ECLI:NL:GHAMS:2026:1837

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.366.409/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BWArt. 1:265b BWArt. 1.1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een 10-jarige minderjarige. De kinderrechter stelde de minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling en machtigde de uithuisplaatsing bij de vader, waarbij het kind in het weekend bij de moeder verblijft. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissingen.

De moeder voerde aan dat het onderzoek van de raad onvolledig was en dat zij hulpverlening accepteert, waardoor de ondertoezichtstelling niet gerechtvaardigd is. Ook stelde zij dat de uithuisplaatsing onterecht en niet in het belang van het kind is, mede vanwege de wisseling van school en de opvoedsituatie bij de vader. De raad en de vader stelden dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk zijn vanwege het grote schoolverzuim en de onveilige situatie bij de moeder.

Het hof oordeelde dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing terecht zijn. Het schoolverzuim was groot en verbeterde aanzienlijk sinds het kind bij de vader woont. De moeder heeft weliswaar stappen gezet, maar de zorgen over de opvoedsituatie zijn nog niet weggenomen. Het hof bekrachtigde de beschikking van de kinderrechter en benadrukte het belang van het doorlopen van begeleidingsprogramma's en het betrekken van een kindbehartiger.

De machtiging tot uithuisplaatsing werd voor de volledige periode van een jaar gehandhaafd, mede vanwege de positieve ontwikkeling van het kind bij de vader en de twijfel over de thuissituatie bij de moeder. Het hof wees ook op de noodzaak van aandacht voor de omgang met de biologische vader en de toekomstige zorgregeling tussen ouders.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader voor de periode van een jaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.366.409/01
zaaknummer rechtbank: C/13/780088 / JE RK 25-909
beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. A.C. van der Hulst te Amsterdam,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] );
- [de vader] (hierna: de vader);
- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats A] , gevestigd te [plaats A] (hierna: de GI).

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (10 jaar). De kinderrechter van de rechtbank Amsterdam heeft [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de periode van 13 januari 2026 tot 13 januari 2027. De kinderrechter heeft daarnaast een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met ingang van 13 januari 2026 tot 13 januari 2027 voor verblijf bij de vader waarbij [minderjarige] van vrijdag na school tot zondag 16:00 uur bij de moeder verblijft. De moeder is het niet eens met deze beslissingen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 17 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter).
2.2
De raad heeft op 15 april 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof is daarnaast het volgende stuk binnengekomen:
- een e-mail van de raad van 5 juni 2026 met bijlagen (stukken uit de procedure bij de kinderrechter).
2.4
De voorzitter heeft in de week voorafgaand aan de zitting met [minderjarige] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling is een samenvatting gegeven van dit gesprek. De aanwezigen hebben gelegenheid gehad daarop te reageren.
2.5
De zitting heeft op 9 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2.6
Na de zitting is, met instemming van het hof, het proces-verbaal van de zitting bij de kinderrechter door de advocaat van de moeder ingediend.
2.7
Bij bericht van 19 juni 2026 heeft de raad zonder daartoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld een aangepaste versie van zijn rapport van 10 december 2025 ingezonden. Het hof laat de aangepaste versie van het rapport bij de beoordeling van deze zaak buiten beschouwing.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2015 te [plaats A] . De ouders hebben van 2018 tot 2022 een relatie gehad en in gezinsverband geleefd met [minderjarige] .
Anders dan in het rapport van de raad van 10 december 2025 is genoemd, zijn de ouders niet met elkaar gehuwd geweest.
3.2
De vader heeft [minderjarige] erkend maar is niet de biologische vader van [minderjarige] . Sinds 8 juni 2023 oefenen de ouders op hun gezamenlijk verzoek daartoe samen het gezag uit over [minderjarige] .
3.3
Bij beschikking van 7 februari 2024 van de kinderrechter is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 7 februari 2024 tot 7 februari 2025. Deze ondertoezichtstelling is daarna niet verlengd.
3.4
Tot aan de machtiging tot uithuisplaatsing woonde [minderjarige] bij de moeder.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de bestreden beschikking onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 13 januari 2026 tot 13 januari 2027 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met gezag verleend met ingang van 13 januari 2026 tot 13 januari 2027 waarbij [minderjarige] van vrijdag na school tot zondag 16:00 uur bij de moeder verblijft.
4.2
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de raad alsnog af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder de periode van de machtiging tot uithuisplaatsing te verkorten.
4.3
De raad verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
Uit artikel 1:265b, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De standpunten
5.3
De moeder stelt zich op het standpunt dat [minderjarige] ten onrechte onder toezicht is gesteld. De raad heeft slechts een korte periode onderzoek gedaan, het onderzoek was onvolledig en er worden door de raad onjuiste conclusies getrokken. Er zijn geen recente overzichten van het schoolverzuim van [minderjarige] in het rapport opgenomen. Uit recente overzichten zou blijken dat hij veel minder van school heeft verzuimd dan dat de raad doet voorkomen. Het klopt dat de moeder de afgelopen jaren hulpverlening nodig heeft gehad maar zij heeft daar altijd voor open gestaan. Hulpverlening wordt ook nu door haar geaccepteerd zodat aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling is niet voldaan.
Met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is de moeder van mening dat deze machtiging onterecht is verleend. Niet duidelijk is geworden wat zo acuut heftig was dat [minderjarige] direct per 13 januari 2026 voor een heel jaar uit huis geplaatst moest worden. Het is onjuist dat alleen een verblijf van [minderjarige] bij de vader er voor kan zorgen dat [minderjarige] zonder te verzuimen naar school gaat. Er is bovendien onvoldoende zicht op de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vader. De vader heeft, door zijn drukke werkschema, weinig tijd voor [minderjarige] en [minderjarige] brengt veel tijd door bij zijn opa en oma vaderszijde. Een uithuisplaatsing is op geen enkele manier in het belang van [minderjarige] en ook de plotse wisseling van school als gevolg van de uithuisplaatsing is niet in het belang van [minderjarige] geweest, [minderjarige] vindt het ook niet fijn op de nieuwe school.
5.4
De raad is van mening dat [minderjarige] door de kinderrechter op juiste gronden onder toezicht is gesteld. De onderzoeksperiode is twee maanden geweest, dat is niet kort. De moeder heeft bovendien de gelegenheid gehad om te reageren op de inhoud van het rapport waarbij haar reacties zijn verwerkt in het rapport. In februari 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet verlengd omdat de GI geen verlengingsverzoek had gedaan.
Dit is buiten medeweten van de raad gebeurd en de raad heeft destijds daarom niet kunnen toetsen of een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] al dan niet nog nodig was. Uit het verloop van de huidige ondertoezichtstelling kan niet de conclusie worden getrokken dat de moeder zonder meer meewerkt aan het tot stand komen van de benodigde hulpverlening.
Ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is volgens de raad op juiste gronden verleend door de kinderrechter. Sinds [minderjarige] bij de vader verblijft gaat hij zonder te verzuimen naar school. De machtiging tot uithuisplaatsing is de enige optie geweest om [minderjarige] zonder verzuim naar school te laten gaan en om hem de gelegenheid te bieden om weer toe te komen aan een veilige en voorspelbare ontwikkeling. Tijdens het raadsonderzoek zijn geen zorgen naar voren gekomen over de opvoedsituatie bij de vader en die zorgen zijn er ook nu niet. Toen [minderjarige] bij de moeder woonde waren er grote zorgen over haar pedagogisch handelen. [minderjarige] heeft jarenlang veel van school verzuimd. Op dit moment is nog altijd onvoldoende zicht op de thuissituatie waarin [minderjarige] bij de moeder zou moeten opgroeien. De raad wijst er in zijn rapport van 10 december 2025 op dat in het kader van een strafrechtelijke verdenking jegens de moeder een Pro Justitia rapport is opgesteld door een GZ-psycholoog. In het rapport van 27 juni 2023 wordt onder meer benoemd dat bij de moeder sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de raad benadrukt dat het belangrijk is dat de ouders het traject bij Family Supporters gaan volgen omdat [minderjarige] last heeft van de langlopende strijd tussen de ouders. De moeder heeft een forse geschiedenis van hulpverlening. Veelal is onvoldoende aan de hulpverlening meegewerkt.
5.5
De vader heeft tijdens de zitting bij het hof aangegeven dat hij sinds dat [minderjarige] twee jaar oud is een belangrijke rol als opvoeder in het leven van [minderjarige] heeft. Destijds werd de biologische vader van [minderjarige] buiten beeld van [minderjarige] gehouden. De vader heeft vier a vijf jaar in gezinsverband samengewoond met de moeder en [minderjarige] .
Het gaat goed met [minderjarige] bij vader thuis. Hij gaat elke dag naar school, haalt goede cijfers, is sociaal en [minderjarige] heeft het goed naar zijn zin. Na schooltijd speelt hij met vriendjes. [minderjarige] wordt op een normale tijd naar school gebracht. In verband met de werktijden van de vader verblijft [minderjarige] op een aantal doordeweekse dagen na schooltijd bij zijn opa en oma, die op loopafstand van de school van [minderjarige] wonen. Tijdens de periode waarin de moeder in detentie verbleef , in 2023, heeft [minderjarige] ruim vijf maanden bij de vader gewoond. Toen was er al sprake van dat [minderjarige] eigenlijk niet meer bij de moeder kon wonen. Dat is uiteindelijk toch wel gebeurd omdat de vader valselijk werd beschuldigd van mishandeling. Er is een heel traject voorafgegaan aan de huidige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
5.6
De GI heeft tijdens de zitting bij het hof aangegeven het begrijpelijk te vinden dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft uitgesproken. De GI heeft wel twijfel gehad bij de door de kinderrechter aangenomen noodzaak om [minderjarige] op 13 januari 2026 per direct bij de vader te plaatsen. Elke twee weken heeft de gezinsmanager een gesprek met [minderjarige] , bij de vader thuis. Naar omstandigheden gaat het goed met [minderjarige] . Vanuit school is vernomen dat het ook op school goed gaat met [minderjarige] . [minderjarige] heeft een positieve loyaliteit naar beide ouders toe. [minderjarige] heeft wel last van wat er tussen de ouders speelt en zit daarmee in de knel. Het is daarbij zorgelijk dat [minderjarige] zich zorgen maakt over met name de eigen problematiek van de moeder. Het voor de ouders aanbevolen begeleidingstraject Signs of Safety bij Family supporters is nog niet gestart. Ouders staan op dit moment op de wachtlijst. Voor [minderjarige] is een kindbehartiger aangevraagd. Op dit moment zijn de doelen van de ondertoezichtstelling niet gericht op het onderzoeken of [minderjarige] weer bij de moeder kan wonen. De doelen richten zich op het totstandbrenging van een voor [minderjarige] veilige en voorspelbare opvoedomgeving zodat hij zich op een stabiele wijze kan richten op zijn persoonlijke ontwikkeling en op zijn schoolopleiding. De GI benoemt ten slotte dat beide ouders goed mee werken aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
De beoordeling door het hof
5.7
Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de mondelinge behandeling in hoger beroep is het volgende gebleken. De ouders hebben van 2018 tot 2022 een relatie met elkaar gehad en in gezinsverband met [minderjarige] gewoond. De biologische vader van [minderjarige] was toen niet in beeld. Voor de geboorte van [minderjarige] is in het gezin van de moeder hulpverlening ingezet in verband met de opvoeding van haar andere twee zoons waarbij haar zoons onder toezicht hebben gestaan en ook perioden uit huis geplaatst zijn geweest. Na de geboorte van [minderjarige] , [in] 2015, wordt vrijwel direct een onderzoek ingesteld door de raad. [minderjarige] is toen voor de eerste keer onder toezicht gesteld. Op dat moment werd Spoedhulp ingezet bij de moeder thuis om een veilig een stabiele opvoedsituatie te creëren. In 2016 wordt het traject Families First ingezet en in het kader van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van één van haar oudere zoons wordt intensieve ambulante gezinshulp ingezet bij de moeder. In 2017 lijkt het beter te gaan bij de moeder thuis en wordt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet verlengd. Het is dan een aantal jaren rustig rondom het gezin van de moeder, waarin dan ook de vader als opvoeder van [minderjarige] aanwezig is. In juni 2022 wordt een melding gedaan bij Veilig Thuis door de middelbare school van één van de oudere zoons van de moeder vanwege hoog schoolverzuim. Veilig Thuis is een onderzoek gestart omdat het niet lukt contact te krijgen met de moeder. In januari 2023 wordt de moeder aangehouden op verdenking van mensenhandel en fraude. Na deze aanhouding verbleef [minderjarige] een aantal maanden bij de vader. Veilig Thuis doet een verzoek tot onderzoek bij de raad nadat Spoedhulp heeft aangegeven dat al lange tijd sprake is van structurele onveiligheid bij de moeder. Het gezin wordt aangemeld bij Blijvend Veilig en [minderjarige] verblijft nog altijd bij de vader. Na een verjaardag bij familie van de moeder komt [minderjarige] niet meer terug bij de vader. In september 2023 wordt de moeder veroordeeld voor het delict waarvoor zij in januari 2023 is aangehouden. Uit het onderzoek dat door een GZ-psycholoog in het kader van de strafzaak is uitgevoerd blijkt onder meer dat de moeder een persoonlijkheidsstoornis heeft met antisociale en narcistische trekken en dat er bij de moeder sprake is van zwakbegaafdheid. In februari 2024 wordt [minderjarige] opnieuw door de kinderrechter onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling eindigt in februari 2025 waarna Blijvend Veilig in het vrijwillig kader betrokken blijft. Eind februari 2025 verzoekt Blijvend Veilig de raad onderzoek te verrichten omdat de schoolgang van [minderjarige] is verslechterd, de omgang met de vader is gestopt en er geen overeenstemming is tussen de ouders over de hulpverlening die in de toekomst nodig is voor [minderjarige] . Blijvend Veilig heeft daarnaast zorgen geuit over het te laat naar bed gaan van [minderjarige] en mogelijk drugsgebruik van de moeder. De moeder is op dat moment niet meer in contact met Blijvend Veilig. [minderjarige] is vervolgens op 13 januari 2026 bij de vader geplaatst. Ambulante Spoedhulp is per 28 januari 2026 gestart en heeft drie vormen van vervolghulp geadviseerd: Signs of Safety, parallel ouderschap en ondersteuning voor [minderjarige] in de vorm van een kindbehartiger.
5.8
Het hof is, net als de kinderrechter, van oordeel dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader noodzakelijk zijn in verband met de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Op dit moment zijn de zorgen die bestonden ten aanzien van de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder nog niet weggenomen. Het schoolverzuim van [minderjarige] is, zoals blijkt uit de verklaring die de school heeft gegeven aan de raad, vanaf de start op de school groot. Ook kwam [minderjarige] vaak te laat op school. De school is de afwezigheid van [minderjarige] vanaf groep 3 gaan bijhouden. Tot november 2025 heeft de school 11 pagina’s met afwezigheidsmeldingen van [minderjarige] . De school heeft aan de raad benoemd dat zij nog nooit eerder zo veel afwezigheid bij een leerling hebben gezien.
Deze zorgen bestaan ook in het schooljaar 2025-2026, zoals blijkt uit het raadsrapport. Anders dan dat de moeder aangeeft, is het dus niet zo dat het schoolverzuim van [minderjarige] enkel in het verleden heeft gespeeld. Op de leeftijd van [minderjarige] is het cruciaal dat hij zonder verzuim naar school gaat en dat het goed gaat op school. Sinds [minderjarige] bij de vader woont is dat het geval, zoals blijkt uit de verklaringen van de vader, de gezinsmanager en wat [minderjarige] daar zelf over heeft verteld. Het hof heeft op dit moment niet het vertrouwen dat dit ook het geval is als [minderjarige] weer bij de moeder gaat wonen. De situatie bij de moeder thuis in de afgelopen jaren laat zien dat hulpverlening onvoldoende van de grond kwam, wat daar ook de oorzaak van is. Het is nu wel positief dat beide ouders meewerken aan de ondertoezichtstelling en het hof erkent dat de moeder stappen heeft gemaakt (waaronder het verkrijgen van een andere woning) dit maakt echter nog niet dat de ondertoezichtstelling op dit moment niet nodig is. De ouders zijn aangemeld bij Family Supporters (voor de module Signs of Safety en parallel ouderschap) en er is een kindbehartiger aangevraagd voor [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat de ouders het traject bij Family Supporters gaan doorlopen om hun verstandhouding en communicatie en daarmee ook de nu voor van [minderjarige] belastende situatie te verbeteren.
5.9
Het hof is ook van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor een periode van een jaar moet worden verleend en niet voor een kortere duur. [minderjarige] verblijft , ten tijde van de beschikking van dit hof, bijna een half jaar bij de vader en zijn aanwezigheid op school is zeer aanzienlijk verbeterd. Het hof is van oordeel dat deze situatie moet worden voortgezet en bij het hof bestaat aanzienlijke twijfel of de moeder er wel voor kan zorgen dat [minderjarige] , mocht hij bij haar wonen, zonder verzuim naar school gaat.
5.1
Daar komt bij dat het hof zorgen heeft over hoe de weekenden dat [minderjarige] bij de moeder verblijft worden ingericht waarbij de biologische vader van [minderjarige] een prominentere rol aan het krijgen is in het leven van [minderjarige] . Uit het raadsrapport blijkt dat [minderjarige] in het najaar van 2025 van de moeder heeft gehoord wie zijn biologische vader is. De raad heeft in het rapport benadrukt dat het belangrijk is dat [minderjarige] statusvoorlichting krijgt. Ter zitting is gebleken dat [minderjarige] inmiddels vrijwel ieder weekend omgang heeft met zijn biologische vader. De moeder is hier niet altijd bij aanwezig. Voor het hof is het niet duidelijk of [minderjarige] inmiddels statusvoorlichting heeft gehad. Omdat [minderjarige] is opgegroeid met de gezaghebbende vader als opvoeder, kan het hof zich voorstellen dat het voor [minderjarige] verwarrend is om nu ook zijn biologische vader in zijn leven te hebben. In het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling, wellicht door gesprekken hierover met de aanstaande kindbehartiger, zal hier aandacht voor moeten zijn.
5.11
Het hof merkt ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing nog het volgende op. De kinderrechter heeft een jeugdbeschermingsmaatregel opgelegd die daarnaast mede een vorm van een zorgregeling inhoudt. [minderjarige] is namelijk doordeweeks bij de vader uit huis geplaatst en verblijft ieder weekend bij de moeder. Het is van belang dat door de GI wordt onderzocht of de ouders in staat zijn afspraken te maken met betrekking tot de verdeling van de zorg voor [minderjarige] dan wel of een zorgregeling door de rechtbank moet worden vastgesteld in het geval dat in de toekomst geen sprake (meer) is van een jeugdbeschermingsmaatregel.
5.12
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter van 13 januari 2026;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. H.A. van den Berg en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Risseeuw als griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.