ECLI:NL:GHAMS:2026:2053

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
200.368.011/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 lid 1 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens positieve ontwikkeling

De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van een 13-jarige minderjarige die sinds januari 2024 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De kinderrechter had de ondertoezichtstelling verlengd tot 31 januari 2027, maar de moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht afwijzing van het verzoek tot verlenging.

Tijdens de zitting bleek dat de minderjarige zich goed ontwikkelt, goede schoolresultaten behaalt en baat heeft bij de hulpverlening van El Caminar. De moeder en de GI waren het erover eens dat de ondertoezichtstelling niet langer noodzakelijk is, hoewel er nog geen contact is tussen de minderjarige en zijn vader. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde eveneens beëindiging van de ondertoezichtstelling.

Het hof oordeelde dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, maar dat deze inmiddels is afgenomen door de positieve effecten van de hulpverlening. De ondertoezichtstelling wordt daarom beëindigd vanaf de datum van de beschikking en het verzoek tot verlenging wordt afgewezen. De moeder zal de minderjarige motiveren de hulpverlening in het vrijwillig kader voort te zetten.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt beëindigd vanaf de datum van de uitspraak wegens positieve ontwikkeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.368.011/01
zaaknummer rechtbank: C/15/372684 / JU RK 25-1770
beschikking van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. C. Ekholm te Leiden,
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
- [de vader] , hierna: de vader.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (13 jaar). De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 januari 2027.
De moeder is het daar niet mee eens en vindt dat het inleidend verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen, alsnog moet worden afgewezen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 24 april 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 januari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter).
2.2
De GI heeft geen verweerschrift ingediend.
2.3
De zitting heeft op 26 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- twee vertegenwoordigers van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark, die in verband met weeralarm code rood via een videoverbinding aanwezig was.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen
.
2.4
Bij aanvang van de zitting heeft de moeder meegedeeld dat [minderjarige] de uitnodiging voor het kindgesprek voor 24 juni 2026 niet heeft ontvangen, maar is meegekomen naar het hof en graag zijn mening kenbaar maakt. Hierna is de zitting geschorst en heeft de voorzitter, in het bijzijn van de griffier, met [minderjarige] gesproken. Na het kindgesprek is de zitting hervat. De voorzitter heeft een samenvatting van de inhoud van het gesprek met [minderjarige] aan partijen gegeven en zij hebben daarop kunnen reageren.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2012 te [plaats C] .
[minderjarige] woont bij de moeder. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] staat sinds 31 januari 2024 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is in de bestreden beschikking laatstelijk verlengd tot 31 januari 2027.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de GI, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 januari 2027.
4.2
De moeder verzoekt, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de GI betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling, alsnog af te wijzen.
4.3
De GI heeft ter zitting in hoger beroep verzocht het verzoek van de moeder deels toe te wijzen, en de bestreden beschikking vanaf heden te vernietigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige kan verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van het tweede lid van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft.
De standpunten
5.2
De moeder stelt dat de kinderrechter ten onrechte de ondertoezichtstelling heeft verlengd.
Zij meent dat de doelen van de ondertoezichtstelling zijn behaald en dat [minderjarige] niet meer ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] ontwikkelt zich goed en hij haalt goede cijfers op school. Zowel de moeder als [minderjarige] ervaren de ondertoezichtstelling als belastend. De moeder ziet dat [minderjarige] is gebaat bij de hulpverlening van El Caminar en deze hulpverlening zal dan ook worden voortgezet in het vrijwillig kader. De ondertoezichtstelling werkt averechts voor [minderjarige] omdat er druk op hem wordt uitgeoefend om te werken aan het contactherstel met zijn vader. Deze druk maakt de weerstand die [minderjarige] ervaart om zijn vader weer te zien, alleen maar groter. Het is belangrijk dat [minderjarige] aan zijn trauma’s kan werken zonder dat hij telkens de druk voelt om over zijn vader te praten, aldus de moeder.
5.3
De GI heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de GI eind 2025 de verlenging van de ondertoezichtstelling heeft verzocht omdat er toen nog sprake was van een ontwikkelingsbedreiging, de moeder niet altijd voldoende meewerkte en er nog geen sprake was van contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. De GI heeft gemerkt dat de vader teleurgesteld is dat hij nog geen contact heeft met [minderjarige] en dat hij zich steeds meer terugtrekt. Een voorbeeld daarvan is dat de vader geen kaartje naar [minderjarige] heeft gestuurd ondanks het aanbod van de GI om het kaartje via de GI toe te sturen. Dit maakt het voor de GI lastig om hulp te bieden en aan de doelen van de ondertoezichtstelling te werken. Op dit moment ziet de GI geen noodzaak meer voor de ondertoezichtstelling omdat er geen ontwikkelingsbedreiging meer is voor [minderjarige] . De GI ziet dat het goed gaat met [minderjarige] , dat de voor hem ingezette hulpverlening goed loopt en bevestigt dat hij goede cijfers op school haalt. Daarnaast werkt de moeder goed mee en wil ook zij dat de ingezette hulp wordt voortgezet.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te vernietigen en de ondertoezichtstelling te beëindigen. De ondertoezichtstelling is nu niet meer in het belang van [minderjarige] omdat hij zich goed ontwikkelt. Volgens de raad is de ontwikkelingsbedreiging nog wel aanwezig omdat [minderjarige] geen contact heeft met zijn vader. Ondanks het feit dat [minderjarige] op dit moment geen contact heeft met zijn vader, acht de raad het van belang dat [minderjarige] een neutraler beeld krijgt van zijn vader en dat [minderjarige] niet enkel boosheid ervaart wanneer hij over hem spreekt. De raad spreekt de hoop uit dat de hulpverlening vanuit El Caminar hierbij kan helpen.
De beoordeling door het hof
5.5
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verhouding tussen de ouders al jarenlang ernstig is verstoord. Begin 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI omdat de zorgen die er waren niet weggenomen konden worden in het vrijwillig kader. Deze zorgen hadden onder andere betrekking op het feit dat [minderjarige] al sinds de zomer van 2023 geen contact meer had met zijn vader en dat er tussen de ouders geen enkele vorm van communicatie was. Daarnaast uitte de school zorgen over het negatieve gedrag van [minderjarige] , dat door de moeder gebagatelliseerd werd. Er was behoefte aan inzicht in wat [minderjarige] nodig had om zijn trauma’s te verwerken. De moeder werkte niet volledig mee aan de inzet van hulpverlening. In december 2025 is de hulpverlening vanuit El Caminar gestart. Met [minderjarige] wordt gewerkt aan het in kaart brengen van zijn behoefte aan contact met de vader en het verwerken van traumatische gebeurtenissen uit het verleden.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] . De ouders waren ten tijde van de bestreden beschikking nog onvoldoende in staat op eigen verantwoordelijkheid de genoemde bedreigingen weg te nemen. Daarom is naar het oordeel van het hof ten tijde van de bestreden beschikking voldaan aan de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] .
5.6
Uit de stukken en hetgeen is besproken ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er in de afgelopen maanden positieve ontwikkelingen zijn geweest. Het lijkt goed te gaan met [minderjarige] . Hij heeft baat bij de hulpverlening van El Caminar, zijn gedrag op school is in positieve zin veranderd en hij haalt hoge cijfers, zo heeft de GI ter zitting in hoger beroep verklaard.
Ook [minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek met de voorzitter verklaard dat hij de hulpverlening bij El Caminar erg prettig vindt. [minderjarige] onderneemt leuke activiteiten met zijn begeleider [naam] en kan bij hem terecht als hij ergens mee zit. [minderjarige] heeft zowel bij de GI als tijdens het kindgesprek laten weten dat hij op dit moment geen contact wil met de vader. [minderjarige] heeft het gevoel dat er aan hem getrokken wordt en vindt het belastend dat hij telkens opnieuw zijn verhaal moet vertellen aan verschillende jeugdhulpverleners.
5.7
Hoewel de zorgen nog steeds bestaan – [minderjarige] heeft geen contact met de vader en de ouders kunnen niet met elkaar communiceren – is het hof op grond van het voorgaande van oordeel dat er nu geen ernstige bedreiging meer bestaat voor de ontwikkeling van [minderjarige] , gezien de positieve effecten van de hulpverlening op zijn gedrag. Het hof acht het, evenals de GI en de raad, in het belang van [minderjarige] dat de hulpverlening bij El Caminar doorloopt. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep dit belang onderschreven en toegezegd [minderjarige] hiertoe te motiveren als de hulpverlening in het vrijwillig kader wordt voorgezet. Voorts overweegt het hof dat de weerstand bij [minderjarige] om zijn vader weer te zien enkel lijkt te worden vergroot bij het voortduren van de ondertoezichtstelling. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat, als [minderjarige] op een later moment contact wil opnemen met zijn vader, zij hem hierin zal steunen. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat op dit moment niet meer aan de gronden van artikel 1:255 BW Pro is voldaan. Daarom zal het hof de ondertoezichtstelling beëindigen en het inleidend verzoek van de GI afwijzen voor zover het de periode vanaf de datum van deze beschikking betreft.
5.8
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd over de periode van 31 januari 2026 tot heden;
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd over de periode vanaf heden;
wijst alsnog af het inleidend verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor zover het de periode vanaf heden betreft;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. J.M.I. Vink, in tegenwoordigheid van L.C. Evers als griffier en is op 28 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.