ECLI:NL:GHAMS:2026:2003

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
200.356.988/01 en 200.356.988/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BWArt. 223 RvArt. 34 lid 1 RvArt. 87 lid 6 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging kinderalimentatie en vaststelling draagkracht ouders in hoger beroep

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een rechtbankbeschikking die kinderalimentatie van €250 per kind per maand vaststelde voor drie minderjarige kinderen. De vader verzocht om een latere ingangsdatum of een lager bedrag, terwijl de moeder de beschikking steunde.

Het hof oordeelde dat de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep ondanks onvolledige processtukken. De ingangsdatum van de alimentatie blijft 17 november 2022, omdat de vader vanaf die datum rekening kon houden met de alimentatieplicht. Betalingen van verblijfsoverstijgende kosten door de vader worden niet in mindering gebracht op de alimentatie.

De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €1.540 per maand, gebaseerd op een netto besteedbaar gezinsinkomen van €6.000. De draagkracht van de vader werd berekend op €1.142 per maand, uitgaande van een forfaitair woonbudget, en die van de moeder op €330 per maand. Samen hebben zij onvoldoende draagkracht om volledig in de behoefte te voorzien.

De zorgkorting voor de vader werd vastgesteld op 25%, rekening houdend met de feitelijke zorgregeling. Na verrekening van het tekort en zorgkorting moet de vader €264 per kind per maand betalen. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en verklaart het verzoek tot provisionele voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de rechtbankbeschikking en wijst het hoger beroep van de vader af, waarbij de kinderalimentatie van €250 per kind per maand met ingang van 17 november 2022 gehandhaafd blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.356.988/01 en 200.356.988/02
zaaknummer rechtbank: C/15/334468 / FA RK 22-5707
beschikking van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
tevens verzoeker in het incident (provisionele voorziening),
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.J.C. Silven te Volendam (onttrokken op 19 mei 2026),
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in hoger beroep,
tevens verweerster in het incident (provisionele voorziening),
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W.R.S. Ramhit te Hoofddorp.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt de minderjarigen:
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] (hiern: [minderjarige 2] );
- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ).

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] (16 jaar), [minderjarige 2] (14 jaar) en [minderjarige 3] (9 jaar). De rechtbank heeft een kinderalimentatie vastgesteld van € 250,- per kind per maand.
De vader is het daar niet mee eens en wil dat de kinderalimentatie met een latere ingangsdatum wordt vastgesteld op nihil, dan wel op een lager bedrag. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 17 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank). Daarbij heeft hij tevens verzocht een provisionele voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (hierna: de provisionele voorziening) te treffen.
2.2
De moeder heeft op 10 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 11 mei 2026 met bijlagen 1 tot en met 10;
- een bericht van de vader van 18 mei 2026 met bijlagen V tot en met Z3.
2.4
[minderjarige 1] heeft in een brief laten weten wat zij van de zaak vindt. De voorzitter heeft op de zitting in hoger beroep de inhoud van haar brief kort en zakelijk weergegeven.
2.5
De zitting heeft op 21 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door M.S. Paunova, een tolk in de Bulgaarse taal;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door M.P. Ilieva, een tolk in de Bulgaarse taal
.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.
2.6
Ter zitting heeft de advocaat van de moeder bezwaar gemaakt tegen de te late indiening van de producties gevoegd bij bericht van de vader van 18 mei 2026. Zij heeft verzocht deze producties en de toelichting daarop buiten beschouwing te laten, nu zij onvoldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om deze stukken te bestuderen en met de moeder te bespreken.
2.7
Het hof heeft ter zitting als beslissing medegedeeld dat, hoewel het bericht van de vader buiten de tiendagentermijn als bedoeld in artikel 87 lid 6 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en - als uitvloeisel daarvan - artikel 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedure familiezaken gerechtshoven (hierna: het Procesreglement) is binnengekomen, het indienen van producties W, Y en Z2 bij bericht van 18 mei 2026 en de daarbij behorende toelichting niet in strijd met de goede procesorde wordt geacht, aangezien deze stukken eenvoudig te doorgronden zijn en niet eerder konden worden ingediend. Het hof heeft ter zitting beslist dat de overige producties bij het bericht van 18 mei 2026, alsmede de toelichting op deze producties buiten beschouwing worden gelaten, omdat deze producties omvangrijk en niet eenvoudig te doorgronden zijn en bovendien zonder noodzaak twee dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingekomen ter griffie van het hof en de goede procesorde zich niet verzet tegen het buiten beschouwing laten van deze producties.
2.8
De moeder is in de gelegenheid gesteld na de mondelinge behandeling nog te reageren op de door de vader ingediende producties W, Y en Z2. Zij heeft op 28 mei 2026 een reactie hierop ingediend.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2010;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2011;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2017.
De ouders zijn getrouwd geweest tot 5 december 2022.
3.2
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder en de ouders zijn samen met het ouderlijk gezag belast.
3.3
[minderjarige 1] verblijft, conform de in zoverre niet bestreden beschikking waarvan beroep, iedere week bij de vader van vrijdag 18:00 uur tot en met zondag 11:00 uur. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven iedere week bij de vader van vrijdag 18:00 uur tot zondag 19:00 uur. Gedurende de schoolvakanties verblijven de kinderen bij de vader gedurende de helft van alle schoolvakanties die twee weken of langer duren.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderalimentatie) met ingang van 17 november 2022 bepaald op € 250,- per kind per maand.
In de zaak met zaaknummer 200.356.988/01:
4.2
De vader verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en primair te bepalen dat de vader (pas) met ingang van 18 april 2025 een kinderalimentatie dient te dragen van nihil, dan wel € 50,- per maand (situatie geen terugwerkende kracht).
Subsidiair verzoekt de vader te bepalen dat hij een kinderalimentatie dient te voldoen met ingang van:
- 17 november 2022 tot en met 31 december 2022 van € 298,- per maand voor drie kinderen;
- 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 van € 26,- per maand (naar het hof begrijpt) voor drie kinderen en met ingang van 1 januari 2024 verzoekt de vader de kinderalimentatie op nihil te stellen, dan wel een kinderalimentatie van € 50,- per maand, waarbij op de alimentatieachterstand een bedrag in mindering dient te worden gebracht van € 12.810,73 (situatie samenwonen moeder).
Meer subsidiair verzoekt de vader te bepalen dat hij een kinderalimentatie dient te voldoen met ingang van:
- 17 november 2022 tot en met 31 december 2022 van € 322,- per maand voor drie kinderen;
- 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 van € 132,- per maand voor drie kinderen
en met ingang van 1 januari 2024 verzoekt de vader de kinderalimentatie op nihil te stellen, dan wel een kinderalimentatie van € 50,- per maand, waarbij op de alimentatieachterstand een bedrag in mindering dient te worden gebracht van € 12.810,73 (situatie niet samenwonen moeder),
althans de kinderalimentatie op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum vast te stellen als het hof juist acht.
In de zaak met zaaknummer 200.356.988/02:
4.3
Voorts verzoekt de vader in het incident de kinderalimentatie met ingang van de dag van indiening van het hoger beroep (17 juli 2025) voor de duur van de procedure op nihil te stellen, althans een bedrag dat het hof juist acht met een door het hof te bepalen ingangsdatum.
In beide zaaknummers:
4.4
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in de hoofdzaak en de provisionele voorziening, dan wel de verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

In beide zaaknummers:
Ontvankelijkheid
5.1
De moeder stelt dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat hij onvoldoende verifieerbare bescheiden heeft overgelegd. De moeder kan zich op deze wijze onvoldoende verweren tegen de verzoeken van de vader. De vader heeft daarnaast niet het volledige procesdossier (uit de eerste aanleg) overgelegd. Er is een patroon ontstaan van telkens nieuwe advocaten inschakelen, stukken laten indienen en waarbij de betreffende advocaten zich later onttrekken. Ook is niet aan de substantiëringsplicht voldaan, aldus de moeder.
5.2
De vader betwist het door de moeder gestelde. Hij stelt onder meer dat de vorige advocaat het bij haar aanwezige procesdossier beschikbaar heeft gesteld, maar dat een aantal producties ontbreken. De vorige en de huidige advocaat van de moeder weigeren deze stukken te overhandigen.
5.3
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1.2.6 van het Procesreglement, een uitwerking van artikel 34 lid 1 Rv Pro, dienen bij het beroepschrift alle stukken uit de eerste aanleg te worden gevoegd. In het geval dat de processtukken niet compleet zijn aangeleverd, kan het hof daaraan gevolgen verbinden, met name indien dit een schending van de goede procesorde oplevert.
Met de moeder is het hof van oordeel dat het procesdossier niet volledig is en om die reden niet voldoet aan de vereisten van het Procesreglement. Het hof is van oordeel dat het voorgaande echter geen zodanige schending van de goede procesorde oplevert, dat dit niet-ontvankelijkheid van de verzoeken van de vader in hoger beroep tot gevolg dient te hebben De overgelegde stukken, waaronder het dossier uit de eerste aanleg, bevatten voldoende informatie over het voorgelegde geschil en de moeder is, mede gelet op de inhoud van het door haar ingediende verweerschrift en haar toelichting ten tijde van de mondelinge behandeling, voldoende in staat geweest inhoudelijk verweer te voeren tegen de door de vader opgeworpen grieven.
Ook de overige door de moeder opgeworpen verweren, waaronder het niet-overleggen van voldoende verifieerbare bescheiden door de man, en de (proces-)gedragingen van de man waar de vrouw op wijst, leiden niet tot een niet-ontvankelijkheid van de vader. De vader is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep en het hof zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
In de zaak met zaaknummer 200.356.988/01:
5.4
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
Ingangsdatum
5.5
De vader verzoekt de ingangsdatum op een latere datum vast te stellen dan 17 november 2022, omdat hij in de periode vanaf 17 november 2022 alle verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen heeft voldaan. De vader had ten tijde van de indiening van het beroepschrift een betalingsachterstand van de kinderalimentatie van € 24.000,- exclusief indexering. De vader heeft vanaf 17 november 2022 de volgende kosten betaald:
- Paardrijden € 2.172,-
- Bulgaarse school € 340,-
- Betalingen op rekening [minderjarige 1] € 6.606,-
- Betalingen op rekening [minderjarige 2] € 3.693,-
Totaal € 12.811,-
De vader verzoekt als ingangsdatum de datum van de bestreden beschikking (18 april 2025) aan te houden en anders voornoemd bedrag van € 12.811,- in mindering te brengen op het aan de moeder verschuldigde alimentatiebedrag. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verklaard dat hij over 2025 voor elk kind € 4.000,- heeft overgemaakt rechtstreeks naar de rekeningen van de kinderen. De vader wil liever geen kinderalimentatie aan de moeder overmaken. Het liefst maakt hij de kinderalimentatie over naar een neutrale bankrekening, zodat inzichtelijk is waar het geld aan wordt uitgegeven.
5.6
De moeder is van mening dat de rechtbank de ingangsdatum correct heeft vastgesteld. De vader had immers vanaf de datum indiening verzoekschrift in eerste aanleg rekening kunnen houden met een te betalen kinderalimentatie. De moeder betwist dat de vader alle verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen voldeed. Hij creëerde zelf kosten en vond dat hij daarmee alles betaalde voor de kinderen, zoals bijvoorbeeld kosten voor paardrijden. Deze bedragen moeten niet in mindering worden gebracht op de kinderalimentatie, zoals de vader verzoekt. De vader draagt niet bij in de normale dagelijkse kosten en ook niet in de grote uitgaven voor beugels, schoolkosten en dergelijke, aldus de moeder.
5.7
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
Daarbij heeft te gelden dat de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, in het algemeen behoedzaam gebruik zal moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum. Het is niet ongebruikelijk om voor de ingangsdatum van een te betalen kinderalimentatie aan te sluiten bij de datum waarop het inleidend processtuk is ingediend, omdat in ieder geval vanaf die datum rekening kan worden gehouden met een mogelijk andere betalingsverplichting.
Het hof ziet in hetgeen de vader daarover heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om van een latere ingangsdatum uit te gaan dan de datum van indiening van het verzoekschrift. Vanaf die datum kon hij immers rekening houden met een mogelijk hogere kinderbijdrage. Het hof zal dan ook, evenals de rechtbank, voor de ingangsdatum uitgaan van 17 november 2022. Het hof zal de door de vader betaalde bedragen of kosten niet in mindering brengen op de door hem te betalen kinderalimentatie. Betaling van dergelijke kosten en betaling direct aan de kinderen is een keuze van de vader zelf geweest. Deze betalingen staan geheel los van de wettelijke verplichting tot betaling van kinderalimentatie. Er is ook geen grondslag voor een verrekening als door de vader gewenst, gelet al op het feit dat de vader niet heeft onderbouwd dat hij over een tegenvordering beschikt die zich voor verrekening leent.
Behoefte van de kinderen
5.8
Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de behoefte van de kinderen. De vader stelt dat de behoefte van de kinderen in 2022 op basis van een netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van € 6.000,- per maand € 520,- per kind per maand, oftewel € 1.560,- per maand bedroeg gebaseerd op de gemiddelde inkomens over de jaren 2019 tot en met 2021.
De moeder stelt dat zij met dezelfde gegevens heeft gerekend. Uit de berekening die de moeder in eerste aanleg heeft overgelegd (productie J) volgt dat de moeder uitgaat van eveneens een NBGI van € 6.000,- per maand en de behoefte becijfert op een bedrag van € 1.540,- per maand.
5.9
Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uit van het NBGI ten tijde van de samenleving, inclusief het kindgebonden budget waarop ten tijde van de samenleving aanspraak werd gemaakt. Het hof stelt de behoefte verder vast met behulp van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen te verminderen met de belastingen en premies die verschuldigd zijn.
Partijen zijn feitelijk in 2022 uit elkaar gegaan. Het hof hanteert daarom de tarieven van 2022.
5.1
Tussen partijen is niet in geschil dat het NBGI € 6.000,- per maand bedroeg in 2022. Het hof kan dan ook bij benadering berekenen welk gedeelte daarvan aan de kinderen werd uitgegeven en op grond van de Nibud-tabellen de behoefte van de kinderen vaststellen. Uit die tabellen volgt bij een NBGI van € 6.000,- een behoefte van € 1.540,- per maand in 2022, dus per kind € 513,- per maand.
Draagkracht ouders
5.11
Het hof moet vervolgens beoordelen of de ouders over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in deze behoefte te kunnen betalen. Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van beide ouders hun NBI tot uitgangspunt.
Draagkracht vader
5.12
De vader voert een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [X] . Uit de overgelegde (concept)jaarstukken van [X] van de jaren 2023 tot en met 2025 volgt dat het bedrijfsresultaat in 2023 € 40.456,- heeft bedragen, in 2024 € 42.224,- en in 2025 € 101.987,-. Daarnaast blijkt uit de aangifte IB 2023 dat de vader in dat jaar nog een inkomen had uit loondienst van € 29.563,- en uitkering van € 995,- van [Y] .
De vader heeft weliswaar in zijn beroepschrift per jaar een draagkrachtberekening gemaakt met de desbetreffende inkomsten uit dat jaar, maar bij productie Y heeft de vader een verklaring van de boekhouder overgelegd waarin de boekhouder adviseert uit te gaan van een gemiddelde winst van de afgelopen drie jaren van € 61.556,- per jaar, omdat de voorraadpost in 2023 en 2024 volledig buiten beschouwing is gelaten in tegenstelling tot 2025.
5.13
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat zij kan instemmen met deze gemiddelde winst van de vader. Zij heeft echter, bij uitlating na afloop van de zitting, zich op het standpunt gesteld dat de draagkracht van de vader gebaseerd dient te worden op de privé-onttrekkingen in 2025 van € 112.529,-, omdat dit het meest recent en meest representatief is voor het werkelijke verdienvermogen van de man. Daarom gaat de moeder niet meer uit van een gemiddeld inkomen.
5.14
Het hof gaat voor het berekenen van de draagkracht van de vader uit van de gemiddelde winst uit onderneming en niet enkel van de privé-onttrekkingen over 2025. Het is gebruikelijk om de draagkracht te berekenen aan de hand van de bedrijfsresultaten. Privé-onttrekkingen moeten worden gezien als een voorschot op de winst. Voor zover deze privé-onttrekkingen hoger zijn dan de winst toestaat, kan dat meerdere in beginsel niet worden aangemerkt als draagkracht, omdat het resultaat van de onderneming dat uiteindelijk niet toelaat. Het hof zal daarom, zoals te doen gebruikelijk bij ondernemers - vooral als sprake is van schommelingen - uitgaan van een gemiddelde winst over drie jaren. Omdat de te berekenen kinderalimentatie, op anderhalve maand na, vanaf 2023 verschuldigd is, ziet het hof aanleiding de jaren 2023 tot en met 2025 hierbij als uitgangspunt te nemen, en dus het in 5.12 al genoemde bedrag van € 61.556,-. Het hof laat hierbij het inkomen van de vader uit loondienst over 2023 buiten beschouwing omdat hij in 2023 is ontslagen en hij deze inkomsten sinds die tijd niet meer heeft genoten
.De vader heeft voorts recht op de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Bij de bepaling van zijn draagkracht wordt tot slot rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Aan de hand van deze cijfers becijfert het hof het gemiddelde NBI van de vader vanaf 17 november 2022 op € 3.787,- per maand.
5.15
Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de in 2022 geldende formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.020)]. Deze berekeningswijze houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met het forfaitaire woonbudget, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 1.020,- aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.
Woonbudget vader
5.16
De vader stelt dat niet gerekend moet worden met het forfaitaire woonbudget (dat uitkomt op € 1.136,- per maand volgens de formule) maar dat rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlast van € 1.800,- per maand en vanaf mei 2026 met een woonlast van € 2.300,- per maand, omdat sprake is van een niet-verwijtbare, noch vermijdbare hoge woonlast.
Volgens de moeder is er geen reden om af te wijken van het forfaitaire woonbudget. Bovendien blijkt uit de brieven van Veilig Thuis volgens de moeder dat de vader geen woning heeft. Hij boekt een bungalow of slaapt in de auto. Daarnaast zijn structurele huurbetalingen door de vader niet aangetoond, aldus de moeder.
5.17
Het hof is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd waarom het niet redelijk is om uit te gaan van het woonbudget. Het uitgangspunt is dat bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie aansluiting wordt gezocht bij de forfaitaire woonlast. Daarbij wordt voorkomen dat afhankelijk van de keuze van de onderhoudsplichtige hogere en bovenmatige lasten kort gezegd voor rekening van de kinderen komen. Bovendien is gebleken (zie hierna onder 5.26) dat beide partijen onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van de kinderen te kunnen voorzien. Indien het hof rekening zou houden met de door de vader gestelde hogere woonlasten, zou dit betekenen dat het aandeel dat hij kan bijdragen in de kosten van de kinderen lager wordt. Dit vindt het hof, gelet op het uitgangspunten dat de belangen van de kinderen voorop staan, niet wenselijk. De gevolgen van de door hem gekozen of door hem te dragen hogere woonlasten kunnen in deze omstandigheden niet op de kinderen worden afgewenteld; de vader dient deze extra lasten vanuit zijn budget te voldoen. Het hof gaat daarom uit van het forfaitaire woonbudget.
Op grond van de hiervoor onder 5.15 genoemde draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan € 1.142,- per maand.
Draagkracht moeder
5.18
De moeder voert een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [Z] . Uit de overgelegde (concept)jaarstukken van [Z] van de jaren 2023 tot en met 2025 blijkt een bedrijfsresultaat van € 24.453,- in 2023, € 21.069,- in 2024 en € 12.418,- in 2025, hetgeen neerkomt op een gemiddelde winst uit onderneming van (€ 57.940,- / 3 =) € 19.313,-.
5.19
De vader stelt dat aan de zijde van de moeder rekening moet worden gehouden met een hogere verdiencapaciteit, omdat sprake is van opzettelijke winstderving. Zij kan geacht worden eenzelfde inkomen te genereren als in 2020 en 2021. De vader stelt dat uitgegaan moet worden van een gemiddelde winst over 2020 en 2021 van € 60.636,-. Er is geen plausibele reden waarom zij van een winst van € 70.063,- in 2020 naar een verzamelinkomen van € 52.000,- in 2021 is gegaan en in 2024 naar een winst van € 25.000,-. De moeder is influencer en verdient geld met de verkoop van beautyproducten. Zij is ambassadeur van een merk ( [merk] ) en haar (winst)aandeel in al haar verkopen is 40%. Zij ontving in 2024 nog een succestrip, iets wat een medewerker ontvangt bij een bruto omzet van meer dan € 70.000,- in zes maanden. De klanten betalen op de Revolut-bankrekening van de moeder in Bulgarije die zij niet aangeeft bij de belastingdienst, aldus de vader. De moeder was, volgens de vader ter zitting, bij een vorig bedrijf “director”, waarbij zij € 8.000,- per maand verdiende. En met haar huidige bedrijf is zij “manager”, hetgeen betekent dat zij een inkomen heeft van € 7.000,- per maand.
5.2
De moeder voert aan dat zij een wisselend en beperkt inkomen heeft naast de volledige zorg voor de kinderen. Vanaf het moment dat partijen uiteen zijn gegaan, is de zorg voor de kinderen op de schouders van de moeder komen te rusten. Van een hogere verdiencapaciteit bij de moeder is thans geen sprake. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder desgevraagd verklaard dat zij geen extra inkomsten heeft in Bulgarije. In 2024 was de moeder genoodzaakt om met een andere businesspartner in zee te gaan en daarvoor moest zij veel geld investeren. Om die reden zijn de kosten van de inkoop in 2024 veel hoger dan in 2025, aldus de moeder. Volgens de moeder moet uitgegaan worden van haar gemiddelde winst en niet van een verdiencapaciteit.
5.21
Het hof ziet geen aanleiding om uit te gaan van een hogere verdiencapaciteit van de moeder, gelet op het feit dat het grootste deel van de zorg voor de kinderen op haar neerkomt en door de vader onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit volgt dat zij de afgelopen periode en ook nu een hoger inkomen zou (kunnen) genereren. Dat zij nog andere inkomsten in Bulgarije zou hebben, is niet gebleken. Het hof zal daarom net als bij de vader uitgaan van een gemiddelde winst van de moeder over de jaren 2023 tot en met 2025 van € 19.313,-. De moeder heeft recht op de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Bij de bepaling van haar draagkracht wordt tot slot rekening gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Daarnaast maakt de moeder aanspraak op een kindgebondenbudget van € 572,- per maand. Aan de hand van deze cijfers becijfert het hof het gemiddelde NBI van de moeder vanaf 2022 op € 2.130,- per maand.
Woonbudget moeder
5.22
Volgens de vader woont de moeder sinds 2022 samen met een nieuwe partner, als waren zij gehuwd, als gevolg waarvan zij de woonlasten feitelijk deelt. Hij verzoekt hiermee rekening te houden bij de bepaling van de hoogte van de draagkracht van de moeder.
5.23
De moeder betwist dat zij samenwoont met haar nieuwe partner.
5.24
Tegenover deze betwisting heeft de vader naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat sprake is van de door hem gestelde samenwoning en voorts waarom afgeweken dient te worden van het forfaitaire woonbudget. Het hof ziet hiertoe dan ook geen aanleiding en zal uitgaan van het forfaitaire woonbudget.
5.25
Op grond van de onder 5.15 genoemde draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de moeder € 330,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
5.26
De ouders hebben samen een draagkracht van € 1.472,- per maand (€ 1.142,- + € 330,-), terwijl de kosten van de kinderen € 1.540,- per maand zijn. Een draagkrachtvergelijking is hier niet nodig, omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. De ouders komen dus samen een bedrag van € 68,- per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de vader met € 1.142,- per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen, oftewel € 381,- per kind per maand.
Zorgkorting
5.27
Tussen de vader en de kinderen is een zorgregeling vastgesteld. Dat betekent dat de vader voor een deel rechtstreeks in zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen voorziet. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg.
De vader stelt dat de kinderen wekelijks van vrijdag tot en met zondag bij hem zijn en daarnaast verblijven ze drie weken in de zomer en twee keer een week gedurende de tweeweekse vakanties bij de vader, hetgeen omgerekend neerkomt op 0,67 dag per week extra. De vader acht daarom een zorgkorting van 30% redelijk.
Volgens de moeder komt de vader de vastgelegde zorgregeling niet na. Soms gaat de regeling pas op zaterdag in, soms wordt een weekend overgeslagen. Zelfs een zorgkorting van 25% is volgens de moeder al te ruim gezien de daadwerkelijke contactmomenten tussen de vader en de kinderen.
5.28
Omdat de vader gemiddeld ruim twee dagen per week de zorg heeft voor de kinderen alsmede een deel van de vakanties, is het hof van oordeel dat een percentage van 25% geldt. Dit komt neer op een bedrag van (0,25 x € 513,- =) € 128,- per kind per maand.
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van de ouders gezamenlijk onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. In dit geval is de gezamenlijke draagkracht € 1.472,- per maand, zodat er een tekort is van € 68,- per maand. Het tekort wordt aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit betekent dat het hof een zorgkorting van (€ 128,- -/- € 11,- =) € 117,- per kind per maand in mindering brengt op de draagkracht van de vader. Er blijft dan een bedrag over van (€ 381,- -/- € 117,- =) € 264,- per kind per maand dat de vader aan kinderalimentatie dient te betalen.
Conclusie
5.29
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de door de moeder verzochte kinderalimentatie van € 250,- per kind per maand met ingang van 17 november 2022 de draagkracht van de vader niet overstijgt. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen. Het hof heeft berekeningen gemaakt van het NBI en de draagkracht van de ouders en de verdeling van de kosten van de kinderen. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
In de zaak met zaaknummer 200.356.988/02:
Provisionele voorziening
5.3
De vader heeft verder nog verzocht om bij wijze van provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro voor de duur van het geding te bepalen dat de door de vader te betalen kinderalimentatie op nihil wordt gesteld. Omdat het hof in de hoofdzaak een eindbeschikking geeft, heeft de vader geen belang meer bij een afzonderlijke beoordeling van zijn verzoek om een provisionele voorziening. Het hof zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening.
5.31
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
In de zaak met zaaknummer 200.356.988/01:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
In de zaak met zaaknummer 200.356.988/02:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M.T. Hoogland en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.