ECLI:NL:GHAMS:2026:197

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
200.356.043/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake gezag en hoofdverblijfplaats van minderjarige

In deze zaak gaat het om het gezag over de minderjarige [minderjarige] en de bepaling van haar hoofdverblijfplaats. De vader, verzoeker in hoger beroep, is het niet eens met de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2025, waarin de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] is belast. De vader verzoekt om het gezag alleen aan hem toe te kennen of om gezamenlijk gezag. Hij wil ook dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt vastgesteld. De moeder, verweerster in hoger beroep, verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen. De zaak is behandeld op 26 november 2025, waarbij de vader niet ter zitting verscheen. De rechtbank heeft in eerdere beschikkingen al verschillende zorgregelingen vastgesteld, maar de situatie tussen de ouders is gespannen en er zijn zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige]. Het hof oordeelt dat de moeder met het eenhoofdig gezag moet worden belast, omdat er sinds de beschikking van de rechtbank meer rust is ontstaan en [minderjarige] volledig bij de moeder verblijft. De vader heeft niet aangetoond dat hij constructief kan samenwerken met de moeder, en het hof acht gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige]. De verzoeken van de vader worden afgewezen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.043/01
zaaknummer rechtbank: C/13/760095 / FA RK 24-8097 (MN/SR)
beschikking van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. T. Hoekx-Audiffred te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M. Kemmers te Hoorn.
Het hof heeft als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2012 te [plaats B] , Israël (hierna: [minderjarige] ).
Het hof heeft daarnaast als informant aangemerkt:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio [plaats A] ,
gevestigd te [plaats A] ,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1.
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] en bij wie van de ouders [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben.
1.2.
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 25 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de moeder haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten toegewezen. De vader is het hier niet mee eens. De vader wil dat hij alleen het gezag over [minderjarige] heeft, dan wel dat de ouders samen het gezag over [minderjarige] hebben. Hij verzoekt daarnaast de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen.
2. De procedure in hoger beroep
2.1.
De vader is op 24 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2.
De moeder heeft op 30 juli 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de man van 4 augustus 2025;
- een bericht van de raad van 25 november 2025 met bijlagen.
2.4.
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vindt. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder een briefje van [minderjarige] overgelegd, de inhoud daarvan is door de voorzitter kort samengevat weergegeven op de zitting.
2.5.
De zitting heeft op 26 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en dhr. I.M. Khokhar, een tolk in de Engelse taal;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in persoon ter zitting verschenen.
De advocaat van de vader heeft een pleitnotitie overgelegd.
2.6.
De raad is, met bericht van afmelding, niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1.
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn van [datum] 2009 tot 8 november 2017 gehuwd geweest. Uit het huwelijk is [in] 2012 [minderjarige] geboren te
[plaats B] . Israël. De vader en [minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit. De moeder heeft de Hongaarse nationaliteit.
3.2.
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. Tot de bestreden beschikking oefenden de ouders gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.3.
[minderjarige] staat sinds 15 december 2023 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 15 december 2025.
3.4.
Bij beschikking van 25 oktober 2017 van de rechtbank is, voor zover hier van belang, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn, met de volgende zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] : elke week van woensdagavond tot vrijdagavond is [minderjarige] bij de vader, alsmede eens per twee weken aansluitend het weekend.
3.5.
Bij beschikking van 17 april 2019 van de rechtbank is, voor zover hier van belang, bepaald dat [minderjarige] bij de vader is de ene week van woensdag uit school tot vrijdag naar school en de andere week van woensdag uit school tot maandag naar school.
3.6.
Bij beschikking van 19 mei 2021 van de rechtbank is, voor zover hier van belang, bepaald dat [minderjarige] de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader verblijft, waarbij het wisselmoment vrijdag op school plaatsvindt. Daarnaast is aan de moeder vervangende toestemming verleend zodat [minderjarige] gesprekken kan voeren bij het OKT.
3.7.
Bij vonnis van 5 juli 2023 van de rechtbank is, voor zover hier van belang, de vader veroordeeld tot nakoming van de beschikking van 19 mei 2021, inhoudende dat [minderjarige] vanaf de vrijdagen in de oneven weken na schooltijd gedurende een week bij de moeder verblijft en vanaf de vrijdagen in de even weken na schooltijd een week bij de vader verblijft. Daarnaast is een verdeling van de zomervakantie 2023 bepaald.
3.8.
Bij beschikking van 27 maart 2024 van de rechtbank is, voor zover hier van belang, een
verdeling van de vakanties en feestdagen bepaald en is vervangende toestemming aan de moeder verleend om [minderjarige] aan te melden bij het OKT [plaats A] voor een passende behandeling.
3.9.
Bij vonnis van 29 juli 2024 van de rechtbank is, voor zover hier van belang, de moeder vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] binnen Europa met vakantie te gaan.
3.10.
Bij beschikking van 14 november 2024 van de rechtbank is, voor zover hier van belang, de schriftelijke aanwijzing van de GI aan de vader van 24 september 2024 bekrachtigd.
3.11.
Bij beschikking van 15 januari 2025 is een spoedbeslissing genomen waarbij is bepaald dat [minderjarige] voor de duur van twee weken vanaf de datum van de beslissing niet bij de vader zal verblijven en geen contact met hem zal hebben; onder aanhouding van het meer of anders verzochte.
3.12.
Bij beschikking van 27 januari 2025 van de rechtbank is, voor zover hier van belang de spoedbeslissing van 15 januari 2025 gehandhaafd. Door de GI is het resterende verzoek ingetrokken en is een voorstel aan ouders gedaan om de fifty-fifty regeling te handhaven, spoedhulp in te zetten en via samenwerking met de ouders en de GI meer zicht te krijgen op de gezinssituaties.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op verzoek van de moeder bepaald dat voortaan alleen aan de moeder het ouderlijk gezag toekomt over [minderjarige] . De verzoeken van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen en om te bepalen dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan hem toekomt zijn afgewezen.
4.2.
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,
I. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader is;
II. te bepalen dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de vader toekomt, dan wel dat het gezag door de ouders gezamenlijk wordt uitgeoefend.
4.3.
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vader in de proceskosten te veroordelen.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Aan de orde is het gezag over [minderjarige] en haar hoofdverblijfplaats.
5.2.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank waarbij de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] is belast. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het de ouders al lange tijd niet lukt om samen te werken en te communiceren in het belang van [minderjarige] en dat de vader weigerachtig zou zijn met het geven van toestemming voor vakantie en voor hulpverlening van [minderjarige] . Volgens de vader heeft de rechtbank te weinig aandacht gegeven aan de gebeurtenissen sinds het incident op 2 januari 2025. Sindsdien verblijft [minderjarige] vrijwel volledig bij hem. Erna hebben nog een paar incidenten plaatsgevonden met betrekking tot [minderjarige] waar de politie bij betrokken is geweest, welke incidenten volgens de vader veroorzaakt zijn door de moeder.
De vader is van mening dat er problemen zijn omdat [minderjarige] en de moeder veel ruzie maken en de vader daar tussen zit. Hij heeft een hele goede band met [minderjarige] . De vader herkent zich niet in het beeld dat door de GI van hem wordt geschetst. Hij vindt het belangrijk dat het verhaal van twee zijden wordt belicht. Zowel in het rapport van de GI als in de bestreden beschikking staat dat er zorgen zijn over de vader. Volgens de vader zijn er wel zorgen, maar zien deze op de moeder.
De vader betwist dat hij zich al jarenlang verzet tegen hulpverlening, zoals door de rechtbank is overwogen. Hij vindt het belangrijk dat [minderjarige] haar mening kan geven en dat er naar haar geluisterd wordt. Als zij niet meer belast wil worden met hulpverlening dan stemt de vader daarmee in. Mocht [minderjarige] aangeven dat zij graag hulp wil, dan zal de vader ervoor zorgen dat zij die hulp krijgt. Verder is de vader het niet eens met het oordeel dat er geen zicht zou zijn bij de opvoedsituatie bij hem thuis. Volgens de vader heeft de gezinsmanager hem niet, althans onvoldoende betrokken bij de situatie.
De vader benadrukt dat hij toestemming heeft gegeven voor spoedhulp vanuit Ihub. Bij Ihub heeft [minderjarige] aangegeven dat zij niet wil dat haar moeder eenhoofdig gezag heeft, maar dat haar ouders gezamenlijk gezag hebben.
De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het noodzakelijk zou zijn om het eenhoofdig gezag bij de moeder te bepalen omdat er snel beslissingen moeten worden genomen en de vader hieraan zijn medewerking zou onthouden. Volgens de vader is gebleken dat hij niet degene is die beslissingen in de weg staat en dat hij als alleenstaande ouder zonder gezag tegen moeilijkheden aanloopt die het lastig maken zijn leven met [minderjarige] vorm te geven. De huidige situatie is niet in overeenstemming met de wens van [minderjarige] en doet geen recht aan de werkelijkheid, aldus de vader.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is de vader van mening dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij hem dient te hebben omdat zij grotendeels bij hem verblijft.
Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de vader nog het volgende toegevoegd. De echte problemen zijn volgens de vader ontstaan sinds de ondertoezichtstelling is uitgesproken en de GI tussen de ouders in is gaan staan. Inmiddels is [minderjarige] ook graag bij haar moeder. Volgens de vader heeft het gezin rust nodig en is het voor [minderjarige] het beste als beide ouders evenveel zeggenschap hebben.
5.3.
De moeder is het eens met de beslissing van de rechtbank. Zij voert kort samengevat aan dat de vader sinds de bestreden beschikking niet heeft laten zien dat hij bereid is op een constructieve manier met de moeder samen te werken en te communiceren in het belang van [minderjarige] . Bij de mondelinge behandeling van het hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling heeft hij verklaard dat hij het geadviseerde niet nodig acht omdat het probleem uitsluitend bij de moeder ligt en bij haar relatie met [minderjarige] . De vader geeft bij de GI aan dat hij de adviezen niet opvolgt. Hij deelt ondanks verzoeken daartoe zijn vakantieplannen niet met de moeder. De vader weigert niet alleen om toestemming te geven voor passende hulpverlening voor [minderjarige] , maar hij geeft ook structureel geen toestemming voor bijvoorbeeld vakanties.
De vader geeft aan dat hij [minderjarige] steunt als zij geen hulpverlening wil, maar de moeder vraagt zich af of [minderjarige] echt niet wil praten met de hulpverlening of dat zij niet durft. Uit verschillende meldingen bij Veilig Thuis (productie 7-9) blijkt dat de politie sterk de indruk heeft dat [minderjarige] bang is en niet vrijuit in het bijzijn van haar vader durft te praten.
Als de vader weer met het gezag over [minderjarige] belast zal worden verwacht de moeder dat het zicht op [minderjarige] nog verder naar de achtergrond zal verdwijnen en dat meer problemen zullen ontstaan wanneer noodzakelijke beslissingen over [minderjarige] genomen moeten worden.
De moeder concludeert dat [minderjarige] klem en verloren is geraakt tussen de ouders. De vader accepteert de hulpverlening niet en het is niet te verwachten dat binnen afzienbare tijd een verandering in de houding van vader en de situatie voor [minderjarige] zal komen. De moeder zal wel blijven meewerken aan de hulpverlening.
Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat [minderjarige] sinds twee maanden volledig bij haar verblijft. Het gaat goed, er is een positieve verandering gekomen in de verhouding tussen [minderjarige] en de moeder. Het lijkt erop dat [minderjarige] accepteert dat de moeder aan haar kant staat. [minderjarige] is meer ontspannen en haar focus ligt op school en op haarzelf en niet op de scheiding van haar ouders. De vader is op dit moment druk met zijn werk waardoor de ruimte voor deze ontwikkeling lijkt te zijn ontstaan. De moeder hoopt dat het de vader ook in de toekomst, als er weer meer contact is, lukt om [minderjarige] niet te belasten met de complexe relatie tussen de ouders. Er is meer rust ontstaan sinds de moeder het eenhoofdig gezag heeft. De moeder is bang dat [minderjarige] bij gezamenlijk gezag weer klem en verloren raakt. De vader legt de oorzaken voor de problematiek steeds buiten zichzelf, bij de moeder of bij de hulpverlening. De moeder verwacht niet dat dit op korte termijn zal veranderen.
5.4.
De raad heeft in de brief van 25 november 2025 het hof kort samengevat bericht dat de raad achter de beslissingen en overwegingen van de rechtbank staat. Het is in het belang van [minderjarige] dat de moeder belast blijft met het eenhoofdig gezag, omdat er al lange tijd geen sprake is van een constructieve samenwerking tussen de ouders. Daarom is gezamenlijk gezag schadelijk voor [minderjarige] . De raad heeft daarnaast in de brief bericht dat de GI een verzoek heeft voorgelegd aan de raad om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet te verlengen en dat de raad dit verzoek heeft getoetst en akkoord heeft bevonden. Niet omdat de doelen zijn behaald maar omdat er binnen het kader van de ondertoezichtstelling geen stappen genomen kunnen worden die de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg kunnen nemen.
5.5.
De GI heeft ter zitting kort samengevat verklaard dat het een lange is route geweest naar het besluit om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te vragen. Duidelijk was dat er hulp moest komen in het gezin. De vader werkte ondanks een toezegging hiertoe niet mee aan hulpverlening. Het contact tussen de GI en de vader verliep moeizaam, de GI heeft ondanks intimiderende berichten van de vader geprobeerd het contact open te houden. [minderjarige] heeft meerdere keren aangegeven dat ze met rust gelaten wilde worden. Het uitgangspunt van de GI is dat het in het belang van [minderjarige] is dat er rust is. Dat er geen hulpverlening wordt geforceerd, maar ook dat alle juridische procedures stoppen. Als er zorgen zijn over [minderjarige] is het belangrijk dat duidelijk is waar ze hulp kan krijgen. De GI zal [minderjarige] nog advies geven waar zij eventueel op een later moment hulp kan vragen.
De GI heeft geen zorgen over [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de moeder. In de opvoedsituatie bij de vader zijn er geen zorgen over haar fysieke veiligheid, maar wel over de kwaadwillendheid waar [minderjarige] mee wordt belast door de vader ten opzichte van autoriteiten zoals de politie en de GI. De GI hoopt dat de situatie zo kan blijven als deze nu is. [minderjarige] kan op dit moment rustig bij haar moeder verblijven. De moeder heeft een enorme groei doorgemaakt waarvoor zij een compliment verdient. De GI hoopt dat ook de vader kan laten zien dat hij in het belang van [minderjarige] denkt en dat hij haar de andere ouder gunt.
5.6.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is en overweegt daartoe als volgt.
Er is al gedurende jaren sprake van een zeer moeilijke verhouding tussen de ouders. De ouders hebben vele procedures over [minderjarige] gevoerd en er hebben verschillende incidenten plaatsgevonden. Uit het dossier komt een zorgelijk beeld naar voren van de onrustige opvoedsituatie waarin [minderjarige] zich al lange tijd bevindt. Anders dan de vader stelt ligt naar het oordeel van het hof niet de verhouding tussen [minderjarige] en de moeder (alleen) ten grondslag aan de problematiek, maar heeft de verstoorde verhouding tussen de ouders een weerslag op (het gedrag van) [minderjarige] . Duidelijk is dat [minderjarige] belast is geraakt door de situatie. De zorgen over [minderjarige] hebben geleid tot het uitspreken van de ondertoezichtstelling. De hulpverlening die noodzakelijk werd geacht heeft niet kunnen starten omdat de vader geen medewerking wilde verlenen. De vader legt de oorzaak voor de problematiek nu grotendeels bij de betrokken instanties. Deze instanties zijn echter betrokken geraakt omdat er al aanzienlijke zorgen waren. Dat de ouders wel in staat zullen zijn zelf gezamenlijk het gezag uit te oefenen als er geen hulpverleningsinstanties meer betrokken zijn acht het hof dan ook niet aannemelijk.
Gelet op de dynamiek tussen de ouders, het ontbreken van constructief contact tussen hen en de weerstand van de vader ten opzichte van hulpverlening acht het hof gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] . Het hof verwacht, gelet op de lange voorgeschiedenis, ook niet dat hier binnen afzienbare tijd verbetering in zal optreden.
Gebleken is dat er sinds de beslissing van de rechtbank waarbij de moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] , meer rust is ontstaan. [minderjarige] woont sinds enige maanden volledig bij haar moeder en zij lijkt meer ruimte te ervaren in dit contact met haar moeder. De moeder heeft een ontwikkeling doorgemaakt en staat open voor hulpverlening. Het hof is gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de moeder met het eenhoofdig gezag is belast.
Uit het voorgaande volgt dat het hof de verzoeken van de vader met betrekking tot het gezag zal afwijzen en de bestreden beschikking zal bekrachtigen. Het verzoek van de vader met betrekking tot de hoofdverblijfplaats hoeft gelet hierop geen bespreking meer.
5.7.
Het hof ziet onvoldoende aanleiding de vader in de proceskosten te veroordelen zoals door de moeder is verzocht. Het hof zal de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kostend draagt.
5.8.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M van Baardewijk, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.