ECLI:NL:GHAMS:2026:2050

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.359.550/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 1:402 BWArt. 1:402a BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gezag, omgang en kinderalimentatie minderjarige na afwijzing gezamenlijk gezag

De zaak betreft een geschil tussen ouders over het gezag, de omgangsregeling en kinderalimentatie voor hun minderjarige kind. De rechtbank wees het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag af, stelde een omgangsregeling vast en legde kinderalimentatie op. De vader ging hiertegen in hoger beroep, terwijl de moeder incidenteel hoger beroep instelde om de omgangsregeling te beperken.

Het hof oordeelde dat de communicatie tussen ouders slecht is en niet zal verbeteren, waardoor gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind is. De omgangsregeling wordt bekrachtigd, waarbij de vader verplicht wordt vooraf per e-mail te bevestigen dat de omgang doorgaat. De moeder's verzoek tot beperking van omgang wordt afgewezen.

De kinderalimentatie wordt herzien en vastgesteld op €144 per maand vanaf 1 januari 2024, met indexering naar €153 en €160 in respectievelijk 2025 en 2026. Terugbetaling van teveel betaalde alimentatie wordt niet verlangd. De overige verzoeken worden afgewezen.

Uitkomst: Verzoek gezamenlijk gezag afgewezen, omgangsregeling bekrachtigd met aanvullende e-mailbevestiging, kinderalimentatie vastgesteld op €144 per maand met indexering.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.359.550/01
zaaknummer rechtbank: C/13/705298 / FA RK 21-4694 (FL/SR)
beschikking van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. S.N. van Meijl te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M.S. Gerson te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ,
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag, de omgangsregeling en de kinderalimentatie ten aanzien van [minderjarige] . De rechtbank heeft het verzoek van de vader, om hem samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] te belasten, afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank een omgangsregeling tussen [minderjarige] en vader vastgesteld en is een kinderalimentatie ten laste van de vader bepaald. De vader is het daar niet mee eens. Hij wil gezamenlijk gezag, een meer uitgebreide omgangsregeling en geen, dan wel een lagere, alimentatie.
De moeder is het niet eens met de door de rechtbank opgelegde omgangsregeling, zij wil deze regeling juist beperken. Voor het overige is zij het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 22 september 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). De rechtbank heeft de bestreden beschikking hersteld bij beschikking van 4 juli 2025, waarin de verzochte voorlopige voorziening ex art. 223 Rv Pro is afgewezen.
2.2
De moeder heeft op 12 november 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 23 december 2025 een verweerschrift tegen het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- op 13 mei 2026 van de vader, producties 43 t/m 58;
- op 15 mei 2026 van de vader, producties 59 en 60;
- op 18 mei 2026 van de moeder, een akte houdende wijziging van verzoek en producties 17 t/m 33;
- op 28 mei 2026 van de moeder: het eindverslag van Timon in het kader van het Parallel Solo Ouderschapstraject.
2.4
Mr. Van Meijl heeft tegen de door de moeder op 18 mei 2026 ingediende producties bezwaar gemaakt. Het hof heeft daarop ter zitting beslist dat het niet meenemen van deze producties in strijd zou zijn met de goede procesorde, aangezien deze stukken relevante informatie bevatten betreffende de omgang en het gezag. Bovendien betreft het grotendeels correspondentie tussen partijen zelf, dus wordt de inhoud daarvan als bekend verondersteld. Het hof zal genoemde producties dan ook meenemen in de beoordeling.
De raad is ter zitting de mogelijkheid gegeven tot kennisneming van deze producties.
2.5
De zitting heeft op 28 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig partijen, bijgestaan door hun advocaat.
Beide advocaten hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben vanaf 2012 tot eind 2020 een affectieve relatie met elkaar gehad.
3.2
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2019 te [plaats A] .
De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige] .
3.3
Partijen zijn sinds 2021 met elkaar verwikkeld in een juridische procedure rondom [minderjarige] .
3.4
Na diverse aanhoudingen heeft de rechtbank op 23 juni 2025 de bestreden beschikking gegeven, waarin definitief is beslist ten aanzien van het gezag, de omgangsregeling, de vakantie- en feestdagenregeling en de kinderalimentatie.
3.5
Altra is vanaf 2022 betrokken geweest bij partijen en vervolgens is een Ouderschap Blijft-traject gestart. Dat traject is uiteindelijk niet voortgezet omdat er geen verandering kwam in de communicatie tussen de ouders en er daardoor geen afspraken over de voortgang werden gemaakt. [minderjarige] heeft het hulpverleningstraject “Piep zei de muis” gevolgd en krijgt vanaf november 2025 hulp van de praktijkondersteuner (POH-GGZ kind).
De moeder heeft vanaf november 2025 bij Timon hulpverlening het traject Parallel Solo Ouderschap (PSO) gevolgd. Timon heeft geadviseerd de KIES-training in te zetten voor [minderjarige] , hiermee is [minderjarige] gestart.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang:
I. bepaald dat [minderjarige] en de vader omgang hebben:
ten aanzien van de reguliere omgangsregeling:
- iedere donderdag vanuit school tot 18:30 uur en ieder weekend een dag, om en om op zaterdag van 10:00 uur tot 18:30 uur of op zondag van 10:00 uur tot 16:00 uur;
ten aanzien van de vakanties en feestdagen:
- voorjaarsvakantie: conform de reguliere omgangsregeling;
- Tweede Paasdag: ieder jaar van 10:00 uur tot 18:30 uur;
- Tweede Pinksterdag: ieder jaar van 10:00 uur tot 18:30 uur;
- Vaderdag: ieder jaar van 10:00 uur tot 18:30 uur;
- zomervakantie: conform de reguliere omgangsregeling, waarbij - indien de moeder met [minderjarige] met vakantie wenst te gaan - de vader gecompenseerd wordt voor alle gemiste dagen;
- Tweede Kerstdag: ieder jaar van 10:00 uur tot 18:30 uur:
II. bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 1 januari 2024 een kinderalimentatie voor [minderjarige] dient te voldoen van € 290,- per maand;
III. het verzoek van de vader tot toekenning van het gezamenlijk gezag afgewezen.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking:
I. de ouders met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te belasten;
II. een zorg- dan wel omgangsregeling vast te leggen, waarbij [minderjarige] bij vader verblijft:
- iedere donderdag vanuit school tot 18:30 uur en eens in de veertien dagen van vrijdagmiddag vanuit school tot zondagavond 18:30 uur;
III. te bepalen, dat de vakanties en feestdagen tussen partijen bij helfte worden verdeeld, zodat [minderjarige] bij de vader verblijft:
  • in de oneven jaren de voorjaarsvakantie;
  • in de even jaren het paasweekend inclusief tweede paasdag;
  • in de even jaren Koningsdag;
  • in de oneven jaren het Pinksterweekend inclusief tweede Pinksterdag;
  • het weekend waarin Vaderdag valt;
  • in de oneven jaren de laatste drie weken van de zomervakantie en in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie;
  • in de eerstvolgende kerstvakantie de tweede week van de kerstvakantie, en het jaar erop de eerste week van de kerstvakantie en vervolgens om en om;
IV. te bepalen dat de vader primair per datum van, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking geen kinderalimentatie aan de moeder hoeft te voldoen, dan wel subsidiair een bedrag van € 30,- per maand, met, naar het hof begrijpt, afwijzing van het verzoek van de moeder over de daaraan voorafgaande periode; en de moeder te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij vanaf 1 januari 2024 te veel heeft ontvangen, te weten een bedrag van € 260,77 per maand, derhalve per september 2025 in totaal € 5.476,17, te vermeerderen met de toekomstige maandelijkse termijnen (voor het eerst per oktober 2025), een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking en – voor het geval voldoening van het te veel ontvangene niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente; althans een en ander met bepaling van een zorgregeling, vakantie- en feestdagenregeling en een kinderalimentatie zoals het hof juist acht.
4.3
De moeder verzoekt dat de reguliere omgangsregeling als volgt wordt bepaald:
elke donderdag vanuit school tot 18:30 uur en om het weekend op zaterdag van 10:00 uur tot 18:30 uur, of op zondag van 10:00 uur tot 16:00 uur wanneer de vader dat wenst of het hof dit meer in het belang van [minderjarige] acht; alsook te bepalen dat omgang uitsluitend plaatsvindt binnen het omschreven veiligheidskader, zoals het niet negatief uitlaten over de moeder en dier familie, het abstinent zijn en blijven van alcohol en drugs gedurende de omgang, inzage geven in ingezette en in te zetten hulpverlening, geen volwassenenzaken bespreken met [minderjarige] en de locatie van de omgang niet spontaan verplaatsen, althans door het hof te bepalen veiligheidskaders.
4.4
Na wijziging en aanvulling heeft de moeder verzocht dat de reguliere omgangsregeling als volgt wordt bepaald, te weten dat [minderjarige] om de week omgang heeft met vader, waarbij dat een keer in de maand op de donderdag en zaterdag zal zijn en een keer in de maand op de donderdag en zondag; daarbij dient de vader drie uren voorafgaand aan de omgang de moeder een e-mail te sturen met de tekst: “ik ben er”, en te bepalen, dat het de vader niet is toegestaan [minderjarige] in de auto te vervoeren wanneer de vader achter het stuur zit.

5.De motivering van de beslissing

Principaal hoger beroep
5.1
De vader komt met 6 grieven op tegen de bestreden beschikking. Grief 1 ziet op de afwijzing van het verzoek om het gezamenlijk gezag, grief 2 op de omgangs-, vakantie- en feestdagenregeling en grief 3 tot en met 6 op de kinderalimentatie.
Incidenteel hoger beroep
5.2
De moeder verzoekt de bestaande omgangsregeling te beperken en hierbij aanvullende voorwaarden vast te leggen.
5.3
Het hof zal de grieven per onderwerp behandelen, principaal en incidenteel hoger beroep tezamen, en gaat in de beoordeling verder in op de argumenten van partijen.
Gezag
Wettelijk kader
5.4
Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunten partijen
5.5
De vader stelt dat niet aan de wettelijke vereisten voor afwijzing van zijn verzoek om gezamenlijk gezag is voldaan, zodat het uitgangspunt dat beide ouders met het gezag moeten worden belast, moet worden gevolgd. Immers, [minderjarige] zit niet klem of verloren tussen de ouders, evenmin is gebleken dat eenhoofdig gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Volgens de vader verloopt de communicatie tussen partijen naar behoren. Partijen zijn in staat in onderling overleg te communiceren over de omgang en daarover afspraken te maken. De vader verzoekt om gezamenlijk met de moeder met het gezag over [minderjarige] te worden belast. Hij voert daartoe aan dat hij op dit moment geen of slechts beperkte informatie over [minderjarige] ontvangt. De vader wenst een actieve en betrokken rol te vervullen in het leven van [minderjarige] en wil daarbij voor de informatievoorziening over haar niet afhankelijk zijn van de moeder.
5.6
De moeder voert aan dat sprake is van onvoorspelbaarheid en langdurige verslavings- en psychische problematiek bij de vader. Zij verwijst daarbij naar een verkeersongeval van 5 mei 2021 en de media-uitingen daarover, alsmede naar de behandelingstrajecten die de vader heeft ondergaan bij psychiater Helberg, Geduld Interventies GGZ, een kliniek in Zuid-Afrika alsmede een vermoedelijke behandeling in Ierland, waarover de vader geen volledige openheid heeft gegeven. Er is bovendien sprake van aanhoudende agressieve uitlatingen en intimidatie bij overdrachten, ook in het bijzijn van [minderjarige] . De communicatie is onverminderd slecht en het lukt partijen, ondanks alle hulpverlening, niet dit op een aanvaardbaar niveau te krijgen, aldus de moeder. Tot slot zijn er concrete kindsignalen, waarvoor de moeder hulpverlening heeft moeten inzetten. [minderjarige] heeft volgens de moeder sinds mei 2025 last van stamelen, broekplassen (dag en nacht), nachtangsten, slecht slapen en eten, huilbuien en terugtrekgedrag. Ook vertoont zij expliciete weerstand tegen omgangsmomenten. Volgens de moeder is daarmee voldaan aan het klem-criterium, dan wel is daarmee komen vast te staan dat gezamenlijk gezag niet in het belang is van [minderjarige] , zodat het verzoek van de vader moet worden afgewezen.
Het advies van de raad
5.7
De raad heeft tijdens de zitting in hoger beroep laten weten geen aanknopingspunten te zien voor gezamenlijk gezag. De situatie is volgens de raad niet verbeterd maar eerder verslechterd. De raad ziet dat de moeder aan de slag is gegaan met het inzetten van hulp voor [minderjarige] , maar dat de vader niets op dit vlak heeft ondernomen en dat is volgens de raad erg zorgelijk. Daar komt bij dat er nog steeds periodes zijn waarin de vader onvoorspelbaar gedrag vertoont en dat de vader nog steeds geen volledige openheid van zaken geeft over zijn eigen hulpverleningstraject. Voor de onderlinge samenwerking tussen de ouders zou het goed zijn als de vader de zorgen van de moeder kan ontkrachten, aldus de raad. De raad heeft de verwachting uitgesproken dat op het moment dat er gezamenlijk gezag zou komen en er daardoor meer contact komt tussen partijen, [minderjarige] klem zal komen te zitten tussen partijen.
De beoordeling door het hof
5.8
Het hof overweegt dat al sinds het uiteengaan van partijen sprake is van een slechte communicatie en veel conflicten. Het is partijen in de afgelopen vijf jaren nog niet gelukt om hun ouderrelatie te verbeteren. De ingezette hulpverlening voor partijen is mislukt, dan wel niet uitgevoerd. Het hof betreurt het dat de vader niet heeft meegewerkt aan het traject Parallel Solo Ouderschap (PSO) bij Timon hulpverlening, omdat hij, zo heeft hij tijdens de zitting in hoger beroep laten weten, hiervan andere verwachtingen had. [minderjarige] ervaart veel spanningen door de problematiek tussen de ouders; het is in haar belang dat partijen op korte termijn ervoor zorgen dat zij hun communicatie en onderlinge relatie verbeteren.
5.9
Ter zitting in hoger beroep is duidelijk geworden dat de situatie verder is verslechterd. De communicatie verloopt nog steeds zeer stroef. Telefonisch contact is tussen partijen niet meer mogelijk, zodat de communicatie sinds 1 april 2026 uitsluitend per e-mail plaatsvindt. Bovendien worden de e-mailberichten en de inhoud daarvan beperkt tot het minimum vanwege de grote hoeveelheid berichten die de vader volgens de moeder eerder stuurde. Ook de overdracht van [minderjarige] verloopt niet goed. De moeder heeft laten weten niet bij de daadwerkelijke overdracht aanwezig te zijn, maar direct weg te lopen zodra zij de vader ziet aankomen. Tot slot geeft de vader nog steeds geen volledige openheid van zaken over zijn eigen hulpverlening in het kader van zijn persoonlijke problematiek.
Dit alles brengt mee dat het hof geen enkele basis ziet voor gezamenlijk gezag. Daar komt bij dat niet te verwachten is dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal optreden. Het hof wijst het verzoek van de vader dan ook af omdat dit in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
Zorg-, vakantie- en feestdagenregeling
Wettelijk kader
5.1
Het wettelijk uitgangspunt is dat een kind en zijn ouders recht hebben op omgang met elkaar. De rechter stelt ingevolge artikel 1:377a lid 2 BW op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast, dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang op een van de in art. 1:377a lid 3 BW genoemde gronden, die er op neerkomen dat omgang in strijd komt met zwaarwegende belangen van het kind.
Standpunten partijen
5.11
De vader wenst uitbreiding van de reguliere zorgregeling. Hij wil dat [minderjarige] naast de omgang op de donderdagmiddag, eens per twee weken een weekend bij hem is. Volgens de vader blijkt nergens uit dat [minderjarige] onveilig bij hem zou zijn. Hij heeft volledige openheid gegeven over zijn persoonlijke problematiek. Er is geen sprake van verslavings- en/of andersoortige problematiek. De vader heeft aangetoond dat hij geschikt is bevonden door het CBR om te kunnen rijden. Verder heeft hij bij zijn huisarts verklaard sinds 2023 geen alcohol meer te drinken, zodat de zorgen daarover naar de achtergrond zijn verdwenen. Het is volgens de vader in het belang van [minderjarige] om de omgang uit te breiden zoals door hem verzocht.
5.12
De moeder is het niet eens met uitbreiding van de omgang. Zij benoemt de kindsignalen zoals hiervoor genoemd en voert aan dat [minderjarige] veel weerstand heeft tegen omgangsmomenten. Ook de aanhoudende escalaties bij de overdrachten, school en zwemles zijn een contra-indicatie voor uitbreiding van de omgang. Die momenten vergroten onveiligheid en onrust. Uitbreiding van de omgang is dan ook niet in het belang van [minderjarige] , aldus de moeder.
5.13
In haar incidenteel hoger beroep voert de moeder aan dat de huidige reguliere regeling te veel vergt van [minderjarige] . Zij wenst dat de omgang met de vader om de week plaatsvindt, zodat [minderjarige] een week rust heeft. Daarnaast wil zij aanvullende voorwaarden verbinden aan de uitvoering van de omgang.
Vader verzoekt moeder primair niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel hoger beroep, nu moeder volgens hem geen grieven heeft ingediend en een dergelijk nieuw verzoek in hoger beroep niet mogelijk is. Subsidiair dient het verzoek te worden afgewezen als onvoldoende onderbouwd. Het wijzigingsverzoek is voorts te laat ingediend, aldus de vader.
5.14
Het hof zal eerst beoordelen of de moeder ontvankelijk is in haar incidenteel hoger beroep.
Het (incidenteel) hoger beroep dient ingevolge artikel 359 jo Pro. artikel 278 lid 1 Rv Pro de gronden te bevatten waarop het beroep berust, hetgeen meebrengt dat op voor de appelrechter en de wederpartij duidelijk kenbare wijze moet blijken op welke gronden de bestreden beschikking onjuist zou moeten worden geoordeeld, zodanig dat de wederpartij weet waartegen zij zich dient te verweren. Hetgeen de moeder in haar incidenteel hoger beroep heeft vermeld, voldoet aan dat vereiste. De moeder is daarin dan ook ontvankelijk.
Vervolgens is de vraag aan de orde of de moeder in haar hoger beroep voor het eerst een zelfstandig verzoek doet. Dat zou in strijd komen met artikel 362 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Uit de stukken blijkt dat de moeder in eerste aanleg een zelfstandig verzoek heeft gedaan, zij heeft immers verzocht om vaststelling van kinderalimentatie. Dat brengt mee dat de situatie genoemd in artikel 362 Rv Pro, te weten dat een zelfstandig verzoek niet voor het eerst in hoger beroep mag worden gedaan, niet opgaat. Zij mocht in hoger beroep haar verzoek om kinderalimentatie vermeerderen met een verzoek inzake de omgang, nog daargelaten de vraag of haar verzoek niet veeleer neerkomt op een nader verweer tegen het door de vader gedane omgangsverzoek.
Dan nog de vraag of de moeder in dit stadium nog een dergelijk verzoek of verweer mag opwerpen, of dat zij dat te laat heeft gedaan, zoals de vader aanvoert. Het hof is van oordeel dat de aard van het geschil in dit geval meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of een wijziging van het verzoek of het verweer kan plaatsvinden. Het hof verwijst in dit kader naar HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9226, rov. 3.3. Tot slot merkt het hof op dat de handelwijze van de moeder geen strijd met de goede procesorde oplevert. De vader heeft zich immers inhoudelijk kunnen verweren tegen hetgeen de moeder in haar op 18 mei 2026 ingediende akte heeft aangevoerd.
De ontvankelijkheidsverweren falen dan ook.
Het advies van de raad
5.15
De raad ziet geen reden voor een uitbreiding van de omgang nu de situatie is verslechterd. Uit de stukken blijkt dat het niet goed gaat met [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat zij frequent omgang heeft met haar vader, maar ze moet er ook op kunnen vertrouwen dat de omgang doorgang vindt. De raad spreekt de hoop uit dat beide ouders zich hiervoor gaan inzetten. Ten aanzien van het verzoek van de moeder om de regeling te verminderen, heeft de raad opgemerkt hiertoe op dit moment evenmin redenen te zien. De raad ziet de zorgen van de moeder, maar vindt frequent contact met de vader in het belang van [minderjarige] . De raad adviseert dan ook om de huidige zorgregeling te continueren.
De beoordeling door het hof
5.16
Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen, is de situatie tussen partijen verslechterd. De moeder heeft tijdens de zitting in hoger beroep toegelicht dat [minderjarige] veel spanningen ervaart, met name tijdens de overdrachtsmomenten omdat onzeker is of de vader wel of niet aanwezig is. Als de vader niet aanwezig is, dan veroorzaakt dit veel boosheid en verdriet bij [minderjarige] . Volgens moeder ervaart [minderjarige] ook veel lichamelijke klachten hierdoor. Het hof acht deze situatie zorgelijk, met name omdat de hulpverlening voor partijen samen niet van de grond is gekomen. Moeder heeft een PSO-traject gevolgd, maar de vader niet. Het hof is van oordeel dat de huidige regeling eerst beter moet verlopen alvorens deze verder uit te breiden. Uitbreiding van de regeling op dit moment is, gelet op de gang van zaken en de spanningen die [minderjarige] ervaart, niet in haar belang zodat het verzoek van de vader wordt afgewezen.
Het hof ziet echter evenmin redenen om de omgangsregeling te beperken, nu een frequent contact met [minderjarige] met haar vader belangrijk voor haar is, zodat eveneens het verzoek van de moeder wordt afgewezen. De huidige regeling wordt daarom bekrachtigd, met inachtneming van het wat hierna onder r.o. 5.17 nog wordt overwogen.
Ook de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vakanties en feestdagen wordt bekrachtigd, waarbij het hof ervan uitgaat dat de vader, zoals is opgenomen in het dictum van de bestreden beschikking, gecompenseerd wordt als de moeder met [minderjarige] op vakantie gaat.
5.17
De moeder heeft verzocht om diverse voorwaarden te verbinden aan de uitvoering van de omgangsregeling, te weten dat de vader zich niet negatief uitlaat over de moeder, abstinent is en blijft van alcohol en drugs gedurende de omgang, inzage geeft in ingezette en in te zetten hulpverlening, geen volwassenenzaken bespreekt met [minderjarige] , de locatie van de omgang niet spontaan verplaatst en [minderjarige] niet vervoert in een auto wanneer de vader deze bestuurt. Het hof neemt als vanzelfsprekend aan dat de vader bij de uitvoering van de omgang zal handelen in het belang van [minderjarige] en de gedragsaanwijzingen die de moeder voorstaat (geen drank of drugs, geen volwassenenzaken met het kind bespreken) in acht zal nemen. Deze punten en de voorwaarden over het inzage geven in hulpverlening en het besturen van een auto die de moeder gesteld wil zien, zal het hof niet als voorwaarden verbonden aan de omgang vastleggen, omdat niet op voorhand valt te zeggen dat bij vervulling van zo’n voorwaarde de omgang steeds in strijd komt met zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Dat zou anders kunnen komen te liggen indien blijkt dat de vader zich structureel niet aan deze voorwaarden houdt.
Dit ligt anders voor het verzoek om, voorafgaande aan de omgang, even een berichtje te sturen dat de omgang kan plaatsvinden. Gezien de grote spanningen die [minderjarige] ervaart of de omgang wel of niet doorgaat, zal het hof bepalen dat de vader de moeder vooraf per e-mail een berichtje stuurt dat het omgangsmoment doorgang zal vinden. Daarbij is het hof evenwel van oordeel dat dit berichtje niet drie uur van te voren hoeft te worden gestuurd, maar dat uiterlijk één uur van te voren daarbij voldoende is. Indien de vader nalaat dit bericht te verzenden, hoeft de moeder [minderjarige] voor het desbetreffende omgangsmoment niet af te geven, zonder dat sprake zal zijn van compensatie van het aldus gemiste moment.
Kinderalimentatie (grief 3 t/m 6)
5.18
De vader grieft tegen de ingangsdatum, de behoefte van [minderjarige] , zijn draagkracht, de zorgkorting en de vastgestelde kinderalimentatie. Het hof zal deze onderdelen achtereenvolgens behandelen.
De door het hof gemaakte alimentatieberekeningen zijn aan deze beschikking gehecht.
Voor zover hierna bedragen zijn genoemd, zijn deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
Ingangsdatum
5.19
De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte de kinderalimentatie met terugwerkende kracht op 1 januari 2024 heeft laten ingaan. Volgens de vader heeft de moeder eerst op 14 mei 2025, naar aanleiding van de vraag van de rechtbank aan partijen om zich uit te laten ten aanzien van de kinderalimentatie, haar recente financiële gegevens overgelegd. De vader meent dat een eventuele kinderalimentatie niet eerder kan starten dan de datum van de bestreden beschikking (23 juni 2025).
De moeder voert aan dat de vertraging in de vaststelling van de alimentatie niet aan haar te wijten is en dat het voor de vader voorzienbaar was dat er nog een definitieve alimentatie zou worden vastgesteld. Daarbij heeft zij het ontvangen geldbedrag inmiddels aangewend voor [minderjarige] zodat terugbetaling niet van haar kan worden gevergd.
5.2
Het hof overweegt als volgt. De rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, stelt tevens de ingangsdatum vast (artikel 1:402 lid 1 BW Pro). Het hof ziet geen aanleiding de ingangsdatum van de door de vader te betalen kinderalimentatie vast te stellen op een latere datum dan de rechtbank heeft gedaan. Daartoe overweegt het hof dat het (bodem)verzoek van de moeder om kinderalimentatie vast te stellen reeds dateert van 10 augustus 2021, zodat de vader sinds die datum rekening had kunnen houden met een hogere alimentatie dan die volgens de voorlopige voorzieningen. De rechtbank heeft daarna financiële gegevens vanaf 1 januari 2024 van de moeder ontvangen, zodat de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht bij die datum heeft aangeknoopt.
Behoefte [minderjarige]
5.21
De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige] , geïndexeerd naar 2024, vastgesteld op € 547,-- per maand, op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen (NBGI) in het jaar 2020. Volgens de vader gaat de rechtbank terecht uit van het NBGI van partijen in het jaar 2020, maar overweegt de rechtbank vervolgens ten onrechte de tarieven van het rekenprogramma van 2021-I (de eerste helft van 2021) toe te passen. Verder meent de vader dat bij het vaststellen van zijn netto besteedbaar inkomen ten onrechte rekening is gehouden met een fictief rendement van 4% over zijn vermogen. De vader voert primair aan dat er niet met een fictief rendement uit vermogen mag worden gerekend en subsidiair dat er maximaal gerekend mag worden met een rendement van 0,04% over zijn spaargeld. De moeder sluit zich aan bij de berekening van de rechtbank.
5.22
Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat voor het NBGI van partijen uitgegaan moet worden van het jaar 2020 nu partijen in dat jaar feitelijk uiteen zijn gegaan. De rechtbank heeft, blijkens de alimentatieberekening, voor de behoefteberekening de daarbij behorende tarieven van 2020-II toegepast, ondanks dat de rechtbank in de beschikking heeft overwogen uit te gaan van de tarieven 2021-I. De behoefteberekening is naar het oordeel van het hof correct uitgevoerd. Dat de rechtbank overweegt de tarieven 2021-I te zullen toepassen berust, zo neemt het hof aan, op een verschrijving.
5.23
Voor wat betreft de opmerking van de vader ten aanzien van zijn vermogen overweegt het hof als volgt. Bij de vaststelling van de behoefte van een kind is het NBGI van de ouders ten tijde van de samenleving weliswaar leidend, maar het gaat uiteindelijk om de welstand waarin het kind leefde voor de verbreking van de samenleving van de ouders. Het gaat er dus om wat partijen feitelijk te besteden hadden en ook daadwerkelijk toen hebben uitgegeven. Niet in geschil is dat het bruto jaarloon van de vader in 2020 € 4.900,-- bedroeg, dat van de moeder € 28.641,-- en dat de vader daarnaast beschikte over een vermogen aan spaargeld van € 343.597,--. De rechtbank is uitgegaan van een rendement van 4% over het vermogen van de vader. Bij de bepaling van het NBGI van partijen is hierdoor rekening gehouden met een bedrag van € 13.744,-- aan in box 3 belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
Het hof acht het niet onaannemelijk dat partijen naast hun loon (mede gezien de bescheiden hoogte daarvan) met dit of een vergelijkbaar bedrag hebben ingeteerd op het spaargeld van de vader om alle kosten van het gezin te kunnen voldoen. Het hof is dan ook van oordeel, wat er ook zij van de opmerkingen van de vader over het rendement, dat de rechtbank de behoefte van [minderjarige] terecht heeft vastgesteld op (geïndexeerd) € 547,-- per maand en daarmee haar behoefte niet heeft overschat. De grieven van de vader ten aanzien van de behoefte falen; ook het hof zal verder uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde behoefte.
Draagkracht vader
5.24
De vader is het niet eens met de vaststelling van zijn draagkracht door de rechtbank. De vader meent dat uitgegaan moet worden van het gemiddelde jaarinkomen over de jaren 2022 t/m 2024, zoals gebruikelijk is bij een ondernemer, en niet uitsluitend van het jaar 2024 zoals de rechtbank heeft gedaan. Daarnaast heeft de rechtbank volgens de vader ten onrechte zijn vermogen mee laten wegen in de beslissing de door de moeder verzochte kinderalimentatie toe te wijzen.
Primair is de vader van mening dat geen rekening mag worden gehouden met inkomen uit vermogen. De vader was op 1 januari 2024 eigenaar van de helft van een kavel grond, dat voor een waarde van € 453.656,-- in zijn aangifte IB was opgenomen. Over dat vermogen kon hij op dat moment niet vrij beschikken. De kavel is in mei 2024 verkocht, waaruit de vader een bedrag van € 375.475,07 heeft ontvangen. Nadat het bedrag vrijkwam heeft de vader hiermee een – volgens de vader noodzakelijke – aflossing gedaan op een schuld van zijn BV aan zijn moeder, zodat er geen vermogen resteerde. Subsidiair stelt de vader dat er hooguit met een fictief rendement van 1,44% (voor banktegoeden) over genoemde opbrengst rekening mag worden gehouden, waarbij in dat geval eveneens rekening moet worden gehouden met de schulden van € 115.306,--. De vader heeft geen draagkracht, maar biedt aan een kinderalimentatie van € 30,-- per maand te voldoen.
De vader heeft tijdens de zitting in hoger beroep verder aangevoerd dat zijn onderneming wegens aanhoudende slechte resultaten op korte termijn zal worden geliquideerd en ontbonden. Zijn loon is om die reden met ingang van 1 januari 2026 op nihil bepaald, waardoor de vader geen kinderalimentatie meer kan voldoen.
5.25
De moeder voert verweer. Zij is van mening dat de rechtbank terecht is uitgegaan van het inkomen in 2024 omdat dit een meer representatief beeld geeft van het inkomen van de vader. Daarnaast is terecht rekening gehouden met het vermogen van de vader. Van de vader mag worden verwacht dat hij zijn vermogen laat renderen, dan wel dit aanwendt voor zijn onderhoudsplicht. Dat de vader ervoor kiest een schuld aan zijn moeder af te lossen in plaats van alimentatie voor [minderjarige] te betalen komt voor zijn eigen rekening en risico. Ook met het inkomensverlies van de vader met ingang van 1 januari 2026 mag volgens de moeder geen rekening worden gehouden.
5.26
Bij het vaststellen van de draagkracht gaat het hof uit van het netto besteedbaar inkomen (NBI). Dit inkomen wordt vastgesteld door de som te nemen van het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen alsmede het te ontvangen kindgebonden budget, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x (NBI – (0,3 NBI + 1.270,--)), zoals deze in 2024 geldt, gelet op de ingangsdatum van de vast te stellen alimentatie. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 1.270,-- aan overige lasten, en dat van het bedrag dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
5.27
Het hof overweegt als volgt. De vader is weliswaar ondernemer, maar zijn inkomen bestaat uit wat hij in loondienst als DGA van [X] B.V. verdient alsmede een pensioenuitkering, en dus niet uit jaarlijks fluctuerende winst uit onderneming. De rechtbank is uitgegaan van het bruto jaarloon in 2024 ter hoogte van € 19.200,-- en de in dat jaar ontvangen pensioenuitkering van € 18.462,--. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken door uit te gaan van de gemiddelde bedragen over de jaren 2022 tot en met 2024. Voor de pensioenuitkering is hiervoor geen grondslag omdat het geen inkomen betreft dat jaarlijks fluctueert. Het loon is bovendien in 2024 nagenoeg gelijk aan het gemiddelde loon over genoemde jaren. Het hof volgt de rechtbank dan ook in de beslissing om uit te gaan van het inkomen van de vader in 2024.
5.28
Vaststaat dat de vader op 1 januari 2024 beschikte over de helft van een perceel grond, dat volgens de aangifte IB 2024 van de vader een waarde had van € 453.656,--. Het vermogen op de bank- en spaarrekeningen was op die datum verwaarloosbaar en de vader had toen schulden in privé ter hoogte van € 115.306,--. Het perceel grond is in mei 2024 verkocht, waarna de vader een bedrag van € 375.475,07 heeft ontvangen. Naar zijn zeggen heeft hij daarmee schulden aan zijn moeder afgelost. Het hof stelt vast dat uit de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2024 van de vader en de jaarcijfers van Eclectix B.V. over 2024 blijkt dat in dat jaar een privéschuld van de vader aan zijn moeder, groot € 95.000,--, een privéschuld aan Dioken B.V., groot € 20.306,--, en een schuld van Eclectix B.V. aan de moeder van de vader, groot € 222.514,--, geheel zijn afgelost.
De vraag is in hoeverre met de waarde van het perceel, de opbrengst ervan en met de genoemde schulden van de vader in privé en van Eclectix B.V. rekening gehouden moeten worden.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de draagkracht rekening te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige, ook met schulden waarop niet wordt afgelost. Weliswaar kan de rechter redenen aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar in dat geval dient hij dit oordeel te motiveren. In dit verband valt te denken aan schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of aan schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen. Voorop staat immers dat de wetgever aan de verplichting van ouders om in de kosten van een kind te voorzien hoge prioriteit heeft toegekend: uitgangspunt is dat minderjarige kinderen behoeftig zijn en de ouders hierin zoveel mogelijk dienen te voorzien. Dat leidt ertoe dat de noodzaak en de hoogte van eventuele extra lasten die de draagkracht zouden verlagen deugdelijk dienen te worden onderbouwd.
Ten aanzien van het aflossen van de schulden aan de moeder van de vader is het hof met de rechtbank van oordeel dat deze keuze voor eigen rekening en risico van de vader behoort te komen, gezien zijn onderhoudsplicht. Voor wat betreft de schuld van Eclectix B.V. heeft daarbij te gelden dat zonder nadere toelichting, welke echter ontbreekt, niet valt in te zien waarom deze schuld als een schuld van de vader moet worden aangemerkt. Het betrof hier blijkens de jaarstukken een langlopende lening aan de werkmaatschappij van de vader, verstrekt door diens moeder, die bovendien pas op 27 februari 2029 diende te zijn afgelost. Dat de vader privévermogen heeft aangewend om deze schuld van Eclectix B.V. aan zijn moeder af te lossen komt evenzeer voor zijn rekening, alsmede zijn keuze om de daarvoor kennelijk door hem gefourneerde gelden aan te merken als een Agio-dotatie.
Wat betreft de schuld aan zijn moeder in privé had het op de weg gelegen van de vader om nader duidelijk te maken waarom het, mede in het licht van zijn onderhoudsplicht jegens [minderjarige] , noodzakelijk was om deze schuld in 2024 in zijn geheel af te lossen. Dat geldt evenzeer voor de schuld aan Dioken B.V. van € 20.306,-. Over de achtergronden van deze beide schulden en de noodzaak van volledige aflossing daarvan in 2024 heeft de vader onvoldoende aangevoerd. De vader heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat het gaat om noodzakelijke en niet verwijtbare schulden, waarvan de volledige aflossing in 2024 prevaleren boven zijn onderhoudsverplichting. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de vader in 2024 een bedrag ter beschikking had van € 375.475,07.
Het hof volgt de vader in zijn subsidiaire standpunt dat met een rendement van 1,44% over dit vermogen rekening moet worden gehouden nu het spaargeld betreft.
Dit brengt mee, dat het NBI van de vader in 2024 € 2.754,-- per maand bedraagt. De vader heeft hiermee, na toepassing van de hiervoor genoemde draagkrachtformule, een draagkracht van € 461,-- per maand.
5.29
Ten aanzien van het inkomensverlies van de vader met ingang van 1 januari 2026 overweegt het hof als volgt. Naar het oordeel van het hof is dit inkomensverlies voor herstel vatbaar. De vader wordt in staat geacht zijn oorspronkelijke inkomen van € 19.200,-- bruto per jaar te verwerven, bijvoorbeeld door een dienstbetrekking in loondienst te aanvaarden. Daar komt bij dat het inkomensverlies voorzienbaar was en reeds had kunnen zijn hersteld. De vader heeft desgevraagd immers verklaard dat het al geruime tijd niet goed gaat met zijn onderneming. De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026, derhalve bijna vijf maanden nadat zijn inkomen op nihil is gesteld en duidelijk is geworden dat de onderneming zal worden geliquideerd. Desondanks is niet gebleken dat de vader pogingen heeft ondernomen om een andere dienstbetrekking te vinden. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de inkomensvermindering van de vader bij de bepaling van zijn draagkracht buiten beschouwing dient te blijven.
Zorgkorting
5.3
De vader stelt tot slot dat de rechtbank is vergeten een zorgkorting toe te passen.
De vader meent dat, gezien de omgang met [minderjarige] , een zorgkorting van 25% passend is.
De moeder voert aan dat er hooguit 5 of 15% zorgkorting zou moeten gelden, nu geen sprake is van overnachtingen van [minderjarige] bij de vader.
5.31
Het hof acht een zorgkorting van 15% passend en redelijk gezien de huidige zorgregeling zonder overnachtingen bij de vader.
Hoogte kinderalimentatie
5.32
De draagkracht van de vader bedraagt € 461,-- per maand. De draagkracht van de moeder is niet in geschil en bedraagt € 656,-- per maand.
Na draagkrachtvergelijking en rekening houdende met 15% zorgkorting bedraagt de door de vader te betalen alimentatie met ingang van 1 januari 2024 € 144,-- per maand.
Het hof zal aldus bepalen.
Indexering
5.33
Met inachtneming van het overwogene in rechtsoverweging 3.2.6. in HR 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165) zal het hof beoordelen of aanleiding bestaat de door de vader verschuldigde kinderalimentatie te verhogen per 1 januari 2025 en/of 1 januari 2026 gelet op de gevolgen die de jaarlijkse indexering als bedoeld in art 1:402a BW, zou hebben gehad voor de hoogte van de kinderalimentatie indien de datum van de onderhavige beschikking zou zijn samengevallen met de ingangsdatum (1 januari 2024).
5.34
Evident is dat de moeder en [minderjarige] belang hebben bij toepassing van een indexering, gelijk aan de wettelijke indexering. Met toepassing daarvan zou het door de vader verschuldigde bedrag immers per 1 januari 2025 zijn verhoogd met 6,5 % en met 4,6 % per 1 januari 2026. Daartegenover staat dat op basis van de inkomensgegevens van de vader waarvan in het voorgaande is uitgegaan, het inkomen van de vader per 1 januari 2025 en 1 januari 2026 niet is meegestegen met wettelijke indexeringspercentages. Het hof acht het echter redelijk om het vastgestelde bedrag van € 144,-- per maand per 1 januari 2025 en per 1 januari 2026 te verhogen met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering. De vader hoeft op grond van het in r.o. 5.32 becijferde immers niet zijn gehele draagkracht aan te wenden. Er bestaat bij hem dus ruimte om genoemde indexering per 1 januari 2025 en per 1 januari 2026 te dragen. De door hem verschuldigde kinderalimentatie bedraagt dan per 1 januari 2025 € 153,-- per maand en per 1 januari 2026 € 160,-- per maand.
Terugbetalingsverplichting
5.35
Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van wat er in de procedure is gebleken, dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Tijdens de zitting in hoger beroep is duidelijk geworden dat de vader bij is met de betaling van de alimentatie, zodat het hof moet beoordelen of terugbetaling van de moeder kan worden gevergd of niet. Daarbij betrekt het hof de hoogte van het inkomen van de moeder, het gegeven dat een onderhoudsbijdrage ten behoeve van kinderen doorgaans wordt verbruikt, en het feit dat niet is gebleken dat de moeder over in aanmerking te nemen (box 3) vermogen beschikt. Het hof zal daarom beslissen dat voor zover de vader in de periode vanaf 1 januari 2024 tot heden meer heeft betaald dan waartoe hij krachtens deze beschikking gehouden was, de moeder deze bijdragen niet hoeft terug te betalen.
5.36
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 23 juni 2025 ten aanzien van de daarin vastgestelde omgangsregeling en bepaalt aanvullend, dat de vader de moeder (uiterlijk) één uur voorafgaand aan de omgang een e-mail stuurt met de tekst: “ik ben er”, bij gebreke waarvan de moeder [minderjarige] voor het desbetreffende omgangsmoment niet aan de vader behoeft af te geven, zonder dat dat omgangsmoment later zal worden gecompenseerd;
vernietigt de beschikking van de rechtbank van 23 juni 2025 ten aanzien van de vastgestelde kinderalimentatie, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
bepaalt de door de vader aan de moeder met ingang van 1 januari 2024 te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] op € 144,-- per maand, met ingang van 1 januari 2025 op € 153,-- per maand en met ingang van 1 januari 2026 op € 160,-- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de moeder de door de vader teveel betaalde kinderbijdragen over de periode vanaf 1 januari 2024 niet aan de vader behoeft terug te betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F Miedema, mr. A.V.T. de Bie en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. E.W.K. Bosman als griffier en is op 28 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.