ECLI:NL:GHAMS:2026:1926
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Opheffing van het bewind over de goederen van betrokkene wegens gebrek aan zinvolle voortzetting
Betrokkene was onder bewind gesteld wegens problematische schulden en verkwisting, op verzoek van betrokkene zelf. De kantonrechter had een professionele bewindvoerder benoemd. Betrokkene kwam in hoger beroep en verzocht het bewind op te heffen, stellende dat hij het bewind nooit had gewild en dat zijn schulden zijn ontstaan door omstandigheden buiten zijn schuld.
Het hof oordeelde dat de onderbewindstelling aanvankelijk op goede gronden was toegewezen, omdat betrokkene zelf het verzoek had ingediend en zijn schuldenproblematiek reëel was. Echter, het hof constateerde dat voortzetting van het bewind niet zinvol is vanwege de gebrekkige samenwerking en het ontbreken van vertrouwen tussen betrokkene en de bewindvoerder. Betrokkene wilde geen andere bewindvoerder en ervaart ernstige lichamelijke klachten door de situatie.
Het hof besloot het bewind op te heffen met ingang van 28 juli 2026. De bewindvoerder moet binnen twee maanden na deze datum de eindrekening en verantwoording afleggen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het verzoek tot opschorting van het bewind wordt afgewezen omdat het hof een eindbeschikking geeft.
Uitkomst: Het hof heft het bewind op per 28 juli 2026 wegens gebrek aan zinvolle voortzetting door gebrekkige samenwerking.