ECLI:NL:GHAMS:2026:2040

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
23-000097-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.W.T. Klappe
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 366 SvArt. 408 SvArt. 423 SvArt. 172 GemeentewetArt. 177 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugwijzing zaak wegens niet-vertaling dagvaarding en schending eerlijk proces

In deze zaak stond de verdachte terecht voor het niet voldoen aan een door de burgemeester gegeven bevel om zich uit een overlastgebied te verwijderen. De verdachte was niet verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep. Zijn raadsvrouw voerde aan dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat de dagvaarding niet in een voor de verdachte begrijpelijke taal was vertaald, waardoor het recht op een eerlijk proces was geschonden.

Het hof stelde vast dat de dagvaarding aan de verdachte niet in een begrijpelijke taal was uitgereikt en dat de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende machtig was. Hierdoor was de oproeping niet rechtsgeldig en had de politierechter de zaak niet mogen behandelen. Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was en dat de verdachte in hoger beroep mocht worden ontvangen.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en wees de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor een nieuwe behandeling, met inachtneming van de juiste procedurele waarborgen, waaronder een correcte vertaling van de dagvaarding en een eerlijke oproeping van de verdachte.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de politierechter wegens niet-vertaling van de dagvaarding en schending van het recht op een eerlijk proces.

Uitspraak

proces-verbaal terechtzitting
GERECHTSHOF AMSTERDAM
datum arrest 20 juli 2026
parketnummer 23-000097-26
datum vonnis eerste aanleg 27 november 2025
parketnummers 13-239012-25
13-229159-25 (gev. ttz.)
13-034662-25 (TUL)
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, enkelvoudige kamer, op 20 juli 2026.
Tegenwoordig:
mr. A.W.T. Klappe raadsheer,
en mr. J.M. Pattinama griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. P.A. Willemse, advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, opgeroepen als:
[verdachte],
geboren [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats],
adres: [adres],
is niet verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. N.C. Reehuis, advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De raadsvrouw van de verdachte brengt – direct na voordracht van de zaak door de advocaat-generaal – naar voren dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat de zaak dient te worden terug gewezen naar de politierechter in de rechtbank Amsterdam.
De raadsheer benoemt de volgende bij het hof binnengekomen stukken:
 een de verdachte betreffend strafblad van 6 juli 2026;
 een e-mail van de raadsvrouw van 17 juli 2026, met als bijlagen; een e-mail van het Leger des Heils van 26 februari 2026 en een Reclasseringsadvies van Inforsa van 28 februari 2021.
Deze stukken worden in het dossier gevoegd.
De raadsvrouw merkt op dat zij in de veronderstelling was dat op de rolzitting van 19 mei 2026 al was bepaald door het hof dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, maar dat dit niet blijkt uit het proces-verbaal van die zitting. De raadsheer merkt op dat hier formeel nog op beslist moet worden.
De advocaat generaal voert het woord als volgt:
Er is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Met betrekking tot het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank, meen ik dat de zaak ook kan worden afgedaan door het hof, maar ik refereer mij aan het oordeel van het hof.
De raadsvrouw voert het woord als volgt:
Er is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De dagvaarding is niet vertaald en er is geen bericht waaruit blijkt dat de dagvaardingen mondeling aan de verdachte zijn uitgelegd. Desondanks heeft de politierechter de zaak behandeld. Uit het reclasseringsadvies van Inforsa blijkt dat de verdachte verstandelijk beperkt is en de Nederlandse taal niet machtig is. Het recht van de verdachte op een eerlijk proces is hiermee geschonden. De verdachte heeft recht op berechting in twee feitelijke instanties. Ik verwijs naar ECLI:NL:HR:1996:ZD0442. Indien een verdachte niet goed is opgeroepen en niet ter terechtzitting is verschenen, is dit een reden om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank in eerste aanleg.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST

Ontvankelijkheid van het namens de verdachte ingestelde hoger beroep

De dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg is in persoon aan de verdachte betekend. De verdachte is op 27 november 2025 bij verstek veroordeeld. Op grond van artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sv) moet het hoger beroep worden ingesteld binnen 14 dagen, indien de oproep om op de terechtzitting te verschijnen in persoon is betekend.
Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Het hof stelt vast dat de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Tijdens de politieverhoren is namelijk gebruik gemaakt van tolken in de Twi en Engelse taal. Niet is gebleken dat de aan de verdachte uitgereikte dagvaarding, zijnde een mededeling als bedoeld in art. 366, eerste en derde lid, Sv, in één van deze talen of een andere voor de verdachte begrijpelijke taal aan de verdachte is verstrekt.
In het licht van het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat dit in strijd met art. 366, vierde lid, Sv, niet is gebeurd. Evenmin volgt uit de stukken dat de inhoud van de mededeling uitspraak anderszins (mondeling) voor de verdachte is vertaald.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding (vgl. HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534). De verdachte kan daarom in zijn beroep worden ontvangen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
In de zaak met parketnummer 13-239012-25hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te 23:08 uur te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en Pro/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Zuid-Oost, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;
In de zaak met parketnummer 13-229159-25 (gevoegd)hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en Pro/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, eerste en/of tweede lid gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Zuidoost, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Terugwijzing naar de rechtbank

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht om de zaak terug te wijzen naar de politierechter bij de rechtbank Amsterdam. Zij heeft daartoe aangevoerd dat omdat de verdachte niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is opgeroepen en niet ter terechtzitting verschenen is, de politierechter niet aan de behandeling van de zaak toe had mogen komen.
Het hof overweegt als volgt.
Indien een verzoek tot terugwijzing wordt gedaan is het uitgangspunt dat een zaak niet wordt teruggewezen naar de rechtbank, maar dat het hof in hoger beroep doet wat de rechtbank had behoren te doen.
In sommige gevallen waarin de rechtbank in de hoofdzaak heeft beslist, kan het in artikel 423, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) besloten liggende beginsel dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties met zich brengen dat na vernietiging van het vonnis in eerste aanleg, de zaak wordt teruggewezen naar de eerste rechter.
Naast de in artikel 423, tweede lid, Sv geregelde gevallen kan van zo'n geval sprake zijn indien de rechter op de terechtzitting in eerste aanleg niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen, omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich ook niet een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. Tot deze personen kunnen, naast de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie, alleen de verdachte en zijn raadsman worden gerekend (
vgl. HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR: 1996:ZD0442).
Het hof stelt vast dat de dagvaarding in de zaak met parketnummer 13-229159-25 op 29 augustus 2025 zonder vertaling aan verdachte is uitgereikt op het politiebureau. In de zaak met parketnummer 13-239012-25 is de dagvaarding op 23 september 2025 aan de verdachte uitgereikt, terwijl hij gedetineerd was in het Justiteel Complex Schiphol, eveneens zonder vertaling. Uit het dossier blijkt dat de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is. Het dossier bevat tevens geen aanwijzingen dat de bij de uitreiking van de dagvaarding aan verdachte (in een voor hem begrijpelijke taal) is uitgelegd wat de strekking van de dagvaarding was.
Het hof is daarom van oordeel dat de rechter op de terechtzitting in eerste aanleg niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen, omdat de verdachte, in eerste aanleg niet verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich ook niet een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst de zaak terug naar de politierechter bij de rechtbank Amsterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.