ECLI:NL:GHAMS:2026:1821

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.364.158/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 lid 5 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: termijnoverschrijding herstelexploot en tussentijds cassatieberoep toegestaan

In deze civiele procedure tussen LOVÉBA GROEP B.V. en Stichting De Boetzelaer stond de vraag centraal of het herstelexploot, dat een dag te laat was betekend, alsnog ontvankelijk kon worden verklaard. De dagvaarding in hoger beroep was niet tijdig ingediend tegen de oorspronkelijke rechtsdag, maar het herstelexploot en de dagvaarding waren wel tijdig voor de nieuwe rechtsdag ingediend.

Appellante voerde aan dat de vertraging veroorzaakt was door een fout van de gerechtsdeurwaarder en dat geïntimeerde niet onredelijk in haar belangen was geschaad, mede omdat zij steeds op de hoogte was gehouden van de gewijzigde procedurele planning. Geïntimeerde stelde dat de termijnoverschrijding de aanhangigheid van het geding had doen vervallen en dat geen uitzondering op de wettelijke termijn mogelijk was.

Het hof oordeelde dat onder de gegeven omstandigheden de termijnoverschrijding niet tot onredelijke belangenbeschadiging had geleid en dat het gerechtvaardigd was voorbij te gaan aan de termijn. Tevens wees het hof het verzoek van geïntimeerde om terug te komen op de rolbeslissing af en stond het tussentijds cassatieberoep toe, ondanks mogelijke vertragingen, vanwege het belang van duidelijkheid over de procesrechtelijke kwestie.

De zaak is verwezen naar de rol voor memorie van grieven en verdere beslissingen zijn aangehouden.

Uitkomst: Het hof gaat voorbij aan de termijnoverschrijding van het herstelexploot en staat tussentijds cassatieberoep toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.364.158/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/746815 / HA ZA 24-170
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026
inzake
LOVÉBA GROEP B.V.,
gevestigd te Utrecht,
appellante,
advocaat: mr. P.M. Leerink te Deventer,
tegen
STICHTING DE BOETZELAER,
gevestigd te Monster, gemeente Westerland,
geïntimeerde,
advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de rolbeslissing van 3 maart 2026 (hierna: de rolbeslissing). Bij die rolbeslissing is aan geïntimeerde verstek verleend en is appellante gelast de rolbeslissing te betekenen aan geïntimeerde en haar met inachtneming van de dagvaardingstermijn op te roepen voor de rol van 31 maart 2026.
Op de rol van 31 maart 2026 heeft appellante een op 10 maart 2026 aan geïntimeerde betekend exploot “Betekening rolbeslissing houdende verstekverlening met oproeping” overgelegd, waarbij geïntimeerde is opgeroepen om op 31 maart 2026 bij het hof te verschijnen.
Geïntimeerde is op de rol van 31 maart 2026 in het geding verschenen.
Bij brief van 30 maart 2026 van haar advocaat heeft geïntimeerde gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheid om te reageren op de rolbeslissing. Zij verzoekt het hof van de rolbeslissing terug te komen en appellante alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep. Voor het geval dat niet wordt teruggekomen van de rolbeslissing, heeft geïntimeerde het hof verzocht te bepalen dat van die beslissing tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld.
Appellante heeft bij e-mail van 3 juni 2026 verzocht het verzoek tot het openstellen van tussentijds cassatieberoep af te wijzen.
Arrest is nader bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1.
In deze zaak doet zich de situatie voor dat de dagvaarding in hoger beroep niet tegen de aangezegde rechtsdag (9 december 2025) bij de griffie van het hof is ingediend en dat het herstelexploot waarmee appellante heeft getracht dit verzuim te herstellen niet binnen de in artikel 125 lid 5 Rv Pro vermelde termijn van veertien dagen na de oorspronkelijke aangezegde rechtsdag is uitgebracht maar een dag later, te weten op 24 december 2025. Het herstelexploot en de dagvaarding in hoger beroep zijn wel tijdig voor de bij het herstelexploot aangezegde rechtsdag (27 januari 2026) bij het hof ingediend.
2.2.
Appellante heeft, zoals gezegd in de rolbeslissing, het hof bij haar brief van 21 januari 2026 bericht dat het feit dat het herstelexploot een dag te laat is uitgebracht, is veroorzaakt door een fout van de gerechtsdeurwaarder, aan wie wel tijdig opdracht was gegeven om het herstelexploot te betekenen. Appellante heeft het hof verzocht haar de toegang tot een inhoudelijke behandeling niet te ontzeggen en zich in dat verband op de volgende omstandigheden beroepen:
- de dagvaarding in hoger beroep is tijdig betekend;
- reeds op 5 december 2025 is aan geïntimeerde bericht dat – wegens schikkingsonderhandelingen tussen (onder meer) partijen – appellante de dagvaarding niet zou aanbrengen voor de rol van 9 december 2025 en binnen twee weken een herstelexploot zou uitbrengen tegen een latere roldatum;
- op 9 december 2025 is aan geïntimeerde bericht dat een herstelexploot zou worden uitgebracht tegen 27 januari 2026;
- het herstelexploot is slechts één dag na afloop van de in artikel 125 lid 5 Rv Pro vermelde termijn betekend.
2.3.
Bij de rolbeslissing is overwogen dat zich hier weliswaar de situatie van artikel 125 lid 5 Rv Pro voordoet en dat dit in beginsel betekent dat het hof de instantie als geëindigd moet beschouwen, maar dat het hof in deze zaak aanleiding ziet voorbij te gaan aan de termijnoverschrijding. Hiervoor is redengevend dat, uitgaande van hetgeen in de brief van 21 januari 2026 is beschreven, moet worden geoordeeld dat geïntimeerde niet onredelijk in haar belangen is geschaad. Zij is steeds ervan op de hoogte gehouden dat in verband met de schikkingsonderhandelingen tussen (onder meer) partijen de correct en tijdig uitgebrachte dagvaarding in hoger beroep niet voor de oorspronkelijk aangezegde rechtsdag bij de griffie van het hof zou worden ingediend en dat een herstelexploot zou worden uitgebracht tegen de datum van 27 januari 2026, zoals uiteindelijk ook is gebeurd. Het feit dat dat door een fout van de gerechtsdeurwaarder een dag later is gebeurd dan volgens artikel 125 lid 5 Rv Pro was vereist, heeft geïntimeerde niet onredelijk in haar belangen geschaad. De periode van onduidelijkheid was immers uiterst kort en de mogelijke hoop te kunnen profiteren van de gemaakte fout is niet een rechtens te respecteren belang. Vervolgens is in de rolbeslissing geconcludeerd dat dit betekent dat het hof zal handelen alsof aan de termijn van artikel 125 lid 5 Rv Pro is voldaan en aan geïntimeerde verstek zal verlenen, nu deze niet is verschenen.
2.4.
In haar brief van 30 maart 2026 stelt geïntimeerde zich op het standpunt dat door de schending van de termijn van artikel 125 lid 5 Rv Pro de aanhangigheid van het geding is vervallen, waardoor het herstelexploot geen effect meer had. Voor het aannemen van een uitzondering op die termijn bestaat geen grond. Appellante heeft er immers welbewust voor gekozen om gelet op de schikkingsonderhandelingen de dagvaarding in hoger beroep niet aan te brengen, zodat het voor haar risico komt dat, toen zij zich genoodzaakt zag verder te procederen, de daarvoor geldende termijn niet in acht is genomen. Ook als geïntimeerde niet in haar belangen zou zijn geschaad, dan kan dat volgens haar aan de termijnoverschrijding niet afdoen. De rechtszekerheid staat er namelijk aan in de weg dat na ommekomst van een wettelijke termijn om een verzuim te herstellen door de rechter de facto nog een tweede termijn wordt gecreëerd. In dit verband wijst geïntimeerde erop dat de rechtspraak van de Hoge Raad sinds de introductie in 2002 van de termijn van twee weken in artikel 125 lid 5 Rv Pro, waarmee door de wetgever iedere ruimte voor deformalisering is weggenomen, navenant strenger is. Geïntimeerde stelt overigens wel degelijk in haar belangen te zijn geschaad, want zij is flink op achterstand gezet doordat zij zich pas na de rolbeslissing heeft kunnen uitlaten over de brief van appellante; geïntimeerde had zich eerder niet gesteld, omdat zij gelet op het bepaalde in artikel 125 lid 5 Rv Pro in de veronderstelling verkeerde dat dat niet mogelijk was.
2.5.
Uit de brief van 30 maart 2026 volgt dat geïntimeerde de juistheid niet betwist van de door appellante gestelde en onder 2.2 weergegeven omstandigheden rond de betekening van de dagvaarding in hoger beroep en het herstelexploot. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden voorbij dient te worden gegaan aan de termijn van artikel 125 lid 5 Rv Pro, zoals verwoord in de rolbeslissing. Wat geïntimeerde hiertegen heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het door geïntimeerde aangevoerde algemene belang van strikte handhaving van die termijn onvoldoende is om te concluderen dat zij door de te late betekening van het herstelexploot onredelijk in haar belangen is geschaad. Geïntimeerde stelt dat zij weliswaar de mogelijkheid heeft gekregen om zich uit te laten over de brief van appellante van 21 januari 2026, maar dat zij ‘flink op achterstand’ is gezet doordat de rolbeslissing al was genomen en zij daardoor evident in haar belangen is geschaad. Het hof volgt haar daarin niet. De rolraadsheer heeft onder ogen gezien dat geïntimeerde, doordat zij niet in het geding was verschenen, niet heeft kunnen reageren op de genoemde brief van appellante. Daarom is zij in de gelegenheid gesteld dat alsnog te doen en is in de rolbeslissing uitgesproken dat het hof van de gegeven beslissing kan terugkomen als de reactie daartoe aanleiding zou geven. Onder deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat geïntimeerde door de gang van zaken onredelijk in haar belangen is geschaad. Ook het overige dat geïntimeerde heeft aangevoerd kan niet tot die conclusie leiden. De conclusie moet dan ook zijn dat het hof niet terugkomt van de rolbeslissing en het daartoe strekkende verzoek van geïntimeerde zal afwijzen.
2.6.
Dit betekent dat het hof toekomt aan het verzoek van geïntimeerde om van dit arrest tussentijds cassatieberoep open te stellen. Volgens geïntimeerde is de proceseconomie erbij gebaat dat over de aan de orde zijnde procesrechtelijke kwestie eerst en vooraf duidelijkheid wordt verkregen, aangezien zo kan worden voorkomen dat er mogelijk nodeloos tijd en kosten in een inhoudelijk debat worden gestoken. Appellante heeft daartegen aangevoerd dat de beslissing van het hof ‘niet cassabel is’, omdat met die beslissing geen einde komt aan enig geschil, en dat tussentijds cassatieberoep zal leiden tot een aanmerkelijke, onaanvaardbare vertraging van zowel deze procedure als twee daarmee samenhangende procedures die bij het hof lopen.
2.7.
Als wettelijk uitgangspunt geldt dat tussentijds cassatieberoep niet is toegestaan. Het hof ziet in de door geïntimeerde aangevoerde omstandigheden voldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat het openstellen van tussentijds beroep in cassatie tot vertraging van de procedure en mogelijk ook van daarmee samenhangende procedures leidt, acht het hof in dit geval niet van zodanig gewicht dat dit aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

3.Beslissing

Het hof:
wijst het verzoek om terug te komen van de rolbeslissing van 3 maart 2026 af;
verwijst de zaak naar de rol van 18 augustus 2026 voor memorie van grieven door appellante;
houdt iedere verdere beslissing aan;
bepaalt dat van dit arrest tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, A.R. Sturhoofd en L. Alwin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.