ECLI:NL:GHAMS:2026:196

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
200.356.270/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zorgregeling co-ouderschap in belang van minderjarige

De zaak betreft een geschil over de zorgregeling voor een minderjarige, waarbij de moeder in hoger beroep verzoekt de uitbreiding van de zorgregeling, die een gelijke verdeling van zorg tussen ouders inhoudt, ongedaan te maken. De rechtbank had eerder bepaald dat het kind de helft van de tijd bij elke ouder verblijft.

Het hof heeft de brief van het kind buiten beschouwing gelaten vanwege het ontbreken van hoor en wederhoor. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de bestreden beschikking te bekrachtigen, stellende dat een gelijkwaardige zorgverdeling in het belang van het kind is, ondanks de kwetsbaarheid en problematiek van het kind.

Het hof concludeert dat de gespannen relatie tussen de ouders het kind belast, maar dat de huidige zorgregeling het kind goed lijkt te laten gedijen. De zorgen van de moeder over de zorg bij de vader worden niet gedeeld door het hof, mede gelet op het positieve advies van de Raad en de positieve ontwikkeling van het kind op school.

De moeder's stellingen over disproportionele zorgtaken en onvoldoende medewerking van de vader aan therapieën worden door het hof niet bevestigd. Ook de door de moeder aangevoerde controlerende gedragingen van de vader worden niet als zodanig erkend. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en compenseert de proceskosten, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling waarbij het kind de helft van de tijd bij elke ouder verblijft, omdat dit het meest in het belang van het kind is.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.270/01
zaaknummer rechtbank: C/15/342390 / FA RK 23-3549
beschikking van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur te Oosterhout,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. C.H.C. Houben te Leiden.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [kind 1] (hierna: [kind 1] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling voor [kind 1] (8). De rechtbank heeft op verzoek van de vader bepaald dat [kind 1] de helft van de tijd bij elke ouder is. Die regeling houdt kort gezegd in dat [kind 1] op maandag en dinsdag bij de vader is, op woensdag en donderdag bij de moeder en het ene weekend bij de moeder en het andere weekend bij de vader.
De moeder wil dat de zorgregeling weer wordt zoals daarvoor. Toen was [kind 1] alleen in de even weken op maandag, dinsdag en het weekend bij de vader en was [kind 1] de andere week volledig bij de moeder. Volgens de moeder is de nieuwe regeling niet in het belang van [kind 1] . Het hof laat de beslissing van de rechtbank in stand.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 30 juni 2025 in hoger beroep gekomen van een deel van de beschikking van 28 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 20 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 22 augustus 2025 met bijlage,
- een bericht van de zijde van de moeder van 5 december 2025 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de vader van 5 december 2025 met bijlagen.
2.4
Het hof heeft [kind 1] uitgenodigd om te komen praten met de voorzitter. [kind 1] heeft laten weten dat hij niet wilde komen en een brief geschreven waarin staat wat hij van de zaak vindt. [kind 1] heeft daarbij geschreven dat hij niet wil dat beide ouders weten wat er in de brief staat. Het hof kan de inhoud van de brief niet meewegen bij zijn beslissing, omdat de ouders niet hebben kunnen reageren op de inhoud van de brief. Het zou in strijd zijn met het beginsel van hoor en wederhoor om toch rekening te houden met wat [kind 1] heeft geschreven. Het hof laat de brief dus buiten beschouwing.
2.5
De zitting heeft op 17 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.
De advocaten van de ouders hebben beiden op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [kind 1] , geboren [in] 2017 te [plaats B] . De vader heeft [kind 1] erkend. De ouders hebben sinds 2022 samen het gezag over [kind 1] .
3.2
Dit hof heeft op 31 januari 2023 als reguliere zorgregeling bepaald dat [kind 1] – na een opbouwregeling – vanaf 1 mei 2023 in de even weken van maandagmiddag uit school/bso tot woensdagochtend naar school en van vrijdagmiddag uit school/bso tot maandagochtend naar school bij de vader verblijft en in de oneven weken alle dagen bij de moeder verblijft.
3.3
De vader heeft uit een eerdere relatie twee minderjarige kinderen: [kind 2] , geboren [in] 2008 en [kind 3] , geboren [in] 2010.
3.4
De moeder heeft [in] 2024 een kind gekregen: [kind 4 ] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op verzoek van de vader en met wijziging van de beschikking van dit hof van 31 januari 2023, de volgende reguliere zorgregeling vastgesteld:
- [kind 1] verblijft van maandagmiddag uit school/bso tot woensdagochtend naar school bij de vader en van woensdagmiddag uit school/BSO tot vrijdagochtend naar school bij de moeder;
- in de even weken verblijft [kind 1] vrijdagmiddag uit school/bso tot maandagochtend naar school bij de vader;
- in de oneven weken verblijft [kind 1] vrijdagmiddag uit school/bso tot maandagochtend naar school bij de moeder.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek van de vader tot uitbreiding van de zorgregeling met [kind 1] alsnog af te wijzen.
4.3
De vader verzoekt de moeder in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder in de kosten van de procedure te veroordelen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan onder meer omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (een zorgregeling).
De standpunten
5.2
Volgens de moeder heeft de rechtbank de zorgregeling uitgebreid zonder dat daarbij de belangen van [kind 1] de eerste overweging vormden. Dat had op grond van artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) wel gemoeten. Een fifty-fifty-regeling is niet voor elk kind het beste. De uitbreiding van de zorgregeling is niet in het belang van [kind 1] . Het heeft ertoe geleid dat [kind 1] oververmoeid is. [kind 1] heeft een grote mond als hij terugkomt van de vader. Ook stelt de vader weinig grenzen en lijkt hij volwassen zaken met [kind 1] te bespreken.
5.3
De vader wijst erop dat de raad in 2022 onderzoek heeft gedaan naar het gezin en heeft geadviseerd dat een gelijke verdeling van zorg in het belang van [kind 1] is. De zorgregeling uit de bestreden beschikking verloopt goed. Op dit moment maakt [kind 1] positieve stappen in zijn ontwikkeling. De moeder heeft de afgelopen jaren telkens en zonder onderbouwing uiteenlopende beschuldigingen over de vader geuit, maar die beschuldigingen zijn volgens de vader ongegrond.
Het advies van de raad
5.4
De raad adviseert het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. [kind 1] moet zich een beeld kunnen vormen van beide ouders en daarbij past een zo gelijkwaardig mogelijke zorgverdeling. Dat hoeft weliswaar niet per se te betekenen dat [kind 1] de helft van de tijd bij elke ouder is, maar het is niet in [kind 1] belang om opnieuw de zorgregeling te wijzigen, nadat de afgelopen periode de regeling uit de bestreden beschikking uitgevoerd. [kind 1] is kwetsbaar en heeft kindeigen problematiek, maar hij lijkt voor een groter gedeelte last te hebben van de problemen in zijn omgeving. De ouders hebben na [kind 1] geboorte nooit samengewoond en hun samenwerking als ouders had een lastige start. Voor [kind 1] is het ingewikkeld om te leven in twee werelden – die van de vader en die van de moeder – die niet goed met elkaar verbonden zijn. Dat blijkt ook uit het feit dat [kind 1] niet wil dat zijn brief aan het hof wordt gedeeld met beide ouders. Daarnaast is voor [kind 1] belangrijk dat hij erop kan vertrouwen dat de ouders de zorgregeling goed afstemmen en beslissingen nemen waarbij de ouders goed hebben gekeken naar wat [kind 1] nodig heeft. Praktijk [X] kent [kind 1] inmiddels en zou kunnen adviseren over de vraag of de ‘Rots en Water Training’ voor [kind 1] helpend zou zijn.
De beoordeling door het hof
5.5
Centraal in deze zaak staat welke zorgregeling het meest in [kind 1] belang is. [kind 1] lijkt, zoals de raad heeft toegelicht, veel last te hebben van de gespannen relatie tussen de ouders. De ouders hebben beiden verteld dat [kind 1] bij zijn therapeute niet over de ouders wil praten omdat hij niet wil dat iets negatiefs tegen een van zijn ouders wordt gebruikt. Ook heeft [kind 1] in zijn brief aan het hof geschreven dat hij niet wil dat beide ouders weten wat daarin staat. Het hof maakt zich zorgen over het effect dat de moeizame verhouding tussen de ouders op [kind 1] heeft. Het is belangrijk dat de ouders zich inspannen om te zorgen dat [kind 1] daar zo min mogelijk last van heeft. Het hof leidt uit het beroepschrift van de moeder af dat zij geen positief beeld lijkt te hebben van de vader. In die ingewikkelde situatie is het extra belangrijk dat [kind 1] genoeg tijd bij beide ouders doorbrengt zodat hij zich zelfstandig een beeld van hen allebei kan vormen. Daarbij is een zorgregeling waarbij [kind 1] de helft van de tijd bij iedere ouder doorbrengt niet per se noodzakelijk, maar wel een geschikte mogelijkheid. Om te bepalen of die zorgregeling het meest in het belang van [kind 1] is, zal het hof de huidige situatie beoordelen. Tot aan de bestreden beschikking was [kind 1] al redelijk vaak (vijf dagen per twee weken) bij de vader en de afgelopen negen maanden was [kind 1] de helft van de tijd bij de vader. De moeder heeft benadrukt dat [kind 1] een kwetsbaar kind is. De zorgen over [kind 1] bestonden echter al lange tijd voordat de zorgregeling is uitgebreid en de uitbreiding lijkt dus niet de oorzaak van de problemen van [kind 1] te zijn. Door school werd in juli 2025 gezien dat [kind 1] zich zowel cognitief als sociaal-emotioneel op een positieve manier ontwikkelt. Volgens school lijkt [kind 1] emotioneel stabieler en is hij minder snel in tranen. [kind 1] lijkt dus goed te gedijen bij de uitbreiding van de zorgregeling.
5.6
De moeder heeft zorgen geuit over de situatie bij de vader, maar het hof deelt die zorgen niet. In 2022 heeft de raad uitgebreid onderzoek gedaan en toen had de moeder ook zorgen over hoe de vader voor [kind 1] zorgde, maar werden die door de raad niet gedeeld nadat de raad met [kind 1] , de kinderopvang en school had gesproken. Uit die gesprekken kwamen geen aanwijzingen naar voren dat de vader minder goed voor [kind 1] zou zorgen dan de moeder. In deze procedure heeft de moeder andere zorgen naar voren gebracht, over onder meer het slapen van [kind 1] en het stellen van grenzen door de vader. De vader heeft die zorgen uitgebreid betwist. Het hof ziet in het dossier geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de vader minder goed voor [kind 1] zorgt dan de moeder. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, ziet de school juist dat [kind 1] zich positief ontwikkelt, ook nu [kind 1] de helft van de tijd bij de vader is.
5.7
De moeder heeft daarnaast naar voren gebracht dat [kind 1] ondersteuning en therapieën nodig heeft, waar de vader niet aan meewerkt. Volgens de moeder blijft zij daardoor verantwoordelijk voor het leeuwendeel van de zorgtaken, maar moet zij dat in minder tijd klaarspelen. Het hof ziet dat anders. De therapie die [kind 1] bij Praktijk [X] volgt, vindt voor de helft van de tijd plaats als [kind 1] bij de moeder is en voor de andere helft als [kind 1] bij de vader is. Beide ouders zijn betrokken bij de therapie en de evaluatie daarvan. De moeder heeft eerder een training voorgesteld, die de vader op dat moment niet als de meest wenselijke optie beschouwde. Dat de ouders soms over de noodzaak van een specifieke training verschillend denken, betekent niet dat de vader in het algemeen niet meewerkt aan ondersteuning voor [kind 1] . Inmiddels is er een therapeute betrokken die [kind 1] goed kent en met de ouders kan meedenken over de vraag of een bepaald soort ondersteuning wenselijk is voor [kind 1] . Ook [kind 1] andere activiteiten, zoals sportactiviteiten en hobby’s, vinden plaats zowel als [kind 1] bij de vader is als wanneer [kind 1] bij de moeder is. De uitgebreide zorgregeling maakt dus niet dat de moeder een onevenredig deel van de zorgtaken moet uitvoeren in minder tijd.
5.8
Volgens de moeder vertoont de vader dwingend controlerend gedrag naar de moeder en is hij op de moeder gefixeerd. Zij heeft dat onderbouwd met een verslag van een ‘MASIC-interview’. In het verslag staat ‘de beoordeling via de MASIC kon enkel gebeuren op basis van uw interview en had enkel een therapeutisch doel. [..] Dit verslag [..] kan enkel gebruikt worden voor hulpverlenende doeleinden’. Het verslag bevat een opsomming van vormen van partnergeweld, maar bevat geen concrete voorbeelden van wat er zou zijn voorgevallen tussen de ouders. De moeder heeft ook verder geen recente concrete voorbeelden gegeven waaruit de dwingende controle zou blijken, anders dan dat zij heeft gewezen op het mailcontact tussen de ouders. Uit het mailcontact kan worden afgeleid dat de ouders in een patroon zitten waarbij de moeder het contact probeert te minimaliseren en de vader slechts beperkt informeert, terwijl de vader vasthoudend is in zijn pogingen om tot meer overleg te komen. De vader blijft de moeder bijvoorbeeld uitnodigen om samen naar gesprekken over [kind 1] te gaan. Het hof ziet hier echter geen kenmerken in van dwingende controle. Ook heeft de moeder gewezen op contacten tussen de vader en anderen (zoals bij school, de buitenschoolse opvang of de logopediste), waarbij de vader zich boos zou hebben gedragen. De moeder heeft met name gewezen op gebeurtenissen van langere tijd geleden. De vader heeft betwist dat hij een aanvaring heeft gehad met school en heeft een toelichting gegeven over de andere gebeurtenissen. Zelfs als de vader in het verleden aanvaringen heeft gehad, ziet het hof niet waarom dat ertoe leidt dat de eerdere zorgregeling (waarbij [kind 1] vijf dagen per twee weken bij de vader was) geschikter was dan de huidige zorgregeling.
5.9
Alles afwegende acht het hof een zorgregeling waarbij [kind 1] de helft van de tijd bij elke ouder is het meest in het belang van [kind 1] . Het hof heeft geen zorgen over de situatie bij de vader en [kind 1] lijkt bij de zorgregeling zoals deze nu al maandenlang wordt uitgevoerd goed te gedijen, een regeling waarmee [kind 1] bovendien even veel tijd met zijn oudere (half)zussen bij de vader kan doorbrengen als met zijn jongere (half)zus bij de moeder. Zowel de vader als de moeder vinden het contact met het andere kind/de andere kinderen binnen het eigen gezin positief en belangrijk voor [kind 1] . Om al deze redenen is het, zoals de raad heeft aangegeven, niet in het belang van [kind 1] om hem opnieuw met een wijziging te confronteren door de eerdere, beperktere zorgregeling weer te gaan uitvoeren. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten.
5.1
De vader heeft verzocht de moeder in de proceskosten van het hoger beroep te veroordelen. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding. Vanwege de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten te compenseren, zodat ieder de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. J.M. van Baardewijk en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.