ECLI:NL:GHAMS:2026:1964

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
200.363.061/01 en 200.363.061/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie na wijziging omstandigheden en zorgregeling

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland die de kinderalimentatie verhoogde. De ouders zijn in 2013 gehuwd en in 2022 gescheiden, met twee minderjarige kinderen die bij de moeder wonen. De rechtbank had de alimentatie vastgesteld op €302,50 per kind per maand vanaf 25 juli 2025, hoger dan de eerdere afspraak in het ouderschapsplan.

De vader betwistte de hoogte en verzocht om een lagere alimentatie en schorsing van de beschikking. Het hof bevestigde de Nederlandse rechtsmacht en het toepasselijke recht. Het hof herrekende de alimentatie op basis van de behoefte van de kinderen, de draagkracht van beide ouders en de zorgkorting. De draagkracht van de moeder werd vastgesteld op minimaal €50 per maand vanaf 2026, de vader’s draagkracht op gemiddeld €685 per maand in 2025 en €648 in 2026, gebaseerd op de winst van zijn eenmanszaak over 2023-2025.

De zorgkorting werd vastgesteld op 15% vanaf 1 maart 2026, omdat de omgangsregeling toen was hervat. Het hof bepaalde dat de vader vanaf 25 juli 2025 €342 per kind per maand moet betalen, vanaf 1 januari tot 1 maart 2026 €324, en vanaf 1 maart 2026 €284 per kind per maand. Terugbetaling van teveel betaalde alimentatie door de moeder werd uitgesloten vanwege redelijkheid en het belang van de kinderen.

Het schorsingsverzoek van de vader werd ingetrokken en niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd voor de periode tot 1 maart 2026 en vernietigd voor de periode daarna, waarna het hof zelf de alimentatie vaststelde.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de alimentatie vanaf 25 juli 2025 en stelt deze vanaf 1 maart 2026 bij op €284 per kind per maand, met uitsluiting van terugbetaling door de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.363.061/01 en 200.363.061/02
zaaknummer rechtbank: C/15/367971 / FA RK 25-3860
beschikking van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep en in het incident,
hierna: de vader,
advocaat: mr. N.H. Fridsma te Heemskerk,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep en in het incident,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. I.C. Andréa te Alkmaar.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] (7 jaar) en [minderjarige 2] (8 jaar).
De rechtbank heeft bepaald dat de vader met ingang van 25 juli 2025 een hogere kinderalimentatie aan de moeder moet betalen dan de bijdrage die de ouders in 2022 zijn overeengekomen in een ouderschapsplan. De vader is het daar niet mee eens. Hij verzoekt een lagere kinderalimentatie vast te stellen. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 23 december 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 29 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking). Hij heeft ook verzocht de werking van die beschikking gedeeltelijk te schorsen.
2.2
De moeder heeft op 11 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast nog een bericht van de zijde van de vader van 5 mei 2026, met bijlagen, ontvangen.
2.4
De zitting heeft op 21 mei 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voor de moeder is mevrouw A. Kalloniati opgetreden als tolk in de Griekse taal.
2.5
Bij proces-verbaal van bevindingen van 2 juni 2026 heeft het hof de moeder verzocht binnen een week drie recente loonstroken te overleggen en het hof schriftelijk te informeren met ingang van welke datum haar inkomen is gewijzigd en wat de eventuele gevolgen zijn voor haar draagkracht. De vader is in de gelegenheid gesteld hierop binnen een week te reageren.
2.6
Het hof heeft daarna een bericht van de zijde van de moeder van 10 juni 2026, met bijlagen, ontvangen. Van de zijde van de vader is geen bericht ingekomen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn [in] 2013 gehuwd. Hun huwelijk is op 13 december 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 28 november 2022 in de registers van de burgerlijke stand. De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2018 in [plaats C] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2017 in [plaats C] (hierna gezamenlijk: de kinderen). De kinderen wonen bij de moeder.
3.2
De vader en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Griekse nationaliteit.
3.3
De ouders zijn in 2022 overeengekomen dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderalimentatie) van € 156,- per kind per maand aan de moeder dient te betalen. Deze afspraak is neergelegd in een door de ouders op 19 september 2022 ondertekend ouderschapsplan (hierna: het ouderschapsplan), dat aan voornoemde echtscheidingsbeschikking van 28 november 2022 is gehecht en daarvan deel uitmaakt.
3.4
Bij de - in zoverre niet bestreden - beschikking van 29 september 2025 heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek van de moeder te bepalen dat zij voortaan alleen het gezag over de kinderen uitoefent, aangehouden. De vader heeft nadien in die procedure verzocht de zorgregeling zoals omschreven in het ouderschapsplan te hervatten. Bij proces-verbaal van 14 januari 2026 heeft de rechtbank de ouders doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod. De beslissing over het gezag en de zorgregeling is aangehouden in afwachting van de uitkomst van het hulpverleningstraject.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover nu van belang, met wijziging van het ouderschapsplan en de beschikking van de rechtbank van 28 november 2022 in zoverre, de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 302,50 per kind per maand, met ingang van 25 juli 2025. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de kinderalimentatie vast te stellen op een in goede justitie te bepalen bedrag vanaf een in goede justitie te bepalen datum onder de verplichting dat de moeder hetgeen zij te veel heeft ontvangen aan de vader dient terug te betalen binnen veertien dagen na afgifte van de onderhavige beschikking. Daarnaast verzoekt de vader, naar het hof begrijpt, de werking van de bestreden beschikking te schorsen voor zover de kinderalimentatie het bedrag van € 178,- per kind per maand te boven gaat.
4.3
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

De bevoegdheid en het toepasselijk recht
5.1
Zoals de rechtbank juist heeft geoordeeld, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek van de vader. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast, waartegen geen grieven zijn gericht, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan.
Wijziging van omstandigheden en ingangsdatum
5.2
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en heeft de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie opnieuw vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank als ingangsdatum van de wijziging de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift van de moeder, 25 juli 2025, tot uitgangspunt genomen. Nu hiertegen geen grieven zijn gericht zal ook het hof uitgaan van een wijziging van omstandigheden met deze ingangsdatum.
5.3
Het hof zal de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie opnieuw berekenen. Voor zover hierna bedragen worden genoemd, zal het hof deze telkens afronden, tenzij anders vermeld. De door het hof gemaakte berekeningen in het kader van de kinderalimentatie zijn aan deze beschikking gehecht en maken hiervan deel uit.
Behoefte kinderen
5.4
De behoefte van de kinderen is niet in geschil. Het hof zal uitgaan van de in het ouderschapsplan vastgestelde behoefte van € 315,- per kind per maand in 2022. Geïndexeerd per 1 januari 2025 bedraagt de behoefte € 368,- per kind per maand en per 1 januari 2026 is dat € 385,- per kind per maand.
Draagkracht moeder
5.5
De moeder heeft haar draagkracht in de procedure bij de rechtbank berekend op € 53,- per maand in 2025. In de procedure in hoger beroep heeft de vader twee alimentatieberekeningen overgelegd, waarin ook hij de draagkracht van de moeder heeft berekend op € 53,- per maand. De moeder heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat het hof voor het jaar 2025 ook van die draagkracht zal uitgaan.
Het hof zal de draagkracht van de moeder met ingang van 1 januari 2026 opnieuw vaststellen, omdat haar inkomen in 2026 is gestegen. Uit de door de moeder overgelegde stukken van 10 juni 2026 (zoals genoemd onder 2.6) blijkt dat zij met ingang van 1 januari 2026 werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 24 uur per week. Haar inkomen bedraagt blijkens de overgelegde loonstroken € 1.457,- per vier weken, te vermeerderen met vakantiegeld en een eindejaarsuitkering. Het hof zal bij de draagkrachtberekening van dit inkomen uitgaan, waarop nog pensioen- en overige premies in mindering worden gebracht. Daarnaast zal het hof rekening houden met de gebruikelijke heffingskortingen, kindgebonden budget en netto kinderopvangkosten van € 278,- per maand. De moeder heeft in voornoemd bericht van 10 juni 2026 gesteld dat zij deze kosten voor kinderopvang maakt, hetgeen de vader niet heeft weersproken.
Op grond van deze gegevens concludeert het hof dat aan de zijde van de moeder van een minimale draagkracht van € 50,- per maand (voor de kinderen gezamenlijk) uitgegaan dient te worden.
Draagkracht vader
5.6
Tussen de ouders is in geschil van welk inkomen aan de zijde van de vader moet worden uitgegaan bij het berekenen van zijn draagkracht. De vader heeft een eenmanszaak, klusbedrijf [X] te [plaats A] . In de procedure bij de rechtbank is volgens de vader ten onrechte uitgegaan van een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023 en 2024. Daarbij is de gemiddelde winst uit onderneming over het jaar 2022 ten onrechte buiten beschouwing gelaten. De vader stelt thans, nu ook de jaarcijfers en de aangifte over 2025 gereed zijn, dat van de gemiddelde winst over de jaren 2022 tot en met 2025 uitgegaan dient te worden. Zijn inkomen is wisselend en het gemiddelde over vier jaren geeft volgens de vader een representatief beeld van zijn draagkracht.
De moeder voert verweer. Zij stelt dat de rechtbank de winst over het jaar 2022 terecht buiten beschouwing heeft gelaten. De draagkracht van de vader dient volgens de moeder vastgesteld te worden op grond van de gemiddelde winst over de jaren 2023 tot en met 2025 om een zo actueel en representatief mogelijk beeld te krijgen.
5.7
Het hof zal de draagkracht van de vader, zoals te doen gebruikelijk, vaststellen aan de hand van het gemiddelde bedrijfsresultaat van zijn eenmanszaak over drie jaren. Aangezien de ingangsdatum van de wijziging van de kinderalimentatie in 2025 gelegen is, zal het hof uitgaan van het gemiddelde resultaat over de jaren 2023, 2024 en 2025. Het hof ziet geen aanleiding het jaar 2022 te betrekken bij de berekening. Het hof acht voldoende aannemelijk dat het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2023 tot en met 2025 een representatief en bestendig beeld geeft. Het jaar 2024 laat een wat lager bedrijfsresultaat zien en de andere jaren een wat gunstiger resultaat. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de vader ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven dat hij al jarenlang een samenwerkingsverband heeft met dezelfde aannemer, dat zijn bedrijf steeds beter loopt en dat hij verwacht ook in 2026 voldoende werk te hebben.
De gemiddelde fiscale winst over de jaren 2023, 2024 en 2025 bedraagt (€ 51.716,- + € 36.467,- + € 55.562,- / 3 =) € 47.915,-. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling en de gebruikelijke heffingskortingen, berekent het hof de draagkracht van de vader op € 685,- per maand in 2025 en op € 648,- per maand in 2026.
5.8
Anders dan de vader ter zitting in hoger beroep heeft verzocht, zal het hof zijn draagkracht uitsluitend over de twee kinderen van partijen verdelen. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zijn huidige partner in verwachting is, maar het hof is verder niet geïnformeerd over de zwangerschap van de nieuwe partner van de vader. Met de verwachte geboorte van zijn kind uit de huidige relatie zal het hof dan ook geen rekening gehouden. Het hof merkt hierbij op dat indien sprake is van de geboorte van een nieuw kind de draagkracht van een onderhoudsplichtige ook ten behoeve van de pas geborene dient te worden aangewend.
Draagkrachtvergelijking
5.9
De ouders hebben in de periode vanaf de ingangsdatum tot 1 januari 2026 samen voldoende draagkracht om in de behoefte van de kinderen te kunnen voorzien. Om vast te kunnen stellen welk deel van de behoefte door de vader dient te worden gedragen, wordt een draagkrachtvergelijking gemaakt. Hieruit volgt dat het aandeel van de vader in de behoefte van de kinderen in 2025 (685 / (685 + 53) x € 368,- =) € 342,- per kind per maand bedraagt.
Voor de periode vanaf 1 januari 2026 geldt dat de draagkracht van de ouders gezamenlijk onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven en de man in beginsel zijn gehele beschikbare draagkracht van € 648,- per maand dient aan te wenden om bij te dragen in de kosten van de kinderen. Het hof zal dus uitgaan van een draagkracht aan de zijde van de man van € 324,- per kind per maand.
Zorgkorting
5.1
De ouders verschillen van mening over de hoogte van de zorgkorting. De vader betoogt dat rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting van 25%, zoals de ouders zijn overeengekomen in het ouderschapsplan. Volgens de moeder dient primair rekening te worden gehouden met een zorgkorting van 5% en subsidiair met een zorgkorting van 15%.
5.11
Het hof overweegt als volgt.
Vaststaat dat de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen, zoals neergelegd in het ouderschapsplan, vanaf mei 2025 tijdelijk niet meer is uitgevoerd. De ouders zijn in het kader van de bij de rechtbank aanhangige procedure over onder andere de omgang tussen de vader en de kinderen een hulpverleningstraject aangegaan (zie hierboven 3.4). Dit heeft ertoe geleid dat de omgang tussen de vader en de kinderen sinds ongeveer twee maanden is hervat, aldus de ouders ter zitting in hoger beroep. De kinderen verblijven weer om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 à 19.00 uur bij de vader. Daarnaast hebben de ouders ter zitting in hoger beroep verklaard dat het de bedoeling is dat de vader de kinderen ook weer elke zomervakantie gedurende drie weken bij zich zal hebben.
Deze zorgregeling leidt naar het oordeel van het hof tot een zorgkorting van 15%. Hiermee zal het hof rekening houden met ingang van 1 maart 2026, omdat de zorgregeling volgens de ouders omstreeks die datum weer is hervat. Dat de ouders in het ouderschapsplan een zorgkorting van 25% zijn overeengekomen maakt dit niet anders. Het hof dient op grond van alle thans bestaande relevante omstandigheden een nieuwe kinderalimentatie vast te stellen en is daarbij niet gebonden aan een eerdere afspraak tussen partijen, te meer nu ook de moeder een andere zorgkorting verzoekt.
5.12
De zorgkorting wordt berekend over de behoefte van de kinderen en bedraagt met ingang van 1 maart 2026 (0,15 x € 385,- =) € 58,- per kind per maand. Omdat de ouders samen onvoldoende draagkracht hebben om in de (volledige) behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het tekort gelijkelijk tussen hen verdeeld en wordt het aan de vader toerekenbare deel van dat tekort in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting wordt in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen.
Het tekort bedraagt € 72,- per maand (€ 36,- per kind per maand) waarvan de helft aan de man wordt toegerekend en in mindering wordt gebracht op de zorgkorting van € 58,- per kind maand. Er blijft dan nog een bedrag aan zorgkorting over van € 40,- per kind per maand, welk bedrag in mindering dient te worden gebracht op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen. Het hof komt zo tot een resterende draagkracht van de man van (€ 324 -/- € 40 =) € 284,- per kind per maand.
Conclusie
5.13
Uit de hierboven gemaakte berekeningen volgt dat de vader met ingang van 25 juli 2025 een bijdrage van € 342,- per kind per maand aan de moeder dient te betalen en met ingang van 1 januari 2026 tot 1 maart 2026 een bijdrage van € 324,- per kind per maand. Deze bijdragen zijn hoger dan de door de rechtbank bepaalde bijdrage van € 302,50 per kind per maand. Volgens vaste rechtspraak kan iemands eigen hoger beroep niet resulteren in een beslissing die voor die persoon slechter is dan de beslissing van de eerste rechter. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking op het punt van de kinderalimentatie zal bekrachtigen voor zover het de periode vanaf 25 juli 2025 tot 1 maart 2026 betreft.
Voor de periode vanaf 1 maart 2026 geldt dat de vader een bijdrage van € 284,- per kind per maand aan de moeder dient te betalen. Hieruit volgt in beginsel een terugbetalingsverplichting voor de moeder. Volgens vaste rechtspraak dient van de bevoegdheid om met terugwerkende kracht een wijziging aan te brengen in een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage met behoedzaamheid gebruik te worden gemaakt, met name als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van het teveel betaalde. Naar verwachting zal geen sprake zijn van de omstandigheid dat de moeder te veel ontvangen alimentatie moet terugbetalen, aangezien de vader in zijn beroepschrift heeft aangegeven niet meer dan € 178,- per kind per maand te kunnen betalen en niet gebleken is dat hij meer heeft betaald of meer op hem is verhaald. Mocht dit wel het geval zijn, dan is het hof van oordeel dat terugbetaling in redelijkheid niet van de moeder kan worden gevergd, omdat de ontvangen alimentatie naar verwachting zal zijn verbruikt ten behoeve van de kinderen. Het hof zal daarom beslissen dat voor zover de vader meer kinderalimentatie heeft betaald dan waartoe hij gehouden was, de moeder het meerdere niet hoeft terug te betalen.
5.14
Tot slot heeft de vader ter zitting in hoger beroep zijn schorsingsverzoek ingetrokken onder de voorwaarde dat het hof uiterlijk op 14 juli 2026 uitspraak in de hoofdzaak zou doen. Deze voorwaarde is met de onderhavige beschikking in vervulling gegaan. Gelet hierop beschouwt het hof het schorsingsverzoek van de vader als ingetrokken, waardoor het niet meer door het hof kan worden beoordeeld. Het hof zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.
5.15
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.363.061/01
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2026 betreft en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt, met wijziging van het ouderschapsplan en de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 28 november 2022 in zoverre, de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie op € 284,- per kind per maand met ingang van 1 maart 2026, voor zover het de toekomstige termijnen betreft telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met dien verstande dat voor zover de vader meer heeft betaald dan waartoe hij op grond van deze beschikking gehouden was, de moeder dit meerdere niet hoeft terug te betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 25 juli 2025 tot 1 maart 2026 betreft;
wijst af het in hoger beroep anders of meer verzochte;
in de zaak met zaaknummer 200.363.061/02
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn schorsingsverzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. H.A. van den Berg en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.