ECLI:NL:GHAMS:2026:1782

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/1409
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onvoldoende kenbaarheid betaald parkeren

Belanghebbende is in eerste aanleg in het ongelijk gesteld door de rechtbank Noord-Holland inzake een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat hij niet had betaald voor parkeren op een strook langs de rijbaan. De rechtbank oordeelde dat de vele borden en parkeermeters in de omgeving duidelijk maakten dat betaald parkeren ook op die plek gold.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de kenbaarheid van het betaald parkeren op de specifieke strook onvoldoende was, mede onder verwijzing naar verkeerspsychologische begrippen zoals perceptie en inattentional blindness. Het hof heeft deze argumenten onderzocht en geoordeeld dat de situatie ter plaatse, met diverse borden en parkeermeters in de nabijheid, voldoende duidelijk maakte dat betaald parkeren van toepassing was.

Het ontbreken van een specifiek bord of parkeermeter direct bij de strook, de onverharde ondergrond en de ligging naast een golfbaan vormden geen objectief gerechtvaardigde aanwijzingen dat betaald parkeren daar niet gold. De door belanghebbende aangevoerde verkeerspsychologische inzichten konden het oordeel niet veranderen, omdat eventuele dwaling te wijten was aan persoonlijke onoplettendheid.

Het hof bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 16 april 2026.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd wegens voldoende kenbaarheid van betaald parkeren op de betreffende plek.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/1409
16 april 2026
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z], belanghebbende,
tegen de uitspraak van 10 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/7665 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats], de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting ongegrond verklaard.
1.2.
In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft belanghebbende een hogerberoepschrift ingediend en de heffingsambtenaar een verweerschrift.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
Met een scanauto is geconstateerd dat de auto van belanghebbende op 26 september 2024 om 13:14 uur stond geparkeerd langs de [straat] in [plaats], terwijl de op die plaats en op dat moment verschuldigde parkeerbelasting ter zake van dat parkeren niet was voldaan. Daarom heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, welke aanslag hij bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd.
2.2.
Op de [straat] gelden stopverboden. Parkeren is nochtans (in elk geval) toegestaan in diverse verharde parkeervakken, al dan niet gelegen op een parkeerterrein, en op een strook langs de rijbaan bij de golfbaan. Op die laatste strook, waarvan de bovenlaag uit zand met wat grind, split of schelpen bestaat, stond de auto van belanghebbende geparkeerd.
2.3.
In de stukken van het geding bevinden zich diverse foto’s van de [straat] en de directe omgeving, met daarop zichtbaar allerlei bebording over betaald parkeren en diverse parkeermeters. Onmiddellijk aan de strook waar de auto van belanghebbende geparkeerd stond, staat geen betaaldparkerenbord of een parkeermeter, maar wel enige meters verderop bij het direct naastgelegen, verharde parkeerterrein. Aan het begin van de [straat] hing in september 2024 verder een geel bord waarop met zwarte letters was vermeld:
“Let op! Per 1 juli 2023
verkeerssituatie gewijzigd
Vanaf 1 juli enkel
betaald-/vergunning
parkeren”

3.Geschil in hoger beroep

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij heeft overwogen dat zoveel borden over betaald parkeren en parkeermeters staan in de omgeving van de plek waar de auto van belanghebbende stond geparkeerd, dat duidelijk is dat (ook) daar betaald parkeren geldt, net als in de rest van [plaats], en dat de modderigheid van de bewuste parkeerplek daaraan niet afdoet.
4.2.
In hoger beroep betoogt belanghebbende dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de door hem naar voren gebrachte argumenten. Die argumenten komen erop neer dat voor de strook langs de rijbaan waar zijn auto stond geparkeerd het betaald parkeren niet duidelijk kenbaar is gemaakt. De situatie ter plaatse wijst volgens belanghebbende zelfs erop dat op die strook het betaald parkeren juist niet geldt. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing mede naar de “(verkeers)psychologische begrippen perceptie, schema’s en inattentional blindness”.
4.3.
Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat, door de aanwezigheid van vele borden en parkeermeters, te zien op de foto’s in de stukken, voldoende kenbaar is dat ten tijde van het parkeren op de gehele [straat] betaald parkeren gold, zoals in de Verordening Parkeerbelastingen 2024 van Gemeente [plaats] is bepaald. Belanghebbende is langs die borden en meters gereden naar de plek waar hij zijn auto heeft geparkeerd en kon, nog steeds gezien de foto’s in de stukken, bij het uitstappen in zijn directe nabijheid een parkeermeter zien. De bewuste parkeerplek was bovendien duidelijk openbaar terrein, behorende bij de weg, terwijl nergens een uitzondering op het alom in de omgeving (
i.e.de plaats [plaats]) geldende betaald parkeren kenbaar is gemaakt. Het ontbreken van bestrating met belijning op de bewuste strook, het ontbreken van een bord of parkeermeter specifiek bij die strook, en de ligging naast een golfclub, wijzen in redelijkheid evenmin op een dergelijke uitzondering.
4.4.
Het Hof heeft ook kennisgenomen van de verkeerspsychologische inzichten waarnaar belanghebbende heeft verwezen, maar die inzichten hebben niet tot een ander oordeel geleid. Indien belanghebbende inderdaad oprecht heeft gedwaald over het betaald parkeren, zoals hij stelt, ligt het veeleer in de rede dat die dwaling het gevolg is van een hem persoonlijk aangaande
inattentional blindnessof onoplettendheid. Een perceptie en/of schematische indeling van de situatie ter plaatse in die zin dat het in de omgeving geldende en kenbaar gemaakte betaald parkeren specifiek op de bewuste strook niet zou gelden, en dat de parkeermeter enige meters verderop er slechts zou staan voor de met klinkers verharde en door belijning gemarkeerde parkeerplaatsen, is naar het oordeel van het Hof in elk geval niet objectief gerechtvaardigd. De situatie ter plaatse had belanghebbende minimaal aanleiding moeten geven het geldende parkeerregime nader te onderzoeken. De gestelde dwaling kan daarom niet afdoen aan de verschuldigdheid van de parkeerbelasting en de kosten van de naheffingsaanslag.
4.5.
Ten slotte moge het zo zijn dat in diverse door belanghebbende aangehaalde uitspraken van andere rechters andere oordelen zijn geveld over de kenbaarheid van betaald parkeren dan wel van parkeerverboden, maar dat zijn casuïstische oordelen over andere plaatsen. Voor deze zaak zijn die uitspraken zonder betekenis.
4.6.
De slotsom is daarom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5.Kosten

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: