ECLI:NL:GHAMS:2026:2026

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
200.358.108/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming verhuizing en schoolinschrijving minderjarige na scheiding ouders

In deze zaak staat de vraag centraal of de moeder vervangende toestemming kan krijgen om met haar minderjarige zoon te verhuizen naar een andere plaats en hem daar in te schrijven op een middelbare school. De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit over het kind, maar zijn het niet eens over de verhuizing.

De bijzondere curator heeft het belang van het kind onderzocht en geconcludeerd dat het een natuurlijke levenskeuze lijkt om met de moeder te verhuizen. De curator benadrukt het belang van continuïteit en stabiliteit voor het kind en wijst op de noodzaak dat de ouders hun leven inrichten met het welzijn van het kind voorop.

De moeder wil verhuizen vanwege de situatie van haar partner en het vormen van een nieuw gezin. De vader verzet zich omdat hij vreest dat zijn rol als betrokken ouder zal worden beperkt door de afstand. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert het hof om de moeder toestemming te geven.

Het hof weegt alle belangen af en besluit de moeder vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing en de inschrijving op een middelbare school. Het contact tussen vader en kind zal hierdoor ingrijpend veranderen, maar het belang van het kind staat voorop. Het hof benadrukt het belang van overleg tussen ouders over de omgangsregeling.

Uitkomst: Het hof verleent de moeder vervangende toestemming om met de minderjarige te verhuizen en hem in te schrijven op een middelbare school.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.108/01
zaaknummer rechtbank: C/13/766351 / FA RK 25-2042
beschikking van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M. Krijger te Middelburg,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. R.A.C.M. Jansen te Middelharnis.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [kind 1] , hierna: [kind 1] , geboren [in] 2014 te [plaats C] .
Het hof heeft daarnaast als informanten aangemerkt:
- [stiefvader] (hierna: de stiefvader);
- drs. [curator] (hierna: de bijzondere curator).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie: Amsterdam,
hierna: de raad.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in de (tussen)beschikkingen
van 10 februari 2026 en 3 maart 2026. Bij laatstgenoemde beschikking is drs. [curator] benoemd tot bijzondere curator over [kind 1] en verzocht verslag uit te brengen naar de vraag of een verhuizing van de moeder met [kind 1] naar [plaats D] al dan niet in zijn belang is. De behandeling van de zaak is daartoe pro forma aangehouden.
1.2
Het hof heeft kennisgenomen van de volgende nadien ingekomen stukken:
- een V-formulier van de zijde van de vader van 17 juni 2026;
- een V-formulier van de zijde van de moeder van 17 juni 2026;
- een V-formulier van de zijde van de vader van 18 juni 2026;
- een verslag van de bijzondere curator van 18 juni 2026;
- een V-formulier van de zijde van de vader van 23 juni 2026 met bijlage;
- een mailbericht van de zijde van de moeder van 24 juni 2026;
- een V-formulier van de zijde van de vader van 30 juni 2026 met bijlagen.
1.3
De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet op 3 juli 2026, alwaar zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de stiefvader;
- de bijzondere curator;
- de raad, vertegenwoordigd door J. Ibrahim.
De advocaat van de vader heeft op de zitting pleitaantekeningen overlegd.

2.De verdere feiten

Uit het verslag van de bijzondere curator van 18 juni 2026 komt – onder meer – het volgende naar voren. De bijzondere curator is naar aanleiding van het eerste gesprek met [kind 1] tot de bevinding gekomen dat het voor [kind 1] een natuurlijke levenskeuze lijkt om met zijn moeder naar [plaats D] te verhuizen. Naar aanleiding van het tweede gesprek met [kind 1] vult zij nog aan dat zij niet direct de conclusie kan trekken dat [kind 1] het wonen bij de vader een onleefbaar perspectief vindt en ook niet dat hij het wonen bij de moeder afwijst, zoals door de vader wordt gesteld.
Er zijn voor [kind 1] voldoende aanknopingspunten voor zijn toekomst in [plaats D] . De gevolgen van een verhuizing naar [plaats D] voor een omgangsregeling met zijn vader overziet hij, evenals zijn dierbaren, waarschijnlijk niet. De gevolgen van een omgangsregeling met zijn moeder voor de situatie waarin [kind 1] bij de vader in [plaats B] woont, overziet hij waarschijnlijk ook niet, evenmin als zijn dierbaren. De bijzondere curator heeft de ouders voorgesteld om samen een spiegelregeling voor de omgang te bespreken. De moeder heeft schriftelijk laten weten daartoe bereid te zijn, de vader heeft laten weten daartoe niet bereid te zijn. [kind 1] is zich goed bewust van zijn positie tussen zijn ouders. Hij wil zijn vader niet teleurstellen, hij wil z’n moeder niet teleurstellen. Hij wil ook geen speelbal of twistappel zijn. [kind 1] wenst bij elk van de keuzes een regeling met de andere ouder. [kind 1] heeft ook tijdens het onderzoek met de bijzondere curator laten zien dat hij de situatie evenwichtig benadert.
De bijzondere curator is tot de bevinding gekomen dat het voor [kind 1] een natuurlijke levenskeuze lijkt om met zijn moeder naar [plaats D] te verhuizen. De mening van de bijzondere curator is niet alleen gestoeld op aanknopingspunten en familiale aansluitingen, die er bij de vader en de moeder zijn, maar houdt ook rekening met de mogelijke ontwikkelingsscenario’s voor [kind 1] . Het is in het beste belang van [kind 1] dat die ontwikkelingsscenario’s kunnen aarden en zich ontvouwen in een omgeving waarin [kind 1] de voor hem meest natuurlijke continuïteit en stabiliteit ervaart. Wanneer [kind 1] bij de vader woont, zal [kind 1] zich hebben neergelegd bij een keuze, c.q. beslissing die vóór hem is genomen, zo is de indruk van de bijzondere curator.
De bijzondere curator wil de ouders er op wijzen dat [kind 1] op een hele bijzondere wijze aan dit onderzoek heeft meegewerkt. Hij is zichzelf gebleven, heeft meebewogen en toch weer zichzelf gevonden. De bijzondere curator meent dat van de ouders redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij hun leven inrichten met zicht op het welzijn van [kind 1] , en niet andersom.
3. De verdere omvang van het geschil
Beide partijen handhaven hun verzoeken zoals weergegeven in de tussenbeschikking van 10 februari 2026 van dit hof.

4.De motivering van de beslissing

4.1
Gelet op de inhoud van de grieven in principaal en in incidenteel hoger beroep en hun onderlinge samenhang ziet het hof aanleiding deze gezamenlijk te behandelen.
Het wettelijk kader
4.2
Partijen hebben gezamenlijk gezag over [kind 1] . Dit betekent dat als een ouder met het kind wil verhuizen de toestemming van de andere ouder nodig is. Indien de ouders het niet met elkaar eens worden, volgt uit artikel 1:253a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter kan dan op verzoek van een ouder vervangende toestemming tot verhuizing geven. Op grond van vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige niet alleen het belang van het kind, maar alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen en alle belangen af te wegen. Het belang van het kind staat daarbij voorop en dient een overweging van de eerste orde te zijn. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.
De standpunten
4.3
De moeder handhaaft haar verzoeken. Volgens de moeder blijkt uit het verslag van de bijzondere curator dat [kind 1] hart uitgaat naar een verhuizing met haar naar [plaats E] . Het lijkt erop alsof de vader gedurende het onderzoek van de bijzondere curator heeft geprobeerd druk uit te oefenen op [kind 1] door te laten doorschemeren dat hij mogelijk naar het buitenland zal verhuizen als [kind 1] meeverhuist naar [plaats D] . De moeder hoopt dat op het moment dat het hof beslist dat [kind 1] met haar mee mag verhuizen naar [plaats D] , de vader het gesprek met haar wil aangaan over een zorgregeling tussen hem en [kind 1] in de weekenden. De moeder blijft bij de door haar aangeboden compensatie ten aanzien van het halen en brengen van [kind 1] en ook bij het door haar gedane aanbod om mee te denken over de mogelijkheden om de vader en zijn gezin dichterbij [plaats D] te laten wonen. De moeder benadrukt dat de kinderen van de vader en zijn partner nog niet leerplichtig zijn en hij nu met zijn gezin in een huurwoning woont. Tot slot brengt de moeder naar voren dat alles voor [kind 1] is geregeld op het moment dat hij mee mag verhuizen naar [plaats D] en dat [kind 1] dus weet waar hij terecht zou komen.
4.4
De vader persisteert ook bij zijn verzoeken. Hij meent dat in het verslag van de bijzondere curator veel waarde wordt gehecht aan continuïteit en stabiliteit voor [kind 1] en dat dit het meeste wordt gewaarborgd wanneer het verzoek van de moeder om met [kind 1] naar [plaats D] te mogen verhuizen, wordt afgewezen. [kind 1] is geworteld in de omgeving van De [plaats ] waar hij zijn school, zijn vrienden, zijn sport en zijn beide ouders op korte afstand heeft. Bij een verhuizing van [kind 1] naar [plaats D] is het maar zeer de vraag of de vader nog daadwerkelijk invulling kan geven aan zijn rol als betrokken ouder. Uit het verslag van de bijzondere curator blijkt dat [kind 1] wisselend heeft geantwoord op de vraag of hij naar [plaats D] wil verhuizen. Voor zover [kind 1] een beweging richting [plaats D] laat zien, komt dat volgens de vader niet voort uit een zelfstandige binding met [plaats D] , maar vooral uit zijn band met de moeder en zijn loyaliteitspositie. De vader wijst er nog op dat ook zijn gezin onder druk is komen te staan en als gevolg van deze procedure uiteen dreigt te vallen.
Het advies van de raad
4.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep het hof geadviseerd om aan de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [kind 1] naar [plaats D] te verhuizen en hem aldaar in te schrijven op een middelbare school. De raad sluit zich voor dit advies aan bij het verslag van de bijzondere curator.
De beoordeling door het hof
Verzoek tot vervangende toestemming verhuizing
4.6
Het hof overweegt als volgt.
Bij de te maken belangenafweging gaat het enerzijds om het belang van de moeder om met [kind 1] naar [plaats D] te verhuizen om zo herenigd te worden met de stiefvader van [kind 1] en hun kinderen [kind 2] en [kind 3] die daar inmiddels al geruime tijd wonen, en anderzijds om het belang van de vader en [kind 1] om de huidige co-ouderschapsregeling op vergelijkbare wijze vorm te kunnen blijven geven. [kind 1] verblijft volgens de nu geldende regeling immers ongeveer de helft van de tijd bij de vader en zijn partner en kinderen [kind 4] en [kind 5] .
4.7
Het staat vast dat de moeder naar [plaats D] verhuist. Het huis in De [plaats ] kon vanwege de dubbele woonlasten niet worden gehandhaafd. De moeder reist nu tussen [plaats D] en het huis van haar ouders in [plaats A] om de zorgregeling met [kind 1] uit te voeren en houdt dat niet langer vol. De moeder en de stiefvader zijn sinds 2017 bij elkaar en hebben sinds 2022 een geregistreerd partnerschap. De wens van de moeder om naar [plaats D] te verhuizen wordt hoofdzakelijk ingegeven doordat de stiefvader last heeft gekregen van heimweeproblematiek. Deze problematiek heeft dusdanige vormen aangenomen dat de stiefvader enige tijd geleden samen met hun twee kinderen [kind 2] en [kind 3] naar [plaats D] is (terug)verhuisd. De moeder en stiefvader hebben deze problematiek en het effect daarvan op hun gezinsleven op de zitting van 16 januari 2026 toegelicht. Op de zitting van 3 juli 2026 is bovendien bekend geworden dat de moeder en de stiefvader nog een kindje verwachten. Naar het oordeel van het hof is de noodzaak voor de moeder om naar [plaats D] te verhuizen zodat zij samen met de stiefvader, [kind 2] en [kind 3] een gezin kan vormen, dan ook voldoende komen vast te staan.
4.8
Het hof wijst erop dat voor de ontwikkeling van [kind 1] het contact met beide ouders erg belangrijk is. Het staat vast dat de huidige co-ouderschapsregeling rondom [kind 1] vanaf het moment van de verhuizing van de moeder naar [plaats D] (ongeacht of [kind 1] meeverhuist of niet) niet meer kan worden uitgevoerd. De reisafstand tussen [plaats B] en [plaats D] heeft tot gevolg dat er alleen nog sprake zal kunnen zijn van een weekend- en vakantieregeling tussen [kind 1] en één van de ouders, hetgeen betekent dat de rol van die ouder in [kind 1] leven ingeperkt zal worden.
4.9
Zoals in de tussenbeschikking van 10 februari 2026 onder 5.6 is overwogen, heeft [kind 1] in het kindgesprek met de voorzitter op 13 januari 2026 aangegeven hoe hij tegenover een verhuizing met zijn moeder naar [plaats D] staat en daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat hij niet wil dat de inhoud van dit gesprek met zijn ouders wordt gedeeld. Het hof heeft in deze tussenbeschikking ook overwogen dat voor de te nemen beslissing het heel belangrijk is meer zicht te krijgen op wat het belang van [kind 1] is en heeft daarom de bijzondere curator benoemd.
Uit het verslag van de bijzondere curator van 18 juni 2026 komt naar voren dat [kind 1] zich goed bewust is van zijn positie tussen zijn ouders en geen van beide wil teleurstellen. [kind 1] zegt uit loyaliteit naar beide ouders tegen zijn vader iets anders dan tegen zijn moeder over zijn wensen met betrekking tot de aanstaande verhuizing van de moeder naar [plaats D] , en of hij al dan niet zou willen meeverhuizen.
4.1
De bijzondere curator heeft in haar verslag geconcludeerd dat het voor [kind 1] een natuurlijke levenskeuze lijkt om met zijn moeder naar [plaats D] te verhuizen. Deze bevinding is niet alleen gestoeld op aanknopingspunten en familiale aansluitingen, die er bij beide ouders zijn, maar houdt ook rekening met de mogelijke ontwikkelingsscenario’s voor [kind 1] . Het is volgens de bijzondere curator in het beste belang van [kind 1] dat die ontwikkelingsscenario’s kunnen aarden en zich ontvouwen in een omgeving waarin [kind 1] de voor hem meest natuurlijke continuïteit en stabiliteit ervaart en dat is – zo begrijpt het hof - volgens de bijzondere curator in de opvoedomgeving bij de moeder. De raad heeft het hof op de zitting van 3 juli 2026 geadviseerd om de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [kind 1] naar [plaats D] te verhuizen en zich voor dit advies gebaseerd op de bevindingen van de bijzondere curator.
Gelet op de hiervoor genoemde bevindingen van de bijzondere curator is er meer zicht gekomen op het belang van [kind 1] . Gezien zijn leeftijd en het feit dat hij na de zomervakantie naar de middelbare school gaat en hij dus hoe dan ook een nieuwe start zal maken is de conclusie van de bijzondere curator voor het hof leidend. Het hof zal de moeder dan ook de door haar verzochte vervangende toestemming voor de verhuizing met [kind 1] naar [plaats D] geven. Door deze voor de vader zeer ingrijpende beslissing zal het contact tussen hem en [kind 1] fors worden ingeperkt. Het hof benadrukt het belang ervan en gaat ervan uit dat de ouders in overleg, in het belang van hun beider zoon, tot afspraken zullen komen waarbij de moeder alternatieven zal moeten aanbieden om de gevolgen van de verhuizing van [kind 1] voor de vader te verzachten.
Verzoek tot vervangende toestemming inschrijving school
4.11
Gelet op de vervangende toestemming voor de verhuizing naar [plaats D] zal het hof de moeder ook vervangende toestemming verlenen om [kind 1] in te schrijven op een middelbare school in [plaats D] . De moeder heeft in haar beroepschrift verzocht om vervangende toestemming om [kind 1] in te schrijven op een basisschool. De moeder heeft tijdens de zitting van 3 juli 2026 verklaard dat [kind 1] graag bij een verhuizing naar [plaats D] naar het [X] Lyceum in [plaats D] wil. Het hof zal vervangende toestemming geven voor inschrijving van [kind 1] op deze middelbare school.
Verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [kind 1] en de zorgregeling
4.12
Aangezien het hof de moeder vervangende toestemming zal verlenen om met [kind 1] naar [plaats D] te verhuizen en hem aldaar in te schrijven op een school, komt het hof niet toe aan de beoordeling van het door de vader in incidenteel hoger beroep gedane verzoek om te bepalen dat [kind 1] zijn hoofdverblijfplaats bij hem zal hebben. Om diezelfde reden komt het hof ook niet toe aan de beoordeling van het door de moeder voorwaardelijk gedane verzoek om een zorgregeling tussen haar en [kind 1] vast te stellen. Van de zijde van de vader is uitdrukkelijk geen verzoek gedaan tot het vaststellen van een zorgregeling tussen hem en [kind 1] , voor het geval [kind 1] met de moeder meeverhuist naar [plaats D] . Het hof wijst op het hiervoor overwogene onder 4.10, laatste zin, en benadrukt het belang van overleg tussen partijen over hoe het contact tussen [kind 1] en zijn vader verder moet worden vormgegeven. Beide ouders zijn voor [kind 1] belangrijk. Dat het contact met de vader ingrijpend anders zal worden dan het was, maakt dat niet anders. De vader is voor [kind 1] even belangrijk als zijn moeder.
4.13
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2025 en, opnieuw beschikkende:
verleent de moeder vervangende toestemming tot verhuizing met [kind 1] , geboren [in] 2014, naar [plaats D] ,
verleent de moeder vervangende toestemming om [kind 1] in te schrijven op het [X] Lyceum te [plaats D] ,
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.