant] wordt op geen enkele wijze aangegeven waar de aanname op is gebaseerd; de vloer is casco opgeleverd. [appellant] verwijst hierbij naar de berekening in het rapport van [naam 2] van 2 oktober 2024.