ECLI:NL:GHAMS:2026:2004

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
200.362.917/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en verlaging kinderbijdrage na hoger beroep tussen ouders

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland waarin een kinderbijdrage van €345 per maand was vastgesteld ten behoeve van hun minderjarige kind geboren in 2015.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bereikten partijen overeenstemming over een lagere kinderbijdrage van €175 per maand, ingaande 1 augustus 2026. Tevens werd afgesproken dat de reeds betaalde bijdragen tot die datum niet teruggevorderd worden en dat de moeder geen verdere vorderingen zal instellen over die periode. Daarnaast is overeengekomen dat de vader de helft van de deurwaarderskosten van het Nationaal Loket Alimentatie Inning zal betalen, tot een maximum van €600.

Het hof heeft de bestreden beschikking vernietigd voor zover deze de kinderbijdrage betreft en de nieuwe afspraken vastgelegd in een beschikking. De vader heeft zijn eerdere verzoeken ingetrokken en de moeder heeft ingestemd met het inbrengen van een uittreksel uit het handelsregister. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 door het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het hof stelt een lagere kinderbijdrage van €175 per maand vast, ingaande 1 augustus 2026, en vernietigt de eerdere beschikking voor zover deze de kinderbijdrage betreft.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.362.917/01
zaaknummer rechtbank: C/15/367613/ FA RK 25-3652
beschikking van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.M. Rengelink te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.J. van de Pol te Haarlem.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , geboren [in] 2015.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: de kinderbijdrage) voor [minderjarige 1] (11 jaar oud).
1.2
De rechtbank heeft bepaald dat de vader vanaf 12 mei 2025 een kinderbijdrage van € 345,- per maand aan de moeder dient te betalen, vóór de eerste van de maand.
1.3
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over de kinderbijdrage en het hof verzocht deze overeenstemming in een beschikking vast te leggen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 22 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
23 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 5 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de vader van 12 januari 2026, met als bijlage het procesdossier in eerste aanleg;
- een bericht van de vader van 15 april 2026;
- een bericht van de vader van 19 juni 2026, met als bijlagen producties 6-11;
- een bericht van de vader van 2 juli 2026, met als bijlage productie 12;
- een bericht van de vader van 3 juli 2026, met als bijlage productie 13.
2.4
De zitting heeft op 3 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
2.5
De vader heeft op 2 en 3 juli 2026 nadere stukken overgelegd. De moeder heeft daartegen ter zitting bezwaar gemaakt wegens strijd met de goede procesorde, omdat de stukken één dag vóór, dan wel op de dag van de zitting zijn ingediend.
De vader heeft aangevoerd dat productie 12 dezelfde strekking heeft als de reeds eerder ingediende verklaringen. Ten aanzien van productie 13, een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, heeft de vader aangevoerd dat dit stuk van belang is om een volledig beeld van de zaak te verkrijgen.
Het hof heeft ter zitting beslist de op 2 juli 2026 ingebrachte productie 12 wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Het op 3 juli 2026 overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel wordt wel in de beoordeling betrokken, nu de moeder ter zitting, na bespreking, heeft verklaard daarmee in te stemmen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2015 in [plaats B] .
3.2
De vader is [in] 2023 getrouwd met [naam] . Zij hebben samen twee kinderen:
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018 te [plaats C] , en
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2020 te [plaats D] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de moeder en uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vader vanaf 12 mei 2025 € 345,- per maand aan kinderbijdrage aan de moeder dient te betalen, vóór de eerste van de maand.
4.2.
De vader verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de moeder in haar verzoek tot het vaststellen van een kinderbijdrage voor [minderjarige 1] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen.
4.3
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ter zitting in hoger beroep hebben partijen overeenstemming bereikt over de door de vader aan de moeder te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] . Zij zijn overeengekomen dat de vader met ingang van 1 augustus 2026 een kinderbijdrage van € 175, - per maand aan de moeder zal voldoen.
5.2
De vader heeft zijn verzoeken ten aanzien van de kinderalimentatie ter zitting ingetrokken. Partijen hebben het hof verzocht hetgeen zij zijn overeengekomen, vast te leggen in deze beschikking. Verder zijn partijen overeengekomen dat de door de vader tot 1 augustus 2026 betaalde kinderbijdrage niet door de moeder hoeft te worden terugbetaald. De door de vader eventueel over de periode tot 1 augustus 2026 nog verschuldigde kinderbijdrage zal door de moeder niet meer van hem worden gevorderd, zodat partijen over die periode over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben voor zover het de kinderbijdrage betreft.
Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat de vader de helft van de deurwaarderskosten die het Nationaal Loket Alimentatie Inning (NLAI) bij de moeder in rekening zal brengen, zal voldoen, tot een maximum van € 600,-. De moeder zal de desbetreffende factuur van het NLAI, al dan niet via de advocaten van partijen, aan de vader verstrekken.
5.3
Het hof zal overeenkomstig de tussen partijen bereikte overeenstemming beslissen. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen, voor zover deze ziet op de kinderbijdrage.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 23 september 2025 en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 1 augustus 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] een bedrag van € 175, - per maand zal betalen, vóór de eerste van de maand,
bepaalt dat de door de vader aan de moeder vóór 1 augustus 2026 betaalde kinderbijdrage niet door de moeder behoeft te worden terugbetaald;
bepaalt dat de moeder de eventueel over de periode vóór 1 augustus 2026 nog verschuldigde kinderbijdrage niet meer van de vader zal vorderen;
bepaalt dat de vader de helft van de deurwaarderskosten van de moeder van het NLAI zal voldoen, tot een maximum van € 600, -, nadat de moeder de desbetreffende factuur, al dan niet via de advocaten van partijen, aan de vader heeft verstrekt.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.