ECLI:NL:GHAMS:2026:1926

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
200.366.146/01 en 200.366.146/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:391 BWArt. 1:431 BWArt. 1:432 BWArt. 1:449 BWArt. 282a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van het bewind over de goederen van betrokkene wegens gebrek aan zinvolle voortzetting

Betrokkene was onder bewind gesteld wegens problematische schulden en verkwisting, op verzoek van betrokkene zelf. De kantonrechter had een professionele bewindvoerder benoemd. Betrokkene kwam in hoger beroep en verzocht het bewind op te heffen, stellende dat hij het bewind nooit had gewild en dat zijn schulden zijn ontstaan door omstandigheden buiten zijn schuld.

Het hof oordeelde dat de onderbewindstelling aanvankelijk op goede gronden was toegewezen, omdat betrokkene zelf het verzoek had ingediend en zijn schuldenproblematiek reëel was. Echter, het hof constateerde dat voortzetting van het bewind niet zinvol is vanwege de gebrekkige samenwerking en het ontbreken van vertrouwen tussen betrokkene en de bewindvoerder. Betrokkene wilde geen andere bewindvoerder en ervaart ernstige lichamelijke klachten door de situatie.

Het hof besloot het bewind op te heffen met ingang van 28 juli 2026. De bewindvoerder moet binnen twee maanden na deze datum de eindrekening en verantwoording afleggen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het verzoek tot opschorting van het bewind wordt afgewezen omdat het hof een eindbeschikking geeft.

Uitkomst: Het hof heft het bewind op per 28 juli 2026 wegens gebrek aan zinvolle voortzetting door gebrekkige samenwerking.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.366.146/01 en 200.366.146/02
zaaknummer rechtbank: 12040768 EB VERZ 26-24
beschikking van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak van
[betrokkene],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. B. Mous te Haarlem,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- ZEKER Financiële Zorgverlening B.V. (hierna: de bewindvoerder),
- [de broer 1] , de broer van betrokkene,
- [de broer 2] , de broer van betrokkene,
- [de zus] , de zus van betrokkene.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de vraag of het bewind over de goederen van betrokkene moet worden opgeheven.
1.2
De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) heeft in een beschikking van 16 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld en een professionele bewindvoerder benoemd. Betrokkene is het daarmee niet eens en wil dat het bewind met onmiddellijke ingang wordt opgeheven.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Betrokkene is op 9 maart 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De zitting heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat,
- de bewindvoerder, vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] .

3.De feiten

Betrokkene is geboren [in] 1967 te [plaats B] (Turkije).

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van betrokkene, de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden voor de duur van vijf jaar en ZEKER Financiële Zorgverlening B.V. tot bewindvoerder benoemd.
4.2
Betrokkene verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, hem alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en/of het bewind op te heffen. Voor zover dit niet toewijsbaar is, verzoekt betrokkene alsnog een beslissing te nemen waarin deugdelijk is gemotiveerd waarom bewind op juiste gronden is toegewezen. Verder verzoekt betrokkene de bewindvoerder te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder het salaris van de advocaat en griffierechten. Tot slot verzoekt betrokkene het bewind op te schorten totdat in de bodemprocedure een beschikking is gegeven.
4.3
De bewindvoerder verzoekt – zo begrijpt het hof – de bestreden beschikking te bekrachtigen, met benoeming van een andere bewindvoerder.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid, verloop procedure
Wettelijk kader
5.1
Ingevolge artikel 3 lid 4 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is de verzoeker het griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift en dient de verzoeker ervoor zorg te dragen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de behandeling van de zaak plaatsvindt.
5.2
Op grond van artikel 282a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een verzoeker, indien het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan en nadat hij in de gelegenheid is gesteld zich hierover uit te laten, niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek. Op basis van het vierde lid van artikel 282a Rv kan de rechter deze bepaling buiten toepassing laten, indien hij van oordeel is dat de toepassing hiervan, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In het vijfde lid van artikel 282a Rv is bepaald dat tegen beslissingen ingevolge het tweede, derde of vierde lid geen hogere voorziening openstaat.
Standpunten
5.3
Het meest verstrekkende standpunt van betrokkene houdt in dat de kantonrechter hem ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in het verzoek tot onderbewindstelling, omdat het griffierecht voor dat verzoek niet (tijdig) is voldaan. Betrokkene voert verder aan dat hij door de kantonrechter niet is gehoord en dat de kantonrechter de bestreden beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd.
5.4
De bewindvoerder brengt naar voren dat het vaker voorkomt dat het griffierecht niet of te laat wordt betaald en dat er geen mondelinge behandeling van het verzoek plaatsvindt. Dat leidt er niet toe dat het verzoek niet kan worden toegewezen, aldus de bewindvoerder.
De beoordeling door het hof
5.5
Op grond van artikel 282a Rv had de kantonrechter de vrijheid om het verzoek van betrokkene te behandelen, ook al was het griffierecht daarvoor niet of niet tijdig betaald en kan betrokkene tegen die beslissing niet in hoger beroep opkomen. Voor zover de kantonrechter voorbij is gegaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en het motiveringsbeginsel, is dat in hoger beroep hersteld. In hoger beroep heeft namelijk wel een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarin betrokkene zijn standpunt heeft kunnen toelichten en het hof legt in de beschikking uit hoe het tot zijn oordeel is gekomen. Deze grieven slagen dan ook niet.
Afwijzen of opheffen bewind
Het wettelijk kader
5.6
De gronden voor het bewind volgen uit artikel 1:431, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt: de kantonrechter kan een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand.
5.7
Uit artikel 1:449, tweede lid, BW volgt dat de rechter het bewind kan opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is de onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
De standpunten
5.8
Betrokkene voert aan dat zijn verzoek om onderbewindstelling alsnog moet worden afgewezen of dat het bewind moet worden opgeheven, met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten. Betrokkene stelt dat hij het bewind nooit heeft gewild. Hij heeft zich tot de gemeente gewend om schuldhulpverlening aan te vragen. Daarvoor heeft hij een heleboel papieren moeten invullen, maar hij heeft niet begrepen dat hij daarmee bewind aanvroeg. Betrokkene is de Nederlandse taal daarvoor onvoldoende machtig. Betrokkene wordt nu ten onrechte in zijn levensvrijheid beperkt. Hij is in staat om over zijn eigen financiën te beschikken en er zijn geen problematische schulden. Ter zitting heeft betrokkene verder toegelicht dat zijn schulden zijn ontstaan nadat hij onterecht dakloos is geworden en door tandarts- en zorgkosten. Er wordt maandelijks € 50,- ingehouden op zijn bijstandsuitkering. Zijn problemen zijn alleen maar groter geworden door het bewind, omdat de bewindvoerder zijn huur- en waterlasten niet heeft betaald. De bewindvoerder geeft betrokkene geen inzicht en geen uitzicht. Bovendien ervaart betrokkene ernstige lichamelijke klachten van de hele situatie.
5.9
De bewindvoerder brengt naar voren dat de kantonrechter terecht het bewind heeft uitgesproken, omdat sprake is van problematische schulden. De schulden van betrokkene belopen iets meer dan € 10.000,- en dat is gezien zijn inkomen, te weten een bijstandsuitkering, problematisch. Op zijn inkomen is dan ook beslag gelegd. De bedoeling van de bewindvoerder was om voor betrokkene een schuldsaneringstraject in te zetten. Uit ervaring weet de bewindvoerder dat de schulden van betrokkene gezien zijn inkomen waarschijnlijk zullen worden kwijtgescholden. De bewindvoerder ervaart echter dat samenwerking met betrokkene niet mogelijk is. De bewindvoerder stelt daarom dat het bewind moet worden voortgezet, maar is niet langer bereid het bewind uit te voeren. Voor een kostenveroordeling ziet de bewindvoerder geen aanleiding. De bewindvoerder heeft in het intakegesprek met betrokkene goed uitgelegd wat de aanvraag van bewind inhield en heeft verder vooral geprobeerd het zo goed mogelijk te regelen voor betrokkene.
De beoordeling door het hof
5.1
Het hof is van oordeel dat de kantonrechter ten tijde van de bestreden beschikking op goede gronden het verzoek tot onderbewindstelling heeft toegewezen.
Betrokkene heeft daartoe zelf een aanvraag gedaan. Nadat daarover door het sociaal team van de gemeente en de bewindvoerder met betrokkene is gesproken, heeft betrokkene de formulieren ondertekend. Betrokkene heeft daarover in hoger beroep gesteld dat hij de formulieren niet begreep, maar tegenover de gemotiveerde betwisting van de bewindvoerder, heeft betrokkene niet nader onderbouwd dat zijn wil niet overeenstemde met zijn verklaring. Daarnaast was het verzoek om onderbewindstelling niet zonder grondslag. Het staat naar het oordeel van het hof vast dat de schulden van betrokkene van ruim € 10.000,- niet in verhouding staan tot zijn inkomen. Betrokkene was kennelijk zelf ook van mening dat hij hulp nodig had bij zijn schulden, omdat hij zich voor schuldhulpverlening tot de gemeente had gewend. Onder die omstandigheden kon de kantonrechter het verzoek van betrokkene toewijzen.
5.11
Het hof ziet echter aanleiding het bewind op te heffen. Hoewel het hof in de schuldenpositie van betrokkene de noodzaak voor het bewind ziet, is voor een zinvolle voortzetting van het bewind wel enige samenwerking nodig tussen betrokkene en de bewindvoerder. Betrokkene heeft uitgebreid toegelicht dat hij geen vertrouwen heeft in de bewindvoerder en dat hij niet wil samenwerken. Hij heeft grote weerstand tegen het bewind en zijn gezondheid lijdt daaronder. Betrokkene wil ook geen andere bewindvoerder en heeft geen bereidverklaring van een bewindvoerder in het geding gebracht. Daarnaast heeft ook de bewindvoerder te kennen gegeven het bewind niet langer te willen uitvoeren, gezien de moeizame samenwerking met betrokkene. Dat leidt tot de slotsom dat voortzetting van het bewind niet zinvol is, nu het bewind betrokkene niet heeft gebracht wat hij beoogde. Ter zitting heeft betrokkene het hof een brief getoond waaruit volgens betrokkene blijkt dat hij is toegelaten tot schuldhulpverlening, zodat het hof erop vertrouwt dat betrokkene zelf zijn schulden zal aanpakken.
5.12
Het hof komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat de wettelijke gronden voor het bewind ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren maar inmiddels niet meer aan de orde zijn. Het hof zal het bewind dan ook opheffen met ingang van twee weken na de datum van deze beschikking, te weten per 28 juli 2026.
5.13
Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding de bewindvoerder in de proceskosten te veroordelen, zoals door betrokkene verzocht. Het hof zal de proceskosten compenseren.
5.14
Nu het hof een eindbeschikking geeft, heeft betrokkene geen belang mee bij beoordeling van zijn verzoek tot opschorting van het bewind. Het hof zal dit verzoek afwijzen.
5.15
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.366.146/01
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij na 28 juli 2026 het bewind voortduurt over de goederen die (zullen) toebehoren aan [betrokkene] , geboren te [plaats B] (Turkije) [in] 1967, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
heft op, met ingang van 28 juli 2026, het bewind over de goederen van [betrokkene] ;
bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening- en verantwoording aflegt aan betrokkene en een – zo mogelijk door hen voor akkoord ondertekend – exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Amsterdam overlegt;
draagt de griffier op krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW Pro een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam in verband met aantekening in het centraal curatele- en bewindregister;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
in de zaak met zaaknummer 200.366.146/02
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. J.F. Miedema en mr. L.M. Mons, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.