ECLI:NL:GHAMS:2026:2005

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
200.362.000/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling zorgregeling en kinderalimentatie na terugval moeder in alcoholgebruik

De zaak betreft een geschil over de zorgregeling en kinderalimentatie tussen de ouders van twee minderjarige kinderen, na een terugval van de moeder in haar alcoholgebruik. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen om de week bij de moeder verblijven onder veiligheidsvoorwaarden en stelde de kinderalimentatie op nihil. De moeder ging in hoger beroep voor een uitgebreidere zorgregeling en herinvoering van kinderalimentatie.

Het hof oordeelt dat het verzoek van de moeder toelaatbaar is en beoordeelt de zorgregeling in het belang van de kinderen. Gezien de kwetsbaarheid van de kinderen, de verstoorde relatie tussen de ouders en de problematiek van de moeder, acht het hof het niet wenselijk de zorgregeling verder uit te breiden. De huidige regeling, waarbij de kinderen wekelijks van woensdag tot donderdag en om de week van zaterdag tot maandag bij de moeder verblijven, wordt bestendigd.

De kinderalimentatie wordt niet herzien omdat de zorgverdeling niet gelijkwaardig is. Het hof bekrachtigt de nihilstelling van de alimentatie. De betrokken hulpverlening blijft betrokken bij de uitvoering van de zorgregeling. De beslissing is gegeven door drie rechters en uitgesproken op 21 juli 2026.

Uitkomst: Het hof stelt de zorgregeling vast conform de huidige situatie en bekrachtigt de nihilstelling van de kinderalimentatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.362.000/01
zaaknummer rechtbank: C/15/355968 / FA RK 24-4254
beschikking van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M. van Espen te Hoorn (NH),
en
[de vader] ,
wonende te [gemeente] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. B.T.A. Visser te Grootebroek.
Het hof heeft verder als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] (12 jaar) en [minderjarige 2] (7 jaar) en over de kinderalimentatie. De rechtbank heeft een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen bepaald en de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie op nihil gesteld. De moeder is het daar niet mee eens. Zij wil een uitbreiding van de zorgregeling en zij wil dat de vader de eerder opgelegde kinderalimentatie van € 300,- per kind per maand weer gaat betalen. De vader is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 26 november 2025 in hoger beroep gekomen van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 4 september 2025, schriftelijk uitgewerkt op 16 september 2025 (hierna: de bestreden beslissing).
2.2
De vader heeft op 13 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 10 december 2025 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 16 december 2025 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 7 mei 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 8 mei 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 13 mei 2026 met bijlagen.
2.4
De voorzitter heeft op 19 mei 2026 met de minderjarige [minderjarige 1] gesproken, in het bijzijn van de griffier. De voorzitter heeft tijdens de zitting een korte samenvatting van de inhoud van het gesprek gegeven.
2.5
De zitting heeft op 21 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw R. Planting via een telefonische verbinding.
Voorts was bij de zitting een stagiaire van de advocaat van de vader aanwezig.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben van 2008 tot februari 2019 een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 te [plaats B] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2019 te [gemeente] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk: de kinderen).
3.2
Bij beschikking van de rechtbank van 18 januari 2022 is, met wijziging in zoverre van het ouderschapsplan van 24 juni 2020, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader bepaald, een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijven en is de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie op nihil gesteld.
3.3
Bij beschikking van dit hof van 18 oktober 2022 is, met vernietiging van de beschikking van de rechtbank van 18 januari 2022 in zoverre, een zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen een keer in de twee weken bij de vader verblijven van donderdagmiddag 17.30 uur tot dinsdagmiddag 18.30 uur. Daarnaast is een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie van € 300,- per kind per maand vastgesteld, met ingang van 14 januari 2022. De beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen is bekrachtigd.
3.4
Op 15 mei 2024 heeft een incident plaatsgevonden bij de moeder thuis samenhangend met een terugval in haar alcoholgebruik. De kinderen hebben nadien enige tijd volledig bij de vader verbleven en begeleide omgang met de moeder gehad, elke zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur.
3.5
Bij tussenbeschikking van 16 december 2024 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling met opbouw tussen de moeder en de kinderen vastgesteld, waarbij toegewerkt diende te worden naar een zorgregeling waarbij de kinderen om de twee weken (het hof begrijpt: om de week) op zaterdag van 10:00 uur tot zondag 17:00 uur, met overnachting, bij de moeder zouden verblijven. Daarnaast is de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voorlopig op nihil gesteld met ingang van de datum van de beschikking. De beslissing over de definitieve zorgregeling en de definitieve kinderalimentatie is aangehouden in afwachting van de resultaten en het advies van de hulpverlening.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beslissing bepaald - met wijzing van de beschikking van dit hof van 18 oktober 2022 in zoverre - dat de kinderen bij de moeder verblijven:
  • om de twee weken (het hof begrijpt: om de week) op zaterdag van 10:00 uur tot zondag 17:00 uur, met overnachting, waarbij de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] brengt en haalt en er aan het begin en aan het eind van de omgang kort iemand uit het netwerk van de moeder aanwezig is om te controleren of de moeder nuchter is. Daarbij dient de moeder op zaterdag rond 20:00 uur telefonisch contact te hebben met iemand uit haar netwerk, zodat diegene kan controleren of het goed gaat met de moeder. De rest van de omgang is onbegeleid;
  • waarbij de omgang onder regie van de betrokken hulpverlening kan worden uitgebreid naar gemiddeld twee dagen per week, onder de voorwaarde dat de betrokken hulpverlening de veiligheid van de kinderen voldoende gewaarborgd acht en de uitbreiding ook in het belang van de kinderen wordt geacht.
Daarnaast heeft de rechtbank, op het daartoe strekkende verzoek van de vader, met wijziging van de beschikking van dit hof van 18 oktober 2022 in zoverre, de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie op nihil gesteld met ingang van 7 augustus 2024, met dien verstande dat voor zover sinds die datum tot de datum van de beslissing een bijdrage door de vader is betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage voor die periode wordt vastgesteld op hetgeen door de vader is betaald en/of op hem is verhaald.
4.2
De moeder verzoekt, na wijziging van haar oorspronkelijke verzoek en met vernietiging van de bestreden beslissing in zoverre, een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen de ene week van woensdag na school tot donderdag na het eten bij haar verblijven en de andere week van woensdag na school tot maandag naar school en het inleidende verzoek van de vader tot nihilstelling van de kinderalimentatie alsnog af te wijzen.
4.3
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans het door haar verzochte af te wijzen en de bestreden beslissing te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Zorgregeling
Juridisch kader
5.1
Ter beoordeling aan het hof ligt de zorgregeling tussen de moeder en de kinderen voor. Nu de ouders gezamenlijk het gezag over de kinderen uitoefenen, dient het hof bij de vaststelling van de zorgregeling op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
5.2
In de procedure bij de rechtbank heeft de moeder uitsluitend verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader tot het vaststellen van een zorgregeling en dus zelf geen verzoek gedaan. Zij doet nu voor het eerst in hoger beroep een verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling, hetgeen in beginsel niet kan op grond van artikel 362 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Echter, het inleidende verzoek van de vader - waartegen de moeder in eerste aanleg verweer heeft gevoerd - en het verzoek in hoger beroep van de moeder, zijn beide gebaseerd op artikel 1:253a lid 2, aanhef en onder a BW en betreffen de omvang en invulling van de vast te stellen zorgregeling. De rechter dient in een dergelijke zaak (behoudens wanneer het een verbod op contact met het kind betreft) een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit de parlementaire geschiedenis van voornoemde bepaling (voorheen: artikel 1:246 BW Pro) blijkt dat deze formulering tot uitdrukking brengt dat de rechter daarbij niet zonder meer is gebonden aan het verzoek van de ouders of een van hen, maar dat hij ook een hiervan afwijkende beslissing kan nemen die hij in het belang van het kind acht (Kamerstukken II, 1979/80, 16247, 3, p. 6 en Kamerstukken II 1993/94, 23012, 3, p. 19). Deze ruime ambtshalve bevoegdheid van de rechter in zaken waarin het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft, valt niet te rijmen met een al te strikte opvatting van artikel 362 Rv Pro. Daarbij komt dat bij de vaststelling van een zorgregeling het in het belang van het kind is dat de beslissing berust op een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde omstandigheden ten tijde van de uitspraak in hoger beroep.
Op grond hiervan komt het hof tot het oordeel dat het verzoek van de moeder in hoger beroep toelaatbaar is en zal het hof dan ook beoordelen welke zorgregeling in het belang van de kinderen wenselijk is.
Standpunten
5.3
De moeder vindt dat de rechtbank ten onrechte een beperkte omgangsregeling heeft vastgesteld met veiligheidsvoorwaarden en netwerktoezicht, waarbij onder regie van de hulpverlening kan worden uitgebreid. Zij voert hiertoe het volgende aan. De beslissing van de rechtbank doet geen recht aan de feitelijke situatie. De kinderen zijn nu elke week van woensdag na school tot donderdag 19.00 uur bij de moeder en om de week van zaterdag 10:00 uur tot maandag naar school. Daarnaast zijn zij ook extra dagen bij de moeder, zoals met Pasen en Koningsdag. Er is al geruime tijd sprake van een stabiele leefsituatie bij de moeder thuis. Zij heeft hard aan zichzelf gewerkt en is voornemens dit te blijven doen. De moeder is al ruim twee jaar geheel abstinent en vervult haar ouderrol op verantwoorde wijze. Er zijn geen actuele zorgen over haar opvoedvaardigheden of de veiligheid in huis. De laatste verslagen van NiCare zijn positief. Er is dus geen noodzaak de omgang te beperken of te onderwerpen aan veiligheidsvoorwaarden. De moeder wil graag een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Hoewel de rechtbank ruimte heeft gelaten voor uitbreiding van de zorgregeling, verwacht de moeder niet dat de vader hieraan nog verder zal meewerken. De verzochte uitbreiding van de zorgregeling is in het belang van de kinderen en is ook hun wens. De moeder heeft altijd meegewerkt met de hulpverlening. Zij heeft goed contact met de gemeente en met NiCare en staat open voor verdere begeleiding.
5.4
De vader betwist dat een co-ouderschapsregeling in het belang van de kinderen is en voert hiertoe het volgende aan. De moeder is onvoldoende belastbaar. Zij overschat zichzelf en lijkt door de hulpverlening daarin onvoldoende te worden begrensd. Er is bij de moeder al jaren sprake van psychische problematiek en alcoholverslavingsproblematiek. Zij heeft al vaker een terugval gehad, waardoor het niet realistisch is om te denken dat de problematiek van de moeder ineens volledig zou zijn opgelost. De vader betwist dat de moeder al twee jaar geen alcohol heeft gedronken. Hij heeft zorgen over de veiligheid van de nog jonge en dus kwetsbare kinderen bij de moeder als zij weer een terugval heeft. Er is geen inzicht in de problematiek van de moeder, haar belastbaarheid en in hoeverre zij in staat is veiligheidsafspraken te maken en uit te voeren, waardoor de veiligheid van de kinderen bij de moeder niet kan worden ingeschat. Ook is er geen zicht op wat er in de kinderen omgaat. Ondanks het advies van de raad een kinderbehartiger in te schakelen, is dit nog niet gebeurd. De belangen van de kinderen worden hierdoor onvoldoende gewaarborgd. Uitbreiding van de zorgregeling is niet mogelijk, zolang er geen zicht is op de kinderen en op de problematiek van de moeder.
Advies raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de huidige zorgregeling vast te leggen, en dus niet verder uit te breiden. Volgens de raad is de huidige regeling ruimer dan ten tijde van de rechtbankzitting mogelijk werd geacht. De regeling biedt voldoende gelegenheid om positieve ervaringen op te doen voor alle betrokkenen en het onderling vertrouwen tussen de ouders te laten groeien, zonder dat de draagkracht van de moeder onder druk komt te staan. Verder dient volgens de raad rekening te worden gehouden met het risico op overvraging van de moeder. Zij is kwetsbaar en overvragen is een trigger gelet op haar problematiek. Ook moet voorzichtig worden omgegaan met de kinderen, die al veel hebben meegemaakt. Het is belangrijk dat er naar hen geluisterd wordt en dat naar hun gedrag gekeken wordt. Er zijn zorgen over de risico’s op loyaliteitsproblemen bij de kinderen en op parentificatie bij [minderjarige 1] . Het is van belang dat er duidelijkheid over de zorgregeling komt voor de kinderen, zodat zij weten waar zij aan toe zijn en zij zich kunnen richten op hun eigen ontwikkelingstaken, aldus de raad.
Beoordeling hof
5.6
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. De verhouding tussen de ouders is sinds hun uitgeengaan in 2019 ernstig verstoord en de onderlinge communicatie verloopt moeizaam. Er is sprake van een groot wantrouwen van de vader richting de moeder vanwege haar langdurige alcoholverslaving. De kinderen hebben al veel meegemaakt. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is in 2022 gewijzigd van de moeder naar de vader in verband met zorgen die er waren over het alcoholgebruik van de moeder. Aanvankelijk was sprake van een co-ouderschapsregeling, waarna een regeling is vastgesteld waarbij het zwaartepunt van de zorg en opvoeding bij de moeder lag. Deze regeling is op 15 mei 2024 abrupt geëindigd nadat de moeder een terugval had in haar alcoholgebruik. De zorgregeling is nadien opgebouwd van een dag per week begeleide omgang met de moeder tot de huidige regeling, waarbij de kinderen elke woensdag tot donderdag bij de moeder verblijven en om de week van zaterdag tot maandag. Zowel de jeugdzorgmedewerker van de gemeente [gemeente] als Nicare zijn betrokken geweest bij de uitvoering, begeleiding en uitbreiding van de zorgregeling. Uit de laatste verslaglegging van Nicare blijkt dat de huidige zorgregeling op zichzelf goed verloopt. Dit is tijdens de zitting in hoger beroep door zowel de moeder als de vader onderschreven. De vader heeft ter zitting verklaard het gevoel te hebben dat de regeling aan hem is opgedrongen, maar dat hij de regeling nu op zichzelf goed vindt en de uitbreiding wat hem betreft niet teruggedraaid hoeft te worden.
Het hof acht het in het belang van de kinderen dat de huidige zorgregeling bestendigd wordt en zal deze regeling dan ook, overeenkomstig het advies van de raad, vaststellen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de kinderen kwetsbaar zijn. Zij hebben al vanaf zeer jonge leeftijd moeten omgaan met de verstoorde relatie tussen de ouders, de alcoholproblematiek van de moeder en de diverse wisselingen van de zorgregeling. Ondanks dat de kinderen allebei hulpverlening hebben gehad, [minderjarige 2] heeft de interventie ‘Piep zei de muis’ gevolgd en [minderjarige 1] een Kopp-training, bestaan er nog steeds zorgen over mogelijke loyaliteitsproblematiek bij hen allebei en over gedrag dat duidt op parentificatie in de verhouding tot moeder bij [minderjarige 1] . Daarnaast acht het hof ook de situatie van de moeder kwetsbaar. Zij heeft te kampen gehad met een langdurige alcoholverslaving. Hoewel de moeder naar eigen zeggen al twee jaar geen alcohol heeft gedronken en het hof ook ziet dat de moeder zich bijzonder inspant om de zorg voor de kinderen bestendig vorm te geven, heeft zij daarbij nog ondersteuning en begeleiding nodig. Zo heeft zij om de week gedurende twee uur begeleiding vanuit Leviaan, gericht op (onder andere) het waarborgen van stabiliteit en het voorkomen van een terugval. Daarnaast heeft de moeder eenmaal per twee of drie weken een gesprek met de praktijkondersteuner van de huisarts en zij gaat ongeveer twee keer per week naar een AA-bijeenkomst. De moeder is arbeidsongeschikt en ontvangt een IVA-uitkering. Zij doet naar eigen zeggen vrijwilligerswerk en is voornemens op zoek te gaan naar betaald werk, zodra meer duidelijkheid bestaat over de zorgregeling.
Gelet op de situatie waarin de moeder zich bevindt in combinatie met de leeftijd en de kwetsbare ontwikkeling van de kinderen, is een verdere uitbreiding van de zorgregeling ten opzichte van de regeling zoals deze momenteel wordt uitgevoerd naar het oordeel van het hof nu niet in het belang van de kinderen. De kinderen hebben belang bij stabiliteit en duidelijkheid, zodat zij zich in alle rust verder kunnen ontwikkelen. Deze rust en duidelijkheid is ook in het belang van de moeder, zodat zij zich verder kan gaan richten op het vormgeven van haar leven. Het hof sluit zich aan bij de raad die er in zijn advies ter zitting op heeft gewezen dat bij de moeder het risico op overvraging bestaat, hetgeen een trigger is gelet op haar problematiek, en dus voorkomen dient te worden. Het voorgaande neemt niet weg dat het hof ziet dat de moeder hard heeft gewerkt aan zichzelf en dat zij dat nog steeds doet. Dit heeft ertoe geleid dat er op dit moment een zorgregeling is die de raad een klein jaar geleden nog niet voor mogelijk hield. Wellicht zal na verloop van tijd, als de kinderen ouder zijn, meer ruimte bestaan voor uitbreiding van de zorgregeling. Voor nu is het van belang dat de moeder zich concentreert op haar eigen verdere herstel en dat de ouders zich, mogelijk met hulpverlening, richten op verbetering van hun verhouding en onderlinge communicatie.
Het hof zal de bestreden beslissing vernietigen en de (uitgebreidere) zorgregeling vaststellen, zoals die op dit moment al feitelijk door de ouders wordt uitgevoerd. Het hof gaat ervan uit dat de gemeente [gemeente] en Nicare betrokken blijven bij de uitvoering van de zorgregeling, zoals ter zitting in hoger beroep is besproken.
Kinderalimentatie
5.7
De rechtbank heeft in de bestreden beslissing, op verzoek van de vader, de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie op nihil gesteld, met ingang van 7 augustus 2024.
5.8
De moeder is het daar niet mee eens. Zij vindt dat de vader de eerder door dit hof vastgestelde kinderalimentatie van € 300,- per kind per maand weer moet gaan betalen. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat haar verzoek uitsluitend ziet op het geval dat het hof een gelijke (50/50) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders vaststelt. Nu dit niet het geval is, komt het hof niet toe aan beoordeling van het verzoek van de moeder. Het hof zal het verzoek dan ook afwijzen en de bestreden beslissing bekrachtigen voor zover het de nihilstelling van de kinderalimentatie betreft.
5.9
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beslissing voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders betreft, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder verblijven:
  • iedere week van woensdag na school tot donderdag 19.00 uur, en
  • om de week van zaterdag 10.00 uur tot maandag naar school;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beslissing voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. H.A. van den Berg en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.