ECLI:NL:GHAMS:2026:1955

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
25/756 en 25/757
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27quater Invorderingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over rentevergoeding bij antidumpingrechten in strijd met Unierecht

In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of de inspecteur rente moest vergoeden aan belanghebbende over antidumpingrechten en rente op achterstallen die in strijd met het Unierecht waren geheven. De rechtbank had de inspecteur daartoe veroordeeld.

De inspecteur ging in hoger beroep en stelde dat artikel 27quater van de Invorderingswet, dat per 1 januari 2022 van kracht is, bepaalt dat de rentevergoeding door de ontvanger moet worden betaald en niet door de inspecteur. Het hof oordeelde dat deze regeling onmiddellijke werking heeft en ook geldt voor besluiten van de inspecteur van op of na 1 januari 2022, ongeacht wanneer de heffing of betaling plaatsvond.

Het hof vernietigde daarom het bestreden vonnis voor zover het de inspecteur opdroeg rente te vergoeden. De inspecteur hoeft dus geen rente te betalen, aangezien de ontvanger deze reeds heeft vergoed. Er werd geen kostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam op 28 mei 2026.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover de inspecteur rente moet vergoeden, omdat de rentevergoeding door de ontvanger moet worden betaald.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 25/756 en 25/757
28 mei 2026
uitspraak van de meervoudige douanekamer
op het hoger beroep van
de
inspecteur van de Douane, de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 28 januari 2025 in de zaken met kenmerken HAA 22/3310 en HAA 22/3311 in het geding tussen
[X], gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. J.A. Biermasz)
en
de inspecteur.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank onder meer de inspecteur opgedragen om wettelijke rente aan belanghebbende te vergoeden ter zake van antidumpingrechten en rente op achterstallen die zijn geïnd in strijd met het Unierecht.
1.2.
De inspecteur heeft een (hoger)beroepschrift ingediend. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

Op 1 februari 2024 heeft de inspecteur twee aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling voor antidumpingrechten, vermeerderd met rente op achterstallen, tot nihil verminderd met als reden dat die rechten en rente in strijd met het Unierecht zijn geheven. De uitnodigingen op betaling, vastgesteld in 2021 en 2022, betreffen 53 aangiften voor het vrije verkeer voor naadloze roestvrijstalen buizen, gedaan in de periode van 30 juni 2016 tot en met 6 december 2018. Op de uitnodigingen tot betaling heeft belanghebbende betaald.

3.Geschil in hoger beroep

De inspecteur klaagt dat de rechtbank hem ten onrechte heeft opgedragen rente te vergoeden, omdat in artikel 27quater van de Invorderingswet (tekst per 1 januari 2022) is voorzien in vergoeding van rente door de ontvanger. Belanghebbende refereert zich aan het oordeel van het Hof en merkt – net als de inspecteur – op dat de ontvanger inmiddels rente heeft vergoed.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De inspecteur klaagt terecht dat de rechtbank heeft miskend dat de per 1 januari 2022 in artikel 27quater van de Invorderingswet opgenomen rentevergoedingsregeling onmiddellijke werking heeft: die regeling geldt voor alle gevallen waarin de ontvanger op grond van een beschikking van de inspecteur van op of na 1 januari 2022 gehouden is om in strijd met het Unierecht geheven rechten bij invoer (of uitvoer) terug te betalen. Het is niet van betekenis dat de heffing of de betaling van bedoelde rechten eerder heeft plaatsgevonden.
4.2.
Het hoger beroep van de inspecteur is daarom gegrond.

5.Kosten

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6.Beslissing

Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch slechts voor zover het beroep tegen het besluit van 1 februari 2024 gegrond is verklaard, dat besluit partieel is vernietigd en de inspecteur is opgedragen om rente te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, B.A. van Brummelen en C.J. Hummel, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 28 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: